Vannacht heb ik de Dood staan koken en toch naar geen soep getracht. De mensen der stad hebben ‘t geroken en trokken mijn deur langs de ganse nacht. Zij werden onrustig en ik kon lezen in hun ogen omlijst met angst-in-groen: wat moeten wij nu aan ‘t eind van ons wezen met ons onvereeuwigbaar leven doen?
Accenten
De lucht is vol accenten van een oude vriend. Hoe die de kinderliedjes mede zong, wanneer van meisje, dat niet van hem was gediend, het kind toch tussen zijn knieën sprong. Waarom hoor ik dat nu zo goed? De kinderen van heden zingen niet meer zo van de verschijnselen der natuur en waar zij achter ballen springen vindt hun intentie in de sport haar moed en is het niet meer om het zonnevuur.
Idealen
De dag staat zo strak, zo inkoop blauw en zilver over de dingen geklokt. De prijs van het schone in man en vrouw is tegen hun voorhoofd geblokt en over hun borsten hangt als een sjaal met andere blokken mat-rood de tekening van hun ideaal en de franjes van vlak voor de dood.
Je verwacht ronddraaiende ijsbrokken te zien zuidwaarts drijvend naar het open water van de oceaan, maar nee, een moment van witverblinding als het draaiende ijs bij zonsondergang noordwaarts drijft. In een restaurant met een leeg scherm staat een vrouw op en zingt een Chinees lied ondersteund door een ‘leeg orkest’. Begeleidingsmuziek vult de ruimte en de lichtbundel van een laserdisc werpt rode hibiscus en een waterval op het scherm. Je bent niet geïnteresseerd in het zingen en het volgen van de woorden terwijl ze veranderen van geel naar paars over de tekstmonitor. Daarom loop je naar buiten het blauwgroene gletsjer ijs op en voelt hoe het in de lente tot water slinkt. Je ontdekt twee elanden langs de dooiende oever die wroeten naar knoppen en ziet het aangeplakte verbod ‘Vanaf hier verboden te schieten.’ Maar ‘hier’ is ‘daar’.
Een dik pak sneeuw brengt alles terug tot afstand en hoogte. We dossen ons uit en blijven thuis. Met elk derde blok brandhout gooien we een oude gewoonte op het vuur. We verzinnen verhalen over hoe we hebben gejaagd.
Dan worden we enkel ons ademen en beloven: er komt meer dan leeftijd alleen.
Morgen slapen we uit. De kinderen zingen: ‘En de slagers waken over de weilanden.’
WE HEBBEN STROOM NODIG
Het water haalt zich hier – in de bocht bij de brug – keer op keer in; tekent krullen op het oppervlak terwijl het flessen, touw en stokjes, yoghurtbekers, dopjes en stukken van plastic tassen aan de kant, voor onze voeten, draagt.
Zo is ook deze stad ooit op de kade geklapt.
Dave en ik drinken en kijken naar de boten die voorbijvaren. We praten nauwelijks en als we al iets zeggen is het langzaam, klinkt het lager.
We kunnen niet tegen water.
We gooien onze flessen de Waal in; geloven dat we ze kunnen volgen tot voorbij de elektriciteitscentrale.
We stoppen er geen briefjes in; denken dat de boodschap ondanks dat wel duidelijk is.
VANAF VANDAAG IS HET EEN KETTINGREACTIE
Ik sta paraat, heb mijn zaad klaar; de komende zomer zal ik planten temmen. Zoals de dag een kortere versie van het jaar is, zo ben ik de maker; ben ik deze mensen werpende aarde waarop alles richting zon draait. Ik denk groen.
Niets is anorganisch, ik kan alles doen groeien. Het is al ochtend, laten we opstaan; buiten is er alles.
Lopend over een pad in het arboretum van de Manoa Valley gebaart hij mij te stoppen terwijl hij probeert te onderscheiden of er zojuist een roodoorbuulbuul of een roodbuikbuulbuul op een tak is neergestreken. Ik ontdek een macadamianoot op de grond, kijk omhoog in een boom ernaast en schrik van twee enorme nangkavruchten die aan de stam hangen. Een inzicht verschijnt nooit zoals een varenblad zich in de nevel ontvouwt, het verschijnt terwijl ik over een wortel struikel, een mug op mijn arm plet. Wij gaan verder maar stoppen voor vliegjes die in een wolk opstijgen als we in een hoop rozenappels trappen die op de grond liggen te rotten Ook al lopen we een doodlopend pad af naar waar water van een steile rotswand stroomt, de geest stopt hier: hier laten de vliegenzwammen een wolk sporen los in de koele augustuslucht; hier werpen geliefden aardschijnsel op een wassende halve maan; hier gaat de telefoon over en hoor ik van een zelfmoord, een speldegat groeit uit tot een eclips; hier druppelt water terwijl ik afdaal in een hellende zwarte lavatunnel.
(Herak was tried in 1992 for war crimes committed against Moslems in and around Sarajevo. The Sonja Cafe was an improvised prison for Moslem women, frequented by Herak.)
When I joined the nationalist volunteers
they gave me a woman, a television and video. At the Sonja Cafe, Miro took me to the women. Emina, Sabina, Amela, Fatima – we had them all. There were always more arriving. It was easy.
You just picked up a key and went to a room. I remember Fatima. A nice woman – about thirty years old. We gave her tea. Me and Miro took her in the car. Later we stopped by a small bridge and I told her
to get out. She walked about three steps from us, with her back to me – she did not turn – and I shot her. I went to her just to be sure. In the torchlight, something pink slid from just above her neck. She did not move.
*
I helped to carry the thirty men from Donja Bioca, the holes in their chests rimmed with purple. We swung them, arms and legs, into the incinerator. Even within the flames some of them moved. One even turned
his head, looked at me. I remember most the little girl in red at Ahatovici. Her brothers and sisters, aunts and friends, all shuffled backwards, made little cries, before we fired.
*
One day, Sreten took me to the compound. He showed me how to wrestle pigs to the ground hold their heads back by their ears and slit their throats. It was easy.
Sreten is sixty-five. Next day we tried it again on three prisoners. It was just a short cut – and they were dead. They did not squeal. They just gurgled through the black slots
above the small of their chests. Here. They did not squeal, like pigs. Except Osman. I have pictures in my mind, and they return each night.
Osman, whose throat I cut, he is always there. He says – Please don’t kill me I have a wife and two small children. Please. He speaks through the wound.
*
Now there are trials. Many words, journalists with their microphones. I am on the television. They will stand me in front of a wall and shoot me. My father is ashamed. I say –
That’s OK old man, you just stay and wait for the shells to kill you. I tell the priest – If there were a God, I would not have been caught. I am sorry. I did what I did.
You would have done the same.
Eind september
(naar Bertolt Brecht, ‘Lente 1938’)
Er was dauw geweest. Misschien lichte regen. En een vlek trok mijn aandacht naar dat streepje licht door mijn keukenraam. Dichterbij. Ik zag
tangpoten elke draad afmeten. Die pauze van de buik voordat deze inzakt om elke schakel te puntlassen. Ik nam een stoel mee buiten
om op staan. Uitgestrekt. Ik wilde leven. Ik kon met mijn vingertop over het fluwelen bruin van zijn rug strijken, tegen het dons, en nog eens
totdat het midden in de lucht bevroor, acht poten uitgestrekt, nog steeds als een kind dat ontwaakt uit een trance van spel. Daar – hetzelfde wezen waar ik mijn pantoffel voor op zou heffen,
over het tapijt zou jagen om in een vlek te eindigen. Ik zou het niet in mijn hand willen hebben. In mijn haar. Toch ging het – hij – tot het uiterste om mug en bromvlieg
te strikken, datgene wat een soep zou bederven of bloed. Uren. Voor één keer nam ik de tijd. Zag het doel compleet, zijn radii,
hoog gespannen tussen raam en waslijn. Ik dacht aan de rotatie van cellen die zo’n wonder kunnen verrichten. Ik dacht aan dichters wier woorden
ontoereikend zijn. De spin doet het gewoon. Leest hoeken – maar niet deze vreemde donder, zijn opgeblazen tongen van vogels. Overal. Vogels die op zoek zijn naar spinnen.
Ik was bang dat er iets onwetend door dat zuurverdiende web zou scheren. Een gierzwaluw misschien, onmogelijk laat. Ik zag spinnenprooi. Hangend daar
“Afgezien van de spectaculaire kant van sommige van de door Marie in het verleden gecreerde jurken — de sorbetjurk, de jurk van aspalathos en rozemarijn, de jurk van zeegorgoon die werd opgeluisterd met halssnoeren van zee-egels en oorhangers van venusschelpen — waagde Marie zich soms, in het grensgebied van de mode, op een experimenteel terrein dat verwantschap vertoonde met de meest rigoureuze experimenten in de hedendaagse kunst. Op grond van een theoretische reflectie op het begrip haute couture als zodanig, was ze uitgekomen bij de oorspronkelijke betekenis van het woord couture',naad’, in de zin van het aaneenvoegen van materialen door middel van verschillende technieken, de stiksteek, de rijgsteek, de haak of verbinding, die het mogelijk maken stoffen samen te voegen op het lichaam van de modellen, ze nauw te laten aansluiten op de huid en onderling met elkaar te verbinden, met als uiteindelijk resultaat dat ze dat jaar in Tokio een naadloze haute- couturejapon presenteerde. Met de honingjapon bedacht Marie een jurk die, door niets vastgezet, zich helemaal vanzelf om het lichaam van het model sloot, een jurk in levitatie, een lichte, stromende, smeltende, langzaam vervloeiende jurk die als stroop was, gewichtsloos zwevend in de ruimte en dicht, dichter kon niet, tegen het lichaam van het model, want het lichaam van het model was de jurk zelf. De jurk van honing was voor het eerst gepresenteerd in het Spiral-gebouw in Tokio. Het was de apotheose van de recentste herfst-wintercollectie van Marie. Aan het slot van de show trad de laatste mannequin tevoorschijn uit de coulissen, gekleed in die japon van amber en licht, alsof haar lichaam integraal ondergedompeld was geweest in een reusachtige pot honing voordat ze de catwalk opkwam. Naakt, en in honing, druipend, zo liep ze over het podium, heupwiegend op de maat van het strakke ritme van de muziek, hooggehakt, glimlachend, met in haar gevolg een zwerm bijen die haar zwevend in de lucht al zoemend begeleidde, aangetrokken door de honing, als een langgerekte en abstracte wolk van gonzende insecten die haar bij haar optreden vergezelden en samen met haar aan het uiteinde van de catwalk omkeerden in een dwarrelende zwenking, als een wild uitwaaierende, kronkelende en levende sjaal, wemelend van vliesvleugeligen die ze met zich meevoerde op het moment waarop ze het toneel verliet. Dat was, althans, de grondgedachte. In de praktijk hadden de moeilijkheden zich opgestapeld, en de presentatie van de honingjurk in het Spiral-gebouw in Tokio had maanden werk vereist, het samenstellen van een klein gespecialiseerd team dat zich uitsluitend aan het ontwikkelen van het honingjurkproject had gewijd.”
Jean-Philippe Toussaint (Brussel, 29 november 1957)
een enkel neongehuil duizenden tokens en voorbijgangers toeschouwers van circus en toeval levend gevild door hartstocht de woestijn zo mooi en zo rood Las Vegas zijn dobbelstenen en roulette lakens zijn Eiffeltoren, zijn gondels, deze hemel van Venetië zo blauw, zo fake eetbaar bloemblad weergegeven als het omgekeerde van vrijheid strip van de toekomst, marketingtoezicht
De Ierse schrijver die Paul Lynch ontvangt de Booker Prize voor zijn dystopische roman ‘Prophet Song’. Paul Lynch werd geboren op 9 mei 1977 in Limerick in het zuidwesten van Ierland. Zie ook alle tags voor Paul Lynch op dit blog.
Uit: Prophet Song
“The night has come and she has not heard the knocking, standing at the window looking out onto the garden. How the dark gathers without sound the cherry trees. It gathers the last of the leaves and the leaves do not resist the dark but accept the dark in whisper. Tired now, the day almost behind her, all that still has to be done before bed and the children settled in the living room, this feeling of rest for a moment by the glass. Watching the darkening garden and the wish to be at one with this darkness, to step outside and lie down with it, to lie with the fallen leaves and let the night pass over, to wake then with the dawn and rise renewed with the morning come. But the knocking. She hears it pass into thought, the sharp, insistent rapping, each knock possessed so fully of the knocker she begins to frown. Then Bailey too is knocking on the glass door to the kitchen, he calls out to her, Mam, pointing to the hallway without lifting his eyes from the screen. Eilish finds her body moving towards the hall with the baby in her arms, she opens the front door and two men are standing before the porch glass almost faceless in the dark. She turns on the porch light and the men are known in an instant from how they are stood, the night-cold air suspiring it seems as she slides open the patio door, the suburban quiet, the rain falling almost unspoken onto St Laurence Street, upon the black car parked in front of the house. How the men seem to carry the feeling of the night. She watches them from within her own protective feeling, the young man on the left is asking if her husband is home and there is something in the way he looks at her, the remote yet scrutinising eyes that make it seem as though he is trying to seize hold of something within her. In a blink she has sought up and down the street, seeing a lone walker with a dog under an umbrella, the willows nodding to the rain, the strobings of a large TV screen in the Zajacs’ house across the street. She checks herself then, almost laughing, this universal reflex of guilt when the police call to your door. Ben begins to squirm in her arms and the older plainclothesman to her right is watching the child, his face seems to soften and so she addresses herself to him. She knows he too is a father, such things are always known, that other fellow is much too young, too neat and hard-boned, she begins to speak aware of a sudden falter in her voice. He will be home soon, in an hour or so, would you like me to give him a ring? No, that will not be necessary, Mrs Stack, when he comes home could you tell him to call us at his earliest convenience, this is my card. Please call me Eilish, is it something I can help you with? No, I’m afraid not, Mrs Stack, this is a matter for your husband. The older plainclothesman is smiling fully at the child and she watches for a moment the wrinkles about the mouth, it is a face put out by solemnity, the wrong face for the job.”
De Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang werd geboren in Gwangju op 27 november 1970. Han Kang is de dochter van romanschrijver Han Seung-won en kind van een schrijversfamilie; haar broers zijn ook schrijver. Ze studeerde Koreaanse literatuur aan de Yonsei University in Seoul. Ze won de Yi Sang Literary Prize, de Today’s Young Artist Award en de Korean Literature Novel Award. In 2016 won ze de International Booker Prize voor fictie voor “De Vegetariër”, samen met vertaler Deborah Smith. Ze was de eerste Koreaan die genomineerd werd voor de prijs. Han Kang begon haar literaire carrière als dichter. Later werd zij bekend als romanschrijver. Haar debuutroman werd in 1995 gepubliceerd in Zuid-Korea. Buiten Zuid-Korea werd Han Kang bekend met de roman ”De Vegetariër” ,een roman over de beslissing van een vrouw om te stoppen met het eten van vlees en de verwoestende gevolgen van deze daad van passieve rebellie. ”De Vegetariër” is in meer dan dertig talen vertaald. Over de studentenopstand in Gwangju in 1980 schreef Han Kang de roman “Mensenwerk”. De opstand in haar geboortestad was een vormende ervaring voor Han Kang, hoewel ze tijdens de opstand net verhuisd was naar Seoul. Over de herinneringen aan het verlies van haar oudere zus, een baby die twee uur na haar geboorte stierf, schreef Han Kang “Wit”, haar derde in het Nederlands vertaalde boek. In 2023 verscheen Han Kang’s eerste uit het Koreaans vertaalde roman in het Nederlands, “Ik zeg geen vaarwel”, vertaald door Mattho Mandersloot. Han Kang heeft zeven romans gepubliceerd in Zuid-Korea en zijn onder meer vertaald in het Nederlands, Engels, Frans, Arabisch en het Spaans. In 2024 won ze de Nobelprijs voor Literatuur voor “haar intense poëtische proza, waarin ze historische trauma’s onder ogen ziet en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt.”
Uit: Ik zeg geen vaarwel (Vertaald door Mattho Mandersloot)
“Het sneeuwt onophoudelijk. Ik sta op een uitgestrekte vlakte die aan het einde overgaat in een lage heuvel. Op de helling prijken duizenden zwarte boomstammen. De bomen zijn allemaal verschillend in grootte, als een groep mensen van diverse leeftijden, en ongeveer zo dik als spoorbielzen. Maar in tegenstelling tot bielzen, die kaarsrecht naast elkaar liggen, hellen de stammen licht naar de ene of de andere kant. Zo lijken duizenden dunne mensen – mannen, vrouwen en kinderen – elkaar in de ogen te kijken, de armen naast het lichaam. Zijn het graven? denk ik. Is elk van deze bomen een grafsteen? Ik loop langs de zwarte bomen, waarvan het bladerdak volledig is gekapt, zodat de sneeuw als een laag zoutkristallen boven op de platte bast blijft liggen, en zie bij elke boom een kleine grafheuvel. Als ik opeens water onder mijn schoenen hoor klotsen blijf ik stilstaan. Wat vreemd, denk ik nog, maar voor ik het weet komt het water al tot mijn enkels. Ik kijk achterom en geloof mijn ogen niet. In de verte, waar ik toch echt een droge horizon dacht te hebben gezien, ligt de zee. Het is vloed. Wie graaft er nou een graf op een plek als deze? zeg ik hardop, zonder dat ik er erg in heb. De zee rukt steeds sneller op. Komt de vloedlijn elke dag tot hier? Zijn de botten in de graven achter me dan al weggespoeld, zijn alleen hun grafheuvels nog over? De tijd tikt. Voor de graven die al onder water staan kan ik niets meer betekenen, maar de botten boven aan de heuvel moet ik verplaatsen. En wel onmiddellijk, voordat de zee nog verder oprukt. Maar hoe? Ik ben alleen. Ik heb geen schep. Hoe gaat dit me ooit lukken? Machteloos haast ik me langs de zwarte bomen, wadend door het inmiddels kniehoge water. Toen ik mijn ogen opendeed, was de zon nog niet op. Door het raam wierp ik een blik op de donkere buitenwereld – geen sneeuwvlakte, geen zwarte bomen, geen zee – en ik deed mijn ogen weer dicht. lk realiseerde me dat ik voor de zoveelste keer hetzelfde had gedroomd en legde mijn koude handpalmen over mijn oogleden. Ik had de droom voor het eerst gehad in de zomer van 2014, bijna twee maanden na de verschijning van mijn boek over een historisch bloedbad. In de vier jaar daarna dacht ik precies te weten waarover de droom ging. Vorige zomer vroeg ik me pas voor het eerst af of een ruimere interpretatie mogelijk was, of ik niet te simpel en te intuïtief had geredeneerd, of mijn conclusie wellicht overhaast was geweest. Die zomer volgden bijna twintig tropisch warme nachten elkaar op. Een van die nachten lag ik in de woonkamer onder de eeuwig kapotte airco en probeerde in slaap te vallen. Al een paar keer was ik onder een koude douche gaan staan, maar mijn bezwete lichaam koelde niet af, zelfs niet nu ik met mijn rug op het linoleum lag. Pas rond vijf uur in de ochtend voelde ik mijn lichaamstemperatuur enigszins dalen. Het godsgeschenk was van korte duur, want nog geen dertig minuten later kwam de zon alweer op. Precies toen ik dacht in slaap te vallen, nee, toen ik daadwerkelijk voelde dat ik indommelde, gebeurde het. In een flits stormde de sneeuwvlakte mijn blikveld binnen. Sneeuwvlokken dwarrelden neer op de duizenden zwarte boomstammen en vormden een soort glinsterende laag zoutkristallen in een springlevend tableau, alsof ik er echt stond.”
Uit: Jeder soll von da, wo er ist, einen Schritt näher kommen
„Manche sagen: Das Leben ist, was es ist, das Ergebnis von chemischen, atomaren und genetischen Prozessen, sozusagen ein Supercomputer, der sich durch Trial and Error von selbst immer weiterentwickelt, durch Versuch und Irrtum, Auslese und Anpassung, Ursache und Wirkung. Opa gab dann stets zu bedenken, dass irgendwer diesen Computer, der alles in Gang setzt, doch gebaut und programmiert haben müsse. Und wenn die anderen beharrten: Nein, es gebe niemanden, der das Leben baut und programmiert, das entstehe von selbst und verschwinde auch wieder wie ein Tropfen Wasser, der verdampft und sich in Luft auflöst – dann sagte Opa immer: Etwas, das ist, kann nicht einfach nichts werden, weder ein Tropfen Wasser noch der Mensch oder überhaupt unsere Existenz. Und er behauptete sogar, dass die Vorstellung, etwas könne zu nichts werden, für Kinder beinah denkunmöglich sei. Und weißt du was? Ich glaube, Opa hatte sogar recht. Es ist doch interessant, dass Kinder, wenn ich mich nicht täusche, so gut wie nie am Sinn des Lebens zweifeln, auch gar nicht groß darüber grübeln, Erwachsene hingegen sehr wohl. Oh ja, und wie sie zweifeln und grübeln! Also muss zwischen dem Kindsein und dem Erwachsen-sein etwas unseren Glauben erschüttern, dass alles schon seine Ordnung habe. Versuch dich selbst zu erinnern: Hast du früher, als du noch klein warst, etwa viel über den Tod nachgedacht? Doch wohl eher nicht. Du wusstest zwar, dass wir alle sterben, aber es hat dich nicht beschäftigt; es kam dir vor, als würde das Leben schon irgendwie weitergehen. Angst hattest du schon mal gar nicht, im Gegenteil: Für dich war es das Natürlichste der Welt, wenn ich vom Jenseits sprach, vom Himmel, von Engeln und vom ewigen Leben. Du konntest dir einfach nicht vorstellen, dass etwas, was ist, plötzlich nicht mehr sein soll, von einem auf den anderen Atemzug. Erst jetzt, da dein eigener Opa gestorben ist und du auch älter geworden bist, immerhin schon zwölf, hast du den Tod von Angesicht zu Angesicht kennengelernt. Und du hast geweint am Grab. Du hast gemerkt, da stimmt etwas nicht, Opa ist jetzt weg, er wird dir nie mehr eine Geschichte erzählen, du wirst nie wieder im Sommer mit ihm ans Meer fahren. Vielleicht hast du zum ersten Mal darüber nachgedacht, dass du selbst einmal unter der Erde liegen wirst in so einem kalten, unwirtlichen Grab. Dass wir alle zu Staub werden, deine Mutter, dein Vater, deine Schwester. Und ich glaube, es ist unter anderem genau diese bewusste Begegnung mit dem Tod, die zwischen dem Kindsein und dem Erwachsensein geschieht. Es muss gar nicht unbedingt ein bestimmter Mensch sein, der stirbt; ich meine einfach die klare Einsicht, dass wir alle irgendwann nicht mehr da sein werden, niemand von uns. Und zwei, drei oder spätestens vier Generationen nach uns auch niemand mehr, der sich an uns erinnert.“
in de verte Praag, de brug de burcht de tijd op de klokkentoren de klokkentoren in de geschiedenis de Joodse begraafplaats op de hoek Skopje, Istanbul andere alfabetten handel in uren en specerijen als een rivier rode saffraan pulserend in de tijd
Christus Koning-beeld voor de Sint-Josephkerk in Alkmaar
Dein König kommt in niedern Hüllen
Dein König kommt in niedern Hüllen, ihn trägt der lastbarn Es’lin Füllen, empfang ihn froh, Jerusalem! Trag ihm entgegen Friedenspalmen, bestreu den Pfad mit grünen Halmen; so ist’s dem Herren angenehm.
O mächt’ger Herrscher ohne Heere, gewalt’ger Kämpfer ohne Speere, o Friedefürst von großer Macht! Es wollen dir der Erde Herren den Weg zu deinem Throne sperren, doch du gewinnst ihn ohne Schlacht.
Dein Reich ist nicht von dieser Erden, doch aller Erde Reiche werden dem, das du gründest, untertan. Bewaffnet mit des Glaubens Worten zieht deine Schar nach allen Orten der Welt hinaus und macht dir Bahn.
Und wo du kommst herangezogen, da ebnen sich des Meeres Wogen, es schweigt der Sturm, von dir bedroht. Du kommst, dass auf empörter Erde der neue Bund gestiftet werde, und schlägst in Fessel Sünd und Tod.
O Herr von großer Huld und Treue, o komme du auch jetzt aufs Neue zu uns, die wir sind schwer verstört. Not ist es, dass du selbst hienieden kommst, zu erneuen deinen Frieden, dagegen sich die Welt empört.
O lass dein Licht auf Erden siegen, die Macht der Finsternis erliegen und lösch der Zwietracht Glimmen aus, dass wir, die Völker und die Thronen, vereint als Brüder wieder wohnen in deines großen Vaters Haus.
Friedrich Rückert (16 mei 1788 – 31 januari 1866) De Heilig-Geist-Kirche in Schweinfurt, de geboorteplaats van Friedrich Rückert
The Words “She doesn’t find it the least bit surprising that she has no memory, that she feels completely devoid of recollections. She may not even realize that she’s living in an absolute void. She is quite concerned( about: t: something else, about her capacity to find the right word for each thing and receive a cup of tea when she says I want (and that “I want” also disconcerts her, that act of willing) when she says I want a cup of tea. Martina attends to all her requests. And she knows that’s her name because Martina herself has told her so, repeating it over and over until she managed to • retain the name. As for herself, she’s been told she’s called Laura, but that’s also part of the haze in which her life drifts by. There’s also the man: that one, him, the no-name she can call by any name that happens to cross her mind; they’re all just as effective, anyway, and when the guy’s around the house he answers even if she calls him Hugo, Sebastian, Ignacio, Alfredo or anything else. He seems to be around the house often enough to keep her calm, a little, stroking her shoulders and arms, in a progression not lacking in tenderness. Then there are the everyday objects: the ones called plate, bathroom, book, bed, cup, table, door. It’s exasperating, for example, to confront the one called door and try to figure out what to do. A locked door, yes, but there are the keys, on the ledge, within her reach, and the lock’s easy to open, her fascination with the beyond, which she can’t make up her mind to face. She, so-called Laura, is on this side of the so-called door, with its so-called locks and its so-called key begging her to cross the threshold. But she can’t; not yet. Facing the door, she thinks about it and realizes she can’t, although no one appears to care much. Suddenly the so-called door opens and the man we will now call Hector walks in, proving that he also has his set of so-called keys and uses them quite freely. If she stares at him when he walks in —it’s happened to so-called Laura before – she discovers that two other men arrive with Hector and stay outside the door, trying to look inconspicuous. She calls them One and Two, which sometimes gives her a sense of safety and other times makes a shudder run through her. Then she welcomes him knowing that One and Two are standing outside the apartment (apartment?) right outside the so-called door, maybe waiting or protecting him, and sometimes she can imagine that they’re with her and that they escort her, especially when he stares into her eyes as if he were weighing out the memory of old things about her which she doesn’t share in the least. Sometimes her head aches, and that pain is the only thing that really belongs to her and that she can communicate to the man. Then he gets worried, both hoping and fearing that she’ll remember something specific.”
geen begraafplaatsen eigenlijk alleen de doden woorden om niet te zeggen, geen voornamen, niemands naam nog geen ongeluk, kleine voetstapjes die bevriezen elk jaar loop ik door een nieuwe stad met woorden, botten, haar, bril ik loop met iemand die een boek heeft geschreven “toen op zijn tenen wegging”* om de horizon de dag na de horizon te vinden
Uit: Simons vrouwendienst. Waarom ik geen Vestdijk-biograaf werd
“Hoewel ik ernaar snakte dat er iemand zou opstaan die zou uitroepen dat ik ten enenmale de vereiste vermogens miste om de biografie van Vestdijk te schrijven – en mijn hoop was daarbij gevestigd op zo’n roemruchte autoriteit als Kees Fens, van wie ik weet dat hij weinig met mij op heeft (zoals ik ook op mijn beurt weinig met deze paap op heb, ik hoor nadrukkelijk niet tot de fans van Fens) – lokte het vooruitzicht langs de ‘Vestdijk-vrouwtjes’, gevoerd te worden, zoals Martin Ros ze beliefde te noemen, mij wel aan. Zulke bezoekjes zouden mij uiteraard nog niet verplichten tot het schrijven van de biografie. Daar gingen wij dus. Onze eerste tocht voerde naar Jeanne van Schaik-Willing. Nog zie ik voor mij hoe zij, woonachtig in zo’n huis te Amsterdam waar je meteen na de deur de trap op moet, op de eerste verdieping over de balustrade van de trapleuning omlaag tuurde toen wij de treden opstommelden. Wat een aandoenlijk aardig, ja zelfs nog mooi te noemen gezicht doemde daar op in het halfduister. Zo lieflijk omlijst met grijs haar. En toch bleek ze nog kwiek, en allemachtig aardig, maar tegelijkertijd, zo merkte ik al spoedig toen wij van een kopje thee waren voorzien, wat Vestdijk betrof een informante waar bedroevend weinig uit te halen viel. Al wat ze te vertellen had, was dat Vestdijk haar huis als alibicentrale en uitvalsbasis gebruikt had om Henriëtte van Eyck te veroveren. Hoe dat precies z’n beslag had gekregen, en of Jeanne daar wellicht onder had geleden, of misschien zelfs jaloers was geweest, daarover kregen wij niets te horen. Ik had ook niet de indruk dat ik, zou ik daar ooit nog terugkomen, alsnog uitvoeriger geïnformeerd zou worden. Ik begreep wel dat ik daar ontzaglijk veel thee zou moeten drinken om akelig weinig te weten te komen. Zelfs over de roman in brieven die Vestdijk samen met haar heeft geschreven, een boek waar ik een groot zwak voor heb – mede omdat het speelt in het gebied waar ik als dienstplichtig militair tot vaandrig werd opgeleid -, kreeg ik van Jeanne alleen te horen dat Vestdijk de plot had bedacht, en dat het werk probleemloos ontstaan was: hij schreef een brief, zij schreef een brief terug, en zo maar door, zonder enig conflict of wanklank of zelfs overleg. ‘Jetje’, dat was het toverwoord dat steeds maar weer viel, die lange avond bij Jeanne van Schaik-Willing. Jetje, daar moesten we heen, dat was Simons grootste vlam, ja zijn grootste liefde geweest. Van Jetje had hij, voorzover hij überhaupt van iemand houden kon, echt opmerkelijk veel gehouden, en dat het niet tot een huwelijk was gekomen, bleef een groot raadsel dat om een oplossing smeekte.”
Soms ontvlam ik vanwege de bevolking wie dan ook kan nu de lijken tellen met hun naam of zonder hun gezichten in nachten dat het te donker is ontvlam ik tenminste in een stad soms zijn het er twee op dezelfde avond en ik glimlach niet
„Auf den ersten Blick wirkt es wie ein aussichtsloses Unterfangen, ein Schiff in einem Wintersturm von Eis zu befreien. Das Eis sieht nicht nur aus wie Glas, es ist auch ebenso hart wie Glas, und wenn das Ganze erst mal so weit fortgeschritten ist wie auf unserem Schiff, dann reden wir nicht mehr über einen dünnen Eisüberzug, den ein Kind mit einem Steinwurf zerschmettern könnte, sondern über eine massive, bizarr geformte Skulptur aus Kristallglas, als hätte ein kunstsinniger Handwerker seiner Fantasie freien Lauf gelassen und sich nur noch lose an den wirklichen Umrissen eines Schiffes orientiert. Über den Schleppnetz-Winden türmt sich das Eis so hoch auf, als wären da kleine Berge oder Ski-Hügel, während die Stützen für die Frischbecken an amerikanische Wolkenkratzer erinnern. Die Reling auf dem Schanzkleid ist zu einer steinernen Gartenmauer geworden, und Drähte und Seile, die normalerweise nicht dicker sind als der Daumen eines kräftigen Bootsmanns, haben nun den Umfang von Abwasserrohren. An den Galgen, über die normalerweise unsere Schleppnetze laufen, hängt das Eis in riesigen Klumpen. Auch das Bootsdeck ist bereits vollkommen mit Eis bedeckt, genau wie das, wovon im Fall der Fälle unser Leben abhängt: die Rettungsboote. Und dann ist da noch der Aufbau auf dem Vorschiff, die Back, mit ihren Winden und Spills. Dort sieht es aus wie auf einem Gletscher, der Ähnlichkeit hat mit dem Vatnajökull, auf dem vor einigen Jahren das Flugzeug Geysir abgestürzt war. Die Besatzung hatte man damals schon aufgegeben und dann nach vielen Tagen doch noch lebend gefunden. Als sich einige Monate später im Frühling eine Suchmannschaft zu der Unglücksstelle aufmachte, um das Flugzeug und seine Fracht zu bergen, war das Wrack schon völlig vom Eis des Gletschers verschlungen worden. Dasselbe war mit dem Schneekufen-Flugzeug passiert, das die U.S. Army geschickt hatte, um die Besatzung der Geysir zu retten — es war sofort nach der Landung festgefroren und musste zurückgelassen werden. Auch der Besatzung des Trawlers Mävur kam es so vor, als müsste sie gegen einen ständig wachsenden Gletscher kämpfen. Alle hatten ihre wärmste Kleidung an, Ölzeug und Watstiefel, die ihnen bis über die Knie gingen. Manche benutzten Hämmer, andere Schraubenschlüssel, manche Stücke von Rohren, Fleischklopfer, Küchenbeile, der Bootsmann schwang eint enorme Brechstange, die man an Land auch Kuhfuß nannte, und die, die es am besten getroffen hatten, arbeiteten mit einer der beiden Eisäxte an Bord, die im Vergleich zu den anderen Gerätschaften sonderbar klein wirkten. Sie wagten sich auf das vereiste Vorschiff, wo man sich besonders gut festhalten musste, was normalerweise kein Problem war, auch nicht bei so heftigem Seegang, wie wir ihn hatten, doch nun war alles, was einem Halt geben konnte, unter dem Eis verschwunden. Wenigstens rollte das Boot weniger, als es bei einem solchen Unwetter normalerweise der Fall gewesen wäre — das Gewicht des Eises sorgte dafür, dass das Schiff sich, wenn überhaupt, nur noch langsam wieder aufrichtete, nachdem es sich nach Backbord oder Steuerbord geneigt hatte.“
Einar Kárason (Reykjavík, 24 november 1955)
De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celanop dit blog. Hier volgt de vertaling van een vroeg gedicht uit 1947.
Lof der verte
In de bron van je ogen leven de netten van de vissers der waanzee. In de bron van je ogen houdt de zee z’n belofte.
Hier werp ik, een hart dat onder de mensen verkeerde, de kleren van mij en de glans van een eed:
zwarter in zwart, ben ik naakter. Afvallig ben ik pas trouw. Ik ben jij, als ik ik ben.
In de bron van je ogen drijf ik en droom ik van prooi.
Een net haalt een net op: we scheiden omstrengeld.
In de bron van je ogen wurgt een gehangene de strop.
Vertaald door J.W. Niemeijer
Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970) Cover fotobiografie