Bevrijdingsmonument in Valkenswaard, ontworpen door Theo Nahmer, 1953
Vrijheid
Voor doodslaan en gelukkig zijn en schromen en weifelen en in een afgrond vallen en ontkennen en schuldig zijn en koortsachtig zoeken naar waarheid, schoonheid maakt vrijheid geen verschil, of hooguit een verschil als tussen een bloeiende appelboom en geen bloeiende appelboom, of tussen een kus en geen kus, hoe vluchtig en verraderlijk ook.
Is er iets geweest, wat ik op een dag, een plaats, een ogenblik zou hebben kunnen zeggen, wat alles had kunnen veranderen?
Laten we een avond nemen, bijvoorbeeld bij een etentje, toen onze ogen elkaar ontmoetten en we ontroerd raakten, was er toen iets wat ik niet zei,
woorden, die mij een langere en grotere liefde zouden hebben gebracht als ik ze wel had gezegd, maar op dat moment eenvoudig niet kon bedenken?
Of iets wat ik zou hebben kunnen doen, maar niet nodig vond en dus niet heb gedaan: een blijk van liefde, een teken van berouw,
een paar tranen, of een andere overdreven reactie? Op die dag toen het plotseling begon te regenen en we onder een rode luifel schuilden,
stond ik op het punt om spontaan te gaan kussen, maar het hield op met regenen. Als het één minuut langer zou hebben geregend, had dan alles anders kunnen lopen?
Het is weer voorjaar, dag van de doden maar het sneeuwde toen deze woorden zich schreven
zij schreven vandaag, maar nu zij zich spreken sneeuwt het nog steeds op een doodstille stad
vandaag hoort de woorden de stilte bezweren alsof de tijd ooit te stillen was
zij noemen zich bij onteigende namen zij willen wat doodzwijgt verstaanbaar maken
en roepen omlaag en omhoog in een gat en spellen de sneeuw die maar niet wil smelten
op voorjaarsbloemen en monumenten op vuilnisbelten en vazen met as
de witte stilte wordt gaandeweg grijzer en wat de woorden ook willen ontzwijgen de doden zijn dood, de bladzij is zwart –
Gerrit Kouwenaar (9 augustus 1923 – 4 september 2014)
De Duitse dichter, schrijver en essayist Paul Heyse werd geboren in Berlijn op 15 maart 1830. Zie ook alle tags voor Paul Heyse op dit blog.
Laatste wil
Op de dag dat het leven zal verdwijnen en ik niet wakker worden kan, in welke plaats of welke stad doet er voor mij niet toe, ze zullen het bed voor me willen opmaken. Een rustig graf zou ik hier graag willen, onder deze cipressen, waar ik met mijn zoete dromen rustte en waarheen ik mijn schreden richtte.
Aan de oever van mijn meer, waar aan de randen de vrede wappert met zijn vleugels, zou ik met de mompelende golven luisteren naar een cicadengetjilp, zou ik vanaf de hoge Monte Baldo begroeten de in slaap gevallen top, zwartglanzend op het meer, en trots en onveranderlijk, bekroond met sterren.
Vertaald door Frans Roumen
Paul Heyse(15 maart 1830 – 2 april 1914) Portret door Adolph Menzel, 1853
Tot een wiek van de molen losdraait Ivens wacht op een stoel op de wind
tot de punt van een duinpan verkruimelt op de wind op een stoel wacht Ivens
tot de trein in een rookpluim oplost Ivens op een stoel wacht op de wind
tot het stof zijn ogen doet tranen wacht op een stoel op de wind Ivens
tot het zweet op zijn kin opdroogt op een stoel wacht Ivens op de wind
tot de baarden van kamelen wapperen tot korrels als vlooien op de vlucht slaan
tot een slinger in een vliegertouw vastraakt tot zijn wandelstok als golfclub omverslaat
tot het zand borrelt als schuim in de branding tot het deksel van zijn koffer opengaat
op een stoel op de bergtop wijst Ivens daar slaapt de wind in een hol in de woestijn.
Ze steekt een sigaret aan in de broodrooster
Ze steekt een sigaret aan in de broodrooster. Ze blaast de rook door een kier van het raam.
Aan de overkant staat een kale man. Uit een plastic tas steekt een vissenstaart.
Ze haalt haar nagel langs haar voortanden. Over haar schouder hangt een theedoek.
Als haar heup zwaarder weegt dan het kozijn kan ze haar heup dan in bedwang houden.
Als ze zacht voor zich uit zingt is ze bang dat haar huid schroeit bij haar mondhoek.
Ze recht haar rug en blaast naar boven. De man staat met de handen in zijn jas.
Terrein
Een deken ligt naast een auto de voordeuren open een stel zit op een picknicktafel te praten
twee paarden naderen de parkeerplaats ruiters stappen af en nemen de zadels leiden de paarden aan teugels in de wagen sluiten een balk dwars achter hun konten waarover de staarten spreiden sluiten links en rechts de deuren
auto’s rijden af en aan hardlopers lopen om twee mannen lopen een hond achter hen wachten in de bocht van het bospad
de zijdeur schuift open een ruiter stapt uit pakt de zadels op en draagt ze de auto in de ander trekt aan de deur steekt een hand op en loopt over het terrein naar de oprit langs de deken die op de grond ligt licht brandt in de wegrijdende wagen
het dorp verderop het pad rond de weilanden ganzen die gek worden boven de vijver.
Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
De drie stenen
“Hoe lang kan ik nog leven als ik de hoop verlies?” vraag ik de drie stenen.
De eerste steen zegt: “Zoveel minuten als je je adem kunt inhouden, onder water, nog zoveel jaren.”
De tweede steen zegt: “Zonder hoop kun je nog leven zolang je zonder hoop nog leven wilt”
De derde steen lacht: “Het hangt ervan af wat je nog ‘leven’ noemt als je hoop dood is”.
“Zelf zei ze de ene keer het ene en de volgende weer iets heel anders; ze gaf me zo veel verklaringen dat ik niet wist welke ik kon geloven. Ze was misschien een pathologisch leugenaar, of gewoon in het bezit van een bloeiende fantasie – ik meet mij geen oordeel aan over de geest van een ander, althans niet die van haar. Dat ik nooit een definitief antwoord heb gekregen is in mijn huidige toestand een voordeel, want de leegte stelt me in staat naar hartenlust te fantaseren over haar Spaanse achtergrond, een verre voorvader uit die contreien, ontdekkingsreiziger misschien. Onmiddellijk slaat dan mijn geest op hol, visioenen van inheemse vrouwen zoals op de schilderijen van Gauguin, naakt op een schelpenketting na, verleidelijk wiegend met hun heupen. Zij op het zand tussen hen in, eveneens naakt natuurlijk, loom brengt ze een passievrucht naar haar mond; zo dadelijk, als ze de eerste hap neemt, zal het kleverige sap over haar dijen druipen. Direct daarna, gedachten schieten heen en weer als vissen, beelden van een dikke matrone met duidelijk zichtbare snor, kleine zwarte haartjes boven haar bezwete lippen, roerend in een gigantische pan met paella, nu verheft ze haar stem, roept: ‘Maríaa!’ Daar rent ze de keuken binnen, klein meisje met vlechtjes, om de een of andere reden zie ik een hond die om haar heen springt als op een middeleeuws schilderij, bleek licht van de tl-balken en alle tafeltjes bedekt met plastic zeil. Dan het schemerige licht van een moeilijk vindbaar zaaltje ergens in een Argentijnse stad, het ongegeneerd seksuele ritme van de tango dringt door een steegje heen. Zij met blote rug tussen de dames op stilettohakken, iemand schenkt te sterke drank, er klinkt geschreeuw wanneer er bloed vloeit – ah, had ik haar daar kunnen ontmoeten!”
Zo vanzelfsprekend alles wat we bewonen. Als ons lichaam, waarvan het verval ons net zo ontgaat als zijn constante vernieuwing. Alles is vanzelfsprekend zolang het leeft.
De manier waarop we een deur openen en weer sluiten, laat de grenzen tussen lichaam en woning vervagen – slechts een moment, maar vanzelfsprekend genoeg om ons eraan te herinneren dat we niet gewoon diegenen zijn die hier komen en gaan.
Of de schaduw als die zich bandeloos, zomers een jonge rij huizen om de nek legt, voordat de warme, vochtige adem van de straat na de stortbui zoals vroeger door die van jezelf heen stroomt.
Het geluk: Op een zomerochtend Uit de voordeur te stappen En een moment Niet te weten wie je bent
Onberispelijk de dingen De levende wezens Voltallig als had men jou achteraf Toegevoegd aan het universum Als een soort bij nader inzien (Of omdat het misschien toch Niet zonder jou gaat)
Maar dan het vermoeden Dat er mogelijkerwijs Niets noemenswaardigs is gebeurd Sinds de laatste ijstijd het meer uitgroef En de modderheuvel opwierp Achter het huis
Glanzend Als een zijden draad Zweeft de gedachte in het ochtendlicht Een licht, bijna onhoorbaar kloppen Een geritsel misschien Een knetteren Meer niet
Dat is dus wat er overblijft Wanneer de dood naar mij reikt: Een wereld
De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.
Uit: Het hout
“Daar zit Mansuetus die zijn naam uitspreekt als Mansoeweetoes. Hoofd van de middelbare klassen. Knapen van twaalf tot zestien, zeventien jaar, over wie ik in deze slaapzaal moet waken. Ik hoor je wel Bruinsma! Zodra ik mijn gloei-peer doof en de lichtvlek van het plafond verdwijnt, komt het janhagel tot leven. Bruinsma doet of hij nadrukkelijk kucht. Ahèmm ahùmm. Uit een andere chambrette komt geknor. Jou ook Weytjens! Ga slapen, man, het is hier geen varkensstal. Ik tik met het kruis van mijn rozenkrans op het tafelblad. Ik heb het ding in mijn hand om iets in mijn hand te hebben. Wij dienen dit kralensnoer dagelijks ten einde te prevelen daar wij zijn toegewijd aan de heilige maagd volgens de regel van Franciscus, zelf een gebeten vrouwenhater, al had hij volgens apocriefe bronnen iets met de heilige Clara. In de voorlopig weergekeerde stilte lijkt de hitte te gonzen. De atmosfeer als dreigend beest. Achter het schoolgebouw gloeit het schijnsel van de buitenwereld, zoals wij het autistisch noemen. De buitenwereld omspant de hele planeet en het universum. Onze gebouwencomplexen vormen een gesloten enclave, wij leven separaat van de buitenwereld, waar wij niet bij horen, onze terreinen zijn afgegrensd door muren. Wij vormen een autonome mannenkloostergemeenschap met jongenspensionaat, ons instituut heet sint Jozef ter Engelen, gesitueerd in het afgelegenste zuidoosten van Nederland. Om ons heen ligt het mijndorp Blijderhagen, waar soms fanfaremuziek vandaan komt, gedempt door verte. soms stemmen en gelach van mensen zoals ik aan de andere kant van de muren. Ik zit met zondige opstandige gedachten en met heimweeërige verlangens die in strijd zijn met knoop drie. Naar rechts loopt de straat dood op de grensboom met Duitsland.”
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)
De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.
Aangekeken
Je hebt me aangekeken nu heb ik opeens twee ogen minstens een mond de mooiste neus midden in mijn gezicht.
Je hebt me aangeraakt nu groeit er een engelenvacht waar je mij belast hebt.
Je hebt mij gekust nu vliegen mij de gebakken duiven patrijzen en kapoenen zomaar uit de muil ach en jij deed je tegoed.
Je bent me vergeten nu sta ik hier vraag ik wat moet ik alleen met al die rommel beginnen?
The setting of houses, cafés, the neighborhood that I’ve seen and walked through years on end:
I created you while I was happy, while I was sad, with so many incidents, so many details.
And, for me, the whole of you has been transformed into feeling.
Vertaald door Edmund Keeley
Caesarion
In part to verify a date, and in part just to pass the time, last night I picked up a volume of Ptolemaic inscriptions and began reading. Those endless poems of praise and flattery all sound the same. All the men are brilliant, great and good, mighty benefactors; most wise in all their undertakings. The same for the women of the dynasty, all the Berenices and Cleopatras, wonderful, each and every one.
When I managed to find the date in question, I’d have put the book aside had a brief mention of King Caesarion, an insignificant note really, not suddenly caught my eye…
Ah, there you stood, with that vague charm of yours. And since history has devoted just a few lines to you, I had more freedom to fashion you in my mind’s eye… I made you handsome, capable of deep feeling. My art gave your face an appealing, dreamlike beauty. In fact, I imagined you so vividly last night, that when my lamp went out—I let it go out on purpose— I actually thought you had come into my room; you were there, standing before me, just as you would have looked in defeated Alexandria, pale and tired, ideal in your sorrow, still hoping for mercy from those vicious men who kept on whispering ’too many Caesars.’
Vertaald door Avi Sharon
The Next Table
He can’t be more than twenty-two. And yet I’m certain it was at least that many years ago that I enjoyed the very same body.
This isn’t some erotic fantasy. I’ve only just come into the casino and there hasn’t been time enough to drink. I tell you, that’s the very same body I once enjoyed.
And if I can’t recall precisely where—that means nothing.
Now that he’s sitting there at the next table, I recognize each of his movements—and beneath his clothes I see those beloved, naked limbs again.
zegt hij: het leed is een vijver. zeg ik: ja, leed is een vijver. omdat het leed door vissen doorschoten in een trog ligt en bedorven ruikt. zegt hij: en de schuld is een vijver. zeg ik: ja, de schuld ook vijver, omdat de schuld in een verzakking klotst en mij al met mijn arm omhoog tot aan de gestrekte oksel reikt. zegt hij: de leugen is een vijver. Ik zeg: ja de leugen eveneens vijver.
Omdat men in de zomer ‘s nachts op de oever van de leugen picknicken kan en daar altijd iets vergeet.
De Nederlands dichter, schrijver, journalist, radio- en televisieprogrammamaker, uitgever en biograaf Wim Hazeu werd geboren in Delft op 28 april 1940. Zie ook alle tags voor Wim Hazeu op dit blog.
maurits mok
de pijn van nooit geweest te zijn staat in zijn blik te lezen honger en vergassing zijn over z’n wezen gegleden als de zee over de vloedlijn
wel zit hij ’s avonds op de bank te bladeren in het boek Sobibor op zoek misschien naar z’n zuster omgekomen, weggevaagd lang hiervoor
Zichtbaar de tijd
4. in het kiezelsteenwatergat tuimelt de maan in zeven uur stierf het kind dat nu speelt met de zonnepool
5. langs mijn rug kruipen de dieren in de ark van noach voor de eenzaamheid geef ik hen een zegen
troebel water in de okselholte slaat de kwast neer op het dier in mij en van mij
6. de rivier dampt grijze stoom nevel die oevers verzwijgt ons om de tuin leidt en brengt, als boot, in havens van vroeger
Zijn superkracht was het onderwerp van steeds sterkere verhalen over zijn bekwaamheid in hurling, een sport met prehistorische, Gaelic oorsprong waarbij spelers hurleys (stokken) gebruiken met een sliotar (bal), om ze over de lat van de doelpaal richten voor 1 punt, of onder de lat van de doelpaal in het net voor 3. Beschouwd als “de snelste speler ooit” in een sport die bekend stond als ‘de snelste veldsport ter wereld’, brak de H Man ooit de neus van een tegenstander met zijn kracht plus zijn snelheid (hoewel sommigen zeggen dat hij zijn ribben of benen brak). Hij werd geen “professional” omdat er geen professioneel hurling is, maar hij werd dichter omdat die baan wel bestaat.
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.
Nee
wij gaan godverdomme geen lijkrede schrijven voor elkaar met grinnikende anekdotes, pijnlijke verzwijgingen de elegie van weer gevonden, later toch verloren maar wij laten ons niet kisten, het was een GOED leven dat wij gaan begraven met een MOOIE begrafenis, nee grijnzend groeten wij elkaar tot de volgende reünie, bij wie maar niet bij ons, wij hebben juist weer iemand overleefd en nee, wij gaan geen gedichten maken godverdomme waarin we de bezongene niet bezingen maar zijn lot ontvormen tot een stem van weemoed, zich verstamelend tot onschadelijke schoonheid geschikt voor in de krant wij gaan met bekkens en pauken woede drijven door het smoelbeeld van de dood als door de Schelfzee naar het beloftevolle heden dat ons dan geheel bewoont.
Op de halte
Omdat de tram niet komt maar wij nog steeds niets zien, verhevigd. Dat er om de hoek een pand gekraakt, een buurvrouw zingt, een oude man een kind dat huppelt aan zijn hand oversteekt, deze vogel deze mooie brievenbus geraakt heeft – liefde, liefde. Maar hier brandt de wereld veilig in een krant met vingers. Ergens zit een lek, verdwijnen mensen, zakt een tegel weg. Maar iemand steekt een kind omhoog, een paraplu, een periscoop. Iemand anders breekt in fluisterzinnen los tegen een rug. Omdat de tram nog eens begint bij de geboorte, dat kan ook. Boven onze hoofden komt een witte wolk, maar geen herinnering. Dat de tram door de velden zingt, bloemen bloeit, wonden maakt maar tranen worden grint dat onder onze schoenen kraakt om onze huizen aan het einde van de richting. Een autootje roept water om, dat er geen water meer. Maar bier genoeg op het terras waar alle mensen kijken. Loopt de liefste zwaaiend met haar glas maar niet herkend. Staan wij met 48 schoenen op de halte en een richting. Wij staan met 48 hakken naar de richting op de halte.
Alles gefilmd
Dit zijn de schoenen van een man die als je zegt hier zijn je schoenen zegt daar zijn mijn schoenen.
Denkt: mijn bloemen, mijn bloeien in de wereld. Hij reist op sokken voor zijn huis heen en weer. Hij komt weer binnen en verplaatst zijn schoenen.
Is hij die lieve man die met de kinderen praat. Kan deze nieuwe wijk een nest tegen de wereld. Hij zwemt zijn grenzeloze ogen in en uit.
Op een ochtend als de wereld overloopt, dat hij dan de ramen openzet, hij neemt zijn buks en schiet alle bloemen bij de buren alle dood.
De mensen praten, wijzen, lopen door elkaar. Alles gefilmd door de media. De bloemen, de emoties in de buurt, kijk, zijn schoenen.
können worte: nur engel benennen ohne ihr gesicht abzubilden ihr sanftes gewölbe aus knochen ihr vermischtes gewölbe aus mann und frau.
einzig vergleiche, die noch leuchten können wie in öl: sein metallisches flugkleid wie der zerknitterte rumpf eines learjets ohne lackierung ..
und dennoch: welche ärmlichkeiten. kein roter vorhang nur aus worten der sich begreifen lässt im auge, im gehirn. kein r-o-t das in maria eindringt, in ihr kristallines b-l-a-u
und wie, wie willst du licht ersetzen! noch lächerlicher hier nur licht zu sagen das durch das fenster stürzt und schleicht zugleich um ihr gesicht kaum merklich anzuheben
dass es die weiße lilie sieht endlich erblickt, in diesem raum der lautlos schwebt, im weltall schwebt mit strengen mustern, burg und wolken ..
ein arme-leute-essen ist gekocht, sonst nichts
ein teller suppe wo nur worte schwimmen wie lose hände, die nichts greifen können doch greifen wollen, und in den flachen löffeln beten.
zo weinig sensualiteit
kunnen woorden: een louter benoemen van engelen zonder hun gezicht af te beelden, hun zachte gewelf uit botten, hun vloeiende gewelf uit man en vrouw.
slechts vergelijkingen, die nog kunnen glanzen als in olieverf: een metalen vliegpak zoals de gekreukelde romp van een Learjet zonder laklaag ..
en toch: wat een armoedigheid. geen rood gordijn van louter woorden dat zich begrijpen laat in ‘t oog, in de hersens. geen r-o-o-d dat in Maria binnendringt , in haar kristallijne b-l-a-u-w,
en hoe, hoe wil je licht vervangen! nog belachelijker om hier licht te zeggen dat door het raam valt en sluipt tegelijk om haast onmerkbaar haar gezicht op te tillen
om de witte lelie te zien er eindelijk naar te kijken, in deze ruimte die stil zweeft, door het universum zweeft in strakke patronen, burcht en wolken ..
een armeluis-maaltijd is gekookt, meer niet
een bord soep waarin alleen woorden zwemmen als losse handen die niets kunnen grijpen maar grijpen willen, en in de platte lepels bidden.
Vertaald door Frans Roumen
Sommerfliege
an einem augustabend im jahr 2016: eine sommerfliege die ihr nachtmahl verzehrt, auf einem baugerüst am palazzo dario, ohne begleitung von menschen.
mit ihrem spärlich behaarten, vorderen beinpaar stemmt sie sich gegen den getrockneten kot einer möwe dirigiert ihren tupfrüssel, der alles befeuchtet, verflüssigt.
zwei venezianische lippenpölsterchen mit einem system von winzigen rinnen, versteift mit noch winzigeren spängchen, beginnen lautlos zu saugen – die sonne versinkt.
für sekunden stehn alle fenster in flammen, ist jede scheibe lodernd orange! – manchmal innehaltend im tupfen und herabblickend auf die vorbeiziehenden dunklen
gebilde, tausendfach gebrochen im optischen kessel ihrer glasleuchteraugen, erweckt die speisende den eindruck einer kleinen touristin
oder dogaressa oder geisterjägerin die durch die zeiten irrt.