My Computer Ate My Homework 4, Dolce far niente, Gene Ziegler, Pieter Boskma, Jorie Graham, Luuk Wojcik

 

My Computer Ate My Homework 4, Dolce far niente

 

 
"Parallax Dance" Computer Graphic Painting, 2010, door
 Alexander Peverett

If Dr. Zeuss were a Technical Writer

If a packet hits a pocket on a socket on a port,
and the bus is interrupted as a very last resort,
and the address of the memory makes your floppy disk abort
then the socket packet pocket has an error to report!

If your cursor finds a menu item followed by a dash,
and the double-clicking icon puts your window in the trash,
and your data is corrupted cause the index doesn’t hash,
then your situation’s hopeless, and your system’s gunna crash.

You can’t say this? What a shame, sir!
We’ll find you another game, sir.

If the label on the cable on the table at your house
says the network is connected to the button on your mouse,
but your packets want to tunnel on another protocol,
that’s repeatedly rejected by the printer down the hall,
and your screen is all distorted by the side-effects of gauss,
so your icons in the window are as wavy as a souse,
then you may as well reboot and go out with a bang,
cause as sure as I’m a poet, the sucker’s gunna hang!

When the copy of your floppy’s getting sloppy on the disk,
and the microcode instructions cause unnecessary risc,
then you have to flash your memory
and you’ll want to RAM your ROM.
quickly turn off your computer and be sure to tell your mom!

 

 
Geschreven door Gene Ziegler in 1994

 

De Nederlandse dichter en schrijver Pieter Boskma werd geboren in Leeuwarden op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Pieter Boskma op dit blog.

 

Drie liedjes uit het zwarte water

Proloog

Cruiseschip Goethe stoomt de haven uit
van Malcesine, zweeft over zonneschittering
op het lange zwarte water weg naar Sirmione.
De bergen aan de overkant duwen hun schedeldak
in zachtoranje nevel en schurken zich
behaaglijk onder de eerste warmte van april.

Ik zie mij wonen aan het kiezelstrand
met zeven kakelende nimfen uit het Zuiden.
Wij drinken bij de lunch al wijn voor stevige
siësta-seks, en lopen soms de bossen in,
de steile weg van vrije mensen.

’s Avonds slaan de honden aan wanneer
een kiezeltje verrolt. Komeet Hale-Bopp
loert met zijn staart van melkglas
tussen hoge zwarte pieken naar
het lange zwarte water.

Zulke dingen, eenvoudig en echt en omdat
zij eenvoudig en echt zijn, ook goed.
Er zijn vele goede dingen, alleen je ziet ze
zo zelden zoals ze zijn, bevrijd van gedachten
en context. Vaak staan er tranen in het raam
en ruisen er oude en valse liefdes
door de leegstaande huizen verderop.

Het is een onevenwichtig gegeven, dit leven,
en toch ook volslagen stabiel in de geest.
Het gaat er maar om te blijven bewegen
en achter te laten wat duistert en stoort
en de hartslag doet razen van onmacht en haast.

Heb geduld en lief tot het laatst.

We liepen in de schemer door het Vondelpark.
Je zei niet veel, je dacht nog aan Amerika,
Sedona Arizona, de rode kathedralen door
God zelve neergezet, toen er nog sprake was
van bladstil en lang geleden, en ik dacht
aan sequoia’s, zeehonden in de branding,
het witte dekbed van de mist die aankroop
uit de blauwe west, en waarom dus Maria
diezelfde kleuren droeg. Je begreep het wel
maar zocht nog naar een trefpunt in New Mexico,
vanwege de visioenen van een dronken indiaan
die op een avond zomaar voor je tafel had gestaan.
‘Alles is peyote,’ zei je bij het weitje aangekomen
waar een ezel en een lama samen waren losgelaten,
‘heilige dieren blijven voor elkaar een droom.’
En je loste op in de schaduw van die droom.

 

 
Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956)

 

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

The Way Things Work

is by admitting
or opening away.
This is the simplest form
of current: Blue
moving through blue;
blue through purple;
the objects of desire
opening upon themselves
without us; the objects of faith.
The way things work
is by solution,
resistance lessened or
increased and taken
advantage of.
The way things work
is that we finally believe
they are there,
common and able
o illustrate themselves.
Wheel, kinetic flow,
rising and falling water,
ingots, levers and keys,
I believe in you,
cylinder lock, pully,
lifting tackle and
crane lift your small head–
I believe in you–
your head is the horizon to
my hand. I believe
forever in the hooks.
The way things work
is that eventually
something catches.

 


Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

De Nederlandse dichter Luuk Wojcik werd geboren in Roermond op 9 mei 1993. Zie ook alle tags voor Luuk Wojcik op dit blog.

 

Plekken waar we te weinig komen

Tussen de rand van het bed en de vloer,
lijken we te vallen alsof we nooit iets anders dan vallen hebben gedaan.

In de lift zakken we alsof we nooit iets anders hebben gedaan dan zakken.

We kunnen zeggen van niet, maar we hebben nooit iets anders gedaan.

Achterop mijn fiets zit ik, jij voor. We rijden totdat de straatlichten op zijn,

druipend op je kamer, wringen we onszelf uit handdoeken.

Op de tennisbaan horen we de hemel in het ploppen van tennisballen.

In het wilde westen heb je jongens voor wie de camera op de voorkant van de telefoon het belangrijkst is. Ze kijken op een andere manier naar de wereld, naar alles wat achter hun hoofden zit. Hashtag selfie.

We hebben in de auto gezien: alles wat dichterbij ligt gaat eerder voorbij dan wat veraf is.
Daarom houden we graag plekken op afstand, tenminste dat houden we ons voor.

We houden ons aan een afspraak die we niet afgesproken hebben.

We joggen samen door de straten, zien alles een seconde stil hangen op onze tenen.
Onze lokken, de draadjes van onze oordopjes, een zweetdruppel die geen kracht nog voelt.

We zien de stad de bocht om komen.

Dit is de laatste keer dat ik mijn sleutels vergeet.

 

 
Luuk Wojcik (Roermond, 9 mei 1993)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2017 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Roddy Doyle, Thomas Pynchon, Pat Barker, Gary Snyder, Gertrud Fussenegger, Edmund Wilson, Alain-René Lesage, Sophus Schandorph, Romain Gary

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: The Snapper

“–You’re wha’? said Jimmy Rabbitte Sr.
He said it loudly.
–You heard me, said Sharon.
Jimmy Jr was upstairs in the boys’ room doing his D.J. practice. Darren was in the front room watching Police Academy II on the video. Les was out. Tracy and Linda, the twins, were in the front room annoying Darren. Veronica, Mrs Rabbitte, was sitting opposite Jimmy Sr at the kitchen table.
Sharon was pregnant and she’d just told her father that she thought she was. She’d told her mother earlier, before the dinner.
-Oh — my Jaysis, said Jimmy Sr.
He looked at Veronica. She looked tired. He looked at Sharon again.
–That’s shockin’, he said.
Sharon said nothing.
–Are yeh sure? said Jimmy Sr.
–Yeah. Sort of.
–Wha’?
–Yeah.
Jimmy Sr wasn’t angry. He probably wouldn’t be either, but it all seemed very unfair.
–You’re only nineteen, he said.
–I’m twenty.
–You’re only twenty.
–I know what age I am, Daddy.
–Now, there’s no need to be gettin’ snotty, said Jimmy Sr.
–Sorry, said Sharon.
She nearly meant it.
–I’m the one tha’ should be gettin’ snotty, said Jimmy Sr.
Sharon made herself smile.
She was happy with the way things were going so far.“

 

 
Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon werd op 8 mei 1937 geboren in Glen Cove, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Thomas Pynchon op dit blog.

Uit: V

„Dog into wolf, light into twilight, emptiness into waiting presence, here were your underage Marine barfing in the street, barmaid with a ship’s propeller tattooed on each buttock, one potential berserk studying the best technique for jumping through a plate glass window (when to scream Geronimo? before or after the glass breaks?), a drunken deck ape crying back in the alley because last time the SP’s caught him like this they put him in a strait jacket. Underfoot, now and again, came vibration in the sidewalk from an SP streetlights away, beating out a Hey Rube with his night stick; overhead, turning everybody’s face green and ugly, shone mercury-vapor lamps, receding in an asymmetric V to the east where it’s dark and there are no more bars. Arriving at the Sailor’s Grave, Profane found a small fight in progress between sailors and jarheads. He stood in the doorway a moment watching; then realizing he had one foot in the Grave anyway, dived out of the way of the fight and lay more or less doggo near the brass rail. “Why can’t man live in peace with his fellow man,” wondered a voice behind Profane’s left ear. It was Beatrice the barmaid, sweetheart of DesDiv 22, not to mention Profane’s old ship, the destroyer USS Scaffold. “Benny,” she cried. They became tender, meeting again after so long. Profane began to draw in the sawdust hearts, arrows through them, sea gulls carrying a banner in their beaks which read Dear Beatrice. The Scaffold-boat’s crew were absent, this tin can having got under way for the Mediterranean two evenings ago amid a storm of bitching from the crew which was heard out in the cloudy Roads (so the yarn went) like voices off a ghost ship; heard as far away as Little Creek. Accordingly, there were a few more barmaids than usual tonight, working tables all up and down East Main. For it’s said (and not without reason) that no sooner does a ship like the Scaffold single up all lines than certain Navy wives are out of their civvies and into barmaid uniforms, flexing their beer-carrying arms and practicing a hooker’s sweet smile; even as the N.O.B. band is playing “Auld Lang Syne” and the destroyers are blowing stacks in black flakes all over the cuckolds-to-be standing manly at attention, taking leave with rue and a tiny grin.”

 

 
Thomas Pynchon (Glen Cove, 8 mei 1937)
Down Town Glen Cove, Long Island

 

De Engelse schrijfster Pat Barker werd geboren in Thornaby-on-Tees op 8 mei 1943. Zie ook alle tags voor Pat Barker op dit blog.

Uit: Noonday

„Elinor was halfway up the drive when she sensed she was being watched. She stopped and scanned the upstairs windows—wide open in the heat as if the house were gasping  for breath—but there was nobody looking down. Then, from the sycamore tree at the end of the gar- den, came a rustling  of leaves. Oh, of course: Kenny. She was tempted to ignore him, but that seemed unkind, so she went across the lawn and peered up into the branches.
“Kenny?”
No reply. There was often no reply.
Kenny had arrived almost a year ago now, among the first batch of evacuees, and, although this area had since been reclassified—“neutral” rather than “safe”—here he remained. She felt his gaze heavy on the top of her head, like a hand, as she stood squinting up into the late-afternoon sunlight.
Kenny spent  hours up there, not reading his comics, not building a tree house, not dropping conkers on people’s heads—no, just watching. He had a red notebook in which he wrote down car numbers, the time people arrived, the time they left . . . Of course, you forgot what it was like to be his age: probably every visitor was a German spy. Oh, and he ate himself, that was the other thing. He was forever nibbling his fingernails, tearing at his cuticles, picking scabs off his knees and licking up the blood. Even pulling hair out of his head and sucking it. And, despite being a year at the village school, he hadn’t made friends. But then, he was the sort of child who attracts bullying, she thought, guiltily conscious of her own failure to like him.
“Kenny? Isn’t it time for tea?”
Then, with a great crash of leaves  and branches, he dropped at her feet and stood looking up at her, scowling, for all the world like a small, sour, angry crab apple.
“Where’s Paul?”
“I’m afraid he couldn’t come, he’s busy.”
“He’s always busy.”
“Well, yes, he’s got a lot to do. Are you coming in now?” Evidently that didn’t deserve a reply.
He turned his back on her and ran off through the arch into the kitchen garden.“

 

 
Pat Barker (Thornaby-on-Tees, 8 mei 1943)
Cover

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

Above Pate Valley

We finished clearing the last
Section of trail by noon,
High on the ridge-side
Two thousand feet above the creek
Reached the pass, went on
Beyond the white pine groves,
Granite shoulders, to a small
Green meadow watered by the snow,
Edged with Aspen—sun
Straight high and blazing
But the air was cool.
Ate a cold fried trout in the
Trembling shadows. I spied
A glitter, and found a flake
Black volcanic glass—obsidian—
By a flower. Hands and knees
Pushing the Bear grass, thousands
Of arrowhead leavings over a
Hundred yards. Not one good
Head, just razor flakes
On a hill snowed all but summer,
A land of fat summer deer,
They came to camp. On their
Own trails. I followed my own
Trail here. Picked up the cold-drill,
Pick, singlejack, and sack
Of dynamite.
Ten thousand years.

Kyoto: March

A few light flakes of snow
Fall in the feeble sun;
Birds sing in the cold,
A warbler by the wall. The plum
Buds tight and chill soon bloom.
The moon begins first
Fourth, a faint slice west
At nightfall. Jupiter half-way
High at the end of night-
Meditation. The dove cry
Twangs like a bow.
At dawn Mt. Hiei dusted white
On top; in the clear air
Folds of all the gullied green
Hills around the town are sharp,
Breath stings. Beneath the roofs
Of frosty houses
Lovers part, from tangle warm
Of gentle bodies under quilt
And crack the icy water to the face
And wake and feed the children
And grandchildren that they love.

 

 
Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

De Oostenrijkse schrijfster Gertrud Fussenegger werd geboren op 8 mei 1912 in Pilsen. Zie ook alle tags voor Gertrud Fussenegger op dit blog.

Uit: Das verschüttete Antlitz

„Damals war es Abend und Herbst.
Öde und unwirtlich sind die Hochflächen des
nordböhmischen Landes. Kahl sind sie, weil der Wind über sie hinfegt.Wo eine Straße läuft, stehen die dürren, schwarzberindeten Zwetschgenbäume in unabsehbaren Reihen. Die Bäche und Flüsse haben tiefe Täler ausgewaschen, dort drängt sich der Wald zu dichten Schöpfen zusammen, dort klappern Mühlen und rattern Sägen; dort werden in kleinen Fabriken baumwollene Strümpfe gewirkt und billiger Drell gewoben.
Auf steilen Kehren kriecht ein Omnibus zum Rand einer Schlucht empor. Er ist nicht groß, ein
schwärzlicher Kasten, der auf plumpen Rädern rumpelt. Der Motor tuckert, die Gänge kreischen. Oben auf der Ebene gewinnt er an Fahrt.
Drinnen ist es dunkel.DerWagen stößt und rüttelt, die Luft riecht süßlich nach Benzin, scharf und verdorben nach Atem und Kleiderdunst. Man ist schon eine Stunde unterwegs, irgendwo am Horizont schwimmen Lichter herauf, die Lampen einer größeren Ortschaft. Dort ist die Fahrt zu Ende. Aber zuvor hält der Wagen noch einmal an. Der Fahrer dreht das Licht auf.»AmWrschek«, sagt er. »Da wollte wer aussteigen.«
Auf der letzten Bank sitzt, in das Eck gelehnt, ein Mann und schläft. Der Hut ist ihm ins Gesicht gerutscht. »Der ist es«, ruft ein Knabe. »Der dort!« Jemand steht auf, stößt den Schlafenden an. »He – Sie!« Der Mann fährt empor. »AmWrschek! Da sind wir, aussteigen!«
»Wird’s bald?« murmelt der Fahrer ungeduldig.
Jemand beginnt zu kichern.Es ist immer lächerlich, wenn ein Mensch aus dem Schlaf geweckt wird und nicht begreift, was man von ihm will. Auch dieser Mensch wirkt lächerlich, er stiert ein paar Sekunden ganz verloren vor sich hin, dann schnellt er empor, schnellt sich vorwärts; der Gang zwischen den Sitzen ist mit Gepäck verrammelt, der Mann stolpert, die Leute grinsen. Endlich ist er vorn, da ruft eine Frau: »Ihren Mantel, Sie haben ja Ihren Mantel vergessen.« – Ach ja. Der Mann kehrt um. Er muß zurück, den Mantel vom Haken nehmen und wieder nach vorne gehen.Der Fahrer läßt den Motor wütend aufbrüllen, der Wagen zittert und stampft, als wäre auch er ungeduldig über den torkelnden Fahrgast. Kaum ist der hinaus, ruckt der Wagen an. Die Tür wird von innen zugeschlagen.“

 

 
Gertrud Fussenegger (8 mei 1912 – 19 maart 2009)

 

De Amerikaanse schrijver en criticus Edmund Wilson werd geboren op 8 mei 1895 in Red Bank, New Jersey. Zie ook alle tags voor Edmund Wilson op dit blog.

Uit:The Sixties

“I set out to go to the memorial service for Louise Bogan at 3 at the National Institute [ of Arts and Letters ] ; but I stopped to see the doctor on the way and he told me I ought not to go, because I would give people my infection. So I went back to the club and went to bed. I was trying to read Conrad’s “Secret Agent” — very boring, full of the old-fashioned psychologizing of the Henry James era. Some of these novels of Conrad’s present a challenge to the reader to get through them. I had a similar experience with “Nostromo,” which I read part of in the hospital. [ Wilson had a heart attack in March. ] I was well enough on Saturday to go with [ the writer ] Penelope [ Gilliatt ] to Fellini’s “Satyricon” — long and elaborate, a rather unpleasant effect, a piling up of horrors and monstrosities. Naples, Fla., Winter 1972
At Wellfleet, before I left, I found myself surrounded by my books and other belongings, but was now alienated from them, couldn’t really connect with them. Uncomfortable. Talcottville, Spring 1972
T’ville, May 31-June 5. Rather a desolate stay: Mrs. Stabb, Mrs. Seelman nursing me.
Millers and Glyn Morris [ friends ] madly working for McGovern. Democrats up here in hiding, people in big places Republicans. Two movies: “Godfather” and “French Connection,” bang bang. Painful getting in and out of theaters. Ned Miller harangued me about diet as if he had had a religious conversion.”

 

 
Edmund Wilson (8 mei 1895 – 14 juni 1972)
Hier met zijn zoontje Reuel in 1949

 

De Franse schrijver Alain-René Lesage werd geboren op 8 mei 1668 in Sarzeau. Zie ook alle tags voor Alain-René Lesage op dit blog.

Uit: Histoire de Gil Blas de Santillane

« A cette vue, qui me fit trembler pour le bien de l’Église, je m’arrêtais tout court ; je serrai promptement mes ducats, je tirai quelques réaux, et, m’approchant du chapeau disposé à recevoir la charité des fidèles effrayés, je les jetai dedans l’un après l’autre, pour montrer au soldat que j’en usais noblement. Il fut satisfait de ma générosité, et me donna autant de bénédictions que je donnai de coups de pied dans les flancs de ma mule, pour m’éloigner promptement de lui ; mais la maudite bête, trompant mon impatience, n’en alla pas plus vite. La longue habitude qu’elle avait de marcher pas à pas sous mon oncle lui avait fait perdre l’usage du galop.
Je ne tirai pas de cette aventure un augure trop favorable pour mon voyage. Je me représentai que je n’étais pas encore à Salamanque, et que je pourrais bien faire une plus mauvaise rencontre. Mon oncle me parut très imprudent de ne m’avoir pas mis entre les mains d’un muletier. C’était sans doute ce qu’il aurait dû faire ; mais il avait songé qu’en me donnant sa mule mon voyage me coûterait moins, et il avait plus pensé à cela qu’aux périls que je pouvais courir en chemin. Ainsi, pour réparer sa faute, je résolus, si j’avais le bonheur d’arriver à Peñaflor, d’y vendre ma mule, et de prendre la voie du muletier pour aller à Astorga, d’où je me rendrais à Salamanque par la même voiture. Quoique je ne fusse jamais sorti d’Oviédo, je n’ignorais pas le nom des villes par où je devais passer : je m’en étais fais instruire avant mon départ.
J’arrivai heureusement à Peñaflor : je m’arrêtai à la porte d’une hôtellerie d’assez bonne apparence. Je n’eus pas mis pied à terre, que l’hôte vint me recevoir fort civilement. Il détacha lui-même ma valise, la chargea sur ses épaules, et me conduisit à une chambre, pendant qu’un de ses valets menait ma mule à l’écurie. Cet hôte, le plus grand babillard des Asturies, et aussi prompt à conter sans nécessité ses propres affaires que curieux de savoir celles d’autrui, m’apprit qu’il se nommait André Corcuelo ; qu’il avait servi longtemps dans les armées du roi en qualité de sergent, et que, depuis quinze moins, il avait quitté le service pour épouser une fille de Castropol qui, bien que tant soit peu basanée, ne laissait pas de faire valoir le bouchon.”

 

 
Alain-René Lesage (8 mei 1668 – 17 november 1747)
Cover

 

De Deense schrijver Sophus Schandorph werd geboren op 8 mei 1836 in Ringstedt. Zie ook alle tags voor Sophus Schandorph op dit blog.

Uit: Stina Becomes a Farmer’s Wife (Vertaald door Sally Ryan)

“Why, that’s a darned shame,” said the farmer. But when Stina continued holding the bread toward him, he took it with an attempt to be polite–”Those are really very fine sandwiches.” He half rose in the seat and began to fumble in his coat-tail pocket. As his arms were short, he had some trouble in hauling out a black, hammered pint bottle. A blue checked cotton handkerchief came out with it
. “Shall we make the nightingale chirp?” he asked, chuckling inwardly without moving his lips. He produced a strident noise by rubbing the moist cork against the bottle, which he then offered to Stina. She gave him an indignant glance and rejected the proffered bottle by a gesture. The farmer laughed as before, and said, “Why–it ain’t brandy. It’s sweet punch extract.”
This information altered matters. Stina took a swallow from the bottle, and grunted something which was meant to be thanks. The man took a long pull, and exclaimed with voluptuous delight, “Ah–ah–that cools one off a sight in such a heat. It’s a tidy drink.”
Stina nodded and licked her lips. A much softer “Ah” than that of the man was evidence of the enjoyment which the sweet drink had given her.
They continued their ride over the white road, without the least change in the surroundings or the situation. A couple of times the farmer moved nearer to Stina, as if by way of experiment, but each time she squeezed farther into the opposite corner of the seat.
They came to a hill. Now the horses had to walk slowly. From the top of the hill a village could be seen, topped by the white church tower with tiled, white-washed step-gables. Here and there were some farms, separated from the road by dunghills and blackish brown pools of water.
“Whoa !” said Stina when they had reached a cottage with green window-frames and a wilted rose-bush growing along the wall.
“Oh, is that where it is?” said the farmer. “Whoa! Do you understand Danish, you red fox ?”
This latter remark was addressed to the near horse, which had not been willing to obey orders at once, but seemed impressed by this appeal to its nationality.
A little girl in a pink calico dress appeared in the door, which consisted of an upper and a lower part, both open.”

 

 
Sophus Schandorph (8 mei 1836 – 1 januari 1901)
Portret door P.S. Krøyer, 1895

 

De Franse schrijver, vertaler regisseur en diplomaat Romain Gary werd geboren op 8 mei 1914 in Vilnius, Litouwen. Zie ook alle tags voor Romain Gary op dit blog.

Uit: La vie devant soi

« L’entrée de l’immeuble menait à un deuxième immeuble, plus petit à l’intérieur et dès que j’y suis entré, j’ai entendu des coups de feu, des freins qui grinçaient, une femme qui hurlait et un homme qui suppliait « Ne me tuez pas ! Ne me tuez pas! » et j’ai même sauté en l’air tellement c’était trop près. Il y a eu tout de suite une rafale de mitraillette et l’homme a crié « Non! », comme toujours lorsqu’on meurt sans plaisir. Ensuite il y a eu un silence encore plus affreux et c’est là que vous n’allez pas me croire. Tout a recommencé comme avant, avec le même mec qui ne voulait pas être tué parce qu’il avait ses raisons et la mitraillette qui ne l’écoutait pas. Il a recommencé trois fois à mourir malgré lui comme si c’était un salaud comme c’est pas permis et qu’il fallait le faire mourir trois fois pour l’exemple. Il y eut un nouveau silence pendant lequel il est resté mort et puis ils se sont acharnés sur lui une quatrième fois et une cinquième et à la fin il me faisait même pitié parce qu’enfin tout de même. Après ils l’ont laissé tranquille et il y eut une voix de femme qui a dit « mon amour, mon pauvre amour », mais d’une voix tellement émue et avec ses sentiments les plus sincères que j’en suis resté comme deux ronds de flan et pourtant je ne sais même pas ce que ça veut dire. Il n’y avait personne dans l’entrée sauf moi et une porte avec une lampe rouge allumée. Je suis à peine revenu de l’émotion qu’ils ont recommencé tout le bordel avec « mon amour, mon amour » mais chaque fois sur un autre ton, et puis ils ont remis ça encore et encore. Le mec a dû mourir cinq ou six fois dans les bras de sa bonne femme tellement c’était pour lui le pied de sentir qu’il y avait là quelqu’un à qui ça faisait de la peine. »

 

 
Romain Gary (8 mei 1914 – 2 december 1980)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 3.

Rocko Schamoni

De Duitse schrijver, entertainer, muzikant, acteur en clubeigenaar Rocko Schamoni (pseudoniem van Tobias Albrecht) werd geboren op 8 mei 1966 in Lütjenburg. In 1981 en 1982 was Rocko Schamoni lid van de fun-punk band Kernkop, die zichzelf later omdoopte in Public Enemy nr.7 en vervolgens in Die Götter. Door de verhuizing van Lütjenburg in Schleswig-Holstein naar Hamburg, veranderde zijn stijl, en de optredens als provocerende pop entertainer voerden hem hem met de bands Goldene Zitronen en Tote Hosen op uitgebreide toernees door Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Bovendien was Schamoni naast Schorsch Kamerun en DJ Cumpadre ES lid van de band Connection Point die de elektronische muziek maakte. Tijdens zijn shows werd hij eerst ondersteund door Jogging Mystique en later door Little Machine. Sindsdien is het geluid van Schamoni en zijn band vergelijkbaar met het soulgeluid van een Al Green. Naast zijn muzikale carrière geeft Rocko Schamoni gastoptredens in film, radio en televisie. Hij is in meerdere kleine rollen in films en series te zien zoals “Am Tag als Bobby Ewing starb”. Schamoni is ook protagonist in de lange-termijn documentaire „Wir werden immer weitergehen“ van George Lindt en Ingolf Rech, een lange-termijn documentaire die van tijd tot tijd opnieuw getoond wordt als een “work in progress”.. De film was voor het eerst te zien in 2004 op het Achtung Berlin Filmfestival. In 2000 publiceerde Schamoni met “Risiko des Ruhms” zijn debuutroman. In 19 hoofdstukken wordt het turbulente levensverhaal van de verteller beschreven. De eerste editie ging gepaard met een mini-CD, die uit drie delen van de show Showtime 1999 bestond. In 2004 verscheen met “Dorfpunks” zijn tweede en veel succesvoller boek. Het beschrijft de herinnering aan zijn jeugd als een dorpspunk in de late jaren 1970, vroege jaren tachtig. Van dit boek is ook een toneelbewerking gemaakt. “Sternstunden der Bedeutungslosigkeit” werd gepubliceerd in 2007. Schamoni beschrijft in 34 hoofdstukken het dagelijks leven van de verteller Michael Sonntag, die zich als single in Hamburg met klussen door het leven slaat. In 2011 verscheen de roman “Tag der geschlossenen Tür”, waarin de hoofdpersoon Michael Sonntag, inmiddels vroegtijdig gepensioneerde – soms meer, soms minder succesvol – proberen te ontsnappen aan de eisen van het dagelijks leven. In 2016 verscheen de roman “Fünf Löcher Im Himmel”.

Uit:Fünf Löcher Im Himmel

„Paul öffnete eine Dose Bier und hob sie langsam zum Mund. Er trank einen großen Schluck und zündete sich dann eine Ernte 23 an. Es war ziemlich kalt draußen, und er hatte sich auf die Tüte mit der Decke gesetzt­, damit sein Hintern auf der Bank nicht kalt wurde. Er beobachtete das Wohnhaus. Abwechselnd wanderten die linke Hand mit der Dose und die rechte Hand mit der Kippe zu seinem Mund. Der Rauch vermischte sich mit der kondensierenden Atemluft. Seine Füße froren trotz der schweren Knobelbecher.
Die Arbeiter räumten unterdessen die Wohnung aus. Zu viert trugen sie Stück für Stück auf die Straße, das meiste landete sofort im Con­tainer, einige Möbel stellten sie zur Seite. Kleidung, Papier, Fotos, Alltags­utensilien stopften sie in graue Plastiksäcke, die sie in ihren Bus schoben, um sie später zu sortieren.
Paul blickte über sich in den fahlen Nachthimmel der Großstadt. Ein paar Sterne waren zwischen den dunklen Wolken zu sehen, sonst nichts. Er schnippte die Kippe hinter sich ins Gebüsch. Sein Blick war leer, die grauen Haare wellten sich ungewaschen unter der Fellmütze hervor. Er zog die Kochhandschuhe gegen die Kälte wieder an, andere hatte er nicht. Die Arbeiter­ schmissen Teile des Betts in den Container. Ein verächtliches Lächeln huschte über Pauls Gesicht. » Maschinen . . . nichts als Maschinen, ausführende, stumpfe­ Automaten . . . «, flüsterte er. » Von nichts ’ne Ahnung, an nichts Interesse, kein Gefühl, kein gar nichts . . . Maschinen . . . « Er spuckte vor sich auf die Straße. Durch das Fenster sah er, wie einer der Arbeiter im Wohnzimmer Bilder abhängte und sie hinaustrug. Paul stand auf und näherte sich langsam dem Container. » Hey, Alter, verpiss dich, det is ’n Privatcontainer, nix an­fassen, ja ? «, schrie ihm ein Arbeiter zu. Paul griff nach einer halb zerbrochenen Zigarrenkiste, die aus dem Gerümpel hervorlugte, er öffnete sie und warf einen Blick auf die Fotos, die darin lagen. Er steckte die Kiste­ in seinen Seesack, dann griff er nach der schweren Wohnzimmerlampe, die zerbrochen in dem Container lag. Er löste die Metallkugel von ihrem Sockel und wog sie prüfend in den Händen. Er holte aus und schmiss sie mit weitem Schwung in die große Wohnzimmerscheibe, die splitternd und klirrend zerbarst. Die Arbeiter sprangen erschrocken zur Seite, es herrschte einige Sekunden Totenstille.
Als sie schließlich ans Fenster traten, war Paul schon weg.
Er zog seinen schweren Rollkoffer hinter sich her, den Seesack hatte er sich über die Schulter geworfen und die Tüte unter den Arm geklemmt. Um seinen groben Mantel hatte er einen­ Ledergürtel geschnürt. Langsam trottete er die Straße entlang, unbeirrbar, als hätte er ein festes Ziel im Blick.“

 
Rocko Schamoni (Lütjenburg, 8 mei 1966)

Gerrit Kamphuis

De Nederlandse dichter en essayist Gerrit Kamphuis werd geboren in Zwolle op 8 mei 1906. Kamphuis stamde uit een gereformeerd gezin. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en werd vervolgens leraar. Later werd hij hoofd van de afdeling kunstzaken van de gemeente Den Haag. Kamphuis debuteerde met de poëziebundel “Het duistere licht” (1930). In zijn vroege gedichten lijkt hij te zijn beïnvloed door de poëzie van Martinus Nijhoff. Later zou hij samen met Gerrit Borgers het Verzameld werk van Nijhoff bezorgen. In 1963 publiceerde hij een studie over het werk van Nijhoff. Kamphuis behoorde rond 1930 tot de groep Jong Protestantse dichters van het tijdschrift Opwaartsche Wegen, waarvan hij ook redacteur was. In die kringen leerde hij ook de dichter Gerrit Achterberg kennen met wie hij veel correspondeerde. Samen met R.L.K. Fokkema werden die brieven door hem in 1987 uitgegeven. Kamphuis schreef ook veel kritieken, essays en monografieën, onder meer over J.K. van Eerbeek, Aernout Drost en over Willem de Mérode (1973). Tijdens WO II was hij een van de eerste verzetsdichters en medesamensteller van het Nieuw Geuzenliedboek (1941). In 1945 verscheen zijn “Lied bij de bevrijding van Nederland”. Na WO II brak Kamphuis met het protestantisme, maar bleef hij trouw aan de groep waarmee hij eerder verbonden was. Samen met Jan Wit en Ad den Besten droeg hij met psalmberijmingen bij aan het Liedboek voor de Kerken (1971). Bij het vijfentwintigjarig jubileum van het Letterkundig Museum en zijn afscheid van het bestuur van dit museum, werd hem door Kees Fens het Officierschap in de Orde van Oranje Nassau uitgereikt.

Het late najaar

Het late najaar vaart door hooge boomen
En bleeke blaadren huivren hulploos heen.
Winter is zwart en kil om ons gekomen,
Ik ben nu zeer alleen.

Peinzend staar ‘k op naar grauwe wolkenstoeten
En denk wat henenging: aan haar en mij –
En doode blaadren dwerrlen voor mijn voeten,
Het is nu àl voorbij.

Het grauwe weer jaagt voort langs aardewegen
En over mijn hart en heen langs haar woon.
Tegen dit eenzaam huis siddert de regen
En ‘k denk een late droom.

 

Rembrandt is oud

De avond wordt grijs achter kleine ruiten.
zijn handen houden doelloos het burijn.
als blaad’ren langs de gracht vallen zijn
gedachten bij ’t vermoeid de oogen sluiten.

o laat alleenzijn, als uit donk’re hoeken
’t verleden grijs ontwaakt als uit een graf –
hij lacht en vreest, zijn handen weren af,
wat hem uit jaren leed en lust komt zoeken.

hoe wordt in hem dan ’t vuur van vroege droomen,
als schemergoud en gloed van ouden wijn
wakker tot dieper drift? zie, zie hoe zijn
visioenen branden in een vlamstil stroomen.

maar later, als hij moe zich schikt tot slapen,
komt uit de schemer stille Jezus met
Zijn grondelooze blik; en aan zijn bed
begint Hij zacht als met een kind te praten.


Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 – 25 april 1998)
Midden jaren 1920

Libris Literatuurprijs 2018 voor Murat Isik

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik is de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2018, de belangrijke onderscheiding voor de beste oorspronkelijk Nederlandstalige roman van het afgelopen jaar. Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

“Ik keek uit het raam, maar zag weinig anders dan blauwe borden en lichten langs de snelweg. Mijn oogleden werden steeds zwaarder. Ik schrok wakker toen mijn hoofd tegen het raam klapte. Toen ik versuft opkeek, zag ik oplichtende flatgebouwen opdoemen als kolossale ruimteschepen. Ik had nog nooit zoiets wonderlijks gezien.
‘Dit moet de Bijlmermeer zijn,’ zei Kadir.
We parkeerden in een donkere garage die we vanaf de verhoogde weg inreden. Kadir en Erol droegen de koffers, mijn moeder, zus en ik liepen verdwaasd achter hen aan. Vlak voordat we de garage uit waren, hoorden we een schreeuw, een ijzige en langgerekte schreeuw die van de begane grond leek te komen. Ik keek verschrikt om.
‘Doorlopen,’ bromde Kadir.
Via een overdekte luchtbrug bereikten we de binnenstraat van de flat. We passeerden een lift waar een donkere man voor stond en even later een ruimte met overvolle vuilcontainers. De binnenstraat was bijna net zo donker als de garage. De met plastic kapjes overdekte lampen aan het plafond flikkerden of brandden in sommige gevallen helemaal niet. Aan onze rechterhand wisselden betonnen pilaren en brede stenen zuilen elkaar om de paar meter af. Ik was iets achterop geraakt en ineens werd ik bang dat een duister wezen achter zo’n zuil vandaan zou springen en mij zou grijpen. Ik zette een sprint in en pakte mijn zus bij de hand.
‘Baba heeft vast een cadeautje voor mijn verjaardag,’ fluisterde ze opgewonden.
‘En voor mij,’ zei ik.
De binnenstraat liep over in een tweede luchtbrug die de flat met een ander flatgebouw verbond. Dit deel van de flat leek beter verlicht, maar ook hier waren de vuilcontainers overvol en verspreidden een doordringende geur. Toen ik opkeek zag ik dat twee donkere mannen ons passeerden.
‘Het stikt hier van de negers,’ zei Kadir. ‘Het lijkt Afrika wel.’
‘Die Harun,’ zei Erol lachend. ‘Nu begrijp ik waarom hij binnen twee dagen een woning heeft gevonden.’
Even later stopten we voor een lift. Erol drukte op de knop. Terwijl ik naar de uitbundige graffiti op de liftdeur en muren staarde, hoorde ik ineens glasgerinkel, alsof ergens vlakbij een raam werd ingegooid. ‘ Wat is dat?’ riep mijn moeder.
‘Ach, dat zijn vast kwajongens,’ zei Kadir kalm, alsof hij de flat en zijn bewoners door en door kende.
De lift arriveerde en Erol trok de deur haastig open. Drie zwarte mannen keken ons vragend aan. ‘Binnenstraat?’ vroeg een van hen.
‘Ja,’ zei Kadir.


Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Tsjip

“Trouwens, ginder ver is geen plaats voor kerels met een schorre stem, die weten hoe ’t in ’t leven gaat. Ook dáár voelt zoo een zich tenslotte verlaten. Ook dáár is hij eindelijk nog slechts een vieze vlek in een onbezoedeld landschap, een hoopje vuil in de feestzaal. En zal ik niet geruster bij den haard stinken dan in dat paradijs?
Ik heb dus mijn taak als razend aangepakt, mijn ridderorde weer opgestoken en mijn zaken gedreven als een die nooit dat land heeft bereisd. Ik schreef mijn rekeningen met vaste hand, groette al wie mij groette, had een minzaam woord voor vriend en vijand en liet mijn schuldenaars afmaken door een deurwaarder, zooals het hoort. Tot ik op een heilloozen dag dat mormel van een kleinzoon in huis gewaar werd, die met zijn gekraai en zijn bloote billen aan ons rotten een eind heeft gemaakt.
Toen heb ik mezelf betrapt bij ’t sluipen naar den zolder waar ik mijn stok heb opgezocht in stof en spinrag. En nu zullen mijn klanten wachten en niets zien komen. Die nog niet betaald hebben kunnen stikken in mijn geld. Ik heb eerst met de keel een toonladder geschraapt en dan met zijn kraaien ingestemd. En mijn beenen jeuken. Kom, jongen, vooruit is de weg.
Mogen vrouw en kinderen mij vergeven dat ik hen een laatste maal verloochen voor die vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt, véél hooger dan de leeuwerik.
Ik herinner mij niet precies meer hoe en wanneer de vreemdeling in huis gekomen is, maar hij loopt hier nu voortdurend rond. Zeker heb ik zijn aanwezigheid in ’t begin niet opgemerkt en zat hij boven als ik beneden was. Nu echter ontmoet ik hem op de trap, bots in de gang tegen hem aan en zit tegenover hem aan tafel, want hij eet nu ook mee. Mijn oudste dochter, die hem in huis heeft gehaald, zit naast hem. Zij zijn beiden op de Handelsschool en ik geloof dat hij in ’t begin kwam om met haar te blokken. Hij was zwak in de Fransche taal en zij in Staathuishoudkunde en zij zouden trachten elkander te helpen. Ik heb toen tenminste zoo iets gehoord.
Mijn gesprekken met hem loopen steeds over ’t zelfde: het studeeren aan de Handelsschool en de Europeesche politiek, vooral in en rond Polen. Ik zou goed doen daar wat meer over te lezen want ik val nog al eens stil en kan dan soms, met den besten wil, niet opnieuw demarreeren. Maar tusschen ons in, als een dreigend vraagteeken, staat die dochter. Over haar wordt niet gerept, maar alleen aan haar denken wij beiden. En als ik hem zijn meening vraag over den Poolschen corridor dwars door Duitschland, dan verwacht ik dat hij eindelijk zeggen zal ‘ja, ik bemin Adele en verlang met haar te trouwen.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 
Cover

Lees verder “Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore”

In Memoriam Renate Dorrestein

 

In Memoriam Renate Dorrestein

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein is op 64-jarige leeftijd overleden. Ze leed al enige tijd aan slokdarmkanker. Dorrestein overleed vrijdagavond in haar woning in Aerdenhout in het bijzijn van haar dierbaren, zo maakte haar uitgeverij Podium bekend. Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Is er hoop

“Igor is toegelaten op de sociale werkplaats. Zijn oma leest en herleest de brief waar het zwart op wit in staat, en dan leest ze hem voor alle zekerheid nog een keer. Het ongeloof staat op haar gezicht geschreven. Iets voetstoots aannemen is niks voor haar, maar de boodschap is glashelder, onomwonden en voor maar één uitleg vatbaar: Igor is toegelaten op de sociale werkplaats. Ze gooit haar armen in de lucht en rent juichend door hun flat. `Ik zei het toch,’ zegt hij. Buiten adem strijkt ze de gekreukelde brief glad. Ze zegt dat ze hem gaat inlijsten en boven haar bed ophangen. Dan weet ze iedere ochtend zodra ze wakker wordt, tenminste zeker dat ze het niet heeft gedroomd. Bewaart hij zelf gewoon de envelop. Daar staat zijn naam óók op. Volgens de brief zijn ze welkom om op de werkplaats te komen kennismaken, als ze daar zin in hebben. Reken maar, tettert zijn oma. Ze zal direct een afspraak maken en een halve dag vrij nemen. ‘Ben je niet blij?’ vraagt ze. Dat is hij altijd al. Er bestaan wel honderd verschillende ziekten en hij heeft ze geen van alle. Sommige mensen zijn kaal, maar hij niet. En stel dat er een aardbeving komt en het licht uitvalt, dan heeft hij altijd nog zijn zaklantaarn. Die heeft hij voor zijn verjaardag gekregen. Er zit een knoeperd van een batterij in. Om te testen of een batterij nog goed is, moet je eraan likken. Lang niet iedereen weet dat. Je hebt er een iq van minstens zestig voor nodig. Hij gniffelt even in zichzelf. Zestig! Stel dat je zestig batterijen moest vasthouden: daar zouden de meeste mensen niet eens genoeg handen voor hebben. Sukkels. Met haar pols wist zijn oma het zweet van haar voorhoofd. Ze ploft naast hem neer op de bank en legt haar voeten op het tafeltje waaronder het snoer van de televisie met leukoplast is vastgeplakt. ‘Rustig doorgaan met ademhalen,’ zegt ze, ‘anders blijven we erin, Igor.’ Diep ademen, want een zucht geeft lucht. En hoe harder je zucht, des te sneller gaat de tijd. Dat beweert ze altijd, en het klopt nog ook. Na flink wat zuchten zitten ze samen al in de metro, op weg naar de werkplaats. Zij heeft haar haar heel anders dan normaal, het lijkt wel een taart. Ze blijft maar naar het zijne loeren, met samengeknepen ogen, alsof ze van plan is het met spuug achter zijn oren te plakken. Hij moet haar scherp in de gaten houden, wil hij zo meteen niet voor paal komen te staan. We zijn op weg naar je toekomst,’ zegt ze terwijl ze uitstappen.”

 


Renate Dorrestein (25 januari 1954 – 4 mei 2018)

Beloved, let us love one another,’ says St. John (Christina Rossetti)

Bij de vijfde zondag na Pasen

 


Ikoon van Jezus met St. Johannes de Geliefde Discipel door Ann Chapin, 2012

 

Beloved, let us love one another,’ says St. John

‘Beloved, let us love one another,’ says St. John,
Eagle of eagles calling from above:
Words of strong nourishment for life to feed upon,
‘Beloved, let us love.’

Voice of an eagle, yea, Voice of the Dove:
If we may love, winter is past and gone;
Publish we, praise we, for lo it is enough.

More sunny than sunshine that ever yet shone,
Sweetener of the bitter, smoother of the rough,
Highest lesson of all lessons for all to con,
‘Beloved, let us love.’

 

 
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
St John’s Church, Waterloo, Londen, de geboorte plaats van Christina Rossetti

 

Zie voor de schrijvers van de 6e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern, Carl Ludwig Börne

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Verzen

XIII
O, dat ik haten moet en niet vergeten!
O, dat ik minnen moet en niet vergaan!
Ach! Liefde-in-Haat moet ik mijzelven heeten,
Want geen kan de andere in mijn hart verslaan.

In droef begeeren heb ik neêrgezeten,
In dreigend gillen ben ‘k weêr opgestaan.
Wee! dat ik nooit dát bitt’re brok kon eten,
Van stil te zijn en héél ver weg te gaan.

Eén hoop slechts, één, één enkel zoet vermeenen,
Eén weten, maar ik kán het niet gelooven…..

Ach, dit: dat rusten onder groene steenen
Een eeuwig rusten is, in één verdooven,

En dat de dooden niet in donker weenen
Om ’t zoete leven met hun lief daarboven.

 

XIV
Want Ik, die Ik ben, haat u om uw slechtheid,
Maar houd u dierbaar om mijn eigen pracht:
Gij zijt de toets-steen van mijn eigene echtheid,
De steen waarop ik trap, om mijne kracht

Te laten zien aan ’t volk, èn mijn oprechtheid,
Waarmede ik alles, wat ik voelde en dacht,
Verloochende om de Waarheid en Gerechtheid,
Die niet gedoogt, dat één mensch de’ and’ren slacht.

Gij deert mij niet, want wat gij deedt is zonde,
Gij weet mij niet, want hooger is mijn Ziel…

Gij zijt het Beest dier oude, schrikb’re Oorkonde
Uit Gods Boek-zelf, dat van den Hemel viel…

En alle Goeden hebben eene wonde,
Nu-dat Mijn Licht op úw gestalte viel.

 

XV
Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak,
Om niet in Mij te g’looven, die u liefde.
Gij waart een kind, dat àl zijn speelgoed brak,
Wanneer het langer niet zijn speelgoed b’liefde.

O, kind… Ik wàs geen kind! Ik ben ’t, die kliefde
Dit mijn schoon hoofd, zoo sterk eens, tháns zoo wrak,
Omdat Ik niet met mijne groote Liefde
Alleen wil zijn, bij al dat volk, zoo mak.

Gij woudt mijn dood, en ik, ik wilde uw leven:
’t Is goed; ik ben gevallen in mijn pracht…
Maar om Mijzelven, nimmermeer door U.

Thans is het úwe beurt van kracht. Welnu:
Tracht éven sterk, als ik nu stérf, te léven
In de eenzaamheid van ’t leven, dat u wacht.

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Lodewijk van Deyssel (l.) en Willem Kloos feliciteren elkaar met hun eredoctoraat in de letteren en wijsbegeerte, 1935.

 

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Iets anders

schreef ik mijn gedichten maar niet zo traag
ik zou vertellen hoe een man zegt:
er hangt een rare mevrouw aan mijn kont
ik noem geen namen – ik zou vertellen
hoe de rare vrouw de man in de nek bijt
zich knauwend in hem een weg baant
hoe hij de rare in gezelschap vraagt
zoek je ruzie? en zo haar mond weer lokt

ik zou op tijd vertellen hoe warm
onze ogen stemmen – hoe graag
de nek de mond
ik zou op tijd vertellen hoeveel
liefde in het knauwen – hoe fijn
door jou gelokt
ik zou je op tijd vertellen
dat ik ruzie zoek en het echt meen

maar ik schrijf mijn gedichten traag
en vertel iets anders dan ik je zou vertellen

 

Uit zicht

er rent een man in de tuin
hij vangt kinderen
maar haar niet

er rent een man
op haar feest
een man die wel vaker rent

dit maal vlucht niet zij
vluchten speelkameraadjes
door het dolle heen

het is feest
dit maal vlucht zij
niet weg van het feest

 

 
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Sasja Janssen werd geboren op 6 mei 1968 in Venlo. Zie ook alle tags voor Sasja Janssen op dit blog. Zie ook alle tags voor Sasja Janssen op dit blog.

 

Ballade van de alfahulp 1

Ik trek de gordijnen dicht als een lijkzak, de tengere
sigarettenhulzen van het bed, snijbloemgroen de deken
die makkelijk vuurt, het moet meteen.

Het moet, de traagheid, mijn kinderhand tussen haar
benen en ik lach met haar mee, want voor mij is het erger.
Ik ben ingehuurd, niet ik ga over twee dagen dood.

In de middag pakt ze me terug wanneer de hulzen
uit me blijven vloeien en ik de man doe van wie de dochters
uit de oceaan komen omdat hij crepeert.

Weer dat gelamenteer om hun moeder die het bed
met anderen houdt, de zusjes getrouwd met vreemdelingen,
ik schuil in de hal met de stofzuiger.

En de donkere huilt op het hete balkon, terwijl de lichte
de deur opent voor de keisnijder, die mij het eerst bevrijdt.

 

Ballade van de alfahulp 3

Een met wanen ver in West, een schooljuffrouw op hoge
poten in de Clauskindereweg, maak met haar niet die grap
een stewardess aan de Sloterplas met twee jongen nog
een haperend hoofd, een toetje als je het ons vraagt.

In de eerste keuken van die dag schuur ik het gele vet
van de tegels, wat geheid het hele zomerrantsoen van twee
uur kost, maar de vrouw stoot me steeds aan zodat ik tussen
haar lamellen gluur, ik zie mijn fiets alleen staan.

Binnen schemeren de rode lachjes op elke stoel en
vensterbank, sommige poppen ongekleed, hun romp van stro
een distel in een porseleinen babyhoofd, geen enkele
hulp wil vast bij haar, wij hopen op jou.

Ik schrobde tot honderd wanneer ze in een achterkamer
verdwijnt en zie hoe ze op een los laken wijdbeens slaapt met
links en rechts een poppenlijk en al op de fiets krijg ik berouw
dat ze waken moet zonder mij en wil ik mijn toetje kwijt.

 

 
Sasja Janssen (Venlo, 6 mei 1968)

 

De Chileens-Amerikaanse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfman werd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren. Zie ook alle tags voor Ariel Dorfman op dit blog.

Uit: Feeding on Dreams: Confessions of an Unrepentant Exile

“And then had come the arrest of General Pinochet in London in 1998, and his year and a half of captivity, and all of a sudden my public persona was more valuable than ever, on the BBC and Charlie Rose and Chilean TV. You see, I said to my wife, ya ves, if I were an American citizen, how could I possibly write publicly to Pinochet and tell him that this was the best thing that could have happened to him, that he has been afforded an implausible chance to repent. It is only feasible to write words like those as a Chilean, that’s why I could write to an unknown Iraqi dissident in the Washington Post and say that I understood why he wanted to be rid of the tyrant Saddam but not at the price of an intervention from abroad, explain that I would have rejected such a solution for my Chile in the days of our dictatorship, even if it had meant that friends were to die. I felt that my role as a public intellectual depended on keeping my distance from any official association with a United States misruled by George W. Bush, that Chile was more relevant than ever, the glass darkly through which I saw torture and the erosion of civil rights and ‘extraordinary rendition’, again the outrageous familiarity. I had grown accustomed to the idea that the United States, with all its blemishes and shortcomings, was a haven against persecution, at least for someone like me, and now it was threatening to turn into a police state, foreigners were being rounded up, permanent residency was no guarantee against abuses and Guantánamo, my Lord, and Dick Cheney, no longer a congressman receiving my copy of Widows in 1983, was churning out real widows all across the oil homelands of the planet twenty years later.
Angélica would hand me clippings, as if I couldn’t read, as if I didn’t know: Listen to this provision of the Patriot Act, no, Ariel, I want you to listen. And also: You want to be effective? Then break out of the snug cocoon, say we when you speak to Americans, include yourself in that we.
And she was worrying, my wife, Escúchame, Ariel, if they expel you, I’m not leaving, this time I’m not following you, you want to never see your granddaughters again? Angélica would not give up. It was absurd, there was no chance of anything of the sort happening to me, not with my contacts, not with my profile, not with — it can’t happen here? Wait, wait, hadn’t I written, just last year, that it can happen anywhere, make people afraid enough and they’ll let the government do anything in their name?”

 

 
Ariel Dorfman (Buenos Aires, 6 mei 1942)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Reden

Zu den Menschen
vom Frieden sprechen
und dabei an dich denken
Von der Zukunft sprechen
und dabei an dich denken
Vom Recht auf Leben sprechen
und dabei an dich denken
Von der Angst um Mitmenschen
und dabei an dich denken –
ist das Heuchelei
oder ist das endlich die Wahrheit?

 

Einleuchtend

Es kann nicht sein
daß die Amerikaner
ohne Notwendigkeit
vietnamesische Kinder verbrennen

Es kann nicht sein
daß die Amerikaner
Marschall Ky unterstützen
wenn er wirklich ein Schurke ist

Sie unterstützen ihn wirklich
er kann also nicht so schlimm sein
und was er sagt
kann nicht so unrichtig sein

Er sagt wirklich
sein Vorbild ist Adolf Hitler
also kann es gar nicht so schlecht sein
wenn man Hitler zum Vorbild nimmt

Doch auch Hitler hat Kinder verbrannt
und nicht in Vietnam sondern näher
Warum also regt man sich auf
wenn die Amerikaner das tun

 

Einer Singt

Einer singt
aus Angst
gegen Angst

Einer singt
aus Not
gegen Not

Einer singt
aus der Zeit
gegen die Zeit
Einer singt
aus dem Staub
gegen den Staub

Einer singt
von den Namen
die Namen namenlos machen

 


Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

De Japanse schrijver Yasushi Inoue werd geboren op 6 mei 1907 in Asahikawa. Zie ook alle tags voor Yasushi Inoue op dit blog.

Uit: Het jachtgeweer (Vertaald door Jacques Westerhoven)

“Mijn vriend stuurde me de aflevering waarin dit gedicht stond opgenomen toe, en terwijl ik het doorbladerde besefte ik voor het eerst hoe kortzichtig ik was geweest. ‘Het jachtgeweer’ was weliswaar een toepasselijke titel voor mijn gedicht, maar in dit blad hoorde het niet thuis. In een tijdschrift waarin kwistig werd gestrooid met termen als ‘de weg van de jager’, ‘sportsmanship’, en ‘gezonde hobby’ stak het zo schril tegen zijn omgeving af dat de bladzijde waarop mijn gedicht stond afgedrukt de indruk maakte van een geïsoleerde enclave – een onafhankelijke, volledig op zichzelf aangewezen speciale zone. Natuurlijk beschrijft dit gedicht het wezenlijke karakter van een jachtgeweer zoals ik dat met mijn dichterlijke intuïtie had aangevoeld – dat was in elk geval mijn bedoeling geweest – en ik zag geen enkele reden om me te verontschuldigen. Ik was trots op dit werk. Als ik het in een ander blad had gepubliceerd, was er geen enkel probleem geweest, maar in het orgaan van de Japanse Jagersvereniging, die zich tot doel stelt de jacht te propageren als een oergezond tijdverdrijf, kwamen mijn opvattingen over het jachtgeweer over als ietwat onorthodox, bedenkelijk zelfs. Het was nu te laat om er nog iets aan te doen, maar als ik eraan dacht hoe raar de vriend die mij om deze bijdrage had verzocht moest hebben opgekeken toen hij mijn manuscript voor het eerst onder ogen kreeg en hoe lang hij had geaarzeld voor hij met zijn karakteristieke edelmoedigheid besloot om het toch maar op te nemen, ging mijn hart naar hem uit. Ik verwachtte half een verontwaardigd schrijven van een van de leden van de Jagersvereniging, maar ik bleek meonnodig zorgen te hebben gemaakt: ik kreeg zelfs geen briefkaart. Gelukkig of niet, mijn gedicht werd door jagers in het hele land genegeerd. Of misschien is het beter te zeggen dat ze het helemaal niet lazen. Er verstreken twee maanden, en ik was deze hele geschiedenis alweer zo goed als vergeten, toen ik een brief ontving van een volslagen onbekende, Jo¯suke Misugi genaamd.
Ik heb ooit gelezen dat een geschiedschrijver de karakters gebeiteld op een van de rotswanden op de Taishan-berg beschreef als ‘de witte gloed van de zon na een woeste herfststorm’. Het klinkt enigszins overdreven, maar de karakters op de grote envelop van wit Japans papier die ik in mijn hand hield maakten precies die indruk op me. De inscriptie op die rotswand is nu helemaal afgesleten en er bestaan zelfs geen rubbings van, dus ik kan me natuurlijk niet voorstellen hoe verfijnd of krachtig die karakters waren, maar hoewel Jo¯suke Misugi’s vloeiende, cursieve handschrift bijna te groot leek voor de envelop en op het eerste gezicht een zelfverzekerde indruk maakte,voelde ik hoe langer ik ernaar keek van elk karakter een zekere leegheid opstijgen die me opeens deed denken aan wat die oude historicus over het opschrift op de Taishan had gezegd.”

 

 
Yasushi Inoue (6 mei 1907 – 29 januari 1991)

 

De Zweedse dichter en schrijver Harry Martinson werd geboren op 6 mei 1904 in Jämshög in het zuidoosten van Zweden. Zie ook alle tags voor Harry Martinson op dit blog.

 

Aniara

3
A swerve to clear the Hondo asteroid
(herewith proclaimed discovered) took us off our course.
We came too wide of Mars, slipped from its orbit
and, to avoid the field of Jupiter,
we settled on the curve of I.C.E.-twelve
within the Magdalena Field’s external ring;
but, meeting with great swarms of leonids,
we headed farther off to Yko-nine.
In the Field of Sari-sixteen we gave up attempts
to turn around.
As we held our curve, a ring of rocks
echographically gave back a torus-image
whose empty center we sought eagerly.
We found it too, but at such dizzying angles
that the passage to it led to breakdown
of the Saba Unit, which was hit hard by space-stones
and great swarms of space-pebbles.
When the ring had moved off and space had cleared,
turning back was possible no longer.
We lay with nose-cone pointed at the Lyre
nor could any change in course be thought of
We lay in dead space, but to our good fortune
the gravitation-works were still in service,
and heating elements as well as lighting
were not disabled.
Of other apparatus some was damaged
and other parts less damaged could be mended.
Our ill-fate now is irretrievable.
But the mima will hold (we hope) until the end.

 

Vertaald door Stephen Klass en Leif Sjöberg

 

 
Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978)
Cover

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Christian Morgenstern werd geboren in München op 6 mei 1871. Zie ook alle tags voor Christian Morgenstern op dit blog.

 

Vice versa

Ein Hase sitzt auf einer Wiese,
des Glaubens, niemand sähe diese.
Doch im Besitze eines Zeißes,
betrachtet voll gehaltnen Fleißes
vom vis-à-vis gelegnen Berg
ein Mensch den kleinen Löffelzwerg.
Ihn aber blickt hinwiederum
ein Gott von fern an, mild und stumm.

 

Stilles Reifen

 Alles fügt sich und erfüllt sich,
mußt es nur erwarten können
und dem Werden deines Glückes
Jahr und Felder reichlich gönnen.
Bis du eines Tages jenen reifen Duft der Körner spürest
und dich aufmachst und die Ernte in die tiefen Speicher führest.

 

Segelfahrt

Nun sänftigt sich die Seele wieder
und atmet mit dem blauen Tag,
und durch die auferstandnen Glieder
pocht frischen Blut erstarkter Schlag.

Wir sitzen plaudernd Seit an Seite
und fühlen unser Herz vereint;
gewaltig strebt das Boot ins Weite,
und wir, wir ahnen, was es meint.

 

 
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)

 

De Duitse schrijver, journalist en criticus Carl Ludwig Börne werd in Frankfurt geboren als Juda Löb Baruch op 6 mei 1786. Zie ook alle tags voor Carl Ludwig Börne op dit blog.

Uit: Briefe aus Paris

“Paris, den 17. September 1830
Dann sehe ich in das Zimmer einer Demoiselle; in eine Schneiderswohnung; in einen Roulettesaal und in eine lange Galerie von Cabinets inodores. Wie schön, freundlich und glänzend ist alles nach der Gartenseite des Palais Royal: nach hinten aber, wie betrübt und schmutzig alles! Ich werde mich eilen, aus diesen Kulissen zu kommen, und mich nach einer andern Wohnung umsehen.
Sie können es sich denken, daß ich nicht lange zu Hause geblieben, sondern gleich forteilte, die alten Spielplätze meiner Phantasie aufzusuchen und die neuen Schlachtfelder, die ihr Wort gehalten. Aber ich fand es anders, als ich erwartete. Ich dachte, in Paris müsse es aussehen wie am Strande des Meeres nach einem Sturm, alles von Trümmern bedeckt sein, und das Volk müsse noch tosen und schäumen. Doch war die gewohnte Ordnung überall und von der Verheerung nichts mehr zu sehen. Auf einigen Strecken der Boulevards fehlen die Bäume, und in wenigen Straßen wird noch am Pflaster gearbeitet. Ich hätte die Stiefeln ausziehen mögen; wahrlich, nur barfuß sollte man dieses heilige Pflaster betreten. Die vielen dreifarbigen Fahnen, die man aufgesteckt sieht, erschienen mir nicht als Zeichen des fortdauernden Krieges, sondern als Friedenspaniere. Die Fahne in der stolzen Hand Ludwigs XIV. auf dem Place des Victoires machte mich laut auflachen. Wir haben die Reiterstatue vor acht Jahren zusammen aufrichten sehen. Wer hätte das damals gedacht? Träume von Eisen und Marmor – – und doch nur Träume! – Noch schwebt jener Tag mir vor, noch höre ich den Polizeijubel, höre alle die Lieder mit ihren Melodien, welche bezahlte Bänkelsänger auf dem Platze sangen. Das eine Lied fing an: Vive le roi, le roi, le roi, que chante le monde à la ronde – jetzt müßte es heißen statt que chante, que chasse le monde à la ronde.”

 

 
Ludwig Börne (6 mei 1786 – 12 februari 1837)
Borstbeeld op Père-Lachaise, Parijs

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Ferdinand Sauter, Eugène Labiche, Gaston Leroux, Júlio César de Mello e Souza, Marie-Aude Murail, Paul Alverdes, Erik Bindervoet, Simon Mulder

De Oostenrijkse dichter Ferdinand Sauter werd geboren op 6 mei 1804 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ferdinand Sauter op dit blog.

 

Mein Sonntagsmorgen
Keine Dichtung

Welches Glück, am Sonntagsmorgen
In den Tag hinein zu schlafen,
Ruhig liegen in dem Hafen,
Von der Alltags-Noth geborgen.
Langsam wird sich angekleidet
Unter Singen, unter Pfeifen,
Und kein Schmollen und kein Keifen
Unser Wohlsein uns verleidet.
Mit unsäglichem Vergnügen,
Angethan mit neuem Rocke,
Mit dem Hute, mit dem Stocke
Steigen wir hinab die Stiegen.
Doch um Eins nicht zu vergessen,
Stecken wir in uns’re Taschen
Uns ein hübsches Buch zum Naschen,
Bis es später Zeit zum Essen.
D’rauf wird in dem Sonnenscheine
Hingeschlendert durch die Gassen,
Ganz gemütlich und gelassen;
Denn sie sind so blank und reine.

Jene grünen Jalousien
Sind geschlossen – ach die Schönen,
Die sich dort auf Flaumen dehnen,
Träumen wohl von Harmonien!
Laß sie träumen! – die Geliebte
Denket doch des treuen Schäfers,
In der Ruh’ des Siebenschläfers, –
Daß ihr nichts den Frieden trübte!
Doch ein winzig Kieselsteinchen
Will ich an’s Gesimse schleudern,
Etwa, daß sie schon in Kleidern
Tänzelt niedlich auf den Beinchen.
Sieh, da öffnet sie die Balken
Mit den zarten Fingerspitzen,
Spähet furchtsam durch die Ritzen,
Wie die Taube auf den Falken.
Ha, nun hat sie mich erblicket,
Wirft mir mit dem lieben Händchen
Küsse zu als süße Pfändchen,
Wer ist wohl wie ich entzücket?!
Und ich wand’re selig weiter
Bis hinaus zu den Alleen,
Die vor jenem Thore stehen,
Und das Glück ist mein Begleiter.

 

 
Ferdinand Sauter (6 mei 1804 – 30 oktober 1854)
Cover

 

De Franse (blijspel)schrijver Eugène Marin Labiche werd geboren op 6 mei 1815 in Parijs. Zie ook alle tags voor Eugène Labiche op dit blog.

Uit: La Grammaire

« MACHUT, à part. — Il ne me voit pas… il creuse.
CABOUSSAT, lisant et à lui-même. — «Nota. — On reconnaît mécaniquement que le participe suivi d’un infinitif est variable quand on peut tourner l’infinitif par le participe présent.» (Parlé.) Il faut tourner l’infinitif par le participe… Ah! j’en ai mal à la tête!
MACHUT, à part. — Je parie que c’est du latin… ou du grec. (Il tousse.) Hum! hum!
CABOUSSAT, cachant son livre dans sa poche. — Ah! c’est toi, Machut?
MACHUT. — Je vous dérange, monsieur Caboussat?
CABOUSSAT. — Non… je lisais… Tu viens pour la vache?
MACHUT. — Oui… et j’ai appris l’événement.
CABOUSSAT. — Un morceau de verre… est-ce drôle? Une vache de quatre ans.
MACHUT. — Ah! monsieur, les vaches… ça avale du verre à tout âge… J’en ai connu une qui a mangé une éponge à laver les cabriolets… à sept ans! Elle en est morte.
CABOUSSAT. — Ce que c’est que notre pauvre humanité!
MACHUT. — Ah çà! j’ai à vous parler de votre élection… Ca marche.
CABOUSSAT. — Ah! vraiment? Ma circulaire a été goûtée?
MACHUT. — Je vous en réponds!… On peut dire qu’elle était joliment troussée, votre circulaire! Je compte sur une forte majorité.
CABOUSSAT. — Tant mieux! quand cela ne serait que pour faire enrager Chatfinet, mon concurrent.
MACHUT. — Et puis, savez-vous que, nommé, pour la seconde fois, président du comice agricole d’Arpajon, vous pouvez aller loin… très loin.
CABOUSSAT. — Où ça?
MACHUT. — Qui sait?… Vous êtes déjà du conseil municipal… Vous deviendrez peut-être notre maire un jour!”
CABOUSSAT. — Moi? Oh! quelle idée… D’abord, je ne suis pas ambitieux… et puis la place est occupée par M. Rognat, depuis trente-cinq ans.”

 

 
Eugène Labiche (6 mei 1815 – 22 januari 1888)
Scene uit een uitvoering in Brussel, 2015

 

De Franse schrijver Gaston Leroux werd geboren op 6 mei 1868 in Parijs.Zie ook alle tags voor Gaston Leroux op dit blog.

Uit: Le fantôme de l’Opéra

“Et voici ce que Joseph Buquet a dit du fantôme à qui voulait l’entendre :
« Il est d’une prodigieuse maigreur et son habit noir flotte sur une charpente squelettique. Ses yeux sont si profonds qu’on ne distingue pas bien les prunelles immobiles. On ne voit, en somme, que deux grands trous noirs comme aux crânes des morts. Sa peau, qui est tendue sur l’ossature comme une peau de tambour, n’est point blanche, mais vilainement jaune ; son nez est si peu de chose qu’il est invisible de profil, et l‘absence de ce nez est une chose horrible à voir. Trois ou quatre longues mèches brunes sur le front et derrière les oreilles font office de chevelure. »
En vain Joseph Buquet avait-il poursuivi cette étrange apparition. Elle avait disparu comme par magie et il n’avait pu retrouver sa trace.
Ce chef machiniste était un homme sérieux, rangé, d’une imagination lente, et il était sobre. Sa parole fut écoutée avec stupeur et intérêt, et aussitôt il se trouva des gens pour raconter qu’eux aussi avaient rencontré un habit noir avec une tête de mort.
Les personnes sensées qui eurent vent de cette histoire affirmèrent d’abord que Joseph Buquet avait été victime d’une plaisanterie d’un de ses subordonnés. Et puis, il se produisit coup sur coup des incidents si curieux et si inexplicables que les plus malins commencèrent à se tourmenter.
Un lieutenant de pompiers, c’est brave ! Ça ne craint rien, ça ne craint surtout pas le feu !
Eh bien, le lieutenant de pompiers en question, qui s’en était allé faire un tour de surveillance dans les dessous et qui s’était aventuré, paraît-il, un peu plus loin que de coutume, était soudain réapparu sur le plateau, pâle, effaré, tremblant, les yeux hors des orbites, et s’était quasi évanoui dans les bras de la noble mère de la petite Jammes. Et pourquoi ? Parce qu’il avait vu s’avancer vers lui, à hauteur de tête, mais sans corps, une tête de feu ! Et je le répète, un lieutenant de pompiers, ça ne craint pas le feu.”

 

 
Gaston Leroux (6 mei 1868 – 15 april 1927)
Cover Nederlandse uitgave

 

De Braziliaanse schrijver Júlio César de Mello e Souza werd geboren op 6 mei 1895 in Rio de Janeiro. Zie ook alle tags voor Júlio César de Mello e Souza op dit blog.

Uit: The Man Who Counted (als Malba Tahan)

“It is necessary, however, to have eyes to see it, intelligence to understand it, and spirit to wonder at it. The rude Bedouin sees geometric forms but does not understand them; the Sunni under stands them but does not admire them; the artist, finally, perceives the perfection of figures, understands beauty, and admires order and harmony. God was the Great Geometer. He geometrized heaven and hearth. In Persia there exists one plant, much sought as food by camels and sheep, whose seed . . .”
And so, holding forth enthusiastically on the multiple beauties embraced by geometry, Beremiz walked along the long and dusty road from the palace of the merchant to the bridge of victory. I accompanied him in silence, enchanted by his curious enlightenment.
After crossing Muazin Square, which is also known as the shelter of the camel drivers, we deserted the beautiful Inn of the Seven Sorrows, much frequented in the hot weather, by Bedouins and travelers from Damascus and Mosul.
Its most elegant feature was its inner patio, with good shade in summer, its four walls covered with plants of all colors from the mountains of Libya it had an air of peace and repose.
On an old wooden sign, beside which the Bedouins tied their camels, we read:
Inn of the Seven Sorrows.
“Seven sorrows,” murmured Beremiz. “Strange! Do youby any chance know the
owner of this inn?”
“I know him well,” I replied. “He is a former rope merchant from Tripoli whose father
served under Sultan Quervan. They call him the Tripolitan. He is very well thought of, for his simple, open nature, a fine and kindly man.”

 

 
Júlio César de Mello e Souza (6 mei 1895 – 18 juni 1974)

 

De Franse schrijfster Marie-Aude Murail werd geboren op 6 mei 1954 in Le Havre. Zie ook alle tags voor Marie-Aude Murail op dit blog.

Uit: Oh, boy!

« Lorsque Barthélemy retourna au salon, douché et presque de bonne humeur, il trouva les enfants Morlevent déjà bien installés. Venise avait étalé sa collection de poupées Barbie et se racontait toute seule des histoires où le passé simple était mis à forte contribution. — Shelly débouchonna la bouteille et buva tout le champagne. Alors, Barbie arriva en colère et dira : « Qui a prendu tout le vin ? — C’est pas moi ! se défendit Bart, en prenant la voix haut perchée de Shelly. — Tu veux jouer ? — Non, ça va, refusa Barthélemy. Mais il s’accroupit, attrapa une Barbie en body moulant et murmura : — Dis donc, elle a de ces airbags, celle-là. Venise pressa les seins de la Barbie en faisant « pouin pouin ». Le grand frère et la petite soeur se mirent à rire. Ils avaient manifestement les mêmes centres d’intérêt. Siméon se racla la gorge dans leur dos. Bart se retourna. Les cadets Morlevent étaient assis côte à côte sur le divan et ils lisaient. La Petite Maison dans la prairie pour Morgane et Le Contrat social pour Siméon. — Vous êtes surdoués, tous les deux ? questionna Bart. Ou c’est seulement Siméon ? — J’ai un an d’avance, fit Morgane, et je suis la première partout. — Sauf en gynnastique, lui rappela charitablement Venise. — Le sport, c’est pour les cons, trancha Siméon. — J’en fais beaucoup, dit Bart pour voir. — Alors, t’es con, pouffa Venise. — Marre-toi, grommela Bart. Tu n’as pas remarqué que les gens vont par deux dans cette famille 9 Il y a Morgane et Siméon qui sont très intelligents et très moches et il y a nous deux qui sommes cons… — Et très belles, conclut Venise sans mauvaise intention. Morgane fit observer que c’était comme dans le conte de Riquet à la houppe. — Riquet, il est très moche et très intelligent. La princesse, elle est très belle, mais elle est bête. — Ça se finit comment ? s’enquit Barthélemy. — Ils se marirent et eurent beaucoup d’enfants, récita Venise. — Oh, boy ! gémit Bart. Ils sont devenus cons, tous les deux. Les enfants Morlevent éclatèrent de rire. Bart alla chercher l’orangeade en sifflotant. Pourquoi était-il soudain si content ? C’était arrivé d’un seul coup lorsqu’il avait vu les trois enfants campant dans son salon. Il était l’aîné des Morlevent et c’était épatant. »

 

 
Marie-Aude Murail (Le Havre, 6 mei 1954)
Scene uit een televisiebewerking onder de titel “On choisit pas ses parents”, 2008

 

De Duitse schrijver Paul Alverdes werd geboren op 6 mei 1897 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Paul Alverdes op dit blog.

Uit: Das Schlaftürlein

„An Ende der Welt ist das Schlaftürlein. Jeden Abend, wenn es dunkel wird, tut es sich auf Dann kommen aus der ganzen Welt die Kinderlein herbeigelaufen, denn alle Kinder, die schlafen wollen, die müssen durch das Schlaftürlein hindurch. Weil es aber nicht sehr breit ist, darum muss es immer eine ganze Weile offen bleiben, bis alle Kinder hindurch sind. Manchmal sind auch schon welche da, bevor es aufgemacht wird, und möchten gerne hinein und schlafen. Aber die müssen warten. Sie sitzen dann auf dem Wartebänkchen gleich draußen davor und freuen sich schon darauf, dass aufgemacht wird. Manchmal versuchen sie auch, schon ein Weilchen vorauszuschlafen. Sie stecken dann den Daumen in den Mund, weil es ja keiner sieht, und lehnen sich mit den Köpfen aneinander, immer zwei und zwei, und machen die Augen zu. Aher es ist doch noch nicht das Richtige. Richtig schlafen, ganz dick und still, kann einer eben nur, wenn er durch das Türchen hindurch ist.“

 

 
Paul Alverdes (6 mei 1897 – 28 februari 1979)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse dichter, schrijver, schilder en vertaler Erik Bindervoet werd geboren in het jaar 1962 in Oostzaan. Zie ook alle tags voor Erik Bindervoet op dit blog.

Uit: Water en vuur (Samen met Robbert-Jan Henkes)

“Er was een feest op school en Anton ging er heen want hij was verliefd. Zo verliefd als een kameel kan kijken.
De avond was vol van duisternis en een sneeuwtapijt viel loodrecht naar beneden. Alle geluiden waren verstomd. De straat was een schimmenspel. Een vader liet de hond uit.
Zie de maan schijnt, en de sterrren ook, lichtjes opgestegen uit de bomen.
Wij schrijven. Een provinciestad zuidoost ten noorden van de hoofdstad. Op het breekpunt van de jaren zeventig en tachtig van deze eeuw. Daar waar de journalisten zich uitputten de tien jaar ervoor in snedige zinnen samen te vatten en de tekenen te wichelen van deze tijd, die de geschiedenis ingaat als een slappe. Jaren waarin overal in het land immense ijzeren wimpels en stalen vlaggen verschijnen op plantsoenen en in perkjes. Ze bleken niet bestand tegen het weer en roestten snel weg. Veel belangrijker is, dat het de tijd was waarin Anton opgroeide, zijn allerwildste haren verloor en na de lagere de middelbare school doorliep. De zijne was een steenkolos met veel ramen en een grote deur. Iedere dag legde hij op de fiets kilometers af om er te komen. Langs de berm stonden struiken en lantarenpalen. Over de grote weg raasden forenzen. Op de eenzame fiets zat: Anton. Hij haalde een boel mensen in, die op een andere school zaten en die hij dus ook niet kende. Meestal fietsten ze in groepjes naast elkaar over het fietspad. Het was dan bellen geblazen als hij er langs wilde.
Hij zat in zijn eindexamenjaar, de arme jongen.
Hij leerde lesjes en las boeken tot hij erbij in slaap viel. Gek werd hij er van. (Wie heeft het niet meegemaakt?)
Behalve dat liep het tegen kerst en dat was een gedachte die Anton met huiver vervulde.
– Ik haat kerst.”

 


Erik Bindervoet (Oostzaan, 1962)
Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet tijdens een voorleessessie

 

De Nederlandse dichter Simon Mulder werd geboren in 1986. Zie ook alle tags voor Simon Mulder op dit blog.

 

De Weduwe van Indië verkwijnt

De Weduwe van Indië verkwijnt
Achter de ramen van haar vele huizen;
Men hoort nog zachtjes de verwarming suizen
Terwijl zij indut en het licht verdwijnt

Dit was haar lot: van elegant tot log,
Van grootsteeds dorp tot dorpse stad te keren
Was dit de stad dan van Eline Vere?
Wat van waarlijk belang gebeurt hier nog?

De geest van wie haar maakte waart hier niet;
Die drinkt in Nice zijn kelkjes anisette
Of zweeft in de gewelven vol rozetten
Van Florentijnse kerken, en hij ziet:

Niets van belang gebeurt daar nog; groot zeer
Noch groot geluk, noch echt gevaar
Zoo hij íets was, was hij een Hagenaar,
Maar ’s Gravenhage is zichzelf niet meer

 

 
Simon Mulder (1986)