André Brink, Eduard Escoffet, G. K. Chesterton, Bernard Clavel, Leah Goldberg, T. H. White

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink werd geboren op 29 mei 1935 in Vrede. Zie ook alle tags voor André Brink op dit blog.

Uit: De bidsprinkhaan (Vertaald door Rob van der Veer).

“Kupido Kakkerlak werd niet op de gewone manier uit zijn moeders lichaam geboren, maar uitgebroed uit de verhalen die ze vertelde. Deze verhalen namen vele vormen aan.
Volgens een ervan was zijn moeder een maagd, zo smal en dun als een leren riempje, en had iedereen pas in de gaten dat ze zwanger was toen de nietige boreling ter wereld kwam. In een andere versie was ze juist zichtbaar en kolossaal zwanger, een bizar lange tijd, wel drie tot vier jaar, voordat de berg een muis baarde. Afhankelijk van haar luim en de stand van de maan beweerde ze dat hij juist niet een kind van haar was, maar gewoon in haar hut was achtergelaten, pasgeboren en met de navelstreng nog aan de nageboorte, door een vreemdeling die toevallig ’s nachts voorbij was gekomen en wiens gezicht ze geen moment te zien had gekregen. (Het enige wat ze met zekerheid kon zeggen, was dat de vreemdeling anders dan zij geen contractarbeider was, maar ‘een vrij man’ die kon gaan en staan waar hij wou, net als de wind.) Van deze weergave was het maar een kippeneindje naar de uitspraak dat de bezoeker helemaal geen mens was geweest, maar een nachtloper, een van de soba khoin of schaduwmensen die bij de levenden komen spoken, of een fantoom uit een droom. Veel van haar toehoorders prefereerden de versie waarin Kupido de ene helft van een tweeling was geweest en ergens in het vrije veld was neergelegd omdat hij heel duidelijk de zwakste van het stel was, volgens de oeroude gewoonten van de Khoikhoi (oftewel de Hottentotten, zoals ze algemeen bekend waren aan het eind van de achttiende eeuw, toen dit alles gebeurde).
Op een gegeven moment, zo gaat het verhaal, dook er een bateleur uit de hemelen, een prachtige buitelarend uit de verre bergen, die het amper wriemelende wurm in zijn klauwen greep om het vervolgens te verliezen – of te laten vallen – op de manier waarop deze vogels een schildpad doden, een heel eind verderop, in de godverlaten, hoger gelegen streken van de Grote Karoo, bekend als de Koup, waar afstand alle betekenis verliest en slechts pure ruimte heerst. De baby kwam terecht op de schoot van een vrouw die daar op de vlakte zat te slapen, en toen ze wakker werd, was het kind er, en van haar. Het enige wat ze wist – hoe, dat zou niemand kunnen zeggen – was dat de arend ooit eens weerom zou komen om het schepseltje mee terug te nemen naar waar hij vandaan gekomen was.”

 

 
André Brink (29 mei 1935 – 6 februari 2015)

Lees verder “André Brink, Eduard Escoffet, G. K. Chesterton, Bernard Clavel, Leah Goldberg, T. H. White”

Mohsen Makhmalbāf, Hans Weigel, Max Brand, Anne d’Orléans de Montpensier, Alfonsina Storni, Till Mairhofer

De Iraanse filmregisseur en schrijver Mohsen Makhmalbāf werd geboren op 29 mei 1957 in Teheran. Zie ook alle tags voor Mohsen Makhmalbāf op dit blog.

Uit: Le Jardin de cristal (Vertaald door Vincent Despagnet)

«Lâyeh arpentait la pièce, une main sur les reins. Douleur. Délire.
Une brebis met bas. Les filles font cercle autour, soucieuses. Elle souffre. Les filles restent immobiles. Il ne faut pas s’immiscer dans le travail de la nature. L’animal agnelle à l’écart, seul à endurer le mal. Un instant de répit. Le temps de brouter un peu, d’oublier. Puis de nouveau les muscles se contractent. Plus fort qu’avant. Les pattes se dérobent. Le malaise et la détresse de la brebis couchée sur le flanc se mêlent à ceux de la jeune femme, qui s’allonge en geignant. Au paroxysme de la souffrance, les pattes de l’agneau apparaissent à l’extrémité du ventre de la femelle. Nouvel être donné au monde: voici ton univers! Il est à toi! Réjouis-toi! Mais pour un instant seulement, car le moment d’avoir la gorge tranchée approche ! Broute, afin de devenir beau et gras.»

 

 
Mohsen Makhmalbāf (Teheran, 29 mei 1957)

Lees verder “Mohsen Makhmalbāf, Hans Weigel, Max Brand, Anne d’Orléans de Montpensier, Alfonsina Storni, Till Mairhofer”

Ad Zuiderent, Leo Pleysier, Adriaan Bontebal, Guntram Vesper, Frank Schätzing, Vladislav Chodasevitsj, Sjoerd Leiker

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

 

Tuinpad

De paden op! Welja, dat ene pad
dat heel de tuin bestrijkt: het rondje
binnendoor. Diagonale bielzen
hogen hier en daar wat op. En dat is dat.

Wat heb je met me voor dat wij hier gaan?
Een achtertuin van zes bij acht, een spoor
van slakken, minder dan een blokje om.

Jij zegt: ‘Dit is het binnenpad.’ Volstaat
het schijnbaar vierkant van een streepje grond
of zoek je van de cirkel het kwadraat?

Eens ging de ondergang met paard en kar
de wereld rond; dat hebben we gehad
Nu blijf ik vlak bij huis, en noem je schat.

Dit is het. Naar bielzen draait het pad
licht omhoog. Daar blijft de zon wat langer
voor hij ondergaat. Ik heb je lief, zo lief.
In ’t groen draagt dit de waarde van een daad.

 

Reservaat

Zaten wij op een duintop, was het het bekende
liedje, van de wind die op het hoogste punt
en hopen dat het uitzicht niet bedriegt.

Eerst in de diepte langs het strand, een golf
de horizon, gericht op hond en kind, op zon en wind,
werd je vanzelf gedachteloos en vrij.

Toen onder prikkeldraad omhoog, het verse
nauwelijks begroeide duin, het reservaat.
Het was verboden, maar daar zaten wij, vrij

als de zee die schitterde in zonnegloed, een vol
gemoed van dat je zoiets zong zonder te weten
wat het duin nog meer was dan bescherming

van het achterland. En nu dezelfde haast:
de zeespiegel in stukken in de ochtendkrant
was verder van je bed dan nu je keek

voorbij de opgebolde horizon. Een stip
als een begin; we konden alle kanten op.

 

 
Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

Lees verder “Ad Zuiderent, Leo Pleysier, Adriaan Bontebal, Guntram Vesper, Frank Schätzing, Vladislav Chodasevitsj, Sjoerd Leiker”

Maeve Binchy, Thomas Moore, Ian Fleming, Walker Percy, Fritz Hochwälder, Henri-Pierre Roché, Maximilian Voloshin

De Ierse schrijfster en columniste Maeve Binchy werd geboren op 28 mei 1940 in Dalkey. Zie ook alle tags voor Maeve Binchy op dit blog.

Uit: A Week in Winter

“Everyone had their own job to do on the Ryans’ farm in Stoneybridge. The boys helped their father in the fields, mending fences, bringing the cows back to be milked, digging drills of potatoes; Mary fed the calves, Kathleen baked the bread, and Geraldine did the hens.
Nor that they ever called her Geraldine-she was “Chicky” as far back as anyone could remember. A serious little girl pouring out meal for the baby chickens or collecting the fresh eggs each day, always saying, “Chuck, chuck, chuck,” soothingly into the feathers as she worked. Chicky had names for all the hens, and no one could tell her when one had been taken to provide a Sunday lunch. They always pretended it was a shop chicken, but Chicky always knew.
Stoneybridge was a paradise for children during the summer, but summer in the west of Ireland was short, and most of the time it was wet and wild and lonely on the Atlantic coast. Still, there were caves to explore, cliffs to climb, birds’ nests to discover, and wild sheep with great curly horns to investigate. And then there was Stone House. Chicky loved to play in its huge overgrown garden. Sometimes the Miss Sheedys, three sisters who owned the house and were ancient, let her play at dressing up in their old clorhes.
Chicky watched as Kathleen went off to train to be a nurse in a big hospital in Wales, and then Mary got a job in an insurance office. Neither of those jobs appealed to Chicky at all, but she would have to do something. The land wouldn’t support the whole Ryan family. Two of the boys had gone to serve their time in business in big towns in the West. Only Brian would work with his father.“
Chicky’s mother was always tired and her father always worried. They were relieved when Chicky got a job in the knitting factory. Not as a machinist or home knitter but in the office. She was in charge of sending out the finished garments to customers and keeping the books. It wasn’t a great job but it did mean that she could stay at home, which was what she wanted. She had plenty of friends around the place. and each summer she fell in love with a different O’Hara boy but nothing ever came of it.”

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is binchy.jpg
Maeve Binchy (28 mei 1940 – 30 juli 2012)

Lees verder “Maeve Binchy, Thomas Moore, Ian Fleming, Walker Percy, Fritz Hochwälder, Henri-Pierre Roché, Maximilian Voloshin”

Xin Qiji, K. Satchidanandan, Patrick White, Maria Müller-Gögler, B. S. Ingemann, J. D. Wyss, C. H. von Ayrenhoff

De Chinese dichter Xin Qiji werd geboren op 28 mei 1140 in Jinan, in de provicie Shandong. Zie ook alle tags voor Xin Qiji op dit blog.

 

Zhu Yin Ta

Precious hairpin, broken, halved
At the Peach-Leaf Ferry where
We parted; darkening mist and willow shround the place.
I dread to climb the tower-top stair;
Nine days out of ten wind raves, rain torrents race:
It breaks my heart to see the scarlet petals scatter one by one.
All this with nobody to care
Above it – who is there
Will bid the oriole’s singing cease?
From mirrored flowers that frame my face
I pluck the petals, try to foretell your return,
Counting and re-counting them a thousand ways.
By silken curtains dimly lit
Words born of dreams fight in my throat for release.
It was he, the Spring, who brought on me this agony of grief;
Who knows where Spring now strays?
He did not guess he should have gone
Taking my grief in his embrace.

 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is the_statue_of_xin_qiji.jpg
Xin Qiji (28 mei 1140 – 1207)
Standbeeld in Changsha, Hunan, China

Lees verder “Xin Qiji, K. Satchidanandan, Patrick White, Maria Müller-Gögler, B. S. Ingemann, J. D. Wyss, C. H. von Ayrenhoff”

Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth, Max Brod

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: The boldest way

“Niemand bij mijn weten heeft ooit de oude Dryden tegengesproken die satire aanbeval als
 
The boldest way, if not the best,
to tell men freely of their foulest faults,
to laugh at their vain deeds and vainer thoughts.

Vraag het morgen aan de vrome samenstellers van het televisieprogramma Farce Majeur en ze zullen het, zingend in close harmony, beamen. Had het aan Aristophanes gevraagd, aan Petronius, aan Willem die Madocke maakte, aan Swift, aan Voltaire, aan Multatuli, aan Tucholsky, en de instemming was eenparig geweest. Vraag het alsnog aan Brandt Corstius, en hij zal het niet ontkennen.
Het zou haast wantrouwig moeten stemmen: dat we het vijfentwintighonderd jaar lang onder mekaar kennelijk nooit principieel oneens zijn geworden over de aanduiding van een literair genre.
Maar misschien moeten we satire ook niet omschrijven als een literaire soort op zichzelf. Ze is het in de strikte zin al niet, omdat er ook gehekeld blijkt te kunnen worden in de beeldende kunst of per film; er bestaat zelfs satirische muziek. Maar los daarvan maken ook de grote, beroemde beoefenaars de indruk het genre beoefend te hebben in de marge van andere, deels ‘serieuzer’ bezigheden. Petronius diende keizer Nero, Dryden zelf schreef doorgaans buitengewoon onopmerkelijke verzen en toneelstukken die niet aan Shakespeare konden tippen, Multatuli wilde bovenal de Javaan verheffen en de assistent-resident van Lebak gerehabiliteerd krijgen, en Stoker geeft overdag college aan twee universiteiten. Als het om de letterkunde gaat is satire waarschijnlijk helemaal geen genre, maar een nevenwerkzaamheid – zoals een ander na kantoortijd opgaat in het verenigingsleven of de actie Vrouwen voor Vrede. Satire is niet het weloverwogen resultaat van een kunstzinnige roeping, maar eenvoudig een uitkomst van sociaal ongenoegen.
Ten tijde van Dryden en in de eeuwen daarvoor stond dat laatste zeker voorop: de uitval tegen instituties. De mensen aan wie de satiricus de waarheid moet vertellen zullen we vermoedelijk ook moeten lezen als de mensheid, en dan meer in het bijzonder de verzameling hoogwaardigheidsbekleders aan wie de conservering van diverse instituties was toevertrouwd: de hovelingen, de priesters, de edelknapen, de ordebewakers, de Brinkmannen, of zeg maar de Tartuffes aller dagen. Omdat de grote instituties – hof, kerk, adel – algemene geldigheid hadden en hun conventies van macht en gedrag in Canterbury wel zo ongeveer dezelfde waren als op een Duits narrenschip, konden ze als het ware ook ‘internationaal’ uitgelachen worden: je hoefde geen Spanjaard te zijn om te begrijpen waar Cervantes, noch een Nederlander (of een latinist) om mee te voelen waar Erasmus zich tegen keerde.”

 

 
Jan Blokker (27 mei 1927 – 6 juli 2010)

Lees verder “Jan Blokker, Niels ’t Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth, Max Brod”

Linda Pastan

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zij studeerde af aan Radcliffe College en behaalde een MA aan Brandeis University. Van 1991-1995 was zij Poet Laureate van Maryland. Tot haar meest recente dichtbundels behoren: “Insomnia”, “Traveling Light” en “Queen of a Rainy Country”. Pastan heeft minstens 12 dichtbundels en een aantal essays gepubliceerd. Zij ontving o.a. de Dylan Thomas Award, een Pushcart Prize, de Alice Fay di Castagnola Award (Poetry Society of America), de Bess Hokin Prize (Poetry Magazine), de 1986 Maurice English Poetry Award (voor “A Fraction of Darkness”), de Charity Randall Citation of the International Poetry Forum, de Ruth Lilly Poetry Prize 2003 en de Radcliffe College Distinguished Alumnae Award. Twee van haar dichtbundels werden genomineerd voor de National Book Award en één voor de Los Angeles Times Book Prize. Linda Pastan is de moeder drie kinderen, waaronder de schrijfster Rachel Pastan.

Insomnia

I remember when my body
was a friend,

when sleep like a good dog
came when summoned.

The door to the future
had not started to shut,

and lying on my back
between cold sheets

did not feel
like a rehearsal.

Now what light is left
comes up– a stain in the east,

and sleep, reluctant
as a busy doctor,

gives me a little
of its time.

 

Wildflowers

You gave me dandelions.
They took our lawn
by squatters’ rights—
round suns rising
in April, soft moons
blowing away in June.
You gave me lady slippers,
bloodroot, milkweed,
trillium whose secret number
the children you gave me
tell. In the hierarchy
of flowers, the wild
rise on their stems
for naming.
Call them weeds.
I pick them as I
picked you,
for their fierce,
unruly joy.

 

The New Dog

Into the gravity of my life,
the serious ceremonies
of polish and paper
and pen, has come

this manic animal
whose innocent disruptions
make nonsense
of my old simplicities–

as if I needed him
to prove again that after
all the careful planning,
anything can happen.

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

Fronleichnamsprozession (Georg Heym)

Bij Sacramentsdag

 

 
Am Fronleichnamsmorgen door Ferdinand Georg Waldmüller, 1857

 

Fronleichnamsprozession

O weites Land des Sommers und der Winde,
Der reinen Wolken, die dem Wind sich bieten.
Wo goldener Weizen reift und die Gebinde
Des gelben Roggens trocknen in den Mieten.

Die Erde dämmert von den Düften allen,
Von grünen Winden und des Mohnes Farben,
Des schwere Köpfe auf den Stielen fallen
Und weithin brennen aus den hohen Garben.

Des Feldwegs Brücke steigt im halben Bogen,
Wo helle Wellen weiße Kiesel feuchten.
Die Wassergräser werden fortgezogen,
Die in der Sonne aus dem Bache leuchten.

Die Brücke schwankt herauf die erste Fahne.
Sie flammt von Gold und Rot. Die Seidenquasten
Zu beiden Seiten halten Kastellane
Im alten Chorrock, dem von Staub verblaßten.

Man hört Gesang. Die jungen Priester kommen.
Barhäuptig gehen sie vor den Prälaten.
Zu Flöten schallt der Meßgesang. Die frommen
Und alten Lieder wandern durch die Saaten.

In weißen Kleidchen kommen Kinder singend.
Sie tragen kleine Kränze in den Haaren.
Und Knaben, runde Weihrauchkessel schwingend,
Im Spitzenrock und roten Festtalaren.

Die Kirchenbilder kommen auf Altären.
Mariens Wunden brennen hell im Licht.
Und Christus naht, von Blumen bunt, die wehren
Die Sonne von dem gelben Holzgesicht.

Im Baldachine glänzt des Bischofs Krone.
Er schreitet singend mit dem heiligen Schrein.
Der hohe Stimmenschall der Diakone
Fliegt weit hinaus durch Land und Felderreih’n.

Der Truhen Glanz weht um die alte Tracht.
Die Kessel dampfen, drin die Kräuter kohlen.
Sie ziehen durch der weiten Felder Pracht,
Und matter glänzen die vergilbten Stolen.

Der Zug wird kleiner. Der Gesang verhallt.
Sie ziehn dahin, dem grünen Wald entgegen.
Er tut sich auf. Der Glanz verzieht im Wald,
Wo goldne Stille träumt auf dunklen Wegen.

Der Mittag kommt. Es schläft das weite Land,
Die tiefen Wege, wo die Schwalbe schweift,
Und eine Mühle steht am Himmelsrand,
Die ewig nach den weißen Wolken greift.

 
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)
Hirschberg. Georg Heym werd geboren in Hirschberg

 

Zie voor de schrijvers van de 26e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Alan Hollinghurst, Radwa Ashour, Hugo Raes, Vítězslav Nezval, Ivan O. Godfroid, Maxwell Bodenheim, Isabella Nadolny, Machteld Brands

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Swimming Pool Library

“Yet only this year I had been with boys called just those staid things; and they were not staid boys. Nor was Arthur. His name was perhaps the least likely ever to have been young: it evoked for me the sunless complexion, unaired suiting, steel-rimmed glasses of a ledger clerk in a vanished age. Or had done so, before I found my beautiful, cocky, sluttish Arthur-an Arthur it was impossible to imagine old. His smooth face, with its huge black eyes and sexily weak chin, was always crossed by the light and shade of uncertainty, and met your gaze with the rootless self-confidence of youth.
Arthur was seventeen, and came from Stratford East. I had been out all that day, and when I was having dinner with my oldest friend James I nearly told him that I had this boy back home, but swallowed my words and glowed boozily with secret pleasure. James, besides, was a doctor, full of caution and common sense, and would have thought I was crazy to leave a virtual stranger in my home. In my stuffy, opinionated family, though, there was a stubborn tradition of trust, and I had perhaps absorbed from my mother the habit of testing servants and window-cleaners by exposing them to temptation. I took a slightly creepy pleasure in imagining Arthur in the flat alone, absorbing its alien richness, looking at the pictures, concentrating of course on Whitehaven’s photograph of me in my little swimming-trunks, the shadow across my eyes… I was unable to feel anxiety about those electrical goods which are the general currency of burglaries-and I doubted if the valuable discs (the Rattle Tristan among them) would be to Arthur’s taste. He liked dance-music that was hot and cool-the kind that whipped and crooned across the dance-floor of the Shaft, where I had met him the night before.
He was watching television when I got in. The curtains were drawn, and he had dug out an old half-broken electric fire; it was extremely hot. He got up from his chair, smiling nervously. ‘I was just watching TV,’ he said. I took my jacket off, looking at him and surprised to find what he looked like. By remembering many times one or two of his details I had lost the overall hang of him. I wondered about all the work that must go into combing his hair into the narrow ridges that ran back from his forehead to the nape of his neck, where they ended in young tight pigtails, perhaps eight of them, only an inch long. I kissed him, my left hand sliding between his high, plump buttocks while with the other I stroked the back of his head. Oh, the ever-open softness of black lips; and the strange dryness of the knots of his pigtails, which crackled as I rolled them between my fingers, and seemed both dead and half-erect.”

 

 
Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)
Cover

Lees verder “Alan Hollinghurst, Radwa Ashour, Hugo Raes, Vítězslav Nezval, Ivan O. Godfroid, Maxwell Bodenheim, Isabella Nadolny, Machteld Brands”

Egyd Gstättner, Claire Castillon, Friedrich Dieckmann, Eve Ensler, Raymond Carver, Jamaica Kincaid, Robert Ludlum

De Oostenrijkse schrijver en essayist Egyd Gstättner werd geboren op 25 mei 1962 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Egyd Gstättner op dit blog.

Uit: Das Geisterschiff

“Ich möchte nicht in der Zukunft leben miissen. Die Zukunft ist brutal, ordinär und billig. Die Zeit, die ich erleben durfte, war eine bessere. Das sollen gemäß der Überlieferung die letzten Worte des Meisters gewesen sein, gesprochen vier Jahre vor seinem Tod.
Als Josef Maria Auchentaller starb, herrschte in den Redaktionen der meisten Zeitungen in kürzester Zeit helle Aufregung. Denn die Sonntagsausgaben waren fast schon in Druck, als das gerade hereingeschneite Gerücht von seinem Tod bestätigt wurde. Eigentlich sollte die am ersten Jänner in Kraft getretene Kraftfahrzeugs-Benutzungsverordnung als Hauptthema herhalten, die der Wirtschaftsrat erlassen hatte, durch die Ausflugs- und Vergnügungsfahrten verboten waren. Nun aber stoppte man die Produktion im letzten Augenblick, warf den öden Wirtschaftsrat mitsamt seiner Kraftfahrzeugs-Benutzungsverordnung sowie die eine oder andere verzichtbare Glosse aus der Nummer und fiigte an deren Stelle in höchster Eile einen notdürftig zusammengeschusterten Artikel ein, in dem Auchentaller »Gigant« oder »Pionier« genannt und mit seinen zwei endgültigen Jahreszahlen versehen wurde.
Ja, ein Gigant war er, auch wenn das zu seinen Lebzeiten, also die letzten vierundachtzig Jahre bis vor einer knappen halben Stunde, kaum jemand so gesagt hatte. Ein Pionier war Auchentaller weniger. Auchentaller hatte – darin waren sich die Zeitungen einig – in den letzten Jahren »total zurückgezogen in seiner Villa Fortino gelebt«, über den Tod seiner Tochter und vor allem über den Tod seiner geliebten Frau Emma sei er nie hinweggekommen. Das Wort Lebensekel« konnte man allerdings nirgendwo lesen, das passte nicht mehr in die Zeit, und es passt wohl auch nicht in Nachrufe. Einer der Leitartikler meinte, Auchentallers Ära habe lange vor seinem Tod geendet, seine Epoche sei schon lange vor ihm gestorben, früher als er selbst es bemerkt haben mochte.“

 

 
Egyd Gstättner (Klagenfurt, 25 mei 1962)

Lees verder “Egyd Gstättner, Claire Castillon, Friedrich Dieckmann, Eve Ensler, Raymond Carver, Jamaica Kincaid, Robert Ludlum”