Don DeLillo, Scott Cairns, Jordi Lammers

De Amerikaanse schrijver Don DeLillo werd op 20 november 1936 geboren in New York City als zoon van Italiaanse immigranten. Zie ook alle tags voor Don DeLillo op dit blog.

Uit: The Silence

“Martin was always on time, neatly dressed, clean shaven, living alone in the Bronx where he taught high school physics and walked the streets unseen. It was a charter school, gifted students, and he was their semi-eccentric guide into the dense wonders of their subject.
“Halftime maybe I eat something,” Max said. “But I keep on watching.”
“He also listens.”
“I watch and I listen.” “The sound down low.” “Like it is now,” Max said. “We can talk.”
“We talk, we listen, we eat, we drink, we watch.”
For the past year Diane has been telling the young man to return to earth. He barely occupied a chair, seemed only fitfully present, an original cliché, different from others, not a predictable or superficial figure but a man lost in his compulsive study of Einstein’s 1912 Manuscript on the Special Theory of Relativity.
He tended to fall into a pale trance. Was this a sickness, a condition?
Onscreen an announcer and a former coach discussed the two quarterbacks. Max liked to complain about the way in which pro football has been reduced to two players, easier to deal with than the ever-shuffling units.
The opening kickoff was one commercial away.
Max stood and rotated his upper body, this way and that, as far as it would go, feet firmly in place, and then looked straight ahead for about ten seconds. When he sat, Diane nodded as if allowing the proceedings onscreen to continue as planned.
The camera swept the crowd.
She said, “Imagine being there. Planted in a seat somewhere in the higher reaches of the stadium. What’s the stadium called? Which corporation or product is it named after?”
She raised an arm, indicating a pause while she thought of a name for the stadium.
“The Benzedrex Nasal Decongestant Memorial Coliseum.”
Max made a gesture of applause, hands not quite touching. He wanted to know where the others were, whether their flight was delayed, whether traffic was the problem, and will they bring something to eat and drink at halftime.”

 

Don DeLillo (New York City, 20 november 1936)

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Een woord

Voor A.B.

Ze zei God. Hij lijkt er te zijn
als ik Hem aanroep, maar aanroepen
is ook moeilijk geweest. Pijnlijk.

En terwijl ze stil werd om nog een woord
te vinden, werd ik overgeleverd.
nog eens, aan mijn eigen lange worsteling

met diezelfde engel hier – nog steeds
hier – aan de voet van de oude
ladder van beklimming, in vuil stof

wegkwijnend nog steeds bij de
onderste trede, en liet mijn greep varen
lang voor de zegen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en schrijver Jordi Lammers werd geboren in 1996 in Venray. Zie ook alle tags voor Jordi Lammers op dit blog.

 

Wensballonnen

stel dat op de vensterbank
een doodgevroren vlieg lag
zou je dan een aansteker
onder zijn vleugels houden

tot het beestje in een vonk
verandert door een kier
naar buiten glipt vlammend
in de nacht verdwijnt

ik zag op oudejaarsdag
hoe koppig wensballonnen zijn
hoe lang ze tussen grond 
en sterren blijven hangen

en vooral: hoe mooi je ogen breken
als je op vuur wacht

 

Rooksignalen

jij verzamelt takken
ik maak grapjes

in de hoop dat er iets warms ontstaat
wachten we op een beest 
dat tegen ons aan kruipt 
onze wonden ontdooit

met vonken tussen onze vingers
sturen we elkaar rooksignalen
het is zo koud hier

laten we dichter bij het vuur zitten
wachten op een grap die zo goed is
dat we ons de komende jaren
aan elkaar vast lachen

 

Wanneer het tijd is

hoe vaak zie je een dikke man
in een trappenhuis vol drukke

kinderen, en hoe vaak zie je iemand
in zwembroek sterven op zijn werk

je staat onderaan de trap, en hoort
een kind iets neuriën van bach, nee
je staat onderaan de trap, en ziet
je baas naakt gehurkt, en nee

je staat onderaan de trap, en je voelt
je veilig. want als je roept roep je
altijd met zijn allen

en als men vraagt
wanneer het tijd is
zeg je telkens nu nu nu

 

Jordi Lammers (Venray, 1996)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2020 en ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 3.

Scott Cairns

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Zie ook alle tags voor Scott Cairns op dit blog.

 

Recitation

He did not fall then, blind upon a road,
nor did his lifelong palsy disappear.
He heard no voice, save the familiar,

ceaseless, self-interrogation
of the sore perplexed. The kettle steamed
and whistled. A heavy truck downshifted

near the square. He heard a child calling,
and heard a mourning dove intone its one
dull call. For all of that, his wits remained

quite dim. He breathed and spoke the words he read.
If what had been long dead then came alive,
that resurrection was by all appearances

metaphorical. The miracle arrived
without display. He held a book, and as he read
he found the very thing he’d sought. Just that.

A life with little hurt but one, the lucky gift
of a raveled book, a kettle slow to heat,
and time enough therefore to lift the book

and find in one slight passage the very wish
he dared not ask aloud, until, that is,
he spoke the words he read.

 

Necropolitan

Not your ordinary ice cream, though the glaze
of these skeletal figures affects
the disposition of those grinning candies
one finds in Mexico, say, at the start of November,
though here, each face is troublingly familiar,
exhibits the style adopted just as one declines
any further style—nectar one sips just as he
draws his last, dispassionate breath, becomes
citizen of a less earnest electorate. One learns
in that city finally how to enjoy a confection,
even if a genuine taste for this circumstance
has yet to be acquired, even if it is oneself
whose sugars and oils now avail a composure
which promises never to end, nor to alter.

 

Late Results

We wanted to confess our sins but there were no takers.
—Milosz

And the few willing to listen demanded that we confess on television.
So we kept our sins to ourselves, and they became less troubling.

The halt and the lame arranged to have their hips replaced.
Lepers coated their sores with a neutral foundation, avoided strong light.

The hungry ate at grand buffets and grew huge, though they remained hungry.
Prisoners became indistinguishable from the few who visited them.

Widows remarried and became strangers to their kin.
The orphans finally grew up and learned to fend for themselves.

Even the prophets suspected they were mad, and kept their mouths shut.
Only the poor—who are with us always—only they continued in the hope.

 

Mogelijke antwoorden op gebed

Jouw smeekbeden – ook al dragen ze nog steeds
slechts één handtekening zijn naar behoren geregistreerd.
Jouw zorgen – ondanks hun voortdurende,

relatief beperkte reikwijdte en onbedoelde
entertainmentwaarde, helpen desalniettemin
om jouw persoon levendig voor de geest te brengen.

Jouw berouw – vrijwel geheel verborgen onder
een ontluikende, gele mist van eerlijk gezegd meer
opvallende wrok is voldoende.

Jouw voortdurende zorg voor de zieke,
de lijdende, de behoeftige armen zijn soms
herkenbaar voor mij, zo niet voor hen.

Jouw woede, jouw ijver, jouw lippensmakkende
rechtvaardige verontwaardiging jegens de velen
wiens gewoonten en sympathieën je beledigen –

deze moeten wegbranden voordat je kunt begrijpen
hoe dichtbij ik ben, met welke hartstocht ik juist deze
aanbid, de handvol die je passies opwekken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e november ook mijn blog van 19 november 2020 en ook mijn blog van 19 november 2018 en eveneens mijn blog van 19 november 2017 deel 3.

Joost Oomen, Seán Mac Falls

De Nederlandse dichter Joost Oomen werd geboren in De Bilt op 18 november 1980. Zie ook alle tags voor Joost Oomen op dit blog.

 

De Rijksinstelling

wegens te hoog oplopende conflicten
in de poëziescene
is er vanaf heden een onafhankelijke Rijksinstelling opgericht
die bepaalt of gedichten mooi zijn of niet

dit is uiteindelijk beter voor iedereen

er is door een panel van leken
een aantal criteria opgesteld
waaraan een mooi gedicht
moet voldoen

niet te lang
maar beslist ook niet te kort (dat staat raar)

niet te grappig
maar zeker ook niet te verdrietig

niet te veel moeilijke woorden zoals differentie of scholastiek
maar ook niet te simpel zoals eend, washand of poffertje

gebruik in plaats van brood eens het woord beroerd
gebruik in plaats van meneer gewoon vriend
hierover is een brochure op te vragen bij de Rijksinstelling
en als u als dichter wilt laten zien dat u een trucje kan
dan spuugt het publiek niet op een trucje

ook worden alle gedichten voortaan getest op begrijpbaarheid,
taalspel, metrumgebruik, waterdichtheid, zuivere beeldtaal,
ideologische achtergrond, droefenis, schokbestendigheid,
lichtvaardigheid, of ze kunnen drijven, of ze op een rouwkaart
kunnen, of ze op een taart kunnen worden afgedrukt, of de regels
wel mooi op een pagina passen, of ze op zo’n stuk folie gaan
dat je op de ramen plakt en of ze geschikt zijn voor opname in
themabundels omdat ze over liefde, dood, vijftig jaar huwelijk,
vissen, messen, watersandalen, het televisieprogramma
Brommer op Zee, Amerika, Duitsland, Gibraltar, de oorlog in een
nog nader te bepalen land, het uitsterven van de orang-oetan,
Remco Campert of de Hollandse maaltijd gaan

niet te wanhopig
maar beslist ook niet niet te wanhopig

niet te veel sneeuw
maar ook zeker niet te weinig

soms de sterren
heel soms de maan

dit is uiteindelijk beter voor iedereen

bij de Rijksinstelling werkt een erg grote man
hij vindt een heel klein gedicht in zijn enorme hand
hij huilt.

 

Poel van limonade en andere slopende dranken

voor sommige dyslectici
en afasiepatiënten
zijn garnalenkroketjes garnalenorkestjes

waardoor ik nu op schoenen
van rode gummibeertjes
over straat loop en
ik zing alle vogels
uit de boom

er hangt een hanger van
gouden bramen om mijn nek

het is moeilijk voor het publiek
om in een gedicht te knijpen en
te zien dat er druppeltjes geluk
op het schilletje komen te staan

maar voor een dichter is het heerlijk

je kijkt uit het raam
bedenkt iets van glas
en het is iets van glas.

 

Joost Oomen (De Bilt, 18 november 1980)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Falls op dit blog.

 

Glanzende dingen
(Sonnet)

Ons rendez-vous was een kwelling, meer als een pijn of boetedoening,
Wat een opschudding in onze onuitgesproken ogen
En de liefde verflauwde, door onbeantwoorde vragen.
Hoe konden we lachen, leven in zo’n onverschilligheid,

Een lange, meedogenloze tijd die ons vermorzelt
Met niet eens onbegrensde luchten als zuurdesem?
Elke dag was een komische tragedie, geen Eden,
Levens stroomden over, eenvoudige genoegens verdronken.

Toch droomden we elke dag met geharnaste vleugels
Samengebonden met de riemen, rusteloze reis,
Er werd een belofte gedaan op een groen, lieflijk eiland
En we maakten van onze gouden verplaatsingen zulke glanzende dingen,

Rennend naar stralen, toekomstig ochtendgloren dat nooit zal aanbreken,
Glanzende dingen die stilvallen in het houtrot van de zon.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn blog van 18 november 2020 en ook mijn blog van 18 november deel 2 en eveneens deel 3.

Guido van Heulendonk, Chinua Achebe

De Vlaamse schrijver Guido van Heulendonk (pseudoniem van Guido Beelaert) werd geboren in Eeklo op 17 november 1951. Zie ook alle tags voor Guido van Heulendonk op dit blog.

Uit: Vrienden van de poëzie (Trisha)

“Het was in die donkere dagen dat mensen elkaar gedichten begonnen te sturen. Ook hij kreeg de kettingmail binnen, op een morgen dat hij met een zeurende kies was ontwaakt en het vooruitzicht trachtte te verwerken misschien op zoek te moeten naar een tandarts, in een zieltogend land waarin niets nog functioneerde. Toen hij het gordijn wegtrok verrees zijn stad, net als de dagen ervoor, als een foto uit een brochure over stedelijke architectuur: stil, koud, kleurloos, met spaarzame silhouetten die langs de gevels slopen. Scherpe schaduwen in de ochtendzon, waarbij zich, toen hij het raam openduwde, de auditieve skyline van een verre sirene voegde. Een stad zonder winkels, cafés, musea. Een stad vol ziekenhuizen. Ook de tandartsen werkten niet meer, wist hij, op enkele noodkabinetten na, strategisch verdeeld over de natie, op geheime plekken, slechts te traceren via speciale nummers. Alleen ‘wie dringend hulp nodig had’ kon er terecht, na strenge triage, en werd dan geholpen door astronauten. Hij had de beelden gezien op tv. Zover was hij nog niet. Zijn kies zeurde alleen maar, lichtjes protesterend tegen de druk van zijn tastende tong, die hij niet kon verhinderen telkens even te checken of het al niet wat beter ging, zoals een moeder dwangmatig haar hand op het voorhoofd van een koortsig kind legt. Enkel als je radeloos grommend in je kussen beet. Enkel dan mocht je bellen.
Stelde hij zich voor. Als je razend rond de tafel beende, de zelfmoord nabij. Niet eerder, om land en maatschappij niet nodeloos te belasten. Ieder zijn steentje, zijn druppeltje zweet, dan komen we er allemaal doorheen. Zei men. Zong men, ’s avonds, op balkons en in de straat, op tien armlengtes van elkaar. We shall overcome. Op de tanden bijten. Niet evident, als je tandpijn had. Maar hij begreep het wel. Hij was absoluut aan boord, en de gezangen ontroerden hem, hoewel hij er zelf niet aan deelnam. Nooit een manifestatiemens geweest. En zingen kon hij niet. Toch: al die mensen van goede wil, al die solidariteit. Er was niets mooiers, en het hielp om elke dag in verzoening af te sluiten. 8 Zelfmoord: de gedachte bracht hem, terwijl hij behoedzaam in een beschuitje beet, zijn jongste reis naar Ierland in herinnering. Enniscorthy, County Wexford, het museum rond de opstand van 1798. Hoe de gids vertelde over gevangen rebellen die door de Britten de pitchcap kregen opgezet: een hoed gevuld met kokende teer, die zich meteen door haren en schedelhuid brandde en na stolling door de beul werd afgerukt, zodat het slachtoffer, al blind van de uitgesijpelde smurrie, ook nog eens gescalpeerd werd. Hoe sommigen na de behandeling, buiten hun zinnen van pijn, probeerden hun eigen hoofd in te slaan. Als stieren op een muur afstormden. Rule Britannia. We shall overcome. Dat soort pijn. Vroeger wikkelden mensen een touwtje rond een zere kies, knoopten het vast aan de deurklink, hieven de voet naar de deur en pats!”

 

Guido van Heulendonk (Eeklo, 17 november 1951)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Mangozaailing

Door de glazen ruit
In een modern kantoorgebouw
Zag ik, twee verdiepingen lager, op een wijd vooruitstekend
Betonnen overkapping een pas ontkiemde mangozaailing,
Paars, tweebladig, staande op de gesprongen
Zwarte dooier. Hij zwaaide helder naar zon en wind
Die zich tussen de regenbuien door, dagelijks
Op yam zaad verkwistten.
Voor hoelang?
Hoe lang het gelukkige zwaaien
Vanaf de afgrond van een door regen geteisterde sarcofaag?
Hoe lang het feest van het overgebleven meel
Op de bodem van de pot?
Misschien lag hij net als de weduwe
van oneindig geloof op de loer
voor de heilige man van het bos, met ruig haar,
met de macht tot eeuwige voleinding.
Of anders hoopte hij wel op Oude Schildpads wonderbaarlijke feestmaal
Op een steeds terugkerend stukje cocoyam,
Geplant in een grote kom groene groenten-
Op deze dag, de fabels voorbij, het geloof voorbij?
Toen zag ik hem
Bereid in moedige onpartijdigheid
Tussen de oeroude strijd van Aarde
En Hemel dapper proberen wortel te schieten
In objectiviteit, midden in de lucht, in steen.
Ik dacht dat de regen, drijvende kracht
Achter deze onderneming op een dag aan de macht zou komen
En zijn domein in een uitzinnige waterval
Op de aarde beneden zou loslaten. Maar elke regenachtige dag
Verzamelden zich kleine speelse stroompjes op de platte steen,
Dansten, gingen uiteen rond zijn voeten,
verenigden zich weer, baanden hun weg.
Hij ging van paars naar ziekelijk groen
Voordat hij stierf. Vandaag zie ik hem nog steeds-
Droog, ragdun in de zon en het stof van de droge maanden,
Monument op klein puin van hartstochtelijke moed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)
Hier in 2002 met Nelson Madela (rechts) bij het ontvangen van een eredoctoraat van de universiteit van Kaapstad.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e november ook mijn blog van 17 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Anton Koolhaas, Chinua Achebe, Yves De Bosscher

De Nederlandse schrijver Anton Koolhaas werd op 16 november 1912 in Utrecht geboren. Zie ook alle tags voor Anton Koolhaas op dit blog.

Uit: Nieuwe maan

“Toen Enno met zijn lichtbundel zat te zwaaien, leek het wel of hij zelf een besluit moest nemen, of er nù iets opzienbarends zou gaan gebeuren, of dat het nog uitgesteld moest worden. Of het aardedonker zou blijven en hij leeg, op een vulling met volstrekte duisternis na, terug zou keren. Hij deed het licht uit en luisterde naar het zwart.
Hij zat ongemakkelijk en hij voelde het dak van de grot, of wat het uiteindelijk ook zou blijken te zijn, als een druk op zich. Ineens luisterde hij met al zijn macht – maar die was verminderend. Er was een soort geluid in het donker. Niet een incidentele tik of zoiets, of stromen of ruisen van water, of iets van een herkenbaar bewegen; maar het geluid van angst. Nog niet eens een angst die zich al uit; of een angst waar al de ritseling van vluchten in zit; of zelfs de angst die zich alleen maar verraadt door het heffen van een kop, of van mogelijk zelfs een groot aantal koppen; maar een angst van iets massaals, of van een massa afzonderlijke levens, die tot iets ontwaken, dat ze zelf nog niet kennen. Zoiets als van wezens der duisternis, die voor het eerst licht zien. Enigszins te vergelijken met vleermuizen op een heel donkere zolder, die om hun as beginnen te draaien, als er licht binnenvalt. Maar dit geluid was nog massaler dan dat van vleermuizen, ook al zijn het er duizenden en zolang ze niet expres ook nog lawaai maken. Bovendien was het beneden Enno en niet op ongeveer de hoogte van het dak, of de bovenkant van het zwart.

Je zou kunnen denken aan het langs elkaar schuiven van dekens, met doorgaans vaag gebeweeg en soms plotselinger en sneller. En met slapers er onder, die nog in een diepe oerslaap vertoefden en in het wollige donker van die slaap gehinderd werden door prikkels, waarvan ze zich de aard niet realiseerden, maar die de onzekerheid van ontwaken aankondigden.
Het was verschrikkelijk opwindend, dat geluid en hoe ondefinieerbaar het in zijn wollige zachtheid ook was, het had iets angstaanjagends.
Iemand die jacht maakt op iets, houdt zich stil om de prooi niet te laten vluchten. Maar van niets was hier zo weinig sprake als van het begrip prooi en Enno moest een schreeuw geven. Om zijn bestaan hier te bevestigen en om te weten van welke aard het geheim was, dat hij beneden zich hoorde.
Aan de terugkaatsing van zijn schreeuw was af te leiden, dat de gitzwarte ruimte achter de kam niet zo erg diep en veel smaller was dan die waarin zijn mand stond. Maar nu hij zijn toorts naar beneden richtte, tot vlak voor de voet van de rotskam, zag hij maar vaag grond en op die grond niets. Hij zette de lichtstraal daarom van gespreid op gericht, om op die manier de grond iets scherper te kunnen belichten. Maar hij zag ook nu niets speciaals. Voor zover het hem mogelijk was, tuurde hij in het licht, de wand zelf af, om te kijken of ook aan die kant donkere en lichtgrijze vlakken waren, die hem eventueel een afdaling in het donker mogelijk zouden maken. Het leek hem toe dat dit zou kunnen. Maar hij was nog niet aan dat besluit toe.”

 

Anton Koolhaas (16 november 1912 – 16 december 1992)

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

Biafra, 1969

De eerste keer dat Biafra
Hier was, zo wordt ons verteld, was het een mooie
Figuur massief uitgehouwen in hardhout.

Vraatzuchtige witte mieren
Zaten erop en aten
Door zijn enorme neergezette voeten heen
Tot aan het grote hart en lieten
Een gegroefde, geleegde vogelverschrikker achter.

En zonovergoten golven kwamen en sloegen waanzinnig
Over zijn hol gegeten voeten
Totdat hij met zijn gezicht naar beneden in een miljoen fragmenten neerstortte.
Hij dreef vrolijk weg
Naar koude kusten – alleen cartografen
Markeerden de kustlijn
Van die vergeten massieve standplaats.

In onze tijd kwam hij terug
Met pijn en een bijtende geur
Van poeder. En woedende slopers,
Aangemoedigd door een half millennium
Van verovering, parasiterend
Op nieuwe oliedividenden, knijpen nu

Door zijn zwarte keel
Bloed en lymfe naar beneden, naar
Zijn handen en voeten,
Opgeblazen door kwashiorkor.

Moet Afrika
Voor de derde keer komen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Chinua Achebe (16 november 1930 – 21 maart 2013)

 

De Vlaamse schrijver, dichter en politicus Yves De Bosscher werd geboren in Kortrijk op 16 november 1970. De Bosscher bracht zijn jeugd door in Harelbeke in de wijk Overleie. Op school en tijdens zijn vrije tijd was hij geëngageerd in natuur. Als vijftienjarige werd hij het jongste lid van het groencomité in Harelbeke. Later richtte hij samen met zijn vrienden een jongeren-natuurvereniging op. Zijn belangstelling voor natuur zette hij grotendeels om in poëzie en zo startte hij eerst met een reeks vogelgedichten. Hij studeerde industriële milieuzorg in hoger onderwijs en werd in 1992 milieuambtenaar bij de stad Harelbeke. De Bosscher werd in 2010 aangesteld als rivierdichter van de Zuid-West-Vlaamse milieu- en natuurverenigingen, met zijn werk tentoongesteld tijdens de voorstelling ‘Lange Leve de Leie’ van 3 tot 30 december 2010 in de openbare bibliotheek van Harelbeke. In hetzelfde jaar publiceerde hij in Cyclus Overleie een viertal gedichten over zijn jeugdherinneringen aan zijn thuishaven. Verder schreef hij meerdere verhalen over de oorsprong van De Gavers, van laaggelegen meersen tot grote vijver, waaronder het jeugdverhaal Lolo van het Natte Weidenland en Gabbar.

 

Anemone aeternam

Een sluitend vast tapijt
van witte anemonen
smoort wat late stuipen winter

In ranke stille stammen
borrelt levensstroom uit ondergrond,
nog geruisloos is de lente

Op het ruisen van de voorjaarswind
drijft het lonken en verlangen, sluipt
in warm bloed dat aan het paren slaat

strooit de zon gedempt licht in sporen
waarlangs de zomer al haar intree doet
en dra de regen spoelt in stromen

Straks zijn knoppen vol, tot barsten al bereid
komen koperwieken aangevlogen
in hun zog brengen ze herfst

Waarna alweer de sneeuw valt
die sluit als vast tapijt rond bomen
waaronder anemoon noch hyacint

op een dag
geen lente meer zal komen

 

Papaver

Ik had je lief,
ik had je liever,
dat staat nu toch zo goed als vast,
dan jij mij

Toen je mij die klaproos gaf,
frêle blaadjes rond het naaktste hart
en ik vreesde voor het breken
sloten lippen zich voor eeuwig
rond de letters van je naam.

Nooit nog had ik iemand liever
dat staat nu toch zo goed als vast,

gezegd waar het op stond.

 

Yves De Bosscher (Kortrijk, 16 november 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e november ook mijn blog van 16 november 2018 en eveneens mijn blog van 16 november 2014 deel 2.

Clemens J. Setz, Ted Berrigan

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz. Zie ook alle tags voor Clemens J. Setz op dit blog.

Uit: Monde vor der Landung

„Wer in Worms lebt, lebt auf dem Planeten Erde. Dieser befindet sich mitten im All und kreist dort, wie jedes Kind lernt, als riesige Kugel um eine noch größere Kugel aus Feuer. Im Jahr 1920 allerdings lebte unter den rund fünfzigtausend Wormser Bürgersleuten ein Mann, auf den nicht einmal das
zutraf. Er wohnte zwar ebenfalls, wie sie alle, in Worms, aber darüber hinaus nicht auf, sondern in einer riesigen Erdkugel, und das bei vollem Bewusstsein und ohne Protest.
Dabei bewegte er sich nicht etwa spiegelbildlich unter- irdisch zu seinen Mitgeschöpfen dahin, nein, er existierte in direkter Nachbarschaft zu ihnen, verdingte und ernährte sich neben ihnen, kam ihnen sogar täglich in Kleidung und Hut auf der Straße entgegen. Ihn umgab dabei ein riesenhaftes und geschlossenes Erdenrund: der Hohlglobus. Wo andere Himmel und Sterne sahen, da sah er nur bläuliches Füllgas und bestenfalls apfelgroße Leuchtkörperchen; wo viele die nächste Galaxie vermuteten, da wusste er Australien. Mit Geschichten über Nord- oder Südpolexpeditionen konnte man ihn zur Raserei bringen. Dieser Mann war der ehemalige königlich preußische Fliegerleutnant Peter Bender, Weltkriegsverwundeter und Träger des Eisernen Kreuzes, von Beruf Schriftsteller.
Schon während seiner ersten Aufklärungsflüge über den fleckigen Sumpfgebieten an der Weichsel war ihm die optische Täuschung aufgefallen: die K r ü m m u n g d e r E r d e.
So nannten sie das. Und sie sah, das musste man zugeben, vollkommen überzeugend aus. Wie aus dem Lehrbuch. Eine schöne, weite Wölbung, die da unter ihm schwebte. Dass Stahl unter den richtigen Bedingungen so leicht werden konnte, dass er zu fliegen begann, war an sich schon recht bedenklich. In solchen Momenten war es ihm auch möglich, zu begreifen, warum die Menschen ängstlich oder wehmütig wurden, wenn sie im Traum von ihrer Heimat weggepflückt oder fortgeweht wurden.
Ihm selbst war das als Kind einige Male passiert. Die Träume, wenn es denn welche waren, ähnelten einander immer ein wenig, die Stimmung war die gleiche und auch die Farben – alles sah bemüht und künstlich aus, wie auf handkolorierten Fotografien. Farbe, wo gar keine sein sollte.
Seltsam runde und unscharfe Ecken und Kanten. An manchen Stellen flimmerte die Farbe auch, wie die Ränder einer Öllache. Alle Menschen waren spärlich bekleidet und ihre Konturen unklar. Manche trugen ein grauweißes Funkgerätrauschen anstelle ihres Gesichts. Und er selbst bewegte sich wie in Siebenmeilensprüngen durch diese erstarrte Welt.
Dann kam jedes Mal der Augenblick im Traum, wo er aus irgendeinem Grund in den Himmel blickte.“

 

Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)

 

De Amerikaanse dichter Ted Berrigan werd geboren op 15 november 1934 in Providence, Rhode Island. Zie ook alle tags voor Ted Berrigan op dit blog.

 

Een bepaalde inslag van zonlicht

In Afrika is de wijn goedkoop, en dat is
ook op Sint Marcusplein zo, onder een witte maan.
Ik ga er morgen heen, met een donkere bulk hoodie op
tegen wat er naar mij wordt geslingerd met mijn geen hoed
wat het weer is: het lange mooie meisje in de jurk met print
onder de bontkraag van haar stoffen jas zal staan
bij het draadhek waar de wilde bloemen niet te hoog worden
haar ogen zullen diepbruin zijn en haar haar, gestijld Amerika 1941 ,
zal dat ook zijn; Maar
tegen die tijd zal ik verbouwereerd zijn
Maar nu ben ik dat niet en kan ik me ook witte wolken voorstellen
onmogelijk hoog in de blauwe lucht boven een diepbedroefde kleine jongen
omdat hij gekleed is in een zwarte broek, zwarte jas, wit overhemd,
buster-brown kraag, vloeiende zwarte vlinderdas
haar hand licht rustend op zijn schouder, terwijl vervaagd zonlicht valt
op de foto, moeder en zoon, 33 en 7, eerste communiedag, 1941–
Ik ga vanavond wat drinken met een van mijn demonen
ze staan droog in de lentesneeuw van Colorado 1980.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Berrigan (15 november 1934 – 4 juli 1983)

 

Voor nog meer schrijvers van de 15e november zie ook mijn blog van 15 november 2018 en eveneens mijn blog van 15 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Olga Grjasnowa, Tom Hofland, Norbert Krapf

De Duitse schrijfster Olga Grjasnowa werd geboren op 14 november 1984 in Baku  Azerbeidzjan. Zie ook alle tags voor Olga Grjasnowa op dit blog.

Uit: Der Russe ist einer, der Birken liebt

„Die Lage war ernst, denn nun musste auch mein Koffer durchsucht werden. Das übernahmen zwei junge Soldaten, die beide nicht älter als zwanzig sein konnten. Sie trugen durchsichtige Plastikhandschuhe und machten Scherze, um die Situation aufzulockern. Das Mädchen durchwühlte meine Sachen und versuchte respektvoll, nicht genau hinzuschauen, weshalb sie vom glatzköpfigen Soldaten immer wieder harsch angefahren wurde. Er stand breitbeinig daneben, schaute genau auf den Inhalt des Koffers und gab Anweisungen. Jedes Kleidungsstück, jeder Schal, jede Unterhose wurden auseinandergefaltet, sämtliche Dosen auf- geschraubt, selbst meine elektrische Zahnbürste wurde auf Sprengstoff getestet. Dass ich kaum Kleidung, dafür viele Wörterbücher dabeihatte, weckte Misstrauen.
Während dieser Untersuchung fand die Befragung statt. Wen kennen Sie in Israel? Bei wem werden Sie wohnen? Für wen werden Sie arbeiten? Worin besteht Ihre Aufgabe? Der Soldat sah mir in die Augen. Weshalb ich nach Israel gekommen bin und weshalb ich nicht schon früher gekommen bin und weshalb nicht für immer. Die Soldatin durchsuchte mit ihren langen rot lackierten Nägeln meine
Arabisch-Wörterbücher, auch ihr Ton wurde zunehmend aggressiv. Weshalb ich in arabische Länder gereist bin und was ich über den Nahostkonflikt wisse.
»Sprechen Sie Arabisch?«
»Ja.«
»Weshalb?«
»Ich habe es studiert.«
»Sprechen Sie Hebräisch?«
»Nein.«
»Haben Sie einen Freund?«
»Ja. Nein. Ich meine nein.«
»Ist er Araber, Ägypter oder Palästinenser?«
»Nein.«
»Was denn dann?«
»Tot. «
Sie schauten einander irritiert an.
»Wann ist er verstorben?«, fragte die junge Frau schüchtern.
»Vor kurzem.«
»Das tut mir leid«, sagte die Soldatin und zeigte ein kleines Lächeln.
»Woran ist er gestorben?«, fragte der Soldat.
»An einer Lungenembolie.«
»War er Araber, Ägypter oder Palästinenser?«
Als ich noch überlegte, ob mir diese Frage eben tatsächlich gestellt wurde, hörten wir die Durchsage: »Do not be alarmed by gunshots because the Israeli security needs to blow up suspicious passanger luggage.«
Mehrere Schüsse folgten. Das Walkie-Talkie des Glatzkopfs klingelte, er sprach schnell und aufgeregt hinein. Die Soldaten schlossen meinen Koffer. Sie entschuldigten sich für die Untersuchung, sagten, sie sei wegen der Sicherheitssituation nötig gewesen, und wünschten mir viel Vergnügen
im Heiligen Land.“

 

Olga Grjasnowa (Baku, 14 november 1984)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn op 14 november 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.

Uit: Een stroopgraf voor de bij

“Ik verwachtte dat het bed te Hein zou zijn, maar ik kon mijn benen strekken zonder de randen te raken. Naast mijn hoofd jungledieren; lome giraffen, afwachtende tijgers. Bij mijn voeteneinde glansde het plastic van het radiowekkertje. De globe, mijn nachtlampje, stond in de hoek en scheen zijn vaaloranje licht over de enkele meubels. Stickers van Power Rangers op mijn bed. Ik pulkte aan de randen; tevergeefs. Ook hier leek de lijmlaag twintig jaar de tijd te hebben gehad om zich te kunnen hechten. Hoe merkwaardig: ik had ze geen foto’s aangeleverd of schetsen gemaakt. Ze moesten het met een mondelinge beschrijving doen, en blijkbaar hadden ze daar ook genoeg aan. Alles was zoals het was. Deze kamer had nooit prettig gevoeld. Hij was klein met schuine, benauwende wanden die constant op je hoofd dreigden te zakken. Er zaten altijd spinnen en soms liep er een valse kat binnen die me wilde krabben als ik hem aaide. Mijn kamerdeur stond ’s nachts open, en wanneer ik naar de donkere overloop keek wist ik zeker dat vreemde ogen me bespiedden, wachtend tot ik sliep, om dan over de drempel te komen om iets met me te doen. Toch sloot ik de deur niet. Opgesloten zitten in deze kamer leek me nog enger dan dat wat me op de gang stond te beloeren.
Ik sloot mijn ogen en deed mijn best aan rustgevende dingen te denken. Er kwam een beeld naar boven van mijn vader op de overloop, met een kromme rug achter de computerkast gedoken. Door het tikken van het toetsenbord ontspanden mijn krampachtige oogleden. In de zomer was het beter: dan lag ik voor het donker was in bed en viel ik zonder vrees in slaap. Geen spook dat zich in het zonlicht durfde te tonen of zich alvast op mijn drempel nestelde voor de nacht. In de zomer was ik veilig. Dan hoorde ik de stemmen van mijn ouders in de tuin.”

 

Tom Hofland (Apeldoorn, 14 november 1990)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Norbert Krapf werd geboren op 14 november 1943 in Jasper, Indiana. Zie ook alle tags voor Norbert Krapf op dit blog.

 

Sancho Panza’s bonen

Geen Palmzondag Koning,
volg ik op mijn ezel
waarheen de meester ook gaat.
Mijn zadeltassen zijn vol
bonen, knoflook en ui
die ik op het vuur kook
’s nachts om zijn hersenschim te voeden.
Ik geef hem ’s nachts bonen en hij
maakt overdag gedichten.
Hem dien ik, en zijn gedicht
dat lijkt op een lans die hij
in een windmolen kan steken.
Zijn gedicht is zijn redding
en het is aan mij die aan te reiken.
We hebben allemaal onze expressiemiddelen.
Ik rijd hoog op mijn ezel met mijn tassen
vol bonen en zeg tegen mezelf:
“Mijn koninkrijk voor een boon of een gedicht.”

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Norbert Krapf (Jasper, 14 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e november ook mijn blog van 14 november 2020  deel 1 en ook deel 2 en ook  mijn blog van 14 november 2018 en eveneens mijn blog van 14 november 2015 deel 2.

Frank Westerman, Timo Berger

De Nederlandse schrijver en journalist Frank Martin Westerman werd geboren in Emmen op 13 november 1964. Zie ook alle tags voor Frank Westerman op dit blog.

Uit: Te waar om mooi te zijn

“Toen mijn dochter elf was reisden we samen met de nachttrein naar Perpignan. ’s Ochtends hadden we de Thalys naar Parijs genomen. Tussen Gare du Nord en Gare d’Austerlitz gaapten vier mix Wat te doen in die overstaptijd? De Seine! Een stukje Jardin des Plantes. Bij de ingang van de dierentuin stonden metershoge kisten voor het transport van giraffen. We liepen eraan voorbij — op naar de Notre Dame. Nog drie uur. Niet te ver afdwalen nu, geen Eiffeltoren, geen Louvre, geen Galeries Lafayette. We klommen omhoog, het Quartier Latin in, en toen wist ik het. Ik zou mijn dochter een verbluffend instrument laten zien — eentje dat je blik op de werkelijkheid voorgoed doet kantelen. Een halfuur later stonden we nietig tussen de zuilen van het Panthéon. Ooit een godshuis, nu een tempel voor de rede. In het middenschip, rakelings boven de mozaïekvloer, wiegt jaar in jaar uit een goudkoperen kogel. Geïnstalleerd door Léon Foucault in 1851 om de ‘ongelovigen te demonstreren dat de aarde om haar as draait. De slinger van Foucault gaat zijn eigen gang, traag schommelend, hypnotiserend. Wie een uur later nog eens komt kijken, ontdekt dat het vlak waarin de slinger beweegt enkele graden is gedraaid. Daarnet nog zwierde de kogel exact van die ene zuil naar de recht tegenover liggende, nu komt hij naast die zuil uit. Als je je ogen niet gelooft, hoefje alleen maar in het verlengde van de slinger te gaan staan en dan net zo lang te wachten tot je niet meer in het verlengde staat. De slinger van Foucault lacht je uit: ‘Sta niet zo te staren. Ik ben niet gedraaid jullie draaien om mij heen, samen met het Panthéon en die hele planeet van jullie: Weer buiten op het plein bewonderden we het silhouet van de Eiffeltoren bij zonsondergang, als op een ansichtkaart. Tien uur later, staande voor een opengeklapt raampje in het gangpad van onze ritmisch schokkende trein, zagen we de zon oprijzen uit de Middellandse Zee.
Terwijl wij sliepen was de wereld doorgegaan met wentelen, dat was het duizelingwekkende.
Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat — mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek. Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren — met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten. Heel poëtisch.”

 

Frank Westerman (Emmen, 13 november 1964)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Timo Berger werd geboren op 13 november 1974 in Stuttgart. Zie ook alle tags voor Timo Berger op dit blog.

 

Botanische tuin

Geen papegaaienspot, geen naakte
wilde, de eerste foto’s van de stad
aan de Januaririvier duiken met licht
rode tint op: Giselle en haar auto

liefde: een zandkleurige kever draagt
de
Nouvelle Vague schor spinnend
door de bochten:
in dit voertuig
gaat me geen taxi-boy vlekken maken

Tegen de achteruitkijkspiegel zwiept Elvis
The King, uit hard rubber, een seks
belofte, terwijl achter ons
een wit geschilderde slagboom daalt

De eerste veiligheidsring, wij leven
zegt Giselle,
aan de pluskant
van de stad, waar beneden in de dalen
elke nacht de nacht binnenvalt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Timo Berger (Stuttgart, 13 november 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e november ook mijn blog van 13 november 2018 en ook mijn blog van 13 november 2017 en eveneens mijn blog van 13 november 2016 deel 2.

Daniël Dee, Hans Magnus Enzensberger

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

Die dag in de zomer…

Die dag in de zomer vertelde een vriend dat hij zich door een
vriendin had laten omhullen om zich lid te maken van een
dating-site. Het was zo’n dag dat het bijna te veel was om je
schoenen aan te trekken. Ik trok ze dan ook zeer traag aan.

Ik was de avond daarvoor met kleren aan in slaap gevallen.
Later in de kroeg zeiden al mijn mannelijke vrienden min of
meer hetzelfde als ze hoorden dat het uit was: ‘Wat een hoer.’
Er was ook een meisje in de kroeg die tegen iedereen die het
wilde horen en iedereen die het niet wilde horen zei dat ze een
vrouw met een relatie was. Ik sloeg geen enkel hoofd op de bar,
maar wel vele biertjes achterover. Mijn handen en voeten
voelden permanent koud aan. Kortom: enerverend avondje waar
helaas geen foto’s van genomen zijn.

Hoewel ik in mijn dagboek normaalgesproken alleen opschreef
met wie ik in bed belandde, met daarachter tussenhaakjes de
kwalificaties goed, matig of slecht, en slechts een enkele maal
mijn verbazing over bepaalde acrobatiek, schreef ik ditmaals iets
diepzinnigs. Herinnering is een moeras dat je dieper en dieper
zuigt. Herinnering is een ziekbed waar je niet meer uit opstaat.
Begeerte is de tegenstelling van haat; haat en verlangen zijn
evengoed nauw verwant. De weersomstandigheden vermeldde ik
er niet bij.

 

Wat ik mijn verloofde nog moet zeggen voor de apocalyps

Witlof is niet sexy, heeft geen selling head.
Hij zal met je vrijen als een strijkplank in je bed.

Witlof is de saaiste groente aller groentes. Dat beseft hij zelf ook
terdege, daarom is hij zo verbitterd.

Witlof zal nooit zelfstandig zijn natuurlijke vijanden, zoals
de chalara elegans of de wollige slawortelluis, ondermijnen
of zelfs maar het hoofd bieden.

Witlof brengt geen serenade onder je balkon om je uit je bed
te schudden. Laat de bloempotten dus gerust op hun plaats.

Witlof neemt je niet mee op vakantie naar een Bounty-eiland voor
een cocktail onder een parasol.

Witlof zal nooit een pretpark bouwen, zoals zijn kwekers wel doen
op hun braakliggende land.

Na de zoveelste oorlog was het land leeg, dus haar boeren
bouwden een pretpark met een pythonachtbaan.
Zij nodigden iedereen uit, zonder entree te heffen.

Na verloop van tijd begonnen de bezoekers baldadig
vernielingen aan te richten en de python kreeg een eigen
holderdebolder willetje. Er vielen doden. Er vielen nog meer
doden en er werden schouders opgehaald.

Witlof weet niet hoe te beklijven en witlof weet niet hoe een hart
te veroveren. Het interesseert hem geen biet.

Om verdere brokken te voorkomen prefereer ik derhalve bloemkool.

 

Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Een observatie bij het stuivertje-wisselen aan de top

Dit schrapende geluid,
een schuren, dag en nacht,
van tenen, vingers, klauwen –
komt van het krassen,
het klimmen, het krabbelen van
wie daar met ingehouden adem
omhoog willen, omhoog

almaar omhoog, vol angst,
angst dat de losse bergwand
meegeeft onder hun nagels,
zodat ze naar beneden, waar
ze begonnen zijn, vallen,
en wel, hoe meer ze, in paniek,
nog eer ’t verweerd gesteente

brokkelt, breekt, op alles
wat ze onder zich vermoeden
om zich heen gaan trappen,
des te dieper, niet te stuiten

bergafwaarts

 

Vertaald door Paul van den Hout

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e november ook mijn blog van 12 november 2018 en ook mijn blog van 12 november 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Sint Maarten (Jasper Mikkers), Hans Magnus Enzensberger

 

 

Laternenkinder II door Rudolf Bartels, 1912

 

Sint Maarten

Geschater als een meisje schrok
van de griezel op onze stok.

In het vuilwit binnenste van bietenschedels
droegen we de geest mee op een stok.
Leven als een vlam, flakkerend achter open ogen,
bij ons blijvend tot de lengte van een kaars.

Opgenomen in geklep van klompen, wild licht,
lopend langs een weg die we niet kenden,
staken we het hoofd omhoog en keken om ons heen.

Waarheen we gingen, wist niet één.
Onze moeders riepen onze namen in het donker.
We stapten voort, onze tenen schurend
langs de binnenkant van klompen,
en lieten onverhoord haar bede, wachtten
tot haar stem, banger dan ooit voor duister
en kou, eenmaal verstommen zou.

 

Jasper Mikkers (Oerle, 3 januari 1948)
De St. Jan de Doperkerk in Oerle (Veldhoven)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Astronomische zondagspreek

Wanneer het over onze ellende gaat –
honger, moord, doodslag etcetera –
akkoord! Een gekkenhuis!
Maar sta mij alstublieft toe
in alle bescheidenheid op te merken
dat het al met al
een tamelijk gunstige planeet is
waarop wij geland zijn,

je reinste rozenhaag,
vergeleken met Neptunus
(min tweehonderdentwaalf graden Celsius,
windsnelheden tot duizend km/h
en verdomd veel methaan
in de atmosfeer).
Alleen maar opdat jullie zouden weten
dat het elders nog veel ongezelliger is. Amen.

 

Vertaald door René Smeets

 

Hans Magnus Enzensberger(11 november 1929 – 24 november 2022)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e november ook mijn blog van 11 november 2018 deel 1 en ook deel 2. en eveneens deel 3.