Het eerste vond ik raar. Ik stuurde het naar Londen waar mijn geliefde het in de brief, waarin het opgevouwen was niet zag, zodat het even later op de grond lag waar niemand het meer kon vinden. Have one of mine bood een oudere dame daar aan, maar mijn haar was toen voor hem nog onvervangbaar.
Het tweede werd door de kapper ontdekt. Wilt U dat ik het laat zitten of wilt U dat ik het uit-trek. Dat hij U zei vond ik al gek, trek maar zei ik maar wist meteen dat dit, filosofisch, verkeerd was, en besloot me bij het derde, als het ooit zou komen, wijzer te tonen.
Het derde kwam, dat had ik niet verwacht. Ik heb het nog een rode schijn gegeven maar J. vond dat niet mooi en hij kon het weten want hij was zelf juist bijna dood geweest, zodat ik, ja bij het vierde en het vijfde toen geloofde ik er aan.
Nu heb ik er honderd en dat verschaft toegang. Tot hoofden die precies even wit en niet wit zijn als het mijne, tot lijnen die nu nog bijna geheel kunnen verdwijnen. Verwant vind ik die tussen-in-gezichten die af en toe geheel verdord, alles al weten, maar soms ook nog, illusionisten rimpelloos oplichten. Les absents ont tort, geverfden hebben iets gemist.
Dinsdag
Nooit mij geboden je te helpen gehoorzaam te zijn, je te omhelzen nooit mij verzocht je te beloven beterschap, spijt te betonen nooit moe geweest, of onbenaderbaar of zelfs maar ‘een beetje bedroefd’ zoals moeders zo aardig doen.
Compleet en volledig alleen in een leven dat toch met koffie en thee steeds werd uitgedeeld.
Gevaarlijk? welnee, zei je, bombardementen trotserend ik zit net zo lief in de laatste coupé als ze schieten, schieten ze toch op de locomotief.
o eigenlijkste moeder nu je gaat verhuizen begint het oude schrijnen dat jou niet beangst omdat je stap voor stap verzet en niet verlangt naar welke vorm dan ook van eeuwigheid – de priester lach je weg – je werkelijkheid ligt in de winkels.
Maar je bent moe, ik hoor het aan het slepen van je voeten, zie het aan je gezicht, de muiltjes van je ogen uitgesleten.
Afscheid van een zeven-jarige
Hij stapt naar voren, vanachter broer, zoent zacht en nauwelijks – alleen wat spuug blijft over. En doet een stap, voldaan, weer achteruit, ziezo, gedaan, voorlopig over. Ballpoint-bestreept gezicht wolkloos opgelucht. Daarna, omdat hij bij nader inzien toch afscheid nemen wil, geeft hij een hand.
Steeds vaker, nu ik me, zonder me nog druk te maken over de terugval, de pijnen en de treurige verwekingen, in mijn andere jaren nestel, merk ik hoe veel van wat ik ooit dacht dat het bewijzen waren van onderdrukking, seksueel of anderszins, nu, in ieder geval bij andere mensen, varianten lijken van waardigheid, terughoudendheid, tact, en soms lijken zelfs voor mezelf, bepaalde vormen van geduld die ik ooit lusteloosheid, onverschilligheid zou hebben genoemd, nu mogelijk, zo niet de beloningen dan toch de onvermoede, onverwachte uitkomsten van veel van de zelfs toen absurde zelfontwikkelde disciplines, strengheden, haast kastijdingen die ik mezelf heb aangedaan in mijn begindagen, verbeteringsdagen, dagen waarop alleen al het idee van psychische vrede, van intellectuele, van emotionele rust, de geringste hint, onvoorstelbare capitulatie zou hebben betekend.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Soms loopt er door een drukke straat ineens een oude kameraad of reisgenoot. Je weet zodra je hem begroet: het kan niet dat ik hem ontmoet, want hij is dood.
Eerst ben je nog een tijd verbaasd omdat die levende toch haast die dode was. Heb je de zaak dan afgedaan, dan komt er weer zo’n dode aan, met flinke pas.
Thuis van het dodencarnaval zie je de spiegel in de hal, je schrik is groot: die man daar in het spiegelglas, met die bekende regenjas, was die niet dood?
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003) De Grote kerk in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink
Nu wil ik jou, mijn broer, in de gangen vangen en onder de sneeuw drijven. De overgangen wil ik je laten zien en de plaatsen om kort te rusten. Ik wil je van de lichte plekken wegjagen, dat je ver omhoogvliegt en naar mij op weg gaat, naar onze krans, de nacht.
Vertaald door Frans Roumen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Uit: Medelijden, medeleven, bijna: vriendschap. Hans Werkman en Willem de Mérode (Samen met Cees van der Pluijm)
“Hans Werkman: Ook ik heb een aantal fouten gemaakt, zeker in mijn eerste biografie: daarin was ikzelf te nadrukkelijk aanwezig. Een biograaf moet de feiten geven. De manier waarop hij dat doet, heeft een forse mate van subjectiviteit, maar het gaat toch om controleerbare gegevens. Bovendien was ik te weinig op mijn hoede ten aanzien van briefgetuigenissen. Ik dacht: ‘Als die man aan Jaap Romijn iets in een brief schrijft, dan klopt dat.’ Pas later kwam ik erachter dat hij bij voorbeeld in de zelfde tijd iets heel anders aan Barend de Goede schreef. Dat moet je dan tegen elkaar afwegen. [Jaap Romijn, Barend de Goede en Bert Bakker waren vrienden die De Mérode tijdens de laatste jaren van zijn leven regelmatig bezochten; KvdH/CvdP.] Voor mijn tweede biografie heb ik alle brieven weer doorgelezen en daaruit heb ik dingen opgenomen die ik vroeger als minder belangrijk zag, maar die ik nu goed vond passen. In dat boek ben ik ook minder op de voorgrond getreden. En in De Mérode en de jongens heb ik dingen gepubliceerd die in dat kader weer van belang waren, zoals mijn eigen ervaringen met De Mérodes inmiddels oud geworden vriendjes. Hoe gaan die met zijn nagedachtenis om? Daar zit ook een verhaal in.Ik ben niet van plan nog meer over De Mérode te schrijven, maar als ik ooit weer de geest zou krijgen, zou het een boek worden over 1924, de acht maanden die De Mérode toen in de gevangenis heeft gezeten, met wat daaraan voorafging en wat erop volgde. Hoe is dat voor hem geweest? Ik kan dat enigszins reconstrueren aan de hand van een getuigenis van Ernst Groenevelt [vriend en collegaredacteur van Het Getij; KvdH/CvdP], die in de zelfde periode in de gevangenis zat, en van een aantal gedichten. Ik ben ook in die gevangenis geweest. Maar dat boek kan natuurlijk alleen maar een roman worden en geen biografie, daarvoor zijn er te weinig gegevens beschikbaar.”
Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)
Suggested by a drawing of Thomas Moran, the American painter.
This must be the very night! The moon knows it!—and the trees! They stand straight upright, Each a sentinel drawn up, As if they dared not know Which way the wind might blow! The very pool, with dead gray eye, Dully expectant, feels it nigh, And begins to curdle and freeze! And the dark night, With its fringe of light, Holds the secret in its cup!
II. What can it be, to make The poplars cease to shiver and shake, And up in the dismal air Stand straight and stiff as the human hair When the human soul is dizzy with dread— All but those two that strain Aside in a frenzy of speechless pain, Though never a wind sends out a breath To tunnel the foggy rheum of death? What can it be has power to scare The full-grown moon to the idiot stare Of a blasted eye in the midnight air? Something has gone wrong; A scream will come tearing out ere long!
III. Still as death, Although I listen with bated breath! Yet something is coming, I know—is coming! With an inward soundless humming Somewhere in me, or if in the air I cannot tell, but it is there! Marching on to an unheard drumming Something is coming—coming— Growing and coming! And the moon is aware, Aghast in the air At the thing that is only coming With an inward soundless humming And an unheard spectral drumming!
IV. Nothing to see and nothing to hear! Only across the inner sky The wing of a shadowy thought flits by, Vague and featureless, faceless, drear— Only a thinness to catch the eye: Is it a dim foreboding unborn, Or a buried memory, wasted and worn As the fading frost of a wintry sigh? Anon I shall have it!—anon!—it draws nigh! A night when—a something it was took place That drove the blood from that scared moon-face! Hark! was that the cry of a goat, Or the gurgle of water in a throat? Hush! there is nothing to see or hear, Only a silent something is near; No knock, no footsteps three or four, Only a presence outside the door! See! the moon is remembering!—what? The wail of a mother-left, lie-alone brat? Or a raven sharpening its beak to peck? Or a cold blue knife and a warm white neck? Or only a heart that burst and ceased For a man that went away released? I know not—know not, but something is coming Somehow back with an inward humming!
V. Ha! look there! look at that house, Forsaken of all things, beetle and mouse! Mark how it looks! It must have a soul! It looks, it looks, though it cannot stir! See the ribs of it, how they stare! Its blind eyes yet have a seeing air! It knows it has a soul! Haggard it hangs o’er the slimy pool, And gapes wide open as corpses gape: It is the very murderer! The ghost has modelled himself to the shape Of this drear house all sodden with woe Where the deed was done, long, long ago, And filled with himself his new body full— To haunt for ever his ghastly crime, And see it come and go— Brooding around it like motionless time, With a mouth that gapes, and eyes that yawn Blear and blintering and full of the moon, Like one aghast at a hellish dawn!— The deed! the deed! it is coming soon!
VI. For, ever and always, when round the tune Grinds on the barrel of organ-Time, The deed is done. And it comes anon: True to the roll of the clock-faced moon, True to the ring of the spheric chime, True to the cosmic rhythm and rime, Every point, as it first fell out, Will come and go in the fearsome bout. See! palsied with horror from garret to core, The house cannot shut its gaping door; Its burst eye stares as if trying to see, And it leans as if settling heavily, Settling heavy with sickness dull: It also is hearing the soundless humming Of the wheel that is turning—the thing that is coming! On the naked rafters of its brain, Gaunt and wintred, see the train Of gossiping, scandal-mongering crows That watch, all silent, with necks a-strain, Wickedly knowing, with heads awry And the sharpened gleam of a cunning eye— Watch, through the cracks of the ruined skull, How the evil business goes!— Beyond the eyes of the cherubim, Beyond the ears of the seraphim, Outside, forsaken, in the dim Phantom-haunted chaos grim He stands, with the deed going on in him!
VII. O winds, winds, that lurk and peep Under the edge of the moony fringe! O winds, winds, up and sweep, Up and blow and billow the air, Billow the air with blow and swinge, Rend me this ghastly house of groans! Rend and scatter the skeleton’s bones Over the deserts and mountains bare! Blast and hurl and shiver aside Nailed sticks and mortared stones! Clear the phantom, with torrent and tide, Out of the moon and out of my brain, That the light may fall shadowless in again!
VIII. But, alas, then the ghost O’er mountain and coast Would go roaming, roaming! and never was swine That, grubbing and talking with snork and whine On Gadarene mountains, had taken him in But would rush to the lake to unhouse the sin! For any charnel This ghost is too carnal; There is no volcano, burnt out and cold, Whose very ashes are gray and old, But would cast him forth in reviving flame To blister the sky with a smudge of shame!
IX. Is there no help? none anywhere Under the earth or above the air?— Come, sad woman, whose tender throat Has a red-lipped mouth that can sing no note! Child, whose midwife, the third grim Fate, Shears in hand, thy coming did wait! Father, with blood-bedabbled hair! Mother, all withered with love’s despair! Come, broken heart, whatever thou be, Hasten to help this misery! Thou wast only murdered, or left forlorn: He is a horror, a hate, a scorn! Come, if out of the holiest blue That the sapphire throne shines through; For pity come, though thy fair feet stand Next to the elder-band; Fling thy harp on the hyaline, Hurry thee down the spheres divine; Come, and drive those ravens away; Cover his eyes from the pitiless moon, Shadow his brain from her stinging spray; Droop around him, a tent of love, An odour of grace, a fanning dove; Walk through the house with the healing tune Of gentle footsteps; banish the shape Remorse calls up thyself to ape; Comfort him, dear, with pardon sweet; Cool his heart from its burning heat With the water of life that laves the feet Of the throne of God, and the holy street!
X. O God, he is but a living blot, Yet he lives by thee—for if thou wast not, They would vanish together, self-forgot, He and his crime:—one breathing blown From thy spirit on his would all atone, Scatter the horror, and bring relief In an amber dawn of holy grief! God, give him sorrow; arise from within, His primal being, deeper than sin!
XI. Why do I tremble, a creature at bay? ‘Tis but a dream—I drive it away. Back comes my breath, and my heart again Pumps the red blood to my fainting brain Released from the nightmare’s nine-fold train: God is in heaven—yes, everywhere, And Love, the all-shining, will kill Despair!— To the wall’s blank eyeless space I turn the picture’s face.
XII. But why is the moon so bare, up there? And why is she so white? And why does the moon so stare, up there— Strangely stare, out of the night? Why stand up the poplars That still way? And why do those two of them Start astray? And out of the black why hangs the gray? Why does it hang down so, I say, Over that house, like a fringed pall Where the dead goes by in a funeral?— Soul of mine, Thou the reason canst divine: Into thee the moon doth stare With pallid, terror-smitten air! Thou, and the Horror lonely-stark, Outcast of eternal dark, Are in nature same and one, And thy story is not done! So let the picture face thee from the wall, And let its white moon stare!
George MacDonald (10 december 1824 – 18 september 1905) Huntly Castle in Huntly, de geboorteplaats van George MacDonald
Ik zie de heuvels Met gele ballen in de herfst. Ik verlicht de prairie-maïsvelden Oranje en goudbruine trossen En ik word pompoenen genoemd. Op het einde van oktober Wanneer de schemering valt Kindjes slaan handen ineen En cirkelen om me heen Zingende spookliederen En liefde voor de oogstmaan; Ik ben een pompoenlantaarn Met vreselijke tanden En de kinderen weten Ik maak een grapje.
Uit: Door het zwarte sparrenwoud (Vertaald door Josephine Rijnaarts)
“Hij had zwaar letsel aan zijn hoofd en het is al een wonder dat hij nog leeft. Maar leeft hij nog wel, zoals hij daar ligt? Ik wil het Eva vragen terwijl ze zijn benen masseert. “Kom, Annie, help me eens,” zegt ze. ‘Doe jij zijn armen maar. Zo hou je de bloedsomloop op gang. Dat is van levensbelang.’ ‘Ik vind het maar eng,’ zeg ik, als ik aan de andere kant van het bed met zijn arm in mijn handen sta. ‘Wat vind je eng?’ ‘Hem aanraken. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit in mijn leven heb aangeraakt.’ ‘Zet je eroverheen.’ Eva ademt zwaar terwijl ze bezig is. Ze puft en blaast. Ik ken haar al mijn hele leven en ze is altijd dik geweest. Heel dik. Ze heeft een appelgezicht en de afmetingen van een beloega, en ze is mijn beste vriendin. ‘Heb je tegen hem gepraat?’ vraagt ze. Ik haal mijn schouders op. ‘Dat vind ik nog enger,’ antwoord ik. ‘Het is net alsof je tegen een dode praat.’ ‘Ik zou me maar verontschuldigen als ik jou was,’ zegt Eva. le maakt hem van streek met dat soort opmerkingen.’ Als Eva naar de volgende kamer loopt, ga ik bij hem zitten en staar hem aan. Hij lijkt half zo zwaar als toen ik vorig jaar wegging. De dokters hebben zijn lange, zwarte, met grijs doorschoten haar moeten afscheren. Hij ziet er nu ook ouder uit dan de vijfenvijftig jaar die hij telt. Hij heeft flink wat verbleekte littekens op zijn hoofd, witte zigzaglijnen tussen peper-en- zoutkleurig, pluizig haar. In mijn verbeelding zie ik hem wakker worden met een grijns op zijn gezicht, zodat hij er met die twee ontbrekende voortanden uitziet als een jongetje. Mama zegt dat hij al dat gewicht afgelopen zomer en herfst is kwijtgeraakt bij het vallen zetten in de wildernis. Ik wist dat er iets heel erg mis was toen mijn moeder zei dat hij in de zomer was gaan jagen. Waarop dan? Een bruin kleurtje? Alsof ik haar heb geroepen, verschijnt mijn moeder en komt op de stoel naast me zitten. Ze geeft me een piepschuimen doosje. ‘Eet op,’ zegt ze. le bent net zo mager geworden als hij, Annie.’ `Ik heb geen honger,’ zeg ik. `Ze moeten hem in de gaten houden,’ zegt mama, over zijn hoofd aaiend alsof hij een kind is. `Eva is hier net geweest, mam. Je kunt haar vertrouwen. Ze weet wat ze doet.”
Er zijn slangen in de tuin van de uitbundigheid zij heeft ze niet gezien wel de vlinders en de aubergines de korenbloemen en de zwangere vliegen klaprozen en druppels die zijn blijven liggen
zij heeft hem gezien onbezwaard, zoals hij is rennend met een lichte huid tussen de appelbomen door met lichte ogen
ze komt naast hem lopen met dichte ogen
De tuin der zintuigen
Hoor je het ruisen van de vroege cyclamen het klapperen van de vleugels van de vliegen het vallen van de overrijpe pruimen in het gras het zingen van de wind?
ruik je de geur van natte hagen in de doolhof de geur van neergeregend stof het kruidige basilicum, de selderij het luie parfum van lavendel?
voel je de champagneblaadjes van de rozen de stekels in je vingers, de druppels over je rug voel je de beweging in de lucht het ruwe hout van de hekken?
Proef je in de tuin der zintuigen mijn huid Proef je mijn lippen, mijn handen op je lichaam het fluweel van vlindervleugels op je tong de stroeve rode peren en rabarber, de modder, het graniet?
zie je mij, zie je de fontein en het kasteel? het wildebloemenveld en alles wat er is? zie je jou en mij, en met je hoofd ver achterover de takken van de pruimenbomen tegen de blauwe lucht?
De tuin der elegantie
De mousserende wijn wordt gedronken uit glazen met gedraaide stelen in de min der elegantie
de donkergroene hagen zijn gesnoeid de vazen staan klaar voor de herfst
zijn prachtige handen en polsen zwaaien door de lucht als hij vertelt
ze pakt zijn handen vast en legt ze langs haar hals als de bladeren van een tulp
de glazen worden neergezet zijn schaduw valt op haar gezicht zijn handen maken sporen in het gras
Ik heb alle pijlen geteld die hij op zijn lichaam draagt de plaatsen waar ze erin gaan de plaatsen waar ze eruit komen ook de verborgene en vergat tijdens het tellen mijn eigen pijn Ik stapte naar buiten in het licht van de gracht Tussen vuil en dobberende plastic flessen dreef op zijn buik een teddybeer Toen kreeg ik het zout mij in mijn oog
Je gefluister kan rijden op de luidere wind… Je frons wordt de nacht, De uil, hoog en verborgen geniet van het lied En ontmoet je gebroken ogen niet.
Het tikken van de nacht tikt en tikt, tikt En slaapt. En jij, jij huilt en zingt Een stille melodie die de zachte nachtvogels niet horen. Onder dit laken van nacht en zweet, verberg je je Met alleen je oorverdovende tranen.
Ik kon, eenmaal binnen, met behulp van de gigantische koepelhoogte en de omtrek van de verzonken ruimte de grote eenzaamheid van het lichaam bepalen.
Er was geen waterval of veel zonlicht en ook verbaasde het mij nauwelijks fotograferende Vietnamezen te zien.
Maar ik, die te laat ben geboren weet niet hoe je sterft als je liefhebt als je masturbeert in loopgraven als je zonder handen ligt als je met je rechter je linkeroog langs je wang ziet hangen als je een brief schrijft als je loopt of vlucht als je kust of slaapt als je eet.
Sterft men op een eiland kalmer?
Rondom het reusachtige kerkgebouw reden soldaten in rolstoelen rond.
Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010)
“De toch al tot een doe-katholicisme neigende gelovigen in Nederland werden door de voorstelling van zaken die hun gegeven werd, waarbij het stipt navolgen der vele voorschriften (meest strenger dan in geheel katholieke landen) te vaak werd voorgesteld als het volmaakt volbrengen van de taak der christenen in de wereld, als het ware opgeleid tot triomfalisme. Zij werden – zo kan het nu schijnen – verwacht alles te doen, of het nu het zich zedig kleden, het nemen van een abonnement op De Maasbode, het stemmen op de R.K. Staatspartij of het inschrijven op kerkelijke leningen betreft, ten bate niet zozeer van het geloof als wel van ‘de Roomsche zaak’, – begrip dat niet zelden verward werd met zoiets als een affaire, een onderneming, waarvan zij allen kleine aandeelhouders waren. Het kon lijken of de macht als einddoel werd gesteld, en niet de zelfheiliging en de heiliging der wereld. Het triomfante ‘Roomschen dat zijn wij’ en het ‘Aan U, o Koning der eeuwen’ kon gaan klinken als de lyriek der opperste zekerheid, terwijl het gezang in werkelijkheid wellicht eerder het geluid was dat een bange groep in het donker maakt (luid stappend, hard zingend) om zichzelf moed in te spreken. Het lijkt het triomfalisme dat, in een ghetto, uit een minderwaardigheidscomplex is voortgekomen. Dit doorzag de elite der jongeren en hun kleine groep geestverwanten. Zoals zij ook een ander gevaarlijk aspect der Roomsche samenleving bleek te doorgronden: dat van de ontwijking der sociale kwestie. De in Roomsche kring gepredikte afweerhouding tegenover de wereld ‘die ik als christen moet haten’, in een tijd die ongetwijfeld grof materialistische tendensen liet zien, kreeg, toen de malaise ontaardde in de verschrikkelijke economische crisis, accenten die oneerlijk of tenminste ongelukkig-eenzijdig lijken. Naarmate enerzijds groter soberheid gepredikt werd en anderzijds de waarschuwingen tegen allerlei vormen van onzedelijkheid toenamen, kon de indruk gewekt worden dat de eigenlijke hoofdkwestie: een rechtvaardiger verdeling der goederen, naar de achtergrond werd gedrongen. De jongeren komt de eer toe dit scherp te hebben doorzien. Maar wanneer op het hoogtepunt van de crisis een geladen kapucijn, pater Henricus, op hartstochtelijke toon hun protesten overnam, kwam hem in de katholieke pers zulk een verontwaardiging tegemoet, dat hij zich haastte de scherpe kanten van zijn betoog af te halen. En de in zelfgenoegzaamheid groeiende samenleving der katholieken van toen kan in het jaar 1963 een kerk van de bourgeoisie lijken.”
Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)
De wind speelt met hoed langs de route 66. George Steinmetz landt met zweefparachute in de Karnasaivallei. Ik rijd met brullende volvo je huis binnen.
Iedereen kreeg zijn eigen spullen en daarmee ritme. Er is een deur die altijd openstaat. Je ziet mijn herkenbare afmetingen. Kortom, de oude Heraclites had gelijk en ongelijk. Hoe het licht hier op de plavuizen valt! Jij ziet ook alles. Retail is detail schatje, het leven is er om geleefd te worden.
Lijst met doordrenkingen
Ik investeer in jou. Jij bloeit in de zomer. Wij zijn van elkaar doordrenkt als kerk en staat. Wij zijn een windstille theocratie.
Mijn stijl is doordrenkt van mij, heeft alle onechtheid opgenomen. Omdat mijn stijl mij niet kan verslaan, word ik erdoor opgegeten. Nu de kunst mij opeet zoek ik de achterdeur of de binnenzak van dat lichaam.
Jij, ik, onze gebaren: doordrenkt van erotisch verval. Niet macht erotiseert, maar met nagelbloed doordrenkte macht.
Mijn vrienden zijn de obscene en poreuze diamanten van de kenniseconomie en liggen doordrenkt van schuldgevoel langs de weg.
Ik – van vrijheid en seculariteit doordrenkt – organiseer een duister, humanistisch ritueel. Ik ontvoer mensen en in een kelder bind ik ze aan mij vast. Daar bewegen wij net zo lang door de nauwelijks verlichte ruimte tot wij in elkaar geloven.
Boven de kringloop van regen en baby’s vliegt de roerdomp
Boven de kringloop van regen en baby’s vliegt de roerdomp. De roerdomp heeft niets met dat alles te maken. Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan. Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp. ‘Ieder rad is bedoeld om het iemand voor de ogen te draaien’, zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)
De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.
Lots vrouw
Sjokkend achter het brede achterste van God neuriet ze haar nutteloze deuntje Oh kleine zwarte jurk achter in de kast, wie zal je nu tegen zijn borst drukken?
Groene Italiaanse laarzen in een middernachtelijk raam, een gekrioel van ratten, een hand van binnenuit verlicht als een tulp— Wie rent die straat af om haar minnaar te ontmoeten? Wie zit er in de bioscoop ineengedoken, stil, een zwarte kat?
De dochters met de donkere ogen strelen achteloos hun borsten. Een jakhals hurkt in de schaduw, hongerig naar zout. Aan de voet van een duin dat oprijst naar de lege horizon haalt een palmboom zijn schouders op alsof hij wil zeggen: Nou, wat had je dan verwacht?
Ik wil niemand uitroeien, maar als ik per se iemand moest uitroeien, zouden het de Zwitsers zijn. De Russen kunnen we ook wel missen. Russen eruit, zonnepanelen erin. Het is tijd voor realisme in Den Haag.
Mijn lievelingsstaatsvorm is de constitutionele dictatuur. Met een ceremoniële dictator aan het hoofd die lintjes doorknipt en tot zijn dood aan de macht blijft. Dan wordt hij gelyncht door het volk.
De marteling als machtsmiddel mag niet uitgesloten worden, maar wel met duidelijke regels en een onafhankelijk toezichthouder. Transparantie is daarbij belangrijk. Geen geweld meer achter gesloten deuren.
De verkoop van literaire thrillers maakt duidelijk dat de huisvrouw veel geweld tekortkomt in haar leven. Het slachten van miljoenen dieren en het versnipperen van kuikentjes gebeurt voortaan op stadspleinen.
We heffen de schaduwmaatschappij op. Het Jeugdjournaal bericht vanaf nu over de Nederlandse investeringen in wapenhandel en executietechnologie. Elk AZC krijgt zijn eigen realityshow. IKEA een ballenbak met ingewanden.
De stand van zaken
Met T. gaat het nu beter. In haar ogen spat nog altijd glaswerk uit elkaar, maar ze komt haar bed weer uit. B. is voorlopig doordeweeks niet te bereiken. K. mag zijn kinderen weer zien: eentje tegelijk. I. heeft het eindelijk gedaan. P. is dood. L. ook. Ikzelf – het gaat hier even niet om mij. En met de maatschappij – ze zeggen dat er een crisis is. Ach, de mensen hebben geen oog voor alles wat goed gaat. Nog velen proberen kinderen te krijgen. Oma Z. stond om een uur ’s nachts op van het dronken feest, en ging te fiets naar huis, negentig jaar oud. Veel verstandige mensen hebben vandaag vers eten bereid. Achter miljoenen ramen is de warmte van een bed met iemand erin. De kale ficus heeft zeven nieuwe blaadjes gekregen.
Weekoverzicht
Maandag log ik in op mijn computer, vrijdag log ik uit. Zaterdag lig ik op mijn laminaat. Zondag begint zich voorzichtig iets kenbaar te maken, maar voordat ik mijn mond kan openen om een woord te vormen is het alweer maandag.
toen was mijn vader meer dan één toen was mijn vader meer dan duizend toen was mijn vader alle mannen en ook moeder was en ook zij was meer dan één meer dan duizend en ook zij was alle moeders
en toen ontmoette vader zichzelf in de fabriek bij de machines dreef zichzelf aan en schreeuwde rond en vader ontmoette zichzelf in alle auto’s die hem na het werk tegemoet reden en zijn stem sprak toen hij de autoradio aanzette
en ook moeder kocht ’s ochtends vlees bij zichzelf nam het geld uit haar hand en begroette zichzelf in het trappenhuis en hoorde haar eigen stem haar eigen zorgen aan de telefoon van iemand die sprak als zij die haar stem haar zorgen had
en toen vader kwam, kwam vader overal en toen moeder de deur opende, opende moeder overal de deur en al mijn moeders verwelkomden al mijn vaders en er was niets geks aan in elk huis grepen al mijn vaders naar al mijn moeders en al mijn moeders tilden al hun moederrokken op en al mijn vaders openden alle vaderritssluitingen
en toen was ik er en ik kende alleen mezelf mijzelf als adolescent tussen andere adolescenten die ik ook was mijzelf als speelkameraadje, die speelde met iemand die ik was mijzelf als voetbalteam dat alleen tegen andere voetbalteams die uit mij bestonden aantrad en dus zat er voor mij niets anders op dan mezelf te troosten en het was mijn enige troost dat alle anderen die ik ook was zichzelf zoals ik mij moesten troosten
“Nice, onder de onwerkelijk blauwe hemel, die de folders hadden beloofd. Aan prettige dingen denkend, liep ik op de boulevard Gambetta en ging op een gemeentebankje zitten. Maar dat bleek geen gunstig gekozen plaats voor een zorgeloze vakantieganger, want vlak tegenover me verrees een wit gedenkteken dat wel twintig namen opsomde van mannen die in het verzet waren omgekomen. Ambrosio Nini, Fernand Boyer, André Constantinov, Dermatorissian N. Ik kon niet nalaten de hele lijst eerbiedig en in een gepast tempo te lezen en de man die, wat dichter bij het monument, rechtop stond, deed het ook, dat zag ik aan zijn bewegende lippen. Hij was van mijn generatie en een typische Niçois, om zo te zien. Maar ik zie meestal verkeerd, want toen hij even opzij keek, riep hij in de taal van onze geëerbiedigde vorstin: ‘Verrek, is u hier nou óók al?’ Hij kwam naast mij zitten en stelde zich voor. Jan heette hij ook nog, mijn typische Niçois, en hij woonde op de Apollolaan. Hij wees naar het monument en las, hardop: ‘Is. Lippmann – een joodse jongen in het verzet, moedig hoor. Is het niet echt iets voor mensen van onze leeftijd om zelfs hier, in de vakantie, weer tegen die oorlog op te lopen? Nou ja, gelukkig zijn mijn kinderen en mijn kleinkinderen er niet bij, want die kijken, als ik over de oorlog begin, of ze zeggen willen: “Zet eens een andere plaat op.” Daarom doe ik het maar niet meer. Horen, zien en zwijgen, net als die aapjes. En toch heb je herinneringen. En schuldgevoelens…’ Hij keek me van opzij aan en grijnsde. ‘Niet dat ik bunkerbouwer ben geweest of zoiets,’ zei hij. ‘Nee, ik had het voordeel van de volstrekte onbeduidendheid. Eind april 1940 was ik een brave jongen van zesentwintig die met een beetje geld van zijn vader een handeltje had opgezet. Een grossierderijtje in postpapier. Mijn hele voorraad lag in een pakhuisje aan de Egelantiersgracht. En daar hield ik ook kantoor. Of beter gezegd: daar zat mijn enige personeelslid, een meisje van achttien, bij de telefoon te wachten op de eerste klant. Maar er kwam geen klant. Er kwam een heel Duits leger. En toen zat niemand verlegen om mijn postpapier.’ Weer grijnsde hij zo’n beetje. Hij zei: ‘Toen we ons oorlogje verloren hadden ging het leven verder, nietwaar? Zo heette dat. En – de handen uit de mouwen. Ik begaf me weer naar de Egelantiersgracht en daar verscheen ook, keurig op tijd als steeds, mijn enige personeelslid. Weet u hoe ze heette? Brenda Cohen. Een aardig meisje.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
ik verklaar het plastic afval in de oceanen tot kunst en dus dank ik de getijden ik dank de golfbeweging Ik dank het Uv-licht voor de ontbinding de reproductie van mijn kunst ik dank verschillende zeebewoners ik dank het plankton voor het inlijven van mijn kunst dat mijn kunst in de voedselketen belandt dat iedereen eraan kan meedoen ik dank de wasmachines dat het vezels die zijn gemaakt van fleece en andere synthetische kledingstukken in het afvalwater en dus in mijn kunst brengt ik dank de stromingen de grote oceaanwervelingen vooral de Noord-Pacifische oceaanwerveling voor de kolkende concentratie van mijn kunst dat die miljoenen keren per vierkante kilometer zee voorhanden is dat in totaal honderd miljoen tonnen van mijn kunst in alle zeeën circuleren, ik dank ervoor dat ik een kunstenaar ben die om alle continenten heen mag spelen
Sommige vrouwen kleden zich als wilgen in april: zo doorzichtig dat je stam en takken niet kunt missen.
Een park vol dergelijk perspectief is een lust voor de doorkijkliefhebber.
Onder het lopen willen ze lichtzinnig ruisen met wat ze nauwelijks dragen.
Echte wilgen zijn ingetogener: je hoort ze staan huiveren in zichzelf.
Wilgen laten van nature naar zich kijken. Wilgenvrouwen doen het erom.
Handen
De avond is ernaar: kaarslicht, zicht op houtvuur, eeuwige Bach, wijn uit de Médoc. Een hand, die van je vrouw diep in de veertig, komt vleien aan je knie. Tegenover je je ouders viermaal veertig, precies vijftig jaar je ouders. Aan je benen speelt je zoon. Ongericht verdriet staat in je op.
Later, je kinderen achterin je auto tussen ze in. ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet,’ begint er een. Oktober spant een tunnel mist tot aan hun woning.
Thuis, in de zakdoek van je laken komt het toch nog over je. Een hand, die van je vrouw heel jong ineens, begint met je te laten overleven.
Sneeuw
Dat krijg je van sneeuw: dat een plotselinge sluier je uitgeleefde tuin verduistert met de helderheid van een leeg wit blad papier, de verblindende scherpte van een verliefdheid;
dat je na de schittering, als de dooi inzet, je ogen opnieuw in moet stellen op het gras, de vijver, alles wat er is zoals het was;
dat het gedicht dat boven water komt, vertrouwd meteen verrassend anders is. Als lente, je eigen vrouw: geruststellend hetzelfde, even nieuw.
De boom torent nog steeds erbovenuit, boven het meer, het plein, waarop ze spelen, de plaats waar ze silhouetten bouwen uit steen en beton en uit steen.
Lawaai boven de straten, op pleinen, lawaai en ongemotiveerd geschreeuw. In de toren, in de toren midden in de stad nestelen de spreeuwen en niet meer in de boom, de spreeuwen, niet meer in de tuin, in de rode, de kleine,
en de bloemenvrouw, de bakkersjongen danst vandaag, midden in de stad en de spreeuwen.
Over de brugleuning, eroverheen werpt de jongen de steen tegen de wind in en werpt, werpt de jongen de steen om het hardst de jongen met de wind
De rozen bloze’ in ’t broze oktoberblauw En aadmen vrolijk hoop- en zomergeuren. Eén knop alleen voorvoelt het herfstgebeuren En wil niet bloeie’ in najaars tranendauw.
Die bloem voorvoelt, in pronk van bonte kleuren Vermomd, verborgen, zwarten bomenrouw, In vleiend zoeltje, zoenend zonnelauw, Kil-wrede wind, die ruw haar zal verscheuren.
In ’t groene pantser, dat haar eng omkleedt, Houdt zij beloken, als een kleinood veilig, Haar smartehartje, zwaar van aardeleed.
De wolken dobbren, bootjes zilverzeilig, Door ’t broze blauw… En de éne bloem die weet Zal valle’ in knop, een jonkvrouw wijs en heilig.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) Herfst in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
We waren veertien en we gingen met zijn tweeën kamperen en jij smokkelde je mijn tent binnen en we smokkelden en ’s ochtends was je glimlach een verrukking maar toen we terug op school waren moesten we omdat ik een jongen was en jij ook een jongen was het verborgen houden anders zouden de anderen hun angsten op ons hebben afgereageerd maar het was ook onze angst en terug op school zelfs als er niemand anders in de buurt was praatten we alleen maar over voetbal.