90 Jaar Judith Herzberg, C. K. Williams

De Nederlandse dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg werd geboren op 4 november 1934 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Judith Herzberg op dit blog. Judith Herzberg viert vandaag haar 90e verjaardag.

 

Grijs-trap

Het eerste vond ik raar. Ik stuurde het naar Londen
waar mijn geliefde het in de brief, waarin het opgevouwen was
niet zag, zodat het even later op de grond lag
waar niemand het meer kon vinden. Have one of mine
bood een oudere dame daar aan, maar
mijn haar was toen voor hem nog onvervangbaar.

Het tweede werd door de kapper ontdekt.
Wilt U dat ik het laat zitten of wilt U
dat ik het uit-trek. Dat hij U zei vond
ik al gek, trek maar zei ik maar wist
meteen dat dit, filosofisch, verkeerd was,
en besloot me bij het derde, als het ooit
zou komen, wijzer te tonen.

Het derde kwam, dat had ik niet verwacht.
Ik heb het nog een rode schijn gegeven
maar J. vond dat niet mooi en hij
kon het weten want hij was zelf juist
bijna dood geweest, zodat ik, ja
bij het vierde en het vijfde
toen geloofde ik er aan.

Nu heb ik er honderd en dat verschaft
toegang. Tot hoofden die precies even wit
en niet wit zijn als het mijne, tot lijnen
die nu nog bijna geheel kunnen verdwijnen.
Verwant vind ik die tussen-in-gezichten
die af en toe geheel verdord, alles al weten,
maar soms ook nog, illusionisten
rimpelloos oplichten. Les absents ont tort,
geverfden hebben iets gemist.

 

Dinsdag

Nooit mij geboden je te helpen
gehoorzaam te zijn, je te omhelzen
nooit mij verzocht je te beloven
beterschap, spijt te betonen
nooit moe geweest, of onbenaderbaar
of zelfs maar ‘een beetje bedroefd’
zoals moeders zo aardig doen.

Compleet en volledig alleen
in een leven dat toch met koffie
en thee steeds werd uitgedeeld.

Gevaarlijk? welnee, zei je, bombardementen trotserend
ik zit net zo lief in de laatste coupé
als ze schieten, schieten ze toch op de locomotief.

o eigenlijkste moeder nu je gaat verhuizen
begint het oude schrijnen dat jou niet beangst
omdat je stap voor stap verzet
en niet verlangt naar welke vorm dan ook
van eeuwigheid – de priester lach je weg –
je werkelijkheid ligt in de winkels.

Maar je bent moe, ik hoor het aan het slepen
van je voeten, zie het aan je gezicht,
de muiltjes van je ogen uitgesleten.

 

Afscheid van een zeven-jarige

Hij stapt naar voren, vanachter broer,
zoent zacht en nauwelijks –
alleen wat spuug blijft over.
En doet een stap, voldaan, weer achteruit,
ziezo, gedaan, voorlopig over.
Ballpoint-bestreept gezicht wolkloos opgelucht.
Daarna, omdat hij bij nader inzien
toch afscheid nemen wil, geeft hij een hand.

 

Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)

 

De Amerikaanse dichter Charles Kenneth Williams werd geboren op 4 november 1936 in Newark, New Jersey. Zie ook alle tags voor C. K. Williams op dit blog.

 

Onderdrukking

Steeds vaker, nu ik me, zonder me nog druk te maken over de terugval, de pijnen
en de treurige verwekingen,
in mijn andere jaren nestel, merk ik hoe veel van wat ik ooit dacht
dat het bewijzen waren van onderdrukking,
seksueel of anderszins, nu, in ieder geval bij andere mensen, varianten lijken van
waardigheid, terughoudendheid, tact,
en soms lijken zelfs voor mezelf, bepaalde vormen van geduld die ik ooit
lusteloosheid, onverschilligheid zou hebben genoemd,
nu mogelijk, zo niet de beloningen dan toch de onvermoede,
onverwachte uitkomsten
van veel van de zelfs toen absurde zelfontwikkelde disciplines, strengheden,
haast kastijdingen
die ik mezelf heb aangedaan in mijn begindagen, verbeteringsdagen, dagen
waarop alleen al het idee van psychische vrede,
van intellectuele, van emotionele rust, de geringste hint,
onvoorstelbare capitulatie zou hebben betekend.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e november ook mijn blog van 4 november 2018.

Allerzielen (Willem Wilmink), Ilse Aichinger, Kees van den Heuvel

 

 

Day of the Dead door Marta Martonfi-Benke, 2006

 

Allerzielen

Soms loopt er door een drukke straat
ineens een oude kameraad
of reisgenoot.
Je weet zodra je hem begroet:
het kan niet dat ik hem ontmoet,
want hij is dood.

Eerst ben je nog een tijd verbaasd
omdat die levende toch haast
die dode was.
Heb je de zaak dan afgedaan,
dan komt er weer zo’n dode aan,
met flinke pas.

Thuis van het dodencarnaval
zie je de spiegel in de hal,
je schrik is groot:
die man daar in het spiegelglas,
met die bekende regenjas,
was die niet dood?

 

Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
De Grote kerk in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

 

FLORESTAN

Nu wil ik jou,
mijn broer,
in de gangen vangen
en onder de sneeuw
drijven.
De overgangen
wil ik je laten zien
en de plaatsen
om kort te rusten.
Ik wil je
van de lichte plekken
wegjagen,
dat je ver omhoogvliegt
en naar mij
op weg gaat,
naar onze krans,
de nacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Kees van den Heuvel werd geboren op 2 november 1960 in Mill. Zie ook alle tags voor Kees van den Heuvel op dit blog.

Uit: Medelijden, medeleven, bijna: vriendschap. Hans Werkman en Willem de Mérode (Samen met Cees van der Pluijm)

“Hans Werkman: Ook ik heb een aantal fouten gemaakt, zeker in mijn eerste biografie: daarin was ikzelf te nadrukkelijk aanwezig. Een biograaf moet de feiten geven. De manier waarop hij dat doet, heeft een forse mate van subjectiviteit, maar het gaat toch om controleerbare gegevens. Bovendien was ik te weinig op mijn hoede ten aanzien van briefgetuigenissen. Ik dacht: ‘Als die man aan Jaap Romijn iets in een brief schrijft, dan klopt dat.’ Pas later kwam ik erachter dat hij bij voorbeeld in de zelfde tijd iets heel anders aan Barend de Goede schreef. Dat moet je dan tegen elkaar afwegen. [Jaap Romijn, Barend de Goede en Bert Bakker waren vrienden die De Mérode tijdens de laatste jaren van zijn leven regelmatig bezochten; KvdH/CvdP.] Voor mijn tweede biografie heb ik alle brieven weer doorgelezen en daaruit heb ik dingen opgenomen die ik vroeger als minder belangrijk zag, maar die ik nu goed vond passen. In dat boek ben ik ook minder op de voorgrond getreden. En in De Mérode en de jongens heb ik dingen gepubliceerd die in dat kader weer van belang waren, zoals mijn eigen ervaringen met De Mérodes inmiddels oud geworden vriendjes. Hoe gaan die met zijn nagedachtenis om? Daar zit ook een verhaal in.Ik ben niet van plan nog meer over De Mérode te schrijven, maar als ik ooit weer de geest zou krijgen, zou het een boek worden over 1924, de acht maanden die De Mérode toen in de gevangenis heeft gezeten, met wat daaraan voorafging en wat erop volgde. Hoe is dat voor hem geweest? Ik kan dat enigszins reconstrueren aan de hand van een getuigenis van Ernst Groenevelt [vriend en collegaredacteur van Het Getij; KvdH/CvdP], die in de zelfde periode in de gevangenis zat, en van een aantal gedichten. Ik ben ook in die gevangenis geweest. Maar dat boek kan natuurlijk alleen maar een roman worden en geen biografie, daarvoor zijn er te weinig gegevens beschikbaar.”

 

Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)

 

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn blogs van 2 november 2018.

The Haunted House (George MacDonald), Carl Sandburg, Joseph Boyden

 

 

Haunted House door Thomas Moran, 1858

 

The Haunted House

Suggested by a drawing of Thomas Moran, the American painter.

This must be the very night!
The moon knows it!—and the trees!
They stand straight upright,
Each a sentinel drawn up,
As if they dared not know
Which way the wind might blow!
The very pool, with dead gray eye,
Dully expectant, feels it nigh,
And begins to curdle and freeze!
And the dark night,
With its fringe of light,
Holds the secret in its cup!

II. What can it be, to make
The poplars cease to shiver and shake,
And up in the dismal air
Stand straight and stiff as the human hair
When the human soul is dizzy with dread—
All but those two that strain
Aside in a frenzy of speechless pain,
Though never a wind sends out a breath
To tunnel the foggy rheum of death?
What can it be has power to scare
The full-grown moon to the idiot stare
Of a blasted eye in the midnight air?
Something has gone wrong;
A scream will come tearing out ere long!

III. Still as death,
Although I listen with bated breath!
Yet something is coming, I know—is coming!
With an inward soundless humming
Somewhere in me, or if in the air
I cannot tell, but it is there!
Marching on to an unheard drumming
Something is coming—coming—
Growing and coming!
And the moon is aware,
Aghast in the air
At the thing that is only coming
With an inward soundless humming
And an unheard spectral drumming!

IV. Nothing to see and nothing to hear!
Only across the inner sky
The wing of a shadowy thought flits by,
Vague and featureless, faceless, drear—
Only a thinness to catch the eye:
Is it a dim foreboding unborn,
Or a buried memory, wasted and worn
As the fading frost of a wintry sigh?
Anon I shall have it!—anon!—it draws nigh!
A night when—a something it was took place
That drove the blood from that scared moon-face!
Hark! was that the cry of a goat,
Or the gurgle of water in a throat?
Hush! there is nothing to see or hear,
Only a silent something is near;
No knock, no footsteps three or four,
Only a presence outside the door!
See! the moon is remembering!—what?
The wail of a mother-left, lie-alone brat?
Or a raven sharpening its beak to peck?
Or a cold blue knife and a warm white neck?
Or only a heart that burst and ceased
For a man that went away released?
I know not—know not, but something is coming
Somehow back with an inward humming!

V. Ha! look there! look at that house,
Forsaken of all things, beetle and mouse!
Mark how it looks! It must have a soul!
It looks, it looks, though it cannot stir!
See the ribs of it, how they stare!
Its blind eyes yet have a seeing air!
It knows it has a soul!
Haggard it hangs o’er the slimy pool,
And gapes wide open as corpses gape:
It is the very murderer!
The ghost has modelled himself to the shape
Of this drear house all sodden with woe
Where the deed was done, long, long ago,
And filled with himself his new body full—
To haunt for ever his ghastly crime,
And see it come and go—
Brooding around it like motionless time,
With a mouth that gapes, and eyes that yawn
Blear and blintering and full of the moon,
Like one aghast at a hellish dawn!—
The deed! the deed! it is coming soon!

VI. For, ever and always, when round the tune
Grinds on the barrel of organ-Time,
The deed is done. And it comes anon:
True to the roll of the clock-faced moon,
True to the ring of the spheric chime,
True to the cosmic rhythm and rime,
Every point, as it first fell out,
Will come and go in the fearsome bout.
See! palsied with horror from garret to core,
The house cannot shut its gaping door;
Its burst eye stares as if trying to see,
And it leans as if settling heavily,
Settling heavy with sickness dull:
It also is hearing the soundless humming
Of the wheel that is turning—the thing that is coming!
On the naked rafters of its brain,
Gaunt and wintred, see the train
Of gossiping, scandal-mongering crows
That watch, all silent, with necks a-strain,
Wickedly knowing, with heads awry
And the sharpened gleam of a cunning eye—
Watch, through the cracks of the ruined skull,
How the evil business goes!—
Beyond the eyes of the cherubim,
Beyond the ears of the seraphim,
Outside, forsaken, in the dim
Phantom-haunted chaos grim
He stands, with the deed going on in him!

VII. O winds, winds, that lurk and peep
Under the edge of the moony fringe!
O winds, winds, up and sweep,
Up and blow and billow the air,
Billow the air with blow and swinge,
Rend me this ghastly house of groans!
Rend and scatter the skeleton’s bones
Over the deserts and mountains bare!
Blast and hurl and shiver aside
Nailed sticks and mortared stones!
Clear the phantom, with torrent and tide,
Out of the moon and out of my brain,
That the light may fall shadowless in again!

VIII. But, alas, then the ghost
O’er mountain and coast
Would go roaming, roaming! and never was swine
That, grubbing and talking with snork and whine
On Gadarene mountains, had taken him in
But would rush to the lake to unhouse the sin!
For any charnel
This ghost is too carnal;
There is no volcano, burnt out and cold,
Whose very ashes are gray and old,
But would cast him forth in reviving flame
To blister the sky with a smudge of shame!

IX. Is there no help? none anywhere
Under the earth or above the air?—
Come, sad woman, whose tender throat
Has a red-lipped mouth that can sing no note!
Child, whose midwife, the third grim Fate,
Shears in hand, thy coming did wait!
Father, with blood-bedabbled hair!
Mother, all withered with love’s despair!
Come, broken heart, whatever thou be,
Hasten to help this misery!
Thou wast only murdered, or left forlorn:
He is a horror, a hate, a scorn!
Come, if out of the holiest blue
That the sapphire throne shines through;
For pity come, though thy fair feet stand
Next to the elder-band;
Fling thy harp on the hyaline,
Hurry thee down the spheres divine;
Come, and drive those ravens away;
Cover his eyes from the pitiless moon,
Shadow his brain from her stinging spray;
Droop around him, a tent of love,
An odour of grace, a fanning dove;
Walk through the house with the healing tune
Of gentle footsteps; banish the shape
Remorse calls up thyself to ape;
Comfort him, dear, with pardon sweet;
Cool his heart from its burning heat
With the water of life that laves the feet
Of the throne of God, and the holy street!

X. O God, he is but a living blot,
Yet he lives by thee—for if thou wast not,
They would vanish together, self-forgot,
He and his crime:—one breathing blown
From thy spirit on his would all atone,
Scatter the horror, and bring relief
In an amber dawn of holy grief!
God, give him sorrow; arise from within,
His primal being, deeper than sin!

XI. Why do I tremble, a creature at bay?
‘Tis but a dream—I drive it away.
Back comes my breath, and my heart again
Pumps the red blood to my fainting brain
Released from the nightmare’s nine-fold train:
God is in heaven—yes, everywhere,
And Love, the all-shining, will kill Despair!—
To the wall’s blank eyeless space
I turn the picture’s face.

XII. But why is the moon so bare, up there?
And why is she so white?
And why does the moon so stare, up there—
Strangely stare, out of the night?
Why stand up the poplars
That still way?
And why do those two of them
Start astray?
And out of the black why hangs the gray?
Why does it hang down so, I say,
Over that house, like a fringed pall
Where the dead goes by in a funeral?—
Soul of mine,
Thou the reason canst divine:
Into thee the moon doth stare
With pallid, terror-smitten air!
Thou, and the Horror lonely-stark,
Outcast of eternal dark,
Are in nature same and one,
And thy story is not done!
So let the picture face thee from the wall,
And let its white moon stare!

 

George MacDonald (10 december 1824 – 18 september 1905)
Huntly Castle in Huntly, de geboorteplaats van George MacDonald

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Thema in geel

Ik zie de heuvels
Met gele ballen in de herfst.
Ik verlicht de prairie-maïsvelden
Oranje en goudbruine trossen
En ik word pompoenen genoemd.
Op het einde van oktober
Wanneer de schemering valt
Kindjes slaan handen ineen
En cirkelen om me heen
Zingende spookliederen
En liefde voor de oogstmaan;
Ik ben een pompoenlantaarn
Met vreselijke tanden
En de kinderen weten
Ik maak een grapje.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)

 

De Canadese schrijver Joseph Boyden werd geboren op 31 oktober 1966 in Willowdale, Ontario. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Boyden op dit blog.

Uit: Door het zwarte sparrenwoud (Vertaald door Josephine Rijnaarts)

“Hij had zwaar letsel aan zijn hoofd en het is al een wonder dat hij nog leeft. Maar leeft hij nog wel, zoals hij daar ligt? Ik wil het Eva vragen terwijl ze zijn benen masseert. “Kom, Annie, help me eens,” zegt ze. ‘Doe jij zijn armen maar. Zo hou je de bloedsomloop op gang. Dat is van levensbelang.’ ‘Ik vind het maar eng,’ zeg ik, als ik aan de andere kant van het bed met zijn arm in mijn handen sta. ‘Wat vind je eng?’ ‘Hem aanraken. Ik kan me niet herinneren dat ik hem ooit in mijn leven heb aangeraakt.’ ‘Zet je eroverheen.’ Eva ademt zwaar terwijl ze bezig is. Ze puft en blaast. Ik ken haar al mijn hele leven en ze is altijd dik geweest. Heel dik. Ze heeft een appelgezicht en de afmetingen van een beloega, en ze is mijn beste vriendin. ‘Heb je tegen hem gepraat?’ vraagt ze. Ik haal mijn schouders op. ‘Dat vind ik nog enger,’ antwoord ik. ‘Het is net alsof je tegen een dode praat.’ ‘Ik zou me maar verontschuldigen als ik jou was,’ zegt Eva. le maakt hem van streek met dat soort opmerkingen.’ Als Eva naar de volgende kamer loopt, ga ik bij hem zitten en staar hem aan. Hij lijkt half zo zwaar als toen ik vorig jaar wegging. De dokters hebben zijn lange, zwarte, met grijs doorschoten haar moeten afscheren. Hij ziet er nu ook ouder uit dan de vijfenvijftig jaar die hij telt. Hij heeft flink wat verbleekte littekens op zijn hoofd, witte zigzaglijnen tussen peper-en- zoutkleurig, pluizig haar. In mijn verbeelding zie ik hem wakker worden met een grijns op zijn gezicht, zodat hij er met die twee ontbrekende voortanden uitziet als een jongetje. Mama zegt dat hij al dat gewicht afgelopen zomer en herfst is kwijtgeraakt bij het vallen zetten in de wildernis. Ik wist dat er iets heel erg mis was toen mijn moeder zei dat hij in de zomer was gaan jagen. Waarop dan? Een bruin kleurtje? Alsof ik haar heb geroepen, verschijnt mijn moeder en komt op de stoel naast me zitten. Ze geeft me een piepschuimen doosje. ‘Eet op,’ zegt ze. le bent net zo mager geworden als hij, Annie.’ `Ik heb geen honger,’ zeg ik. `Ze moeten hem in de gaten houden,’ zegt mama, over zijn hoofd aaiend alsof hij een kind is. `Eva is hier net geweest, mam. Je kunt haar vertrouwen. Ze weet wat ze doet.”

 

Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)

 

Zie voor nog meer gedichten over Halloween ook alle tags voor Halloween op dit blog.

Zie voor de schrijvers van de 31e oktober ook mijn blog van 31 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Andrea Voigt, Harald Hartung

De Nederlandse dichteres en schrijfster Andrea Voigt werd geboren in Rotterdam op 29 oktober 1968. Zie ook alle tags voor Andrea Voigt op dit blog.

 

De tuin van de uitbundigheid

Er zijn slangen in de tuin van de uitbundigheid
zij heeft ze niet gezien wel de vlinders en de aubergines
de korenbloemen en de zwangere vliegen
klaprozen en druppels
die zijn blijven liggen

zij heeft hem gezien
onbezwaard, zoals hij is
rennend met een lichte huid
tussen de appelbomen door
met lichte ogen

ze komt naast hem lopen
met dichte ogen

 

De tuin der zintuigen

Hoor je het ruisen van de vroege cyclamen
het klapperen van de vleugels van de vliegen
het vallen van de overrijpe pruimen in het gras
het zingen van de wind?

ruik je de geur van natte hagen in de doolhof
de geur van neergeregend stof
het kruidige basilicum, de selderij
het luie parfum van lavendel?

voel je de champagneblaadjes van de rozen
de stekels in je vingers, de druppels over je rug
voel je de beweging in de lucht
het ruwe hout van de hekken?

Proef je in de tuin der zintuigen mijn huid
Proef je mijn lippen, mijn handen op je lichaam
het fluweel van vlindervleugels op je tong
de stroeve rode peren en rabarber, de modder, het graniet?

zie je mij, zie je de fontein en het kasteel?
het wildebloemenveld en alles wat er is? zie je
jou en mij, en met je hoofd ver achterover
de takken van de pruimenbomen tegen de blauwe lucht?

 

De tuin der elegantie

De mousserende wijn wordt gedronken
uit glazen met gedraaide stelen
in de min der elegantie

de donkergroene hagen zijn gesnoeid
de vazen staan klaar voor de herfst

zijn prachtige handen en polsen
zwaaien door de lucht
als hij vertelt

ze pakt zijn handen vast
en legt ze langs haar hals
als de bladeren van een tulp

de glazen worden neergezet
zijn schaduw valt op haar gezicht
zijn handen maken sporen in het gras

 

Andrea Voigt (Rotterdam, 29 oktober 1968)

 

De Duitse schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook alle tags voor Harald Hartung op dit blog.

 

Mantegna’s Sebastiaan

Ik heb alle pijlen geteld
die hij op zijn lichaam draagt
de plaatsen waar ze erin gaan
de plaatsen waar ze eruit komen
ook de verborgene
en vergat tijdens het tellen
mijn eigen pijn
Ik stapte naar buiten in het licht van de gracht
Tussen vuil
en dobberende plastic flessen
dreef op zijn buik een teddybeer
Toen kreeg ik het zout mij in mijn oog

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harald Hartung (Herne, 29 oktober 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e oktober ook mijn blog van 29 oktober 2018 en ook mijn blog van 29 oktober 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

Masiela Lusha, Willem Bijsterbosch, Michel van der Plas

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Zie ook alle tags voor Masiela Lusha op dit blog.

 

Nacht en tranen

Je gefluister kan rijden op de luidere wind…
Je frons wordt de nacht,
De uil, hoog en verborgen geniet van het lied
En ontmoet je gebroken ogen niet.

Het tikken van de nacht tikt en tikt, tikt
En slaapt. En jij, jij huilt en zingt
Een stille melodie die de zachte nachtvogels niet horen.
Onder dit laken van nacht en zweet, verberg je je
Met alleen je oorverdovende tranen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Bijsterbosch werd geboren in Vught op 23 oktober 1955. Zie ook alle tags voor Willem Bijsterbosch op dit blog.

 

Hôtel des invalides, Paris

Ik kon, eenmaal binnen, met behulp
van de gigantische koepelhoogte en
de omtrek van de verzonken ruimte
de grote eenzaamheid
van het lichaam bepalen.

Er was geen waterval of veel zonlicht
en ook verbaasde het mij nauwelijks
fotograferende Vietnamezen te zien.

Maar ik, die te laat ben geboren
weet niet hoe je sterft
als je liefhebt
als je masturbeert in loopgraven
als je zonder handen ligt
als je met je rechter
je linkeroog
langs je wang ziet hangen
als je een brief schrijft
als je loopt of vlucht
als je kust of slaapt
als je eet.

Sterft men op een eiland kalmer?

Rondom het reusachtige kerkgebouw
reden soldaten in rolstoelen rond.

 

Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

Uit: Uit het rijke Roomsche leven

“De toch al tot een doe-katholicisme neigende gelovigen in Nederland werden door de voorstelling van zaken die hun gegeven werd, waarbij het stipt navolgen der vele voorschriften (meest strenger dan in geheel katholieke landen) te vaak werd voorgesteld als het volmaakt volbrengen van de taak der christenen in de wereld, als het ware opgeleid tot triomfalisme. Zij werden – zo kan het nu schijnen – verwacht alles te doen, of het nu het zich zedig kleden, het nemen van een abonnement op De Maasbode, het stemmen op de R.K. Staatspartij of het inschrijven op kerkelijke leningen betreft, ten bate niet zozeer van het geloof als wel van ‘de Roomsche zaak’, – begrip dat niet zelden verward werd met zoiets als een affaire, een onderneming, waarvan zij allen kleine aandeelhouders waren. Het kon lijken of de macht als einddoel werd gesteld, en niet de zelfheiliging en de heiliging der wereld. Het triomfante ‘Roomschen dat zijn wij’ en het ‘Aan U, o Koning der eeuwen’ kon gaan klinken als de lyriek der opperste zekerheid, terwijl het gezang in werkelijkheid wellicht eerder het geluid was dat een bange groep in het donker maakt (luid stappend, hard zingend) om zichzelf moed in te spreken. Het lijkt het triomfalisme dat, in een ghetto, uit een minderwaardigheidscomplex is voortgekomen.
Dit doorzag de elite der jongeren en hun kleine groep geestverwanten. Zoals zij ook een ander gevaarlijk aspect der Roomsche samenleving bleek te doorgronden: dat van de ontwijking der sociale kwestie. De in Roomsche kring gepredikte afweerhouding tegenover de wereld ‘die ik als christen moet haten’, in een tijd die ongetwijfeld grof materialistische tendensen liet zien, kreeg, toen de malaise ontaardde in de verschrikkelijke economische crisis, accenten die oneerlijk of tenminste ongelukkig-eenzijdig lijken. Naarmate enerzijds groter soberheid gepredikt werd en anderzijds de waarschuwingen tegen allerlei vormen van onzedelijkheid toenamen, kon de indruk gewekt worden dat de eigenlijke hoofdkwestie: een rechtvaardiger verdeling der goederen, naar de achtergrond werd gedrongen.
De jongeren komt de eer toe dit scherp te hebben doorzien. Maar wanneer op het hoogtepunt van de crisis een geladen kapucijn, pater Henricus, op hartstochtelijke toon hun protesten overnam, kwam hem in de katholieke pers zulk een verontwaardiging tegemoet, dat hij zich haastte de scherpe kanten van zijn betoog af te halen. En de in zelfgenoegzaamheid groeiende samenleving der katholieken van toen kan in het jaar 1963 een kerk van de bourgeoisie lijken.”

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e oktober ook mijn blog van 23 oktober 2018 en ook mijn blog van 23 oktober 2017.

Maarten van der Graaff, Katha Pollitt

De Nederlandse dichter en schrijver Maarten van der Graaff werd geboren op 14 oktober 1987 in Dirksland. Zie ook alle tags voor Maarten van der Graaff op dit blog.

 

Ballade van de authentieke verkoper

De wind speelt met hoed langs de route 66.
George Steinmetz landt met zweefparachute in de Karnasaivallei.
Ik rijd met brullende volvo je huis binnen.

Iedereen kreeg zijn eigen spullen en daarmee
ritme. Er is een deur die altijd openstaat.
Je ziet mijn herkenbare afmetingen.
Kortom, de oude Heraclites had gelijk
en ongelijk. Hoe het licht hier op de plavuizen valt!
Jij ziet ook alles.
Retail is detail schatje,
het leven is er om geleefd te worden.

 

Lijst met doordrenkingen

Ik investeer in jou. Jij bloeit in de zomer.
Wij zijn van elkaar doordrenkt
als kerk en staat.
Wij zijn een windstille theocratie.

Mijn stijl is doordrenkt van mij,
heeft alle onechtheid opgenomen.
Omdat mijn stijl mij niet kan verslaan,
word ik erdoor opgegeten.
Nu de kunst mij opeet
zoek ik de achterdeur of de binnenzak
van dat lichaam.

Jij, ik, onze gebaren:
doordrenkt van erotisch verval.
Niet macht erotiseert,
maar met nagelbloed
doordrenkte macht.

Mijn vrienden zijn de obscene en poreuze
diamanten van de kenniseconomie
en liggen doordrenkt van schuldgevoel
langs de weg.

Ik – van vrijheid en seculariteit doordrenkt –
organiseer een duister, humanistisch ritueel.
Ik ontvoer mensen en in een kelder
bind ik ze aan mij vast.
Daar bewegen wij net zo lang
door de nauwelijks verlichte ruimte
tot wij in elkaar geloven.

 

Boven de kringloop van regen en baby’s vliegt de roerdomp

Boven de kringloop van regen en baby’s vliegt de roerdomp.
De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.
Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage
heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.
Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.
‘Ieder rad is bedoeld om het iemand voor de ogen te draaien’,
zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).

 

Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

Lots vrouw

Sjokkend achter het brede achterste van God
neuriet ze haar nutteloze deuntje
Oh kleine zwarte jurk achter in de kast,
wie zal je nu tegen zijn borst drukken?

Groene Italiaanse laarzen in een middernachtelijk raam,
een gekrioel van ratten, een hand
van binnenuit verlicht als een tulp—
Wie rent die straat af om haar minnaar te ontmoeten?
Wie zit er in de bioscoop
ineengedoken, stil, een zwarte kat?

De dochters met de donkere ogen strelen achteloos hun borsten.
Een jakhals hurkt in de schaduw, hongerig naar zout.
Aan de voet van een duin dat oprijst naar de lege horizon
haalt een palmboom zijn schouders op
alsof hij wil zeggen: Nou, wat had je dan verwacht?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katha Pollitt (New York, 14 oktober 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e oktober ook mijn blog van 14 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Alexis de Roode, Arne Rautenberg

De Nederlandse dichter Alexis de Roode werd geboren op 8 oktober 1970 in Hulst. Zie ook alle tags voor Alexis de Roode op dit blog.

 

Politeia

Ik wil niemand uitroeien,
maar als ik per se iemand moest uitroeien,
zouden het de Zwitsers zijn.
De Russen kunnen we ook wel missen.
Russen eruit, zonnepanelen erin.
Het is tijd voor realisme in Den Haag.

Mijn lievelingsstaatsvorm is
de constitutionele dictatuur.
Met een ceremoniële dictator
aan het hoofd die lintjes doorknipt
en tot zijn dood aan de macht blijft.
Dan wordt hij gelyncht door het volk.

De marteling als machtsmiddel
mag niet uitgesloten worden,
maar wel met duidelijke regels
en een onafhankelijk toezichthouder.
Transparantie is daarbij belangrijk.
Geen geweld meer achter gesloten deuren.

De verkoop van literaire thrillers
maakt duidelijk dat de huisvrouw
veel geweld tekortkomt in haar leven.
Het slachten van miljoenen dieren
en het versnipperen van kuikentjes
gebeurt voortaan op stadspleinen.

We heffen de schaduwmaatschappij op.
Het Jeugdjournaal bericht vanaf nu
over de Nederlandse investeringen
in wapenhandel en executietechnologie.
Elk AZC krijgt zijn eigen realityshow.
IKEA een ballenbak met ingewanden.

 

De stand van zaken

Met T. gaat het nu beter.
In haar ogen spat nog altijd glaswerk
uit elkaar, maar ze komt haar bed weer uit.
B. is voorlopig doordeweeks niet te bereiken.
K. mag zijn kinderen weer zien: eentje tegelijk.
I. heeft het eindelijk gedaan.
P. is dood. L. ook.
Ikzelf – het gaat hier even niet om mij.
En met de maatschappij – ze zeggen dat er een crisis is.
Ach, de mensen hebben geen oog voor alles wat goed gaat.
Nog velen proberen kinderen te krijgen.
Oma Z. stond om een uur ’s nachts op van het dronken feest,
en ging te fiets naar huis, negentig jaar oud.
Veel verstandige mensen hebben vandaag vers eten bereid.
Achter miljoenen ramen is de warmte van een bed met iemand erin.
De kale ficus heeft zeven nieuwe blaadjes gekregen.

 

Weekoverzicht

Maandag log ik in op mijn computer, vrijdag log ik uit.
Zaterdag lig ik op mijn laminaat.
Zondag begint zich voorzichtig iets kenbaar te maken,
maar voordat ik mijn mond kan openen
om een woord te vormen
is het alweer maandag.

 

Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)

 

De Duitse dichter, schrijver en kunstenaar Arne Rautenberg werd geboren op 10 oktober 1967 in Kiel. Zie ook alle tags voor Arne Rautenberg op dit blog.

 

onder ons

toen was mijn vader meer dan één
toen was mijn vader meer dan duizend
toen was mijn vader alle mannen
en ook moeder was
en ook zij was meer dan één meer dan duizend
en ook zij was alle moeders

en toen ontmoette vader zichzelf
in de fabriek bij de machines
dreef zichzelf aan en schreeuwde rond en vader
ontmoette zichzelf in alle auto’s die hem
na het werk tegemoet reden en zijn stem sprak
toen hij de autoradio aanzette

en ook moeder kocht ’s ochtends vlees bij zichzelf
nam het geld uit haar hand en begroette zichzelf
in het trappenhuis en hoorde haar eigen stem
haar eigen zorgen aan de telefoon van iemand
die sprak als zij die haar stem haar zorgen had

en toen vader kwam, kwam vader overal
en toen moeder de deur opende, opende moeder overal de deur
en al mijn moeders verwelkomden al mijn vaders
en er was niets geks aan in elk huis grepen
al mijn vaders naar al mijn moeders
en al mijn moeders tilden al hun moederrokken op
en al mijn vaders openden alle vaderritssluitingen

en toen was ik er en ik kende alleen mezelf
mijzelf als adolescent tussen
andere adolescenten die ik ook was
mijzelf als speelkameraadje, die speelde met iemand die ik was
mijzelf als voetbalteam dat alleen tegen andere
voetbalteams die uit mij bestonden aantrad
en dus zat er voor mij niets anders op dan mezelf te troosten
en het was mijn enige troost dat alle anderen die ik ook was
zichzelf zoals ik mij moesten troosten

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arne Rautenberg (Kiel, 10 oktober 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e oktober ook mijn blog van 8 oktober 2018 en ook mijn blog van 8 oktober 2017`.

Simon Carmiggelt, Arne Rautenberg

De Nederlandse schrijver en dichter Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Simon Carmiggelt op dit blog.

Uit: Een schuldgevoel (Uit: Welverdiende onrust)

“Nice, onder de onwerkelijk blauwe hemel, die de folders hadden beloofd. Aan prettige dingen denkend, liep ik op de boulevard Gambetta en ging op een gemeentebankje zitten. Maar dat bleek geen gunstig gekozen plaats voor een zorgeloze vakantieganger, want vlak tegenover me verrees een wit gedenkteken dat wel twintig namen opsomde van mannen die in het verzet waren omgekomen. Ambrosio Nini, Fernand Boyer, André Constantinov, Dermatorissian N. Ik kon niet nalaten de hele lijst eerbiedig en in een gepast tempo te lezen en de man die, wat dichter bij het monument, rechtop stond, deed het ook, dat zag ik aan zijn bewegende lippen. Hij was van mijn generatie en een typische Niçois, om zo te zien. Maar ik zie meestal verkeerd, want toen hij even opzij keek, riep hij in de taal van onze geëerbiedigde vorstin: ‘Verrek, is u hier nou óók al?’
Hij kwam naast mij zitten en stelde zich voor. Jan heette hij ook nog, mijn typische Niçois, en hij woonde op de Apollolaan.
Hij wees naar het monument en las, hardop: ‘Is. Lippmann – een joodse jongen in het verzet, moedig hoor. Is het niet echt iets voor mensen van onze leeftijd om zelfs hier, in de vakantie, weer tegen die oorlog op te lopen? Nou ja, gelukkig zijn mijn kinderen en mijn kleinkinderen er niet bij, want die kijken, als ik over de oorlog begin, of ze zeggen willen: “Zet eens een andere plaat op.” Daarom doe ik het maar niet meer. Horen, zien en zwijgen, net als die aapjes. En toch heb je herinneringen. En schuldgevoelens…’
Hij keek me van opzij aan en grijnsde.
‘Niet dat ik bunkerbouwer ben geweest of zoiets,’ zei hij. ‘Nee, ik had het voordeel van de volstrekte onbeduidendheid. Eind april 1940 was ik een brave jongen van zesentwintig die met een beetje geld van zijn vader een handeltje had opgezet. Een grossierderijtje in postpapier. Mijn hele voorraad lag in een pakhuisje aan de Egelantiersgracht. En daar hield ik ook kantoor. Of beter gezegd: daar zat mijn enige personeelslid, een meisje van achttien, bij de telefoon te wachten op de eerste klant. Maar er kwam geen klant. Er kwam een heel Duits leger. En toen zat niemand verlegen om mijn postpapier.’
Weer grijnsde hij zo’n beetje.
Hij zei: ‘Toen we ons oorlogje verloren hadden ging het leven verder, nietwaar? Zo heette dat. En – de handen uit de mouwen. Ik begaf me weer naar de Egelantiersgracht en daar verscheen ook, keurig op tijd als steeds, mijn enige personeelslid. Weet u hoe ze heette? Brenda Cohen. Een aardig meisje.”

 

Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)

 

De Duitse dichter, schrijver en kunstenaar Arne Rautenberg werd geboren op 10 oktober 1967 in Kiel. Zie ook alle tags voor Arne Rautenberg op dit blog.

 

ik verklaar het plastic afval in de oceanen

ik verklaar het plastic afval in de oceanen
tot kunst
en dus dank ik de getijden
ik dank de golfbeweging
Ik dank het Uv-licht
voor de ontbinding
de reproductie
van mijn kunst
ik dank verschillende zeebewoners
ik dank het plankton
voor het inlijven van mijn kunst
dat mijn kunst in de voedselketen belandt
dat iedereen eraan kan meedoen
ik dank de wasmachines
dat het vezels die zijn gemaakt van fleece
en andere synthetische kledingstukken
in het afvalwater en dus in mijn kunst brengt
ik dank de stromingen
de grote oceaanwervelingen
vooral de Noord-Pacifische oceaanwerveling
voor de kolkende concentratie van mijn kunst
dat die miljoenen keren per vierkante kilometer
zee voorhanden is dat in totaal
honderd miljoen tonnen van mijn kunst
in alle zeeën circuleren, ik dank ervoor
dat ik een kunstenaar ben die
om alle continenten heen mag spelen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Arne Rautenberg (Kiel, 10 oktober 1967)

 

Zie voor de schrijvers van de 7e oktober ook mijn blog van 7 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Victor Vroomkoning, Horst Bingel

De Nederlandse dichter Victor Vroomkoning (pseudoniem van Walter van de Laar) werd geboren op 6 oktober 1938 in Boxtel. Zie ook alle tags voor Victor Vroomkoning op dit blog.

 

Wilgen

Sommige vrouwen kleden zich
als wilgen in april: zo doorzichtig
dat je stam en takken niet kunt missen.

Een park vol dergelijk perspectief
is een lust voor de doorkijkliefhebber.

Onder het lopen willen ze lichtzinnig
ruisen met wat ze nauwelijks dragen.

Echte wilgen zijn ingetogener:
je hoort ze staan huiveren in zichzelf.

Wilgen laten van nature naar zich
kijken. Wilgenvrouwen doen het erom.

 

Handen

De avond is ernaar: kaarslicht, zicht
op houtvuur, eeuwige Bach, wijn
uit de Médoc. Een hand, die van je
vrouw diep in de veertig, komt vleien
aan je knie. Tegenover je je ouders
viermaal veertig, precies vijftig jaar
je ouders. Aan je benen speelt je zoon.
Ongericht verdriet staat in je op.

Later, je kinderen achterin je auto
tussen ze in. ‘Ik zie, ik zie wat jij
niet ziet,’ begint er een. Oktober spant
een tunnel mist tot aan hun woning.

Thuis, in de zakdoek van je laken
komt het toch nog over je. Een hand,
die van je vrouw heel jong ineens,
begint met je te laten overleven.

 

Sneeuw

Dat krijg je van sneeuw:
dat een plotselinge sluier
je uitgeleefde tuin verduistert
met de helderheid van een leeg
wit blad papier, de verblindende
scherpte van een verliefdheid;

dat je na de schittering,
als de dooi inzet, je ogen
opnieuw in moet stellen
op het gras, de vijver, alles
wat er is zoals het was;

dat het gedicht dat boven
water komt, vertrouwd meteen
verrassend anders is. Als lente,
je eigen vrouw: geruststellend
hetzelfde, even nieuw.

 

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

 

De Duitse dichter, schrijver, graficus en uitgever Horst Bingel werd geboren in Korbach op 6 oktober 1933. Zie ook alle tags voor Horst Bingel op dit blog.

 

Stadspark

De boom torent nog steeds erbovenuit,
boven het meer, het plein,
waarop ze spelen,
de plaats waar ze
silhouetten bouwen uit steen
en beton en uit steen.

Lawaai boven de straten,
op pleinen, lawaai en
ongemotiveerd geschreeuw.
In de toren, in de toren
midden in de stad
nestelen de spreeuwen en
niet meer in de boom,
de spreeuwen, niet meer in de
tuin, in de rode, de kleine,

en de bloemenvrouw, de
bakkersjongen danst vandaag,
midden in de stad
en de spreeuwen.

Over de brugleuning, eroverheen
werpt de jongen de steen
tegen de wind in en werpt,
werpt de jongen de steen
om het hardst de jongen met de wind

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Horst Bingel (6 oktober 1933 – 14 april 2008)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e oktober ook mijn blog van 6 oktober 2021 en ook  mijn blog van 6 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.  

Oktober-rozenknop (Hélène Swarth), P. N. van Eyck, John Hegley

 

 

Opulent october door Tom Thomson, 1915-1916

 

Oktober-rozenknop

De rozen bloze’ in ’t broze oktoberblauw
En aadmen vrolijk hoop- en zomergeuren.
Eén knop alleen voorvoelt het herfstgebeuren
En wil niet bloeie’ in najaars tranendauw.

Die bloem voorvoelt, in pronk van bonte kleuren
Vermomd, verborgen, zwarten bomenrouw,
In vleiend zoeltje, zoenend zonnelauw,
Kil-wrede wind, die ruw haar zal verscheuren.

In ’t groene pantser, dat haar eng omkleedt,
Houdt zij beloken, als een kleinood veilig,
Haar smartehartje, zwaar van aardeleed.

De wolken dobbren, bootjes zilverzeilig,
Door ’t broze blauw… En de éne bloem die weet
Zal valle’ in knop, een jonkvrouw wijs en heilig.

 

Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
Herfst in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth

 

De Nederlandse dichter criticus, essayist en letterkundige Pieter Nicolaas van Eyck werd geboren op 1 oktober 1887 in Breukelen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor P. N. van Eyck op dit blog.

 

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd;
wat deren waan’ge dagen?
‘k Heb mij in bedden neer-geleid
waar vreemde doden lagen…

Wat schade aan hergenoten waan?
Misschien zal ik vergeten
hoe doornen langs een liefde-laan
mijn lede’ aan stukken reten…

Ik ben zo blij, ik ben vreemd blij,
te kunnen stil geloven
in nieuw-aanblazend min-getij
door oud-gekende hoven.

 

Een droom uit het zuiden
(Het lied van een zieltje dat wijsjes zong, tot het de liefde leerde.)

Daar was een rozentuintje,
Zo fris en morgen-jong,
De Meiwind roerde elk kruintje
En ’t wufte bijtje zong.

De Meizon vleide een kleurtje
Om àl de roosjes heen,
Waar menig teder geurtje
Uit wolkte en stil verdween.

De kleur’ge vlindervluchtjes
Omrilden tak en bloem,
Zij neurden korte zuchtjes
Van een geheime roem.

En rose en witte blaadjes
Die daalden traag en zacht,
En sierden blanke paadjes
Met schoonheid zonder pracht.

Daar liep een heel klein meisje,
In zilver-wit gekleed,
Zij speelde een fluitewijsje
Van vreugde en dàn van leed.

Een nauw bewegend kindje,
’t Leek blijde en heel tevree,
Heur haar in ’t murmlend windje
Woei met de geurtjes mee.

Zij was een room-bleek beeldje,
Haar zoet gebaar ging broos
Als een beminnend streeltje
Rondom de rijpste roos.

Die legde ze in een bedje
Van blaadjes, wit en kuis,
Toen zweefde ’t luchtig tredje
Weer naar haar lichte huis.

Haar kleine fluiteliedjes
Vergat zij gans en al,
Haar lachen en verdrietjes
In morge’ en avondval.

Daar stond het rozentuintje
Weer zwijgend en alleen,
De Meiwind roerde elk kruintje,
De Meizon lonkte en scheen.

En heel het blonde daagje
Vergleed en glom zo teer,
Geen lachje en geen klaagje
Omzong de rozen meer.

 

P. N. van Eyck (1 oktober 1887 – 10 april 1954)

 

De Engelse dichter John Hegley werd geboren op 1 oktober 1953 in Londen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor John Hegley op dit blog.

 

Omo

We waren veertien
en we gingen met zijn tweeën kamperen
en jij smokkelde je mijn tent binnen
en we smokkelden
en ’s ochtends was je glimlach een verrukking
maar toen we terug op school waren
moesten we omdat ik een jongen was
en jij ook een jongen was
het verborgen houden
anders zouden de anderen
hun angsten op ons hebben afgereageerd
maar het was ook onze angst
en terug op school
zelfs als er niemand anders in de buurt was
praatten we alleen maar over voetbal.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Hegley (Londen, 1 oktober 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e oktober ook mijn blog van 1 oktober 2021 en ook mijn blog van 1 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 1 oktober 2018 en ook mijn blog van 1 oktober 2017 deel 1 en eveneens deel 2.