As if I had dreamed the snow into falling, I wake to a world blanked out in its particulars, nearly erased.
This is the silence of absolute whiteness—the mute birds nowhere in sight, the car and animal tracks filled in,
all boundaries, as in love, ambiguous. Sometimes all we have to go by is the weather:
a message the snow writes in invisible ink, what the sky means by its litmus colors.
Now my breath on the chilly window forms a cloud which may turn to rain later, somewhere else.
The Answering Machine
I call and hear your voice on the answering machine weeks after your death, a fledgling ghost still longing for human messages.
Shall I leave one, telling how the fabric of our lives has been ripped before but that this sudden tear will not be mended soon or easily?
In your emptying house, others roll up rugs, pack books, drink coffee at your antique table, and listen to messages left on a machine haunted
by the timbre of your voice, more palpable than photographs or fingerprints. On this first day of this first fall without you, ashamed and resisting
but compelled, I dial again the number I know by heart, thankful in a diminished world for the accidental mercy of machines, then listen and hang up.
THE DOGWOODS
I remember, in the week of the dogwoods, why sometimes we give up everything for beauty, lose our sense and our senses, as we do now for these blossoms, sprinkled like salt through the dark woods.
And like the story of pheasants with salt on their tails to tame them, look how we are made helpless by a brief explosion of petals one week in April.
Ik ben met je getrouwd
Ik ben om allemaal verkeerde redenen met je getrouwd, gecharmeerd door je gevaarlijke familiegeschiedenis, door de onschuldige spieren, uitpuilend als verborgen wapens onder je shirt, door je onnozele dassen, de kleuren van geschilderde stukjes zonsondergang. Ik was ook gecharmeerd van jouw aannames over mij: mijn sereniteit – die spiegel die wacht om te barsten, mijn flitsende acrobatiek met messen in de keuken. Hoe mis we het allebei hadden over elkaar, en hoe gelukkig we zijn geweest.
Uit:Kind van een vreemde (Vertaald door Ton Heuvelmans en Edzard Krol)
“Ze had ruim een uur in de hangmat poëzie liggen lezen. Het was niet eenvoudig: ze dacht de hele tijd aan George, die terug zou komen met Cecil, en ze gleed steeds verder naar beneden, hoewel ze zich er half tegen verzette, totdat ze in een hoopje lag en het boek moeizaam boven haar hoofd moest houden. Het licht werd zwakker, en de woorden begonnen over de bladzijde te dansen. Ze wilde naar Cecil kijken, hem een poosje goed in zich opnemen voordat hij haar zag, aan haar werd voorgesteld en zou vragen wat ze las. Maar hij had waarschijnlijk zijn trein gemist of in ieder geval zijn aansluiting: ze zag hem in gedachten ijsberen over het lange perron van Harrow & Wealdstone en spijt krijgen dat hij was gekomen. Vijf minuten later, toen de ondergaande zon de lucht roze kleurde boven de rotstuin, begon het erop te lijken dat er iets ergers was gebeurd. Plotseling stelde ze zich voor, serieus en tegelijk opgewonden, dat er een telegram werd bezorgd, en hoe het nieuws werd doorverteld, zag ze voor zich hoe ze tamelijk hysterisch huilde, en hoe ze vele jaren later aan iemand de situatie zou beschrijven, nog steeds zonder precies te weten wat het slechte nieuws was geweest. In de zitkamer werden de lampen ontstoken en door het open raam hoorde ze haar moeder praten met mevrouw Kalbeck, die op de thee was gekomen en die de gewoonte had te blijven plakken omdat ze thuis niemand had. De lichtgloed op het pad maakte de tuin plotseling eenzamer. Daphne liet zich uit de hangmat glijden, deed haar schoenen aan en vergat haar boeken. Ze liep naar het huis, maar er was iets aan het tijdstip wat haar weerhield, een glimp van geheimzinnigheid die haar tot dusver was ontgaan: ze werd erdoor aangetrokken, over het gazon, voorbij de rotstuin, waar de vijver, die het silhouet van de bomen weerspiegelde, zo diep was geworden als de witte lucht. Het was het langgerekte, stille moment waarop de hagen en border vaag en schemerig werden, maar alles wat ze aandachtig bekeek —een roos, een begonia, een glanzend laurierblad — leek zichzelf met een onzichtbare, kleurige trilling terug te geven aan de dag. Ze hoorde een zacht, vertrouwd geluid, het bonken van het kapotte hek tegen de paal achter in de tuin; en dan een onbekende, wat nerveuze stem, gevolgd door het lachen van George. Hij was met Cecil blijkbaar langs de andere kant gekomen, door de priorij en de bossen. Daphne rende de smalle, half verborgen trap in de rotstuin op, en van boven af kon ze hen net ontwaren in het struikgewas beneden. Ze hoorde niet echt wat ze zeiden, maar ze reageerde verontrust op de stem van Cecil, die zo snel en beslissend zeggenschap leek te nemen over hun tuin en hun huis en over het hele komende weekend. Het was een ietwat opgewonden stem die het kennelijk niets uitmaakte door wie hij werd gehoord, maar er klonk ook iets spottends en superieurs in door. Ze keek naar het huis achter haar, de donkere massa van dak en schoorstenen die afstaken tegen de lucht, de verlichte ramen onder de lage dakranden, en ze dacht aan maandag en aan het leven dat ze maar al te graag weer zouden oppakken nadat Cecil was vertrokken.”
Een hemel die nooit zon, maan of sterren heeft gekend, Een lucht die lijkt op een dood, vriendelijk gezicht Zou de kleur van jouw ogen hebben, O dienstmeisje, dat zingt van perenbomen in de zon En het gele fruit schilt dat je ooit hebt geplukt Toen je lavendelwitte ogen nog leefden. Op de veranda erboven zitten twee vrouwen Met gezichten in de kleur van droge bruine aarde; Ze breien grijze rozetten en knabbelen op koekjes. En op de veranda boven hen staan drie kinderen Die somber elkaars voorhoofd kussen, En een grote verpleegster met een enorme rode waaier. . . . De dood van de middag is voor hen Niet meer dan het langer worden van blauwzwarte schaduwen op bakstenen muren.
Vertaald door Frans Roumen
Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954) Portret door Michael Sweeney, z.j.
Ik heb het raam dichtgedaan om de zomer niet te horen maar de zon brandt door de muren en de vliegen draaien hun motoren klem in de gordijnen.
Een hond en een kind kunnen blij en slapen tot het gisteren wordt. Auto’s die nog stilstaan. Adem, zonder te bewegen. Het glas in mijn hand bevat schommelend water.
Maar de zomer is een luid blaffende hond. De zomer is een optocht van geluiden en de vliegen raken niet op. Het raam heeft geen enkele functie.
Vuur en het hart
Het hart is in de bergen. We hadden niet moeten gaan.
We waren slaperig geworden, ondanks de kou en zichtbaar maar wat je ziet is niets vergeleken met de verstikkende rook van het vuur dat uit de schuren naar buiten slaat met de uitlopers van het hart, slingerend door het dal wegen versperrend, zich vertakkend in alle woorden die wij met elkaar wisselen.
Dicht bij het vuur vertakken zich ook onze woorden dringen binnen in de slaap van de zwaarste buigen zich over de oudste kruipen als nachtvlinders over het gras dwalen door de nacht, met het hart op de lippen en vallen uitgeput neer in de uitgebrande bankstellen aan de voet van de berg.
Voltige
Het touw brak. De hemel verliet mij en wierp zich – of was ik het? – tussen de leeuwen en de duiven die niet stopten die doorgingen alles te verwoesten zoals de trapezewerkers hun zachte vlees.
Boven alles uit klonk de juiste muziek Het is die muziek zeggen de heiligen van de trapeze die wij opvouwen en meenemen tussen balen stro geklemd en verdeeld over diverse wonden.
Als primitieven hebben we de kat begraven met haar waterbak. Met blote handen schraapten we zand en grind terug in het gat. Het viel met een sissend geluid en een klap op haar zij, op haar lange rode vacht, de witte veren tussen haar tenen en haar lange, om niet te zeggen haar adelaarsneus.
We stonden op en veegden elkaar schoon. Er zijn smarten die scherper zijn dan deze.
De rest van de dag werkten we in stilte, aten, staarden en sliepen. Het stormde de hele nacht; nu klaart het op, en een roodborstje mummelt vanaf een druipende struik zoals de buurman die het goed bedoelt maar altijd het verkeerde zegt.
Blik die niets aan toeval overlaat, Die struiken leest, de optelsom van Bomen maakt. Noem het een denkbeeld, En bedrog – het wordt door namen
Niet geraakt. Het was alsof je Vleugels kreeg en, op de vleugelslag Van geest en ogen, wildernissen oversteeg. Tenslotte zag je nog slechts tuinen,
Slechts bedoeling, en waartoe. De Vraag naar hoe bleek opgeheven. Want wat Daar ging, het was de zon – maar waar Ze ging, bewoog ze slechts voor mij. En ook,
Niet ik was het die verderliep. Gazons, het kiezelpad, Zij trokken aan mijn oog voorbij.
IV. A rebours
Een panorama als een droom – het bracht
Je terug tot wie je altijd was geweest, en Naar een tijd die, zonder voorbehoud, al zijn Gedachten, beelden en beweging nog niet in Zichzelf, maar in de hele wereld vond. Ze waren
Als vanzelf ontstaan, van geen bepaalde Plaats vandaan en toch, ze waaiden door het Blikveld zoals door de herfst gebladerte en Kranten – net zo onafscheidelijk.
Het woord was nog slechts vlees geweest, de zon Aldus genoemd omdat zij warmte geeft en Licht, en enkel voor jezelf zijn door Je vader opgelegde herendienst verricht.
Een roos was een roos was een roos. De taal Een etymologie.
V. Pathétique
De loden jassen van het zwijgen
Dichtgeknoopt. De handdruk van De takken, het welzijn van de Steen, de ijslaag op de ogen van De vijvers niet meer aangeraakt. En
Vooral dit: de blokken van de bouwdoos Het verlangen opgeborgen. Je werd een Middelpunt van onbeweeglijkheid. Een Engel die de mantel van zijn blikken
Over alles had gespreid. En tenslotte zou je Marmer zijn, en marmer kijken. En wat je Zag, het zouden louter spiegels blijken Van een eeuwig beeld -. Van enkel op de
Trappen staan. Van enkel blank en gaaf en Geen verwering.
Er is gewoon geen verklaring voor geluk, of de manier waarop het opduikt als een verloren zoon die terugkeert naar het stof aan je voeten nadat hij ver weg een fortuin had verkwist.
En hoe kun je niet vergeven? Je maakt een feest ter ere van wat verloren was gegaan, en neem het beste kledingstuk van zijn plaats dat je voor een gelegenheid hebt bewaard die je je niet kon voorstellen, en je huilt dag en nacht omdat je weet dat je niet in de steek werd gelaten, dat geluk zijn meest extreme vorm bewaarde voor jou alleen.
Nee, geluk is de oom die je nooit hebt gekend, die een eenmotorig vliegtuig de met gras begroeide landingsbaan opstuurt, de stad in lift, en bij elke deur gaat vragen totdat hij je halverwege de middag slapend aantreft, zoals je zo vaak doet tijdens de onbarmhartige uren van je wanhoop.
Het komt naar de monnik in zijn cel. Het komt naar de vrouw die de straat veegt met een berkenbezem, naar het kind wiens moeder bewusteloos is door de drank. Het komt naar de minnaar, naar de hond die op een sok kauwt, naar de dealer, naar de mandenmaker, en naar de bediende die blikjes wortelen opstapelt in de nacht. Het komt zelfs tot aan de rots in de eeuwige schaduw van dennenbomen, naar de regen die op open zee valt, naar het wijnglas, moe van het torsen van de wijn.
“La mère, je crois, était secrétaire du truc de cheminées, un peu femme au foyer, un peu dans l’ombre du père. Rien de spécial, ni riches ni pauvres, des Parisiens de la petite classe moyenne. Aucun des fils n’a fait d’études, ils sont partis de la maison avant d’avoir passé le bac. L’aîné pour travailler dans le commerce, le deuxième dans l’armée et mon beau-père pour faire son service militaire dans les Alpes. Il ne retourna jamais à Paris. Les parents étaient plutôt sévères, et avaient élevé leurs enfants à l’ancienne, avec justice et discipline. Il était fier de cette éducation un peu à la dure, ainsi que de son passage chez les scouts, comme de tout ce qui avait trait à la formation qu’il avait reçue. Tout avait contribué à faire grandir sa force et son envie de vivre, de connaître, de conquérir. J’ai du mal à l’imaginer dans la banlieue parisienne. Je l’ai toujours vu dans la montagne, en vêtements de sport, en habits de chantier. Il a pourtant été un jour vêtu comme un petit citadin qui va à l’école religieuse, la chemise repassée, les chaussures cirées, les cheveux plaqués, jusqu’à ses dix-huit ans. Après, il est parti à Briançon où il a découvert l’escalade, la haute montagne, le parapente, une vie plus libre, plus sauvage, sans chemises, sans plus jamais attendre le métro ni se faire la raie sur le côté, sans messe le dimanche, une vie de grand air et de lumière. En 1983, quand il rencontre ma mère, il a vingt-quatre ans. Ils sont ensemble dans une formation pour accompagnateurs en moyenne montagne. Il est grand, sportif, sympathique. Dans le groupe, il aime bien prendre les situations en main, diriger les opérations quand une urgence se présente, quand on affronte un moment difficile, une paroi dangereuse, si un accident a lieu. Il est charismatique, il a beaucoup d’amis, il plaît aux filles.”
Ihm, seinem erwählten Protektor, der inmitten des Lebens seinen Tod mit sich führt, gibt Grünewald das Ansehen Riemenschneiders, dem der Würzburger Bischof zwanzig Jahre darauf auf der Folter die Hände zerbrechen ließ. Lang vor der Zeit geht der Schmerz bereits ein in die Bilder. Das ist die Vorschrift, weiß der Maler, der sich einreiht auf dem Altar in die viel zu geringe Genossenschaft der vierzehn Nothelfer. Sie alle, die heiligen Blasius, Achaz und Eustach; Pantaleon, Aegidius, Cyriax, Christophorus und Erasmus und der wirklich wunder- schöne heilige Veit mit dem Hahn, schauen ein jeder in eine andere Richtung, ohne daß wir verstünden, warum. Die drei Nothelferinnen Barbara, Katharina und Margarethe hingegen stecken am Rand der linken Tafel hinter dem Rücken des Georg ihre gleichförmigen orientalischen Köpfe zu einer Verschwörung gegen die Männer zusammen. Auch das Unglück der Heiligen ist ihr Geschlecht, ist die furchtbare Separation der Geschlechter, die Grünewald am eigenen Leib erfuhr. Der ausgetriebene Teufel, den Cyriax, nicht bloß aufgrund der Enge des Raumes, sondern wie ein Emblem hoch in die Luft erhoben hält, ist ein weibliches Wesen und stammt, wie eine Grisaille Grünewalds im Frankfurter Städel aufs drastischste vorführt, aus der epileptischen Tochter Diokletians, der verzwängten Prinzessin Artemia, die Cyriax, neben dem sie kniet an der Erde, mit dem Manipel seines Ornats wie einen Hund kurz gebunden hält.
Ik zelf hou rekeningen in mijn handen (wat ik heb uitgegeven, dat heb ik uitgegeven). Mijn witte duiven stop ik geld in de snavel en vraag hen om te blijven zwijgen over mij. Tijdens de vlucht zet ik mijn mobieltje uit en beweeg me nauwelijks. De dieren landen laat in de middag als de zon achter de bomen verdwijnt. De meesten leggen het geld onder de deurmat van de toegangsdeur en zijn ’s avonds terug. Sommigen van hen dragen takken in hun snavels. De tekenen wijzen op land.
In de stad Königsberg in Pruisen ligt een eiland dat Kneiphof heet, omgeven door twee armen van de Pregel. Zeven bruggen voeren over die twee armen.
Zeven bruggen. En ieder slechts één keer. Het water is nu bijna overal te horen. Het is blind water, zwart water, nachtelijk water. Drie soorten water.
Kerken en torens en schuine groene daken. Hier is een trap. Hier is een huis. Hier is de hond die blaft op het erf. Hij is zwart, pikzwart. Hij blaft.
Jaren. Jaren en dagen. Zo gelijk aan elkaar als… Horen jullie mij? Ik zit opgesloten. En men hoort het niet. Als Maagdeburger halve bollen. Zo verschillend van elkaar als: Appels.
Vanuit een frisse oktobermaand; hondegeblaf stemmen en maar één brug tegelijk, nooit twee keer over dezelfde brug. Sommige kinderen stappen altijd op iedere derde steen,
alleen op de derde. De afgrond lokt. De derde deur die altijd piept. Jaren. Jaren en dagen. Horen jullie mij? Oktober, en nog steeds geen vorst in de lucht.
Om achtereenvolgens over zeven bruggen te lopen en over iedere brug slechts één keer, is, zo zegt de mathematicus Euler, in feite een achtste brug nodig. Die is er niet. Dat verdomde ijs, dat maar niet wil bevriezen!
Over alles wat nog zweeft
Mijn graf valt nog nergens te bekennen. En dus zweef ook ik: rust ook ik, onwetend van mijzelf, in een luchtzee. Zwevend met de zwevenden, levend met de levenden, rustend met de rustenden, en, wellicht ook, zonder het te weten, dood met de doden. Hiervoor bestaat geen woord: het is een manier van zweven. “In de luchtzee”zoals ballonvaarders van weleer, en die luchtzee ben je zelf.
Een keer, in Texas, zes uur ’s morgens, zwemmend in het kristalheldere water van een heel diep zwembad eigenlijk bestemd voor duikers, werd het zwemmen voor mij plotseling zweven. Door de venstertjes van mijn duikbril neerkijkend op de zwarte en witte tegels van de schone bodem, vanuit precies zo’n hoogte die men in een vrije val niet overleeft, kon ik een ogenblik bevroeden: steeds verder te vallen, al vallend toch te zweven, door iets onzichtbaars gedragen. Glimlachend doorzien wij de klassieke schilders en hun kinderlijke toverkunst om een paar vogels veraf in het beeld te plaatsen, heel klein, zwevend als bewusteloze tekens tussen aarde en lucht, tussen licht en donker, tussen water en land, kortweg: iets dat zich tussen de verschillen bevindt, schemerachtige dingen, die de diepte verschaffen die het centrale perspectief alleen ons niet biedt. Zo zweeft al wat dodelijk is in het binnenste van zijn eigen beeld, ergens in de schemering, en voor dit zweven bestaat geen naam
Zo zweven ook tekens boven witte vellen papier, de sleuven boven de sneeuw, het goede boven de slechte tijd. Zo zweeft alles. Het staat, zoals de engelen staan, in ongekende beweging. En voor de gang van de wereld bestaat geen naam.
“Am Stundenende der Ablauf rückwärts – ich war aufgestanden, hatte meine Jacke wieder angezogen, dabei verlegen aus dem Fenster gesehen, er war vor mir her durch den Flur gegangen, hatte mir die Tür aufgemacht, wir hatten uns die Hand gegeben, er hatte die Tür hinter mir geschlossen; es war ein Wunder, dass ich mir sein Gesicht, seine Gestalt und Erscheinung überhaupt halbwegs eingeprägt hatte. Im Spätkauf war ich schneller als er – ich erkannte ihn zuerst, oder: Ich begriff zuerst, und ich war wach genug, um die Situation bemerkenswert zu finden und nicht zu erkennen zu geben, dass ich sie bemerkenswert fand. Ich begrüßte Dr. Dreehüs höflich und überrascht und stellte ihn und G. einander vor, was amüsant war, weil beide voneinander wussten; G. war in den Erzählungen der Analysestunden aufgetaucht und hatte sich seinerseits einiges über die Analysestunden anhören müssen. Das ist G. Das ist also G. G., das ist nun kurz vor Feierabend und zu guter Letzt tatsächlich Dr. Dreehüs, mein Analytiker. Mein alter Analytiker. Wir verbeugten uns alle drei ansatzweise voreinander, ich habe in meiner Erinnerung an diesen Moment bedauerlicherweise den arabischen Besitzer aus den Augen verloren, seinen Blick auf uns, auf Dr. Dreehüs, der ein Stammkunde zu sein schien und sich bisher vielleicht nicht als Analytiker zu erkennen gegeben hatte, und wie auch immer: Ich nutzte die eigenartige Gelegenheit und bat Dr. Dreehüs um zwei Zigaretten. Wir traten vor den Späti. Wechselten ein paar Sätze, wie geht’s, gut, danke, und wie geht es Ihnen, während er elegant die Zigaretten aus dem Softpack klopfte, sie uns anbot und freundlicherweise kein Wort darüber verlor, dass ich mir das Rauchen in den Analysejahren doch eigentlich abgewöhnt hatte. Er gab sich überhaupt ungezwungen, wohingegen ich nun doch Mühe hatte, eine Fassung zu wahren. Ich wollte mir alles auf einmal einprägen, Gesten und Ausdruck, seinen etwas extravaganten Anzug, die Art, uns Feuer zu geben, zu lächeln und lässig auf Abstand zu bleiben; ich hatte angenommen, Dr. Dreehüs gäbe es nicht. Er sei eine Art spezieller Motte, die sich für die Weile einer Analysestunde zu einer Person materialisieren und nach dem Ende der Stunde zu Staub zerfallen würde, um sich zwei Tage später wieder zu erneuern. Ich hatte mir über das Leben von Dr. Dreehüs außerhalb seiner Praxis selbstverständlich schwer den Kopf zerbrochen und war zu dem Schluss gekommen, er habe keines, was unter anderem damit zu tun hatte, dass er mir als astreiner Analytiker außer seiner Anwesenheit, seinen etwas geckenhaften Hemden, gebügelten Hosen, der Inneneinrichtung seines Praxiszimmers und ab und an einem wie zufällig auf dem Tisch liegenden Buches niemals auch nur das kleinste Detail aus seinem Dasein verraten hatte.”
ik tril en merk ik ben verliefd dat gaat voorbij als honger die niet gestild wordt die men overslaat op weg naar het heilig voedsel een schreeuwende boom in het zomermoede veld bladerloos zonder grondcontact en toch zo ontzettend mooi de verheven kroon leidt af van wat werkelijk is op het gras sloeg de bliksem in de stam staat gespleten nu weet ik niet waar naartoe
Ik droomde dat ik de tel kwijt was struikelde over zonderlinge naaktheid over het vel van de steen waarop ik het hoofd moest leggen
het hield niet op met grasmusgroen te schieten tussen rose tegels handen deinden uit in zomerlange dagen mijn dagelijks gezicht lag vastgespijkerd op een winderige zon
ik droomde dat om middernacht mijn lichaam leeggezogen werd gewetenloos verkaveld tot perceeltjes van kleine duimpjes groot
mijn hart bleef steken in de droom
het duurde lichtjaren ver vooraleer zijn breekbare inhoud over de paarse boomgaard werd uitgestrooid
Mijn zomers…
Mijn zomers zijn nog lang niet uitgedoofd hoe herfstig ook de lijsterbes de asters en het vlammensnoer van dahlia’s
de bramen zijn doorregend en proeven paars als drukinkt op papier
de wind cadanst en breekt de spiegels in de plassen ben ik met duisternis omhangen?
September brandt zijn laatste resten op als minnaars die mekaar meedogenloos verteren
en toch de winter zal de nieuwe verzen schrijven met letters uit mijn leven en hangen aan de roeste takken van een feestelijke boom
de najaarssappen opgevangen in bronzen roemers zij klinken op dit leven:
Er is dit leven en geen hiernamaals – daar ben ik zeker van maar ik aarzel nog steeds en wacht tot mijn talmende ziel bij de aanraking van de wereld opspringt.
Door hoeveel mei schemeringen heb ik heengeslapen, de bomen dapper vol bloesem? Laat me ze nummeren. . .
Ik zal op de weegschaal gelegd en te licht bevonden worden. Ik reken op minder dan een appelpit.
“Op weg naar eiland vloog Nils Holgersson in de nek van Maarten de gans achter Akka aan over een zee als een spiegel zo glad. Het bracht hem in de war. Hemel en aarde vervloeiden. Hij wist niet meer wat boven en onder was en dacht dat ze de hemel in vlogen. De buiken die hij onder zich zag, herkende hij niet als de weerspiegeling van de vogellijven in het blauwe water van de Oostzee: hij dacht dat de vogels op hun rug vlogen. En toen ze ()land naderden en in de mist verdwenen die van het eiland opsteeg, witte wandwolken, raakten ook de ganzen de kluts kwijt, totdat Akka het doffe geluid opving van het mistkanon dat op de zuidelijke punt van het eiland werd afgeschoten, en weer precies wist waar ze waren. Toen Sarie in de koudste weken van de winter van 1968 de kaart van eiland openvouwde, zag ze een langgerekte scherf, afgebroken van de Zweedse oostkust. Ze vermoedde een geschiedenis van schollentektoniek, een verhaal over de plooien en rimpels die de trekkende ingewanden van de planeet in haar huid achterlaat, maar herinnerde zich ook hoe Selma La-gerijd& een oude herder liet vertellen dat eiland is ontstaan uit het vergane lijf van een reusachtige vlinder. Turend naar de kaart zag ze inderdaad dat vlinderlijf, rank en elegant, maar ook machteloos en verminkt zonder de vleugels. Ze vond het een aantrekkelijk beeld omdat het herinnerde aan die wondermooie metamorfosen, het eitje, dc rups, de pop, en dan de vlinder — het leven op zijn allerlichtst de onwaarschijnlijke kleuren en patronen, dat aandoenlijke gedwarrel, de levensduur van maar enkele dagen of weken. (Mand: een in zee ver- zonken, door afzetting van kalk gemummificeerd vlinderlijf, dat van lieverlee begroeid raakte, bevolkt, bebouwd. Nils en de ganzen kwamen terecht op de zuidelijke punt van het eiland, Seidra Udde, de plek waar het mistkanon werd afgeschoten. Na een paar dagen vervolgden ze hun reis, gevoed en uitgerust, naar het noorden, over de lengte van het eiland. Sarie volgde de reis van de vogels met haar vinger op de kaart. Zo’n beetje op een derde van het eiland zag ze aan de oostkust het haventje van Bliisinge liggen. Selma Lagerkif schrijft er niets over maar Saries vinger bleef er dralen omdat het haventje de komende zomer haar bestemming was. Ze haalde de kaart naar zich toe en keek goed. De plattegrond van het haventje deed haar denken aan een merkwaardige, hoekige hap uit de kust. Het leek een eenzame plek, ongemakkelijk op de grens van een oud cultuurlandschap en een nog veel oudere zee, wringend met beide. Het schermde zich van de zee af met een naïef dammetje, min of meer dwars op de dubbele havenmond. Het landschap — velden, akkers, een paar stroken bos — keerde het met volmaakte onverschilligheid de rug toe. Zo lag het daar in een vreemd isolement, een geografisch fremdkörper alsof een kwaadaardige vis een beet uit het vlinderlijf had genomen — een beet die vervolgens was volgestroomd met water zodat een dubbele inham was ontstaan, in het gareel gebracht met kades, de kades bebouwd met schuurtjes en loodsen en rekken waar de vissers hun netten ophingen.”
De nieuwe huizen aan de nieuwe straten, Beprezen door de dwaze of veile schaar – De drom der immer naamloozer gelaten, Wars evenzeer van vreugde als van gevaar –
Vanzelve wendt het hart, vol troostloos weten, Zich van een leven af, dat bidt noch vloekt, Als ’t met de onfeilbare aandrift der magneten De streek van zijn verteederingen zoekt.
Het werd niet ouder, het is trouw gebleven Aan alles waar zijn jeugd zich in verzweeg: Een stadsplantsoen, waar hart en schaduw beven, Het nauwe duister van een lauwe steeg.
Nochtans weet het: ook dit is ouder worden: ’t Leven te schouwen met ontgoocheld oog, Vermoeid, omdat veel herfsten al verdorden, Maar dat geen dood in schijn van bloei bedroog.
De Stem der Steden
Wanneer de late herfststorm in de steden Zijn donkere verschrikkingen begint, En de arme menschen sidderen beneden De teistrende aanvlucht van den barren wind;
Dan is ’t één krampen van geschonden leven, Dat strijdt, wanhopig, en toch ondergaat, Terwijl de menschen loopen als gedreven Door de geboden van een wilden haat.
Hij jaagt hen uit, de storm, waar ’t licht der straten Nog killer is dan zijn ontboeid geweld. Hij boet zijn lust aan allen die, verlaten Van vreugde, dwalen moede en onverzeld.
Soms striemt zijn geesel wel twee hopeloozen Te zamen, waar een schaduw veilig schijnt Voor hen, die boven ’t ijdel woelen kozen De teederheid, die week maakt en verreint.
Doch ook dit laat hen ledig en zij scheiden. In droefheid eindigt wat in hoop begon, En voor zich uit zien zij het lange lijden, De dorre dagen en de nieuwe zon.
Zij sleepen moeizaam door de zware nachten Al wat hun hart verbeidt, hun droom belijdt – Zij, de berooiden, die in ’t donker wachten Op ’t flitsen der beloofde zaligheid.
Zij gaan: ontelbre huiverende stoeten, Door de onafwendbaarheid des doods gemaand, Wier luide woorden en gelach begroeten ’t Geluk, het heil dat elk bij de’ ander waant.
Maar diep in ’t hart heeft ieder meegedragen Den weerklank van een hemelwijd accoord, Dat meeruischt met de langgerekte vlagen; Een stem begon, zwol aan en is verhoord:
De groote stem der luidbevolkte steden, Die spreekt van meer dan vreugde en meer dan leed Tot hem, in wien zich ’t leven gaat verbreeden, En die om grooter droom zichzelf vergeet.
En ik beken mij een van deze menschen, Van dit geslacht, dat doolt en lacht en lijdt, Geknot, vernederd in zijn liefste wenschen, En toch zoo brandende van zaligheid.
J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.
De onderdrukkers
Kunst wat geven de kunst onderdrukkers om kunst ze springen op de kar wentelen zich in persclips en laten de planeet stinken met hun pornografische onderdrukking Kunst wat geven zij om kunst zij vormen zich om van hedendaagse babykussers tot corrupte politici van vroeger tot zelfbenoemde censuurgriffiers die kunst niet zullen steunen maar oorlog zullen steunen armoede longkanker racisme kolonialisme en giftig slib dat is hun moraal dat is hun religieuze overtuiging dat is hun bescherming van het publiek & bijdrage aan familie-entertainment wat geven zij om kunst