Kader Abdolah, Helen Dunmore

De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.

Uit: Wat je zoekt, zoekt jou

“Inleiding – Op zoek naar het eerste licht
Lezer! In mijn ouderlijk huis groeide Ik op met de poëzie van Rumi. Ik kende tientallen van zijn gedichten uit mijn hoofd, maar ik stond er nooit bij stil wie de persoon turnt’ was, Ik vroeg me nooit af hoe hij een van de grootste dichters en denkers van het Oosten Is geworden. Wie was Rumi? Die vraag ben ik mezelf de afgelopen jaren steeds vaker gaan stellen. Ik begon mijn zoektocht en was benieuwd wat ik zou vinden en wat ik daarvan kon maken. Een paar weken lang stortte ik me op een stapel boeken. Het bleek een onbegonnen werk, ik werd er een beetje bang van; er waren al zë• veel boeken over Rumi geschreven, wat kon ik daar nog aan toevoegen? Toen schoot opeens mijn eigen persoonlijke levensloop me te hulp. Een levensloop die gekenmerkt was door de vlucht. Door deze nieuwe blik kon ik een Rumi zien die anderen niet gezien hadden: een Rumi die op de vlucht was. Nu zag ik ook duidelijk de essentiële Invloed daarvan op zijn per-soon en op zijn werk
Dat werd mijn beginpunt: ik ging Rumi volgen vanaf het moment dat hij samen met zijn vader van de ene op de andere dag moest wegvluch-ten voor de terreur van de Mongolen. En ik volgde hem overal, terwijl hij onderweg de denkers van zijn tijd ontmoette en geleidelijk aan de wereld van zijn tijd leerde kennen. Dankzij al deze ervaringen werd hij wie hij moest worden. Elke nacht ging ik naar bed met mijn hoofd al bij de vroege morgen, wanneer ik weer zou opstaan om hem op zijn pad te volgen. Zo is dit boek ontstaan, zo neem ik de lezer mee naar zo’n achthonderd Jaar geleden, toen Dzjengis Khan met ongekend geweld de wereld pro-beerde te veroveren.
Ik was zelf verrast door het resultaat. Zonder dat Ik het van plan was, had ik de oosterse mens laten zien op zijn puurste en mooiste momen-ten. liet ging niet meer om de gebruikelijke oosterse bazaars, de ge-sluierde vrouwen, de moskeeën, de djinns, de hamams, ook niet over Aladin en de wonderlamp, zelfs niet over de mensen die daar wo-nen – het ging over ons, de mens. In onze tijd is die mens met een gigantische telescoop, de James Webb, op zoek naar het eerste licht, naar het moment dat de big bang heeft plaatsgevonden. Maar de mens is altijd op zoek geweest naar dat eerste licht en vooral op zoek naar degenen die achter dat licht beston-den. Nu kon men in Rumi’s tijd niet de ruimte In gaan. maar Rumi en de andere denkers in dit boek hebben wel een langdurige innerlijke reis gemaakt. En ik meen dat ze het eerste licht hebben gezien, dat wat James Webb probeert te vinden.
Laatst zei iemand tegen me ‘Kader, op deze leeftijd verwacht ik een blijvend werk van jou!’ Lezer! Bij dezen, dit boek blijft
Salam, Kader Abdolah”

 

Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

 

De Britse dichteres en schrijfster Helen Dunmore werd geboren op 12 december 1952 in Beverley, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Helen Dunmore op dit blog.

 

WILDE AARDBEIEN

Wat ik vind, breng ik naar huis:
een donkere handvol, zoet-gerand,
oplossend in één hap.

Ik neem de moeite om ze voor je mee te nemen
ook al zijn ze zo snel op,
pulploos, overglijdend in sap

een korrelige wrijving op de tong
en de smaak is weg. Als je je herinnert
we waren in het bos in de wilde aardbeientijd

en ik maakte een mand van zuringbladeren
om te bewaren
wat je had geplukt,
maar de koude bladeren ontvlochten zich

en gleden uit elkaar, en maakte zichzelf weer los
totdat ik het opgaf en wilde aardbeien at
uit je handen om het zoet.

Ik likte aan je handpalm:
de smalle zoutrand daar,
de zweem van geld dat je had geteld.

Terwijl we in het bos verbleven, verborgen,
hoorden we het geluidssysteem beneden ons
de winnaars op Chepstow omroepen,
gedempt toen de wind draaide.

De zon scheen op ons, de schaduwvlekken
kleurden hazelnootbruin: we hoorden namen
bubbelen als holenduiven boven het bos

toen jockeys in bevlekte zijde
die zweet-donkere, sidderende paarden
kalmeerden tot een bedaarde tred.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e december ook mijn blog van 12 december 2021 en ook mijn blog van 12 december 2020 en eveneens mijn blog van 12 december 2018 en ook mijn blog van 12 december 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Johannes der Täufer (Johannes Kühn), Christoph W. Bauer 

 

Bij de derde zondag van de Advent

 

Sint Johannes de Doper in de Wildernis door Diego Velázquez,
tussen 1618 en 1625

 

Johannes der Täufer

Täufer,
es schreckt mich dein Heuschreckenessen,
dein Mut!
Es kamen die Seidenherrn
ausgeruht,
und du hast gegeißelt
mit Ruten ihr glattes Gesicht.
Noch ist es weit bis zu Herodias’ Schüssel,
wo dein abgeschlagenes Haupt
blutig glänzt, nach dem Tanze-
aber begonnen hat schon der Weg dorthin.
Hinter dir
Heiße Sonne,
so in Leidenschaft brennend dein Sinn
für des Herrn Gerechtigkeit.
Und vorbei
Glänzt der Fluss, so
lebendig dein Geist wie der Wellenschlag
und blitzend hell.
Ziegenfell,
deiner Bescheidenheit Kleid,
raues Haar, deiner Zunge
Ausweis, es gilt,
die Seidenherren zu strafen
und aufzurichten zu gutem Hosiannahgesang:
denn er ist gekommen
aus seinen Himmeln,
der Herr.

 

Johannes Kühn (Tholey, 3 februari 1934)
Adventsmarkt aan de voet van de Schaumbergturm bij Tholey

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 11 december 1968. Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en ook alle tags voor Christoph W. Bauer op dit blog.

 

als een vreemde ben ik ingetrokken onder mijn huid

als een vreemde ben ik ingetrokken onder mijn huid
dat is de aanschouwelijkste manier om het te zeggen
in de spiegel blijft het tegenover onbekend
beter zo dan anders geen reden tot klagen

de hersenen volgepompt met drugs van verlangen
met hersenschimmen die de winter verpulveren
mijn blik heeft de ruimte verdraaid
om de deur niet uit het oog te verliezen

zit ik in met mijn rug naar de muur
doe net alsof het onvermijdelijk was
de koffers onder handbereik paspoort in de hand

als een dakloze in het lichaamseigen huis
geen idee wie mij drijft om zo te leven
ik weet maar één ding als vreemde trek ik er weer uit

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 11 december 1968)
Kerstmarkt op de binnenplaats van Schloss Porcia in het district Spittal/Drau, waar Kolbnitz toe behoort

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e december ook mijn blog van 11 december 2018 en eveneens mijn blog van 11 december 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Thomas Verbogt, Eileen Myles

De Nederlandse schrijver Thomas Verbogt werd op 9 december 1952 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Thomas Verbogt op dit blog.

Uit: Olifant van Zeep

“In bed zag ik dat het zomer begon te worden. Over dat besef dacht ik na. Het is net alsof het krachtiger is dan bijvoorbeeld lang geleden, terwijl er nauwelijks iets lang geleden is.
Ik pakte een boek dat ik gisteravond naast mijn bed legde nadat ik er een paar pagina’s in had gelezen, van de Britse kunstenaar Tracey Emin, van wie ik al veel verontrustend werk zag. Strangeland, zo heet haar boek. Op de achterkant staat: Strange things always happened when I
did not wear a watch… Dreams don’t have time. Neither does sleep, nor death. That’s why it is sometimes good to wear a watch.
Ik draag alleen maar een horloge als ik ergens op tijd moet zijn, want voordat ik daar arriveer, ben ik ergens anders, en soms weet ik niet hoe laat ik daar moet vertrekken. In huis is de enige klok de wekker naast mijn bed.
Ik zag dat die het niet deed. Dat zag ik gisteren al, maar ik dacht dat het vandaag anders kon zijn, dat ik me kon vergissen. Het was een nieuwe wekker en misschien was het nieuwigheid waardoor die het niet deed. Maar vanochtend bleef hij het niet doen.
Daarom ga ik ermee terug, naar de klantenservice van het warenhuis. Daar zit een mevrouw die eruitziet of alles haar kwaad maakt. Haar haar is oranje van kleur en het is net alsof zich in dat haar een kleine explosie heeft voor- gedaan. Ze zal begin veertig zijn, wat ze een weerzinwekkende leeftijd vindt. Het is duidelijk dat ze geen zin in de dag, geen zin in mij en geen zin in het leven heeft. Dat is
heel veel geen zin. Het is dus een beetje onduidelijk wie wie bij deze klantenservice service moet verlenen.
Ik denk echter: ik moet ergens over beginnen, want zij doet dat vast niet.
Ik zeg dus: ‘Goedemorgen, mevrouw. Deze wekker is kapot. Heb ik pas hier gekocht. Gisteren, geloof ik.’
Zij zegt: ‘Bon.’
Soms houd ik van korte instructies. Ik geef haar de aankoopbon.
‘Wat is er dan met die wekker?’ vraagt ze.
Ik antwoord: ‘Hij maakt geen geluid.’
‘Hij maakt geen geluid,’ herhaalt ze mat.
Ik moet dit toelichten, voel ik. ‘De wekker wekt niet.
Ik word er niet wakker van.’
‘U wordt er niet wakker van,’ zegt ze.
‘Nee,’ zeg ik.
Achter haar zijn smalle ramen waardoor je niets kunt zien. Toch komt er licht doorheen. De zomer is nauwelijks ergens tegen te houden.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.

 

Beste Adam

Ik zei taart
Ik zei hoge hoed
Ik zei microfoon
vier kleine gouden babyhoofdjes
wacht ik zei piraat geest
wacht wacht ik zei lachende kat met gesloten ogen
hij krabbelde terug oh mijn god
Ik dacht: verdomme ja, ik kan dit lezen op de marathon
Hij zei Eileen glimlacht
ehhh ik kan het gebruiken
de bel van mijn computer ging
hetzelfde bericht
wacht de kat huilt van opluchting
de kat is een duivel nu
de kat is niet boos

de kat die geracialiseerde jazz maakt
uh of niet mijn witte handen
Ik praat nu met iedereen.
en ik gebruik een filter. Nee doe ik niet
Ik erken dat er
twee keer een foto van mij is. Pas sinds kort
ken ik de term jazzhanden
als we Pennsylvania verkloten, wat is dan onze
hoop om te leven in een gestolen land dat altijd werd gestolen
en grotendeels door gestolen mensen bewerkt werd. Uit een
conservatieve
diaspora kwam ik bastaard dichter uit Massachusetts
om mijn stempel te drukken
liefde & deze dingen en gelegenheden
om te spreken. We kunnen niet vallen, we krioelen van de nieuwe
gelegenheid
we ontdekken wat weerstand betekent
onze tijd & blazen de binnenkant van mijn computer op
bok studies
de telefoon zegt afgeleverd
wat is.
Adam zegt heb je mijn baard gezien.
We praten even over geld
Ik rijd op mijn fiets. Stap af de telefoon doet
ting. Het is zijn baard die belt. ik doe oh.
jij hebt wat ik wil.
hij zegt lol
dan doodshoofd
dan raket
dan Turkije
groen pistool
en een vlam. lk
weet niet wat ik daarop terug moet zeggen
Ik zeg fiets en ga.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Eileen Myles (Boston, 9 december 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e december ook mijn blog van 9 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Dirk Stermann, Michael Krüger, Bernard Wesseling

De Duits-Oostenrijkse schrijver, presentator en cabaretier Dirk Stermann werd geboren op 7 december 1965 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Dirk Stermann op dit blog.

Uit: Maksym

„In dieser Geschichte komme ich nicht gut weg. Vielleicht hätte ich ja doch meine Handschuhe ausziehen sollen?
Auf der Kärntner Straße hatte mich eine Wahrsagerin angesprochen. Die Dame mit dem bunten Halstuch und der tiefen Stimme fragte mich freundlich und in gebrochenem Deutsch, ob sie mir aus der Hand lesen dürfe. Es war Winter, und ich trug Handschuhe. Die Wollhandschuhe, die ich zu heiß gewaschen hatte. Jetzt waren sie verfilzt und eigentlich eine Nummer zu klein, aber ich trug sie trotzdem, obwohl ich meine Finger in dem steifen Gewebe kaum bewegen konnte. Handschuhe wie in Schockstarre. Trotzdem wärmten sie besser als keine Handschuhe, und ich wollte sie nicht ausziehen, und durch den Handschuh konnte sie nicht lesen.
«Ausziehen», sagte sie.
«Nein, zu kalt», entgegnete ich.
«Doch, ich will deine Hand sehen!»
«Nein, ich will nicht, dass Sie meine Hand sehen und dann irgendetwas Schlimmes vorhersagen. Ich will es lieber nicht wissen.»
«Doch, ich sage dir die Zukunft voraus. Ich bin Hellseherin.» Kalte Atemwolken drangen aus ihrem Mund. Als rauchte die Hexe ohne Zigarette.
«Nein, danke. Sehr freundlich. Und wenn Sie wirklich die Zukunft kennen, wissen Sie ja, dass ich meinen Handschuh nicht ausziehen werde.»
«Ich sehe die Zukunft, und ich sehe deine Hand in der Zukunft.»
«Na ja, vielleicht im Sommer mal. Aber jetzt hat es Minusgrade. Ich zieh den Handschuh nicht aus. Und wie gesagt, ich will es überhaupt nicht wissen.»
Sie starrte mich wütend an. I ihren überschminkten Wimpern funkelten Eiskristalle.
«Tja, also dann», sagte ich fröhlich und schritt ungelesen davon.
«Du wirst an der nächsten Straßenkreuzung totgefahren», schrie sie mir nach.
Vermummte Passanten schauten mich neugierig an. Ein Todgeweihter.
Ich ging über die nächste Straßenkreuzung bei der Staatsoper. Kein einziges Auto ringsumher. Vielleicht war sie gar keine echte Hellseherin, sondern einfach nur eine arme Frau aus einem südosteuropäischen Land. Ihr Fluch hatte auch eher etwas von Dunkelsehen. In Ungarn, der
Ostslowakei oder Rumänien hatte sie sich entscheiden müssen, ob sie als Hellseherin oder beinlos bettelnde Frau arbeiten wollte. Sie hatte sich für Beine entschieden.
Statt des Autos, das mich totfuhr, kam ein Anruf aus New York.“

 

Dirk Stermann (Duisburg, 7 december 1965)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Michael Krüger werd geboren op 9 december 1943 in Wittgendorf. Zie ook alle tags Michael Krüger op dit blog.

 

De reis naar Jeruzalem

Griekenlands stenen vuist zag ik
in de Middellandse Zee liggen en een schip
die het blauw uit het water trok
in gekrulde strepen. Verder naar het oosten
Turkse gedichten, onuitsprekelijk,
door golven ritmisch bewogen.
Ik zag hoe het water zich losmaakte
van het zout aan de boetvaardige kust.
Tussen alle knorrige stenen
ontstonden de heldendichten: het verhaal
van de distel en van het brood,
door de zon gebakken.
Daar beneden ging de taal aan land,
en elk ding kreeg een naam.
Ik kon het duidelijk zien –
de woorden beefden als een zwerm vogels
boven de woeste grond.
We moesten onze riemen vastmaken, vastgesjord,
met ingehouden adem,
bereikten wij het beloofde land.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Krüger (Wittgendorf, 9 december 1943)

 

Rectificatie. De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 7 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

Uit: Gezelschapsjongen

“Ik betrapte haar op de uitvaart. Na veel vijven en zessen was ik toch gekomen. `Om de grond aan te stampen,’ had ik tegen de taxichauffeur, een prater, gezegd. Bij een rotonde aan de rand van de stad was ik uitgestapt. Begonnen de laan uit te wandelen die leidde naar de begraafplaats. Veel te laat, maar zonder haast. Toen viel zij me op, onder een van de platanen stond ze, ertegenaan gedrukt, omgeven door schaduw. Ze was bezig door de split van haar jurk een geblindeerd been omhoog te brengen en krabde haar enkel door de panty. Ik geef toe, het gebaar dreigde even mijn medelijden te wekken.
De parasiet had schoonheid. Net als de rest van haar soort, zei ik bij mezelf. Nee, van een cultus was ze — de cultus van de huisvredebreuk. Vrouwen met onheilige dagboeken die bij het openslaan in vlammen zouden uitbarsten. Monddood, maar springlevend in testamenten. Achter de valse sluier die ze droeg, wist ik nu zeker dat haar mondhoek ironie spelde.
Ik had de drang om haar aanwezigheid vast te leggen als bewijslast. Wettelijk gezien was ze niet in overtreding. Een chantagemiddel dan misschien of beter: aan de digitale schandpaal met haar. Ik verborg me achter een heg vol kwetterende mussen. Fouilleerde mezelf, vond mijn telefoon, maakte een kijkgat tussen de bladeren. Sloot het scherm over haar persoon, als een net. Terwijl verderop de stoet zo’n beetje richting aula begon uit te waaieren (waartussen ook mijn moeder, geflankeerd door twee dragers), duwde ze zich van de boombast af. Geboren op hakken, liep ze zonder moeite over het grind. Wat evenmin verboden was: haar nu te schaduwen, te kijken waar ze ons heen zou leiden. Daarom besloot ik mezelf van andere verplichtingen te ontslaan. Dat was nog niet eerder vertoond. Ik was vooral braaf geweest. Na de middelbare school had ik kunstgeschiedenis gedaan, was afgestudeerd op oosterse kalligrafie, ik verzin het niet (mijn verwekker, de Grote Etymoloog, had zich nog laten ontvallen of ik niet liever wat `waardevaste kennis’ wilde opdoen), en voor ik er erg in had stond ik voor een collegezaal. Jongste docent van de universiteit. Van mijn eenendertigste tot mijn zesendertigste — voorbij in een vloek en een zucht.
Volgens de statuten was het lente. Ik smoorde in een zwart overhemd, de stropdas had ik in mijn zak gestoken. Ik bleef haar met gemak bij, verkoos het hoogpolige gras, verschanste me om de andere boom, al schuurden de broekspijpen van mijn pantalon bij het kruis zodat ik een bijna fluitend geluid voortbracht, en gedwongen was zo’n twintig meter afstand te houden. Ik volgde haar de laan uit, terwijl ze de zindering in liep aan het eind van de weg. Even stonden we stil nog — zij als alert wild, dat ergens van ophoort — alsof we overwogen toch een scène te maken, onze motieven onderzochten, ons verbeten en de kloof tussen doen en laten groeide, of om te luisteren naar een verdacht geluid, naar het koningsdrama van mijn ademhaling, waarna we verder liepen, merkbaar sneller.
Na laan, rotonde en twee straten met huizenrijen ontglipte ze me door een banketbakker binnen te stappen.”

 

Bernard Wesseling (Amsterdam, 7 december 1978)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e december ook mijn blog van 7 december 2020 en eveneens mijn blog van 7 december 2018 en eveneens mijn blog van 7 december 2014 deel 2.

Julia Kasdorf, Karl Ove Knausgård

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

Hens and Chicks

After I decided the spectacular sewer pipes
planted with hens and chicks were too tacky

to keep, I started to love those succulent
single moms, also called common houseleek

and long ago planted on thatched roofs
to protect homes from lightning bolts.

Stone rose, sacred to Jupiter in the south,
Thor in the north, emblem of security

and prosperity, remedy for rashes, shingles
and caterpillars. To cast a curse,

pay a stranger to pluck a houseleek
from your neighbor’s roof. Almost asleep

beside me in my bed, the child says,
I want to go home. Stone rose sends up

a stock of astral blooms then dies, surrounded
by the offsets it produced. Sempervivum,

Linnaeus called them: always life.
Under a roof with someone who loves you

is your only home, I try to tell her, though
you will always long for what’s not there.

 

Landscape with Desire

Next month maples along this lae will rage
orange and scarlet. Firs we barely discern
on that far shore will state their dark shapes,
so we are torn between taking it all in
from the porch and taking a swim. At night
we pull on sweatshirts, lie down on the dock,
heads nestled in life preservers, and wait
for meteors to streak the August sky
like runs in the blackest stocking against
the whitest thigh. With each plummeting light,
our voices rise like love cries, more urgent
and louder than any solitary loon or coyote
calling to its mate. Only we conflate
longing and loss like this; only we wait.

 

Double the Digits

we called the game Jenny made up driving
back roads through West Virginia

at twice the speed on signs. Foot on
the gas, foot on the brake, she’d take

a 25 mile-an-hour curve at 50, triumphant
until something thudded under the hood,

then hissed as we drifted to the berm;
engine black cracked, her dad’s Peugeot

left for the wrecker, sold for scrap.
She never could tell him how girls,

16 and 18, could get so bend on speed
they’d ignore an oil light’s warning.

When my dad’s Plymouth Fury hit 78,
weightless, on a crested curve of Route 136

and nearly flew into the grill
of a soda delivery truck, we swerved

toward a pole on Donna’s side then
were gone before the guy hit his horn.

We never said it, but close calls
like that made us see state troopers

on front porches, hats in hand, moments
before our mothers open the door. Yet

we played that game every chance
we got until college separated us

from our fathers’ cars. Jenny divorced,
then married a canoe guide up north.

 

Kippen en kuikens

Nadat ik had besloten dat de spectaculaire rioolbuizen,
neergezet met kippen en kuikens, te haveloos waren

om te laten staan, begon ik te houden van die
alleenstaande moeders, ook wel gewoon huislook genoemd

en lang geleden geplant op rieten daken
om huizen te beschermen tegen bliksemschichten.

Donderkruid, heilig voor Jupiter in het zuiden,
Thor in het noorden, embleem van veiligheid

en welvaart, remedie tegen huiduitslag, gordelroos
en rupsen. Om een vloek uit te spreken,

een vreemde te betalen, om huislook te plukken
van het dak van je buren. Bijna in slaap

naast mij in mijn bed, zegt het kind,
Ik wil naar huis. Donderkruid stuurt omhoog

een voorraad astrale bloemen, sterft dan, omringd
door de loten die het voortbracht. Sempervivum,

noemde Linnaeus ze: altijd leven.
Onder een dak met iemand die van je houdt

is je enige thuis, probeer ik haar te vertellen, maar
je zult altijd verlangen naar wat er niet is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Niets dan de laconieke constatering: ‘Dux maakte hij een maaltijd voor hen klaar; hij bakte brood en ze aten bij hem.’ Dat is alles. Maar die engelen moeten daar een hele tijd hebben gezeten, ten minste zo lang als het duurt om brood te bakken, en hun aanwezigheid moet Lot nerveus hebben gemaakt omdat hij de enige was die wist wat ze kwamen doen. 1k zie hem voor me terwijl hij bij de oven staat te wachten tot het brood klaar is, hoe hij steeds weer naar de twee engelen gluurt die zwijgend aan tafel zitten, hoe elke keer als er weer geluid van buiten tot hen doordringt zijn wanhoop groeit, want hij weet waartoe ze in staat zijn, de inwoners van de stad, die er lucht van hebben gekregen dat er vreemden zijn en die zich intussen buiten in het donker verzamelen. Gezien alle gebeurtenissen die hieraan zijn voorafgegaan, wijst veel erop dat de engelen een zekere tegenzin uitstralen — aanvankelijk sloegen ze de uitnodiging af, ze waren van plan de nacht buiten op straat door te brengen, maar Lot drong zo aan dat ze zich ten slotte lieten overhalen — terwij1 Lot op zijn beurt een wat overijverige en babbelzieke indruk maakt in zijn poging te verhinderen dat ze doorkrijgen wat er buiten gaande is. Dan is het brood eindelijk klaar. Hij haalt het uit de oven en legt het opzij om af te koelen, zet eten en drinken op tafel, voelt zijn hart tekeergaan door hun fysieke aanwezigheid, door de kilte die om hen heen hangt, maar hij verzet zich ertegen, wrijft zich in de handen en roept opgewekt uit: ten hapje eten zal wel smaken, denk ik!’ Hij krijgt geen antwoord. Hoewel er in de Bijbel niet meer staat dan dat ze eten, ben ik ervan overtuigd dat ze behoorlijk honger hadden en flink toetastten zonder te proberen hun gulzigheid te verbergen. De exacte formulering in de tekst is: `… en ze aten bij hem.’ De onverwachte punt maakt abrupt een eind aan de zin. Maar de taal is slechts een voertuig en wat hij vervoert, wordt voortgestuwd door de bereikte snelheid, tot voorbij de punt, tot buiten de zin, tussen de regels, waar het natuurlijk niet meer gelezen kan worden, alleen vermoed. Ze eten. Terwijl ze in hun ene hand een bot hebben, waar ze met hun tanden steeds weer stukken vlees af scheuren, tasten ze met hun andere over tafel om zeker te zijn dat er een stuk brood of kaas voorhanden is zodra de hap is doorgeslikt, als die hand al niet om een kroes wijn is gekromd, die Lot voortdurend bijschenkt zonder dat ze het lijken te merken, druk bezig als ze zijn zich vol te proppen met wat er voor hen staat.”

 

Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

Grace Andreacchi

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Grace Andreacchi op dit blog.

 

THE CRANE WIFE

featherlight
in a room outside
the wind
the wound clock runs
down

the debt is paid
what you thought was
death is only
love
the colour of winter

beauty sheds her skin
here on the floor
this ragged thing unnamed
was your wife
once

 

MERCY

A small girl in a blue headdress
is holding a lamb in her arms
What’s your name? I said
Mercy, she said

There was a time
when I would have believed this
another time
when I believed not a word of it

This child atop a mountain at twilight
when the glorious sky painting spreads
in full array upon a thousand hills
she was there

beside the ragged line of yellow pennants
the wind drew strands of hair across her face
in time to the saffron flags
waving at heaven

 

ON THE BEACH

On a dark blue shore
I held a child on my lap
tall elk emerged from the water
climbed the beach, walking
stately past us in procession
winter trees
moving in the wind
she clung to me in wonder
we dared not to breathe
they did us no harm
melting fires lost loves souls drowned
in sorrow they came but
not for us
and yet we saw them

 

Ik hoor bij de lafaards

Een reactie op terroristen van alle soorten en naties
We hebben genoeg van de obscene dood
Genoeg van verbrande babysteden in de as
Bladloze bomen putten vergiftigd met haat
We zijn geroepen om lief te hebben
Terrorisme zal geen enkele ziel redden
Terrorisme zal ons niet redden van terroristen
Terrorisme is gekomen om ons te vernietigen
Ons allemaal, Arabier en Jood
Amerikanen, Europeanen, iedereen
Terrorisme maakt het niet uit wie we zijn
Het doodt ons voor de lol
met bommen op de markt
met bommen die uit de lucht vallen
met bulldozers met landmijnen met haat
met domheid met de moed van dieren
zonder geweten
Als je vijand liefhebben laf is, dan
Hoor ik bij de lafaards
Als je geen vijand ziet dan een broeder in heiligheid
Die laf is dan hoor ik bij de lafaards
Als er ergens een remedie is tegen de domheid van de mens
Dan is het bij de lafaards
En ik, moeder van de wereld, sta erop
Stop met je dodelijke spel
De wereld is niet van jou
Maar van God.
De olijfgaarden zijn van Hem
De zoete blauwe lucht boven onze hoofden is van Hem
De zee en alles wat erin zit – van Hem

Hoe durf je dat te betwisten?
Het is van hem
En wij zijn van Hem
En ook onze kinderen zijn van Hem.
Niet van jou.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2021 en ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.

In Memoriam Hans Magnus Enzensberger

 

In Memoriam Hans Magnus Enzensberger

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger is vorige week donderdag, 24 november, op 93-jarige leeftijd overleden. Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Der Unverwundbare

In der Wissenschaft der Unterlassung
hat er es weit gebracht.
Blutrünstig die Verbrechen,
die er nicht beging,
endlos die Heerschar der Fehler,
die er vermieden hat.
Passende bemerkungen,
ungeschwängerte Mädchen
säumen seinen Weg.
Seine Geruchlosigkeit
ist atemberaubend,
sein Leumund
macht jede chemische Reinigung brotlos,
er ist weiß, er niest nicht,
er segnet uns, ist gesegnet.
andere Lebenszeichen
von seiner Seite
sind nicht zu befürchten.
Warzenlos verschwindet er
in seinem eigenen Foto.

 

Die Scheisse

Immerzu höre ich von ihr reden
als wäre sie an allem schuld.
Seht nur, wie sanft und bescheiden
sie unter uns Platz nimmt!
Warum besudeln wir denn
ihren guten Namen
und leihen ihn
dem Präsidenten der USA,
den Bullen, dem Krieg
und dem Kapitalismus?
Wie vergänglich sie ist,
und das, was wir nach ihr nennen,
wie dauerhaft!
Sie, die Nachgiebige
führen wir auf der Zunge
und meinen die Ausbeuter.
Sie, die wir ausgedrückt haben,
soll nun auch noch ausdrücken
unsere Wut?
Hat sie uns nicht erleichtert?
Von weicher Beschaffenheit
und eigentümlich gewaltlos
ist sie von allen Werken des Menschen
vermutlich das friedlichste.
Was hat sie uns nur getan?

 

De instrumenten

Oogschaartje, mergepen, amniohaak –
je hoort het niet graag.
Zelfs de chirurgen passen ervoor op
om ons de steekbeitel te laten zien,
dat zou te hard zijn, de curettagelepel,
dat zou niet beleefd zijn, de hersenspatel
en de leverhaak. Alleen als het pijn doet
in de spoedeisende hulp vertrouwen we ons
met gesloten ogen toe aan de penisklem,
aan de bloedschepper. Dan ja!
Gezegend, zeggen ze, nu ineens,
zijn jullie, vulvaspreider en botrasp,
onze enige hoop
vlak voor de ziekenzalving.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022)

Im Advent (Karl Rudolf Hagenbach), Nicole Brossard

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 

Christkindlmarkt auf dem Oberen Stadtplatz von Deggendorf door Peter Jaru, 2012

 

Im Advent

Horch! was klirrt an Thür und Fenstern,
Horch! was rieselt durch den Wind?
Seid nur ruhig, vor Gespenstern
Fürchtet sich kein frommes Kind;
Nur der Englein Flügelrauschen
Hört es wachend und im Traum,
Nur dem Christkind gilt sein Lauschen
Mit dem schönen Weihnachtsbaum.

Christkind naht aus stillen Tritten
Morgens, Abends, für und für,
Horchet auf der Kinder Bitten
Draußen vor der Stubenthür;
Was es ihnen möge bringen
Schönes, Gutes allerlei,
Doch es fragt vor allen Dingen,
Wer da gut und artig sei?

Ferne merkt es die Gedanken,
Leise hört es jedes Wort,
Da wo Linnen ist und Zanken,
Schleicht es bang und traurig fort;
Aber wo mit holden Scherzen
Kinder froh beisammen sind,
Ach, da freut sich deß von Herzen
Das verborg’ne Weihnachtskind;

Freuet sich dem Fest entgegen,
Wie die Kinder alle thun,
Kann auch dieser Freude wegen
Nimmer rasten, nimmer ruhn,
Fliegt in heiligem Entzücken
Himmelaus und Himmelan,
Bis es alle Welt beglücken,
Alle Kinder segnen kann.

Wollen denn des Kindleins warten,
Warten, hoffen, früh und spät,
Bis das Wünschen aller Arten
Reichlich in Erfüllung geht,
Bis du wirklich uns erscheinest,
Christkind! in dem Strahlenkranz,
Jung und Alt im Chor vereinest
Um des Baumes Lichterglanz!

 

Karl Rudolf Hagenbach (4 maart 1801 – 7 juni 1874)
Kerstmarkt op de Münsterplatz in Basel, de geboorteplaats van Karl Rudolf Hagenbach

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

Steden na de ramp

als de stilte overstroomt
het licht voor en na de ramp
steden met de wind in hun haren
omdat je graag rechtop staat om
onder de bruggen het water van de snelle stroom en de levendige bron
te zien rollen door de tijd als in je borstkast
dan zie je ze van ver terugkomen
Paul Celan en Virginia Woolf
die haastig voortisnellen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e november ook mijn blog van 27 november 2021 en ook mijn blog van 27 november 2018 en eveneens mijn blog van 27 november 2017.

Luisa Valenzuela, Nicole Brossard

De Argentijnse schrijfster Luisa Valenzuela werd geboren op 26 november 1938 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Valenzuela op dit blog.

Uit: The Journey (Vertaald door Pablo Baler and Matt Losada)

She spent days trying to get in touch with Bolek by phone. She had no idea how she gave her master class at the Anthropological Association with such galloping anguish. On automatic pilot, of course. Friday at noon she opted for a decisive step. She called the Tel Aviv company and rented a car in order to pick him up at Creedmoor, that grand psychiatric institution. She arrived in one hour; that is, a bit before one, caught Bolek outside his sancta santorum , or better said, his lunatic lunaticorum, and I’ll have him give me some explanations that cannot be given over the phone. He leaves me insulting messages; he is about to get into a plane without even telling me and to top it all off he doesn’t return my calls. It’s too much. No one plays with me. Going by car would cost almost the same reasonable price as going to Kennedy, she had calculated, and she was not wrong. Now she is at home hurrying to get ready. She intends to send the car away at the door of Creedmoor as one who burns her own bridges. She can’t find the map with the directions, in desperation overturns a pile of papers on the kitchen counter, as an answer to her desperation the blessed map appears and she can finally set sail. She tells the driver Take the Triborough to LaGuardia airport and follow Grand Central Parkway to Union Turnpike, exit 22. The second exit, not the first one, eh? since it’s chaotic around here and if you get distracted for a second you get lost forever. Parallel lines do intersect, that is true, and the most dramatic part of it is that once they intersect they start irremissibly moving away from each other, and suddenly you take a street right next to another one and a bit further on you find yourself miles away from your destination. The driver is an unflappable guy. He’s only interested in exact directions. Maybe he thinks his passenger is going to the mental hospital to check herself in by her own will and he’d rather take no chances. His silence protects him, like the thick bullet-proof Plexiglas taxi drivers have on the back of their seats, with a tiny slot for the cash. It’s true that if she had to check herself in—none of us is exempted from having a breakdown—she would fight with her last speck of reason to not be committed by someone else. She would sign her own sentence; she knows the mechanics of it because one time she attended the drama of some old, poor parents who could not free their own daughter from a certain psychiatric institution for the simple reason that they had signed her in themselves. All this is very complex and it’s not to the point, except to define the strange laws governing the confinement of the insane, the pseudo-insane and the mentally disturbed in this part of the planet.”

 

Luisa Valenzuela (Buenos Aires, 26 november 1938)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden met hun oesters

zout op de wangen, daar hou ik van
deze smaak van intieme materie die voedt
gedachten, viooltjes, wijn, blote schouders van zomeravonden
in Sète, Sitges en in de hele Memramcook-vallei
het hoofd boven de stilte
Ik kan mezelf onderdompelen in de oester en het heldere zeezout

grijs, roze of zonder vuur
steden schoongeveegd door het ochtendgloren
overgevlogen als mijnenvelden
met antwoorden ver weg begraven
die lijken op fantoompijn omgeven door
blauwe bloemblaadjes van een middag
steden in het heden zonder afscheid te nemen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e november ook mijn blog van 26 november 2018 en eveneens mijn blog van 26 november 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten ’t Hart, Christian Filips

De Nederlandse schrijver Maarten ’t Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog.

Uit: Verlovingstijd

“Uitvaart
Op een zonnige, windstille septemberdag stoven wij naar een groeve in Groningen. Jarenlang had mijn moeder daar met mijn stiefvader in Baflo gewoond. Zij was daar, ‘zo dicht onder de poolcirkel’, zoals zij zei, langzaam weggekwijnd. Uiteindelijk had zij mijn stiefvader, vlak voor hij begon te dementeren, zo ver gekregen dat hij erin toestemde om te verhuizen naar de landouwen onder Schipluiden, waar mijn moeder en hij geboren en getogen waren. Als voorwaarde stelde hij wel dat hij in Baflo begraven wilde worden. Vandaar dat wij ons drie dagen na zijn overlijden van Zuid-Holland naar Noord-Groningen begaven.
Dat wij die tocht per touringcar zouden maken, was bij wijze van spreken reeds van voor de grondlegging der wereld door God voorbeschikt. In onze clan worden steevast bij kraamvisites, doopplechtigheden, confirmaties, huwelijken en begrafenissen touringcars ingehuurd. Het kan ook moeilijk anders, daar zowel mijn vader als mijn moeder, prettig overzichtelijk, voorzien is van negen broers en drie zussen. Met wederhelften en nakroost erbij vul je dan algauw een dubbeldekker.
Eerder al waren we, vanwege de huwelijksvoltrekking van mijn moeder en stiefvader, met een touringcar diagonaal door Nederland gekruist. Daags na de begrafenis van mijn vader had mijn moeder mij bezworen dat ze nimmer meer zou huwen. Niettemin had ze mij, nota bene aan de telefoon, een dozijn jaar na de dood van mijn vader totaal overrompeld met de volstrekt onverwachte mededeling: ‘Ik ga weer trouwen.’
‘Met wie?’ had ik gevraagd.
‘Met Siem.’
‘Hoe kom je aan Siem?’
‘In de krant zag ik een overlijdensadvertentie van zijn vrouw. Ik heb hem opgebeld om hem te condoleren. Zo is ’t gekomen.’
Ze had niet toegelicht hoe uit haar condoleance zo miraculeus snel liefde opgebloeid was, maar uiteraard werden we gesommeerd naar de bruiloft in Baflo te komen. Toen mijn broer hoorde dat ons gehavende gezin dankzij dat condoleancehuwelijk met zes stiefzussen zou worden uitgebreid, had hij een week amper geslapen.
‘Niet te geloven, zomaar zes zusjes erbij! Het moet toch gek gaan wil daar niet een sexy stoot bij zijn waar je van omrolt.’
Na onze diagonale dubbeldekkerstocht zaten wij al in het krappe gemeentehuisje van Baflo toen die zes zusjes binnen marcheerden. Zes schonkige, vadsige, wijdbeense wijkverpleegsters. Stuk voor stuk zo hartelijk dat het mij niet deerde dat ze eruitzagen als Deense doggen. Desondanks was mijn broer diep ontgoocheld. Tijdens de trouwdienst-aan-huis weigerde hij om mee te zingen. Toen de dominee, aan het begin van die trouwdienst, bij wijze van alternatief voor het kerkorgel, een taperecorder in de vensterbank had geinstalleerd en daaruit geen ander geluid tevoorschijn wist te toveren dan hevige bandruis, zei mijn broer: ‘Hoor nou toch, lied 33.”

 

Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)
Portret door Jopie Roosenburg-Goudriaan, 1995

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Hete fusie met Aurora

Overschot, overschot, puur overschot.
Sperma van giraffen. rasechte honden.
artisjokharten. liefde, ongevraagd
Zoveel dat ons omringt. Ik droomde gewoon
leeg en wit over de mest, de mest van schapen.
Temidden van de kudde, de heiligste wolkencommune
verscheen ook jij aan mij, wilde met je naar bed,
maar in de vacht van mijn benen, was je al snel niet meer te zien
verdwenen uit angst voor mijn paal, je extravagante
daverend geblaat, dat maaide voor ons neer
al die prachtige Aurora-kosmologie!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e november ook mijn blog van 25 november 2021 en ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.