Peter Stamm, Sascha Kokot

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Das Archiv der Gefühle

Früher am Tag hat es ein wenig geregnet, jetzt ist der Himmel nur noch teilweise bewölkt mit kleinen, kräftigen Wolken, deren Ränder weiß leuchten im Sonnenlicht. Von hier aus ist die Sonne schon nicht mehr zu sehen, sie ist hinter der bewaldeten Hügelkette verschwunden, und es ist spürbar kühler geworden. Der Fluss führt viel Wasser, an den Schwellen bildet sich weißer Schaum, es ist mir, als könne ich die Energie spüren, die im bewegten Wasser steckt, als fließe sie durch mich hindurch, ein kräftiger, belebender Strom. Hundert Meter flussaufwärts, wo das Wasser über das Wehr stürzt, weicht das gurgelnde Geräusch einem lauten, vollen Rauschen. Das Wort Rauschen trifft es nicht, es ist viel zu ungenau in seinen vielen Bedeutungen und Anwendungen, alles rauscht, der Fluss, der Regen, der Wind. Der Äther rauscht. Ich muss eine Akte zum Thema Geräusche des Wassers anlegen, ich frage mich, wo in der Systematik sie hingehört, Natur, Physik, vielleicht sogar Musik? Geräusche, Gerüche, Lichtphänomene, Farben, so vieles fehlt noch in meinem Archiv, so viel Unbeschriebenes, Unerfasstes, Unerfassbares.
Ich bin den Pfad entlanggegangen, der den Fluss hochführt ins Tal hinein. Franziska hat sich zu mir gesellt, ich weiß nicht, woher sie gekommen ist, vielleicht wurde sie vom Wasser angezogen, wie es uns beide immer schon angezogen hat. Plötzlich geht sie neben mir. Sie sagt nichts, lächelt mich nur an, als ich zu ihr hinüberschaue, dieses verschmitzte Lächeln, das ich nie ganz deuten konnte und vielleicht deshalb so sehr liebe an ihr. Sie nickt mir zu, als wolle sie mich ermuntern, irgendetwas zu tun, zu sagen. Das Haar ist ihr dabei ins Gesicht gefallen, sie streicht es zurück. Ich möchte meine Hand auf ihren Nacken legen, ihren Nacken küssen. Ich liebe dich, sage ich. Ich will ihre Hand fassen, aber ich greife ins Leere.
Manchmal taucht sie so unvermittelt auf, ohne dass ich an sie gedacht habe, leistet mir ein wenig Gesellschaft und verschwindet dann, wie sie gekommen ist, und ich bin wieder allein.
Wie lange bin ich schon gegangen? Eine halbe Stunde, eine Stunde? Vor mir läuft ein schwarzer Käfer über den Weg, und ich stehe still und beobachte ihn. Was
für ein Käfer ist das? Es gibt Hunderttausende von Insektenarten, und ich kenne kein Dutzend davon, Marienkäfer, Mai- und Junikäfer, Wanzen, Asseln, Tausendfüßler, Heuschrecken, Bienen und Hummeln, Ameisen, was weiß ich.“

 

Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

dit meer wordt vandaag ook drooggemaakt

dit meer wordt vandaag ook drooggemaakt
met zijn ondiepten in dichte begroeiing
de zwemmers hebben geen tijd
voor het oversteken van het water
hun bewegingen grijpen in de leegte
de kieuwen verliezen hun vorm
verre boeien kletteren hol op de grond
ergens daartussen happen de zeilen naar wind
het strand wordt zienderogen een strop
die snel sluit gevolgd door
de bewoners met handdoeken en parasols
ze vinden niets meer om aan te leggen
Ik heb deze zomer geroepen
om op vijfenvijftig meter diepte
op de laatste laag te staan

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

Ilja Leonard Pfeijffer, Raoul Schrott

De Nederlandse dichter en schrijver Ilja Leonard Pfeijffer werd geboren op 17 janauari 1968 in Rijswijk. Zie ook alle tags voor Ilja Leonard Pfeijffer op dit blog.

Uit: Grand Hotel Europa

“Omdat Montebello, wie niets ontging, moet hebben gemerkt dat de conversatie niet wilde vlotten, begon hij uit zijn hoofd in het Frans poëzie te citeren, waarvan ik vermoedde dat het haar woorden waren. Ik kan niet alles letterlijk reproduceren en ik moet toegeven dat ik ook niet alles verstond, omdat ik niet was voorbereid op deze uitbarsting van Franse poëzie, maar ik verstond genoeg om te begrijpen dat het ging om een feministische visie op drie verlaten vrouwen uit de mythologie, Nausicaä, Medea en Dido, die volgens mij werden samengesmolten tot één modern personage in de gedaante van een zwerfster in de metro van Parijs, maar voor het laatste deel van deze interpretatie moet ik gezien de particuliere metaforiek een slag om de arm houden.
Deze indrukwekkende demonstratie van betrokkenheid van de kant van de majordomus had een onverwachte uitwerking op de gevleide dichteres. Ze begon te schateren, waarbij zichtbaar werd hoe haar tanden verankerd waren in de met roze tandvlees overtrokken mandibula van haar schedel. Het was bijna angstaanjagend hoe grappig zij de goedbedoelde declamatie van haar eigen meesterwerk achtte.
‘Er was een tijd,’ zei ze, ‘waarin troubadours vrouwen het hof maakten met hun gedichten. Je zou bijna heimwee krijgen naar dat verleden. Want zie mij aan, omstuwd door twee heren die in hun pogingen een vrouw genegen te stemmen niets beters kunnen verzinnen dan indruk op haar te maken met haar eigen woorden.’
Ze keerde ons haar rug toe en zweefde weg.
‘Welnu,’ zei Montebello tegen mij, ‘ik zou durven stellen dat deze ontmoeting naar omstandigheden voorspoedig verliep. Ze heeft zich zowaar verwaardigd enige woorden tot ons te spreken. Ze is lang niet altijd zo genereus.’
Ik complimenteerde hem met zijn indrukwekkende vertoon van bonhomie. Hij glimlachte verveeld.
‘Het is een essentieel onderdeel van mijn professie om zo veel mogelijk te weten over mijn gasten,’ zei hij. ‘Op uw gedichten studeer ik nog. Ik heb echter moeite met de klanken van uw moedertaal, dus ik vrees dat ik, wanneer de gelegenheid zich voordoet om iets van uw hand te citeren, mijn toevlucht zal moeten nemen tot de Engelse, Duitse of Italiaanse vertaling. Ik hoop dat u bij voorbaat de grootmoedigheid kunt opbrengen om mij dat te vergeven.’

 

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 17 janauari 1968)

 

De Oostenrijkse dichter schrijver Raoul Schrott werd op 17 januari 1964 geboren in Landeck, Tirol (en volgens andere bronnen op een schip „São Paulo“ dat van Brazilië onderweg was naar Europa). Zie ook alle tags voor Raoul Schrott op dit blog.

 

ISAAC NEWTON-PRINCIPIA

het was een dinsdag · de wit geschilderde tafel
en de stoelen stonden in het gazon en ik zat
met mijn stiefzusters te eten · het was warm

en vanwege de pest de faculteit gesloten · een glas
water naast het bord en de gefileerde vis
deed me walgen: de dunne darm

het zwart gestolde bloed · we babbelden wat
ik zag hun monden geluidloos bewegen
en achter haar rug iets als een vleugel

maar aan de randen bijgesneden · een aanraking
zonder opzet alsof een engel je gedachten wilde overwegen
toen viel er ineens een appel van zijn tak

en de wereld was in zichzelf geborgen · de heuvels
het huis het hek · geen begin vond
meer het einde op een vooraf bepaald punt – weerstond

zijn natuurlijke drang naar orde · een last
lag op de dingen en van hun massa ging een zwaarte
uit die ze van elkaar afstootte · het onbestemde in

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Raoul Schrott (Landeck, 17 januari 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e januari ook mijn blog van 17 januari 2019, mijn blog van 17 januari 2017 en ook mijn blog van 17 januari 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Ester Naomi Perquin, Anthony Hecht

De Nederlandse dichteres Ester Naomi Perquin werd geboren in Utrecht op 16 januari 1980. Zie ook alle tags voor Ester Naomi Perquin op dit blog.

 

Over het effect van poëzie

Mijn zoon leert taal voor over zee. Hij worstelt met een t die klinkt
alsof hij er niet is. ‘Ik slis,’ zegt hij, ‘maar dat is niet zo erg
in het begin.’

Omdat ik van hem hou krijg ik hem zo te zien, vers gedolven taal,
moeizaam slalommend om zijn grotemensentanden,
een jongen uit een ander land.

Als ik huil, huil ik niet om hem. Niet om zijn uitspraak, de restjes
verwarring in zijn hoofd over Engeland en engelen,
niet eens om zijn onzekerheid.

Als ik huil is het omdat hij vraagt, aan zijn volwassen, iets te dikke
en weinig elegante moeder, terwijl hij er de meest oprechte
belangstelling in legt: ‘Do you want to be a ballet dancer?

En mam? Weet je wat ik heb gezegd?’

 

Onze geschiedenis

Je kunt je de dagen niet voorstellen, in zo’n hof. De dagen.
De gang van trage kuddedieren, de leeuw altijd kalm
naast het lam. Dof getok, schor gekakel.

Geritsel dat maar voort bleef duren, als het stromen
van een volkomen droge rivier. Steeds die gapende,
eindeloze uren. Het verlangen naar elders
beving ons, nam zienderogen toe.

Latere mensen spraken graag over God, zijn hof
als snijvlak van ruimte en onbegrensde tijd.
Maar voor ons was hij vooral begrenzing,
gebodsbord, overheid.

Wij staarden almaar voor ons uit, wij hadden geen verhaal.
Voor welke zonde was dat onze straf? Wij vroegen beleefd
om verlichting, verbeelding. Gedichten desnoods;
we oogstten gelach.

Er moest een uitgang zijn. Wij lagen wakker ’s nachts en
streepten opties weg. Een gat in de grond, een muur,
een hek. Maar uit wat volkomen lijkt
kom je niet meer weg.

Uiteindelijk begrepen we het allebei: het antwoord was
ons óók door God gewezen. We klommen omhoog,
betaalden de slang. Een vooraf vastgestelde prijs.

En eenmaal boven plukten we gretig, braken de ruggen
en sloegen toen open: ieder woord dat we lazen
was valluik, uittocht, paradijs.

 

Wet

Nu men over stilte bijna niets meer heeft te zeggen, het onderzoek
is afgerond, wereldwijd filosofen, psychologen, geologen
en de gewone man twijfelen aan het bestaan ervan

nu alles klinkt en piept, raast en knaagt, men naar buitenlandse
bergen moet of nachtelijke hei, naar binnenmeren,
buitenwijken, we nooit meer raken uitgepraat,
nooit meer tot bedaren komen –

Nu wat ons rest te klein wordt om onze doden in te passen,
kan men hooguit géén antwoord geven. Komma’s sparen.
Witregels verzamelen. Stillevens. Pauzes. Hapering.

Eén wet blijft altijd ongeschonden. Ter bescherming.
Vóór de stilte valt kan men iets zeggen. Of er na.
Maar nooit er midden in.

 

Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

Het feest van Stephen

1
Het stuntelige spel van de kleedkamer,
Klam door de stoom van de betegelde douchecabines,
Met schaamteloze melanges van civet, musk en zweet,
Het lawaai van de petsende klappen met natte handdoeken
Onder de stalen kooien van kale peertjes,
In een dergelijke omgeving van dikke kelderbuizen
En schoonmaak werkelijkheden
Kijken jongens voor het eerst openlijk naar elkaar,
Inspecteren elkaars lichamen van dichtbij,
En wat ze zien is niet zozeer iemand anders
Als wel een vreemde, mogelijke versie van zichzelf,
En heel die sparringdans, dat hormoonleven,
Die gespannen, uitbundige lenigheid, is slechts een vaag,
Rusteloos, ongericht ballet van eigenliefde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Antoine Wauters, Sascha Kokot, Philip Snijder

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Mahmoud ou la montée des eaux

« Au début, les premières secondes, je touche toujours mon coeur pour vérifier qu’il bat.
Car j’ai le sentiment de mourir.
J’ajuste mon masque, me tenant à la proue.
Je fais des battements de jambes.
Le vent souffle fort.
Il parle.
Je l’écoute parler.
Au loin, les champs de pastèques,
le toit de la vieille école et des fleurs de safran.
L’eau est froide malgré le soleil,
et le courant chaque jour plus fort.
Bientôt, tout cela disparaîtra.
Crois-tu que les caméras du monde entier se déplaceront pour en rendre compte ?
Crois-tu que ce sera suffisamment télégénique pour eux, Sarah ?
Qu’importe.
Agrippé à la proue, je vois mon cabanon, une vache qui paît en dessous des arbres, le ciel immense. Tout est loin.
De plus en plus loin.
J’enfile mon tuba. Je fixe ma lampe frontale afin qu’elle ne bouge pas.
Et je palme lentement pour maintenir mon corps d’aplomb.
Je prends ensuite une grande, profonde respiration, et tout ce que je connais mais que je fuis, tout ce que je ne supporte plus mais qui subsiste, tout ce qui nous tombe dessus sans qu’on l’ait jamais demandé, je le quitte.
Une sensation exquise.
La meilleure.
Bientôt, je code, je disparais mais je n’ai plus peur car mon cœur s’est habitué. »

 

Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

kalm word ik niet

kalm word ik niet
met mijn blik op het bos
en de zwarte meubels
die achter me zijn neergezet
de vrouw staat in de keuken
praat met het kind in de box
de honger laat het zeuren
morgen komt de mortel
voor de laatste voegen aan het huis
sinds een paar dagen blijft
de warmte langer in de oven hangen
hem aansteken gaat nu beter
zelfs de vorst trekt zich terug
maar wild verzamelt zich voor de poorten
kalm wordt ik niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Philip Snijder werd geboren in Amsterdam in 1956. Zie ook alle tags voor Philip Snijder op dit blog.

Uit: Retour Palermo

“Wang tegen wang, de mijne tegen die van de non, zeker al een kwartier. Onze mondhoeken bevonden zich op een centimeter van elkaar, minder nog, doordat ik de zijkant van mijn gezicht waar dat maar kon in volkomen symmetrie tegen de hare probeerde te duwen. Mijn kin tegen die van haar, dan het volle oppervlak van onze wangen, daarboven mijn rechterslaap tegen haar stugge witte hoofdkapje. Om nog dichter bij haar te komen had ik mijn vette lange haar achter mijn oor gehaakt. Ik stelde me voor dat ik bij het knipperen met mijn wimpers die van haar, op haar gesloten oogleden,
steeds raakte en liet meebewegen. Dat ik haar zo bijna on- merkbaar kriebelde en dat de snelle trekjes die haar neus en bovenlip maakten door deze ragfijne strelinkjes werden veroorzaakt. Al meerdere keren had ik mijn tong naar buiten laten komen en snel langs haar iets openhangende mond laten glijden. Op het glas van het coupéraam dat ons scheidde, was op die plek in de condens van mijn adem een vettige streep te zien.
Zittend op mijn rugzak, platgelegd in het gangetje van de nachttrein, kon ik mijn gezicht exact op dezelfde hoogte brengen als dat van de non, die in diepe slaap was weggezakt tegen het raampje dat naast de schuifdeur haar coupé afsloot. Waarschijnlijk om mij, na onze eerdere uitwisseling van sympathiebetuigingen, niet onbeleefd van zich te scheiden, en om mij zicht te geven op de tegen haar schouder slapende Ingrid, had ze het gordijntje dat zich naast haar bevond niet dichtgetrokken, wat haar toch een aangenamer hoofdsteun zou hebben gegeven.
En zo kon ik mij, aan de andere kant van het glas, over- geven aan een van de vele koortsige hersenkronkels die me door slaapgebrek, vermoeidheid en hitte in dit laatste deel van onze reis steeds vaker kwamen bezoeken. In de plotselinge zekerheid dat de bedorven atmosfeer in het gangetje aan míj te wijten was, had ik zeker een uur angstvallig mijn adem onderzocht in mijn zwetende handpalm, waarbij elke controle zowel een bevestiging als een weerlegging oplever-
de. Daarvóór had ik een lange tijd met woest kloppend hart zitten loeren naar de knieën en voeten van de mannen op de bank tegenover Ingrid.”

 

Philip Snijder (Amsterdam, 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog..

 

In deze doolhof van letters

In deze doolhof van letters
zoek ik naar een gaatje
om u een stukje buitenlucht te tonen
of een kinderhandje dat hoepelt.
ik kan wel schrijven akst mik strlos
en bedoelen dat ik niet te spreken ben
maar men zal toch binnenkomen
ik moet verstaanbaar uw werkelijkheid
ontvreemden als een zakkenroller.

oh ik geniet als ik u wanhopig
naar het oude evenwicht zie grijpen
apodictisch conferencier is de dichter
een mol die ’s nachts uw land openwroet
en ’s morgens staat u veranderd en bevreemd
naar zijn nagelaten werk te staren

het is geen kunst
als stilstaand water diepe gronden te hebben
de dode speelgoedpop met de gebarsten kop te strelen
maar onder de oppervlakte stromend
steeds weer nieuwe huid te voelen
dit gevecht is eindeloos en zonder uitzicht
daarom verlaat de dichter zijn vers als een bedelaar.

 

Vanwege

‘En het geschiedde in die dagen
dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’
Je las het ons strak en plechtig voor.

Weg moesten ze uit hun huizen
dagreizen ver om ergens geteld.
Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.

Maar wel dat het bevel ook hier
kon gelden, aan deze feestelijke dis
en wij vertrekken moesten, plotseling

Om geteld of erger. Het kind, de kribbe
de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.

Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster.
Je stem leek ver, je las de oude woorden.

En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.

 

Een chirurg weet van geen pijn

Stuurloos staart hij naar de patient
hoe de pijn vrij te krijgen
los te maken in heldere cesuren
wat voor hem onzichtbaar blijft

Hij snijdt in wat zeer zichtbaar is
een bloederige troep: de mens in
zijn algemeenheid beent hij
zorgvuldig uit.

Gaaf en glanzend onder de operatielamp
restanten van actie: de patiënt is bevrijd
van zijn pijn maar hij, het heft in handen
hem is zij opnieuw ontsnapt.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

hier moet de winter voorbij zijn geweest

hier moet de winter voorbij zijn geweest
zo uitgedund de takkennesten
handhaaft er zich geen wind meer in
opgedeeld glinsteren de appartementen erachter
zelfs als er niemand te zien is
weet ik dat jij daar bent
jouw geloof in een behuizing
jouw getreuzel in de uren
waarin de verlichting uitvalt
en je lichaam de laatste plaats is
die de warmte zal verlaten
voordat de stilte zich verzamelt
of een verwarmingsketel opnieuw aanspringt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Edmund White, Adrian Kasnitz

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit:  A Saint from Texas

“When I was seventeen I started planning my debut. Bobbie Jean hadn’t met a lot of “the good people,” as she called them, and I think she was planning to social climb through me. She hired Honey Mellen, a “party planner,” as she called herself, although we called her our “society coach.” The fiction was that Bobbie Jean and I were too busy to look after the million and one details involved in coining out, though the truth was we didn’t have Honey’s little green alligator-skin book of names and numbers, we didn’t know who to invite or the right florist or photographers or musicians or caterers. But Honey knew, she knew all about that—she also did weddings. It’s funny, weddings and debuts are all about getting a girl hitched to a man or at least in the right marriage sweepstakes, but both events involve women alone. Whoever heard of asking a man his opinion? At least in Texas, if not in France, women decided the kind of lace, the length of the train, the tiny buds in the tightly bound bouquet, the church, the preacher, the bridesmaids’ dresses, the reception and its hors d’oeuvres, hiring Lester Lanin’s real orchestra and some rinky-dink local band to fill in during the breaks, even if they knew how to play only “Tenderly” and Johnny Mathis’s “It’s Not for Me to Say.” We all liked Mathis. He was Texan. Sort of. Bobbie Jean told Honey the sky was the limit price-wise. She wanted her Yvonne to be properly launched in society. She and Bobbie Jean decided on the theme for my dance, “Venetian Night,” at the Brook Hollow Golf Club, complete with gondolas and men dressed in tights and straw boaters singing “0 Sole Mio,” and a Bridge of Sighs, two-thirds as large as the original, and a campanile-shaped pizza oven. Honey must have been in her forties, but energy! And she wore the trapeze look from Neiman’s, natch. Her hair was thick and wild, turbulent actually, and peroxided a platinum blonde. She wore nearly black lipstick and matching nail polish (she called it aubergine, though at that time I didn’t know that meant “eggplant”). She drove a red Cadillac convertible with fins out to here and she always kept the roof down. When it was raining she drove faster, honking all the slowpokes out of the way. She played loud colored music on the radio, music from Memphis, she called it race music. She wore a very strong perfume, dizzying really; I think it was an attar of roses, meant to be diluted to eau de cologne, but she used it full-strength and old ladies at concerts complained about it (“a real invasion of our privacy,” they muttered). She was always laughing loudly and jangling her costume jewelry bracelets, a dozen of them, bangles like a slave girl’s, as if she were on Benzedrine. She never finished a sentence but constantly interrupted herself with some new extravagance. She was never catty and never bad-mouthed her other clients, much as I tried to lure her into a good chin-wag. She was as discreet as an agent or a psychiatrist, which she was for all of us, I suppose. She always started out brimming over with excited enthusiasm for my ideas, no matter how dumb, but the way she shepherded you back to a more original concept—and the way she made you think it was your own—was truly astonishing.’

 

Edmund White (Cincinnati, 13 januari 1940)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Elckerlijc

de ogen lichten op bij de geldautomaat. een gelukkige glans
die wordt weerspiegeld in de lcd. je bent jong, je ziet er goed

uit, je vindt je jurk in een hip filiaal
(zoals in elke stad). naar de city, dat is jouw gevoel

na het werk, na het eten, na de liefde. maar wat jouw
man zegt, blijft gewoon: naar de city, dat is zijn gevoel.

uit de geldautomaat vallen biljetten, jouw gunst & van jou het kraak-
verse. het papier is maagdelijk, iedereen vindt het leuk

hoe je je beweegt van boetiek naar boetiek gaat. koop je iets
leuks, een kind, zoals het lacht in de reclame, omdat de wens

gemakkelijk af te rekenen was met de gouden kaart.
een chip die jouw gegevens draagt, jouw afmetingen. jouw slip

wordt hij nat bij de aanblik van de flacons? Bij de muziek die de
warenhuis dj oplegt voor je persoonlijke cashflow?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Cees van der Pluijm, Katharina Hacker

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

Sebastiaan

voor Adriaan Litsroth

Geen kind, maar in zijn houding wel een jongen
Die trots en weerloos voor zichzelf bezwijkt
(Niet hemels, eerder mannelijk en aards)
Met pijlen in zijn hart en in zijn longen

Een jonge man die op een jongen lijkt –
Zo op zichzelf verliefd, zo binnenwaarts
Gericht de geile blik – die noodgedwongen
Nog doet alsof hij naar zijn vrienden kijkt

Hij weet dat hij de pijlen richting geeft
(Nu spannen zij voor ’t laatst de zware bogen)
Dat hij door eigen daadkracht verder leeft

Hij ziet zichzelf in hun doorlopen ogen
Hij proeft zijn bloed dat aan hun handen kleeft
En voelt dat hij zijn beulen heeft bedrogen

 

Twee seizoenen voor Bert

I.
De lente komt. Een wereld van clichés
Gaat zelfgenoegzaam ronkend voor ons open
Een jonge liefde bloeit – het oude liedje –
En zet zijn nagels vrolijk in je vlees

Je zou wel willen jubelen en hopen
Dat alles goed blijft, maar je hoofd verbiedt je
Hartstochtelijk te zijn en zonder vrees
Je moest het vroeger vaak genoeg bekopen

De angst van wie verliefd is voor verlies
Maakt alles broos en breekbaar als een vlies
Van ijs na nauw een enkel nachtje vorst

De angst die ik verafschuw en verkies
Omdat hij de ontroering met zicht torst
Van liefde en een niet te lessen dorst

II.
Nu legt het licht zich met een gouden glans
Als zacht fluweel op ’t felgekleurde blad
De milde middagzon krijgt nog een kans
Haar toverspel te doen met laan en pad

Straks zal de storm de kale takken deren
En breken wat de stoere drager was
Van bloem en vrucht. Wie zou het kunnen keren?
De winter komt. Wij gaan op Gods kompas

Zo zou de echter dichter vroeger dichten
En in ’t sextet bleek ook zijn herte moe
Zijn ogen dof als uitgedoofde lichten

Hij schreef vol romantiek zijn woordenspel
Van liefde die vergaat, met tranen toe
Maar wij, wij doen dat niet, mijn vriend. Of wel?

 

Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

 

in september

over de muur hangen de takken van de wilg
kaarsrecht groeit de stam van de ginkgo op de binnenplaats
van het feest bleven tussen de kasseien
witte zoutkorrels van de pretzels geraspt
terwijl de kruimels al lang vogels hebben opgepikt
dit is het begin denk ik bij mezelf
waar ik dagen al de herfst in tel
de winter in de lente in tot in de zomer
de volgende als tussen de stenen
weer zoutkorrels liggen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e januari ook mijn blog van 12 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Katharina Hacker

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

Uit: Skip

„Ich heiße Skip Landau, meine Mutter stammt aus Eng-land, mein Vater aus Paris, seine Eltern sind aus Ungarn nach Frankreich ausgewandert, weil sie als Juden in Ungarn nicht Medizin studieren durften. Den Krieg haben sie, so wie mein Vater auch, knapp überlebt, in irgendeinem Dorf in Süd-frankreich. Warum meine Mutter 1946 nach Paris gegangen ist, hat sie nie erklärt, vermutlich wollte sie weg von zu Hause, weit weg und schnell, und sie behauptete, Französisch lernen zu wollen und Malerin zu werden. Sie hat wirklich gemalt, nicht schlechter als andere, denke ich, und warum sie es am Ende aufgegeben hat, weiß ich nicht, oder vielleicht hat sie es auch nicht aufgegeben, sondern nur noch in kleine Hefte gezeichnet, sie hatte kleine Hefte, vielleicht finde ich sie in ihrem Nachlass, wenn ich mich endlich aufraffe, die letzte Kiste zu öffnen und zu sichten, was ich brauche, was ich behalte, eine Vorstellung, die ich nicht gut ertrage. Die Kiste steht mittler-weile in meiner Wohnung in Berlin. Von ihren Gemälden habe ich nichts behalten, ich dachte, ich würde sie nie los, an die hundert, um genau zu sein siebenundachtzig, doch a tauchten immer mehr Freunde und Bekannte meiner Eltern auf, die danach fragten, und plötzlich stand ich da, hatte nichts außer einem kleinen, quadratischen Bild. Es hing immer in meinem Büro, in dem Zimmer mit Blick auf den Hof in Newe Zedek, das heißt Oase des Friedens. Ich habe lange in Israel gelebt, jetzt wohne ich in Berlin. In Paris lernte meine Mutter in der zweiten Nacht meinen Vater kennen. So erzählte mein Vater. Meine Mutter erzählte, sie habe ihn in einem Café gesehen und sich verliebt, bevor sie nur ein Wort mit ihm gewechselt habe. Mein Vater sagte, sie sei mit ihm ins Bett gegangen, in dieser zweiten Nacht, in ihrer zweiten Nacht in Frankreich, und in der Nacht ihrer Begegnung. Er harte eine eigene Wohnung, eine winzige Wohnung im jüdischen Viertel. Seine Eltern wohnten damals etwas außerhalb, in Neuilly. Meine Großeltern waren fromm, auf ihre Weise, meine Groß-mutter sogar vermutlich ganz und gar gläubig, und vielleicht hätte sie besser einen Orthodoxen geheiratet. Alles hat sich verflüchtigt wie sie selbst, ihr Glaube, ihre Gewohnheiten, und ich bin nicht einmal Jude nach dem strengen Gesetz, denn meine Mutter war keine Jüdin, obwohl eine ihrer Tanten irgendwann schnaubte, etwas derart Albernes habe sie noch nie gehört, bei einer Familie, die Blomfield heiße, das war der Mädchenname meiner Mutter. Was ist, was nicht ist, ich habe einigermaßen so gelebt, als wäre das klar, mich hat das Sichtbare interessiert. Immer das Sichtbare und was man anfassen kann, wie Menschen sich bewegen zwischen Wänden, umgeben von Möbeln. Also bin ich Architekt geworden. Ich wollte Häuser bauen. Wohnungen. Höfe auch, Höfe, in denen Kinder spielen, ihre Mütter könnten sie dann aus großen Küchenfenstern schon, in den Höfen stünden Bänke, unter Bäumen, blühenden Bäumen.“

 

twee handen bootsen het projectiel na dat
in de lucht staat opvliegt

van boven af vanuit het perspectief van de stilstaande vogel
fotografeerde ik deze weg de scherpgekante
zwarte stenen van de oude Messeweg naar Leipzig
een gedrongen vogel is het die in zijn vlucht
op geen roofvogel lijkt eerder op het woord
kwartel ja het lijkt op een woord van de naam
van een trekvogel die bijna uitgeroeid is

Vertaald door Frans Roumen

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e januari ook mijn blog van 11 januari 2019 en ook mijn blog van 11 januari 2015 en ook mijn blog van 11 januari 2016 deel 2.

Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz

De Nederlandse dichteres Saskia Stehouwer werd geboren op 10 januari 1975 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Saskia Stehouwer op dit blog.

 

brief aan onze overzeese lezers

nu zijn wij degenen
die onze spullen dragen
naar de huizen van vrienden
die verdwijnen in de achterzak
van de tussenpersoon

nu zijn wij degenen
die aan boord gaan
om te varen over een zee
waarvan we het einde niet kennen

ooit zijn jullie degenen
die warme kleren aantrekken
die aarzelend kennismaken
hoe lang blijven we samen

nu zijn wij degenen
die het onze moeders niet vertellen
die onze kinderen kalmeren
voordoen hoe ze moeten zwemmen

straks zijn wij degenen
die rustig slapen
in ons nieuwe huis
op jullie bodem

 

Kast

aan het eind verdelen we de resten
zodat iedereen tegelijk sterft

we kruipen tegen elkaar aan
blazen onze borst op
als verwarming

binnen een week moet een kind zich vullen
om ons volk te kunnen dienen
wie niet deugt wordt er uitgegooid

we hebben namen gekregen
zodat zij ons bij zich kunnen dragen

soms vertrekt het halve volk
om aan een boom te gaan hangen
kauwend op de keuze
tussen werk en dood

onze mannen zijn overal thuis
wij kennen onze kast
vliegen nooit verkeerd

zonder ons geen eten op hun bord
zonder ons een stap terug

hemel ver weg
aarde bijna op

 

Instrument

de boom zit in de vogel
zit in de darmen van de vis
voelt zich niet thuis

mist het water in zijn dienende staat
mist het verlangen naar water
zoals de koe haar melk mist
wanneer die nog te zien is
de vorm van de melk in de emmer
is niet de vorm van de melk in de koe

de speler groen alsof de lente uit zijn huid groeit
lianen speuren naar een gastheer
die hun een ongestoord verblijf garandeert

de speler zit in de vogels
die hun vleugels samenknijpen
om er een toon uit te persen

die hun muziek doorkrijgen van de takken
van de boom die in de vis zit
en zich niet thuis voelt

 

Saskia Stehouwer (Alkmaar, 10 januari 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Aswolken

De as van IJsland boven onze hoofden
en in onze motoren
ik heb al langer het gevoel dat
er zand in mijn gedachten zit, het inschakelen
van de computer, het nieuws lezen
het pop-uppen van berichten
zachtjes druppelt naar beneden
de fijne asregen op de ramen
van de auto’s die met altijd hetzelfde lawaai
tegen de muur donderen
in mijn dromen
hou ik je stevig vast en bevoel je
als de wikkel van een chocoladereep
het knettert boven onze hoofden
wanneer de motoren uitvallen en de
onhandige machines het zweefvliegen oefenen
ik heb al langer het gevoel dat we
niet alleen zijn, maar dat iemand achter de camera
onvermoeibaar naar ons zwaait
hoe echter kan ik hem antwoorden?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e januari ook mijn blog van 10 januari 2019 en ook mijn blog van 10 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Bas Heijne, Nora Bossong

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Leugen & waarheid

‘In potentie zijn we allemaal kleine dictators.’
Gesprek met Richard Wrangham, antropoloog
Dat wij mensen gewelddadig én vredelievend kunnen zijn, dat weet iedereen, maar over waarom dat zo is wordt al eeuwenlang gebekvecht. Zijn we in de kern gemoedelijke wezens die gecorrumpeerd worden door krachten van buiten, vroeger door listen van de duivel, tegenwoordig door verwrongen maatschappelijke structuren? Worden uitbarstingen van wreedheid en geweld veroorzaakt door armoede en ongelijkheid, opruiende politici en religieuze gifmengers, of institutioneel racisme? Of is de mens van nature een zelfzuchtig en agressief wezen en moet hij in toom worden gehouden door maatschappij en autoriteit? In filosofisch steno: het is Jean-Jacques Rousseau (izia-170) versus Thomas }lobbes (1588-1679). Pleitbezorgers van deze radicaal verschillende mensbeelden bestrijden elkaar tot op de dag van vandaag. Maar volgens de Britse antropoloog en primatoloog Richard Wrangham zit ons altruïsme én onze nietsontziende moorddadigheid in onze genen. De menselijke soort is, vergeleken met andere soorten, sociaal gezien opvallend weinig agressief. Tegelijk blijkt hij in staat tot het aanrichten van slachtpartijen op een onvoorstelbare schaal. Hoe de evolutie deze paradoxale gespletenheid in ons heeft verankerd, is de vraag die Wrang-ham probeert te beantwoorden. Tot begin 2020 doceerde Wrangham aan de universiteit van Harvard; wanneer ik hem spreek via Skype zit hij samen met zijn vrouw vanwege de coronapandemie in isolatie in de buurt van het Engelse Cambridge. Toen hij in de jaren zeventig als student deelnam aan een onderzoeksproject van de beroemde primatoloog Jane Goodall, had hij niet gedacht dat hij ooit een boek over mensen zou schrijven. Apen, dat was zijn ding. Natuurlijk was ik in apen geïnteresseerd omdat ze ons iets over mensen konden leren, maar ik zag mijzelf in de eerste plaats als iemand die dieren bestudeerde. Pas toen ik me ging bezighouden met de verschillen tussen chimpansees en bonobo’s, besefte ik dat die me mogelijkerwijs iets konden vertellen over de evolutie van homo sapiens. Bonobo’s zijn vredelievender dan chimpansees. Dat is verrassend omdat ze fysiek zoveel op elkaar lijken. Heel lang had men niet eens door dat het om twee verschillende soorten ging. Terwijl ze psychologisch en emotioneel heel anders in elkaar zitten. Dat riep bij mij de fascinerende vraag op hoe evolutie werkt, hoe kleine morfologische verschillen grote verschillen in gedrag kunnen veroorzaken:
Volgens u is het grote verschil dat bonobo’s zichzelf gedomesticeerd hebben. Hun niet-vijandelijke omgeving maakte het gemakkelijker voor tamme apen om te overleven.
`Wolven en honden lijken ook veel op elkaar, ze zijn nauw aan elkaar verwant, maar het verschil in anatomie en gedrag is vergelijkbaar met het verschil tussen chimpansees en bonobo’s. Ik ben inderdaad van mening dat bonobo’s zichzelf hebben gedomesticeerd, minder geneigd zijn tot agressie en geweld dan de voorouders die ze met chimpansees delen. Net zo heeft de mens zichzelf gedomesticeerd ten opzichte van zijn eigen voorouders. Hij is daardoor minder impulsief agressief geworden.’

 

Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nora Bossong werd geboren op 9 januari 1982 in Bremen. Zie ook alle tags voor Nora Bossong op dit blog.

 

Geweien

Het spel is onderbroken. Hoe zouden we
nog steeds in sprookjes geloven? De takken
splinteren ’s nachts niet meer, geen wild,
dat door de bossen trekt en het onweer
lost op in zwermen vliegen. Niettemin,
het feit blijft:: de jeuk onder onze voeten
is geen restant van een den, geen brandnetelblad, we volgen nog
steeds de drievoudige stap, de zeven bergen en ook
het reekalfbroertje en zijn lieve zusje.
Vertel me de geweien aan de muur, vertel me
naalden in de vliegen. Op het juiste moment
vergaten we te struikelen.
Sneeuwwitje slaapt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nora Bossong (Bremen, 9 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e januari ook mijn blog van 9 januari 2019 en ook mijn blog van 9 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.