Ad Zuiderent, Linda Pastan

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

 

Elegie

1.
Niet de stilte beschrijven van dodenmuziek
en de voeten in zachte wol – luxe;
er is geen einde aan romantische vioolconcerten
rond de presidentiële baar.

Waarschijnlijk had de componist gelijnd papier en een ganzeveer
er is wel een tekening van te vinden –
liet hij een lied zingen en de piano iets anders
totdat hij gansch verloren in klank zichzelf bewoog:…

‘Ik belijd mijn onmacht om de ganzepen te roeren
mijnheer de president
het vetbultig pathos staat op ons gezicht
en de hand tussen twee lijnen.’

2.
Maar de structuur van 5 tikken geven
bij 16 een tremolo op de trom
de s betekent hier slow (lui van klank)
dat ribbelen weer en zo gaat dat door.

de staafspeelster moet fast/snel
het moet wel sterk worden (doen we straks wel;
dat hokje is een registeromvang
dat boogje betekent: de klank zet zich door)

‘Akwariumvis’
proberen om razendsnel en hard te fluisteren
en nog een keer – zonder mannen.
Willen die zich er niet mee bemoeien!

Wij hebben onze zee, met zon erop.
Wij hebben onze bomen met bladeren.
Dag en nacht gaan wij maar, naar achter en naar voor
tussen onze zee en onze bomen.’

 

Lokaties voor een film

Geïntimideerd door het toevallige:
er lag een bootje in de ringvaart
Verhalen die hoe langer hoe minder verhaal
met storm tegen het haar in

Dus deze mogelijkheden:
een fietser, een bootje (kajuit),
tochtje naar het Nieuwe Meer
waar bv. ontdekt
dat vlakbij Amsterdam je op de fiets
nog een bloedneusgevoel kunt hebben

Drie auto’s onderweg en een stuk afgeschafte
autoweg (Rijkswaterstaats Eigen Weg);
geen tegenliggers, vakantiegangers o.i.d.
maar het eerste herfstweekend, een zaterdag
tegen zessen

Weg wezen

Vanwaar de bloedneus, de auto’s (het detail
van de rotte achterband van de fiets erbij betrekken).
Geheimzinnig doen? Misdaad? Liefde?
En niet te vergeten: hoe schokkend het is
rond die tijd de pasgemaaide gazons te zien
van de ontvolkte volkstuinen,
een lokaas voor
ontroering op zijn minst.

 

Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

 

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

Terugtellen

Hoe ben ik zo oud geworden
vraag ik me af,
met mijn 67ste verjaardag
voor ogen.
Dyslexie lacht:
ik ben eigenlijk 76.

Er zijn plaatsen
waar ze bij 60 beginnen
terug te tellen;
in Japan
beginnen ze opnieuw
vanaf een.

Maar de cijfers
doet er nauwelijks toe.
Het is de fysica
van versnelling die ik erg vind,
de manier waarop de tijd versnelt
alsof die de bestemming

niet heeft doorzien-
maar kijk!
Ik zie mijn moeder
en vader met een cake,
op mij wachten
bij de startlijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e mei ook mijn blog van 28 mei 2019 en ook mijn blog van 28 mei 2017 deel 2 en ook mijn blog van 28 mei 2016.

Linda Pastan

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

ACCIDENTS

There is no infant
this time,
only my own life swaddled
in bandages
and handed back to me
to hold in my two arms
like any new thing,
to hold to my bruised breasts
and promise
to cherish.

The smell of cut
flowers encloses this room,
insistent as anesthetic.
It is spring.
Outside the hospital window
the first leaves have opened
their shiny blades,
and a dozen new accidents
turn over in their sleep.
waiting to happen.

 

ANGELS

Are you tired of angels?
Myra Sklarew

I am tired of angels,
of how their great wings
rustle open the way a curtain opens
on a play I have no wish to see.
I am tired of their milky robes,
their star-infested sashes,
of their perfect fingernails
translucent as shells
from which the souls
of tiny creatures have already fled.

Remember Lucifer, I want to tell them,
his crumpled bat wings
nose-diving from grace.
But they would simply laugh
with the watery sound a harp makes
cascading through bars of music.
Or they would sing to me in
my mother’s lost voice,
extracting all the promises
I made to her but couldn’t keep.

 

THE COMING ON OF NIGHT

When ambition, like a faulty
pilot light, sputters
and goes out and the abstract
spark of hunger with it;

when even those whose fiery
eccentricities seemed
inextinguishable have faded into
darkness or been snuffed out,

we are left with the peace
of evensong, with night
coming on in the midst
of what yesterday

was simply afternoon.
All the clocks are changed now.
It is almost time to feel our way
out of the world.

 

ENGELEN

Ben je engelen beu?
Myra Sklarew

Ik ben engelen beu,
beu hoe hun grote vleugels
openruisen zoals een gordijn opengaat
voor een toneelstuk dat ik niet wil zien.
Ik ben hun melkachtige gewaden beu,
hun met sterren besmeurde gordels,
hun perfecte vingernagels
doorschijnend als schelpen,
van waaruit de zielen
van kleine schepselen al zijn gevlucht.
Denk aan Lucifer, wil ik tegen ze zeggen,
aan zijn verfrommelde vleermuisvleugels
in een duikvlucht uit de genade.
Maar ze zouden gewoon lachen
met het waterige geluid dat een harp maakt,
die neer tuimelt over muzikale ritmes.
Of ze zouden voor me zingen met
de vervlogen stem van mijn moeder,
alle beloften bovenhalen,
die ik haar deed, maar niet kon houden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2020 en eveneens mijn blog van 27 mei 2019 en ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Alan Hollinghurst, Maxwell Bodenheim

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Stranger’s Child

“She heard a faint familiar sound, the knock of the broken gate against the post at the bottom of the garden; and then an unfamiliar voice, with an edge to it, and then George’s laugh. He must have brought Cecil the other way, through the Priory and the woods. Daphne ran up the narrow half-hidden steps in the rockery and from the top she could just make them out in the spinney below. She couldn’t really hear what they were saying, but she was disconcerted by Cecil’s voice; it seemed so quickly and decisively to take control of their garden and their house and the whole of the coming weekend. It was an excitable voice that seemed to say it didn’t care who heard it, but in its tone there was also something mocking and superior. She looked back at the house, the dark mass of the roof and the chimney-stacks against the sky, the lamp-lit windows under low eaves, and thought about Monday, and the life they would pick up again very readily after Cecil had gone.
Under the trees the dusk was deeper, and their little wood seemed interestingly larger. The boys were dawdling, for all Cecil’s note of impatience. Their pale clothes, the rim of George’s boater, caught the failing light as they moved slowly between the birch-trunks, but their faces were hard to make out. George had stopped and was poking at something with his foot, Cecil, taller, standing close beside him, as if to share his view of it. She went cautiously towards them, and it took her a moment to realize that they were quite unaware of her; she stood still, smiling awkwardly, let out an anxious gasp, and then, mystified and excited, began to explore her position. She knew that Cecil was a guest and too grown-up to play a trick on, though George was surely in her power. But having the power, she couldn’t think what to do with it. Now Cecil had his hand on George’s shoulder, as if consoling him, though he was laughing too, more quietly than before; the curves of their two hats nudged and overlapped. She thought there was something nice in Cecil’s laugh, after all, a little whinny of good fun, even if, as so often, she was not included in the joke. Then Cecil raised his head and saw her and said, ‘Oh, hello!’ as if they’d already met several times and enjoyed it.
George was confused for a second, peered at her as he quickly buttoned his jacket, and said, ‘Cecil missed his train,’ rather sharply.
‘Well, clearly,’ said Daphne, who chose a certain dryness of tone against the constant queasy likelihood of being teased.
‘And then of course I had to see Middlesex,’ said Cecil, coming forward and shaking her hand. ‘We seem to have tramped over much of the county.’
‘He brought you the country way,’ said Daphne. ‘There’s the country way, and the suburban way, which doesn’t create such a fine impression. You just go straight up Stanmore Hill.’

 

Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zie ook alle tags voor Maxwell Bodenheim op dit blog.

 

Oude dag

In mij zit een klein geschilderd pleintje,
Omzoomd door oude winkels, met opzichtige luifels.
En voor de winkels zitten oude mannen met open hemden te roken,
Zonlicht te drinken.
De oude mannen zijn mijn gedachten:
En ik kom elke avond naar ze toe, in een krakende kar,
En laad stilletjes voorraden uit.
We vullen slanke pijpen en praten,
En inhaleren geuren van bleke bloemen in het midden van het pleintje. . . .
Sterke mannen, rinkelende vrouwen en druipende, jengelende kinderen
Kuieren aan ons voorbij, of de winkels in.
Ze groeten de winkeliers en tikken voor mij tegen hun hoed of voorhoofd. . . .
Op een avond zal ik niet terugkeren naar mijn mensen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e mei ook mijn blog van 26 mei 2020 en eveneens mijn blog van 26 mei 2019 en ook  mijn blog van 26 mei 2018.

Erik Spinoy, Jane Kenyon

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

 

De Straten

Vogels vliegen op

naar vreemd geworden takken. De zon
hangt laag. De tijd bewijst zich en
plukt loof, bederf – de vruchten
van zichzelf, maar steeds opnieuw en

anders. Geen jaar is vergelijkbaar
met een ander jaar, tenzij door
weglating, verzwijgen. Elk seizoen is
slechts zichzelf en al wat

namen draagt ontsnapt. Zodat er
enkel deze herfst is en dat maar
voor heel even. Zoals de rook
boven het brandend loof meteen

verwaait. Zoals de straten amper nat zijn
na een bui.

 

Er zat

Er zat
dit kleine zwarte spatje
op mijn oog.

(Iets prikte ook nog
bovendien.)

Zo kende ik niet de trekken terug
van haar mijn liefste
maakten vrachten sneeuw
haast geen verschil
en keek ik
nachtblind in
het stralen van een zonsopgang.

Maar door dit spatje
lijdzaam en geduldig
wetend uit te staan

kon ik veel
harder gaan.

 

Adolf, gelukkige wolf

Adolf, gelukkige wolf.

Verzonnen zwarte alfaman
die zich op sexy horden,
de boeleerders van het
oergezonde roedel stort.

Oom wolf, gekaplaarsde gezelligheid:
de zwarte as waarrond geolied
en bloedwarm ons leven draait.
Aanbeden graal van onze enigheid:
de ogen dicht, de oren neergelegd,
onz’ borstkas raakt de bodem haast.

Maar dat was ooit.
Vandaag koopt elke wolf zijn BMW,
Defender, Porsche of Chevy Corsica
en tart zijn medewolf.

Ons kijkt ons boudweg in het oog.

De strijd en huiselijkheid verlegd
naar het spookachtig lijf-aan-lijfgevecht
op markten, airconditioned, overdekt.

 

Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Een week alleen

Ik heb een hoop kleren gewassen
en te drogen gehangen.
Toen ging ik naar de stad
en was de hele dag bezig.
De mouw van je beste overhemd
ging ceremonieel omhoog
toen ik naar binnenreed; onze nacht-
kleding verstrengeld en losgeraakt in
een kleine windvlaag.

Voor mij werd het laat;
voor jou, waar je was, niet.
De oogstmaan was vol
maar schaarse wolken maakten zijn licht
niet helemaal betrouwbaar.
Het bed aan jouw kant leek
zo breed en plat als Kansas;
jouw kussen stevig, koel,
en allegorisch. . . .

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

Zie voor meer schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2020 en eveneens mijn blog van 22 mei 2018.

Maria Semple, Robert Creeley

De Amerikaanse schrijfster en scenariste Maria Keogh Semple werd geboren op 21 mei 1964 in Santa Monica, Californië. Zie ook alle tags voor Maria Semple op dit blog.

Uit: Where’d You Go, Bernadette

“That night at dinner, I sat through Mom and Dad’s “We’re-so proud-of-you’s and “She’s-a-smart-one’s until there was a lull.
“You know what it means,” I said. “The big thing it means.”
Mom and Dad frowned question marks at each other.
“You don’t remember?” I said. “You told me when I started Galer Street that if I got perfect grades the whole way through, I could have anything I wanted for a graduation present.”
“I do remember,” Mom said. “It was to ward off further talk of a pony.”
“That’s what I wanted when I was little,” I said. “But now I want something different. Aren’t you curious what it is?”
“I’m not sure,” Dad said. “Are we?”
“A family trip to Antarctica!”
I pulled out the brochure I’d been sitting on. It was from an adventure travel company that does cruises to exotic places. I opened it to the Antarctica page and passed it across the table.
“If we go, it has to be over Christmas.”
“This Christmas?” Mom said. “Like in a month?” She got up and started stuffing empty take-out containers into the bags they’d been delivered in.
Dad was already deep into the brochure. “It’s their summer,” he said. “It’s the only time you can go.”
“Because ponies are cute.” Mom tied the handles in a knot.
“What do you say?” Dad looked up at Mom.
“Isn’t this a bad time for you because of work?” she asked him.
“We’re studying Antarctica,” I said. “I’ve read all the explorers’ journals, and I’m doing my presentation on Shackleton.” I started wiggling in my chair. “I can’t believe it. Neither of you are saying no.”
“I was waiting for you,” Dad said to Mom. “You hate to travel.”
“I was waiting for you,” Mom said back. “You have to work.”
“Oh my God. That’s a yes!” I jumped out of my chair. “That’s a yes!” My joy was so infectious that Ice Cream woke up and started barking and doing victory laps around the kitchen table.
“Is that a yes?” Dad asked Mom over the crackling of plastic take­out containers being crammed into the trash.
“That’s a yes,” she said.”

 

Maria Semple (Santa Monica, 21 mei 1964)

 

De Amerikaanse dichter Robert Creeley werd geboren op 21 mei 1926 in Arlington, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Robert Creeley op dit blog.

 

De regen

De hele nacht was het geluid
teruggekomen,
en weer valt
deze stille, aanhoudende regen.

Wat ben ik voor mezelf
dat moet worden onthouden,
waarop zo vaak
moet worden aangedrongen? Is het

dat nooit de behaaglijkheid,
zelfs de hardheid,
van vallende regen
voor mij iets anders

zal hebben dan dit,
iets dat niet zo indringend is-
ik moet opgesloten worden in deze
laatste onbehaaglijkheid.

Lief, als je van me houdt,
Kom naast me liggen.
Wees voor mij, zoals regen,
de ontsnapping

aan de vermoeidheid, de dwaasheid, de semi-
lust van opzettelijke onverschilligheid.
Wees nat
met een gepast geluk.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e mei ook mijn blog van 21 mei 2020 en eveneens mijn blog van 21 mei 2019 en ook mijn blog van 21 mei 2018.

Ellen Deckwitz, William Michaelian

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

Opstaan. En rol die grasmat van je af.
Wat sliertjes ziel in je haren, ik strijk ze
weg gelijk aarde, maak er leeslinten van.
Leg ze in je album, tussen de kliekjes
waarop licht brandt dat nooit oplaait.

En ik wrijf een steentje uit je oogkas
en ik wrijf je voeten warm. En ik wrijf
een steentje uit je album
en ik sla je vel dan om.

 

Hut

Toen ik de hut verliet waren er mensen
tegen wie ik aankroop, bij enkelen meende ik het.
Ik weet niet wat er dooide, er kwam al zoveel in me om.

Wat was hij even een baby. Bleef maar jengelen
om verhalen van de walvis in de man. Hechtte wat
waterpsalmen af. Ik dein

op een matras. Alsof me iets wiegt maar het gaat
te hard. Weinigen komen onder smeltwater vandaan,
weinigen komen van smeltwater af.

De poel op de vloer neemt toe. De rimpelingen
aan het oppervlak lijken vingerafdrukken
die in elkaar overgaan.

 

Ontwaken

De stoel, de lift, dit tijdschrift: ze zijn niet levenloos
maar rusten gewoon even. De wijk doet haar dutje,
gerangschikt in huizenblokken, trottoirs en bruggen.
Het huis kraakt als het zich omdraait in haar slaap.
De pinautomaat is kunststof dat alleen maar geld gaf
om te kunnen doordromen, de mannen met baarden

zagen het al. Onze wereld is aan het sluimeren,
haar ontwaken zal zich openbaren in brokstukken,
puin, ijzeren staken. Niet uit de bewusteloze treden
van de brandtrap, de comateuze betonplaten. Banken,
ziekenhuizen, scholen, het bleken slechts cocons.
Wacht maar tot ze zijn ontdaan van slaap. Ons huis
is een knop, waarin de ontploffing al bloesemt.

 

Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

 

Verzen

Een oude dichter zijn, is jong zijn.

Jeugd is oude poëzie.

Vogellied.

Grijze wolken op de rug van een locomotief,
Een kreet bij elke kruising.

Een cent op je pad.

De prijs voor wat niet kan zijn.

Warm, de geur van blote huid in de zomer.

Rijpe perziken, die op tafel tegen elkaar fluisteren.

En zo ontstond de eerste kus.

Oude poëzie.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Michaelian (Dinuba, 20 mei 1956)
William Michaelian. Portret door Rahina, 2010

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e mei ook mijn blog van 20 mei 2020 en eveneens mijn blog van 20 mei 2019.

Constantin Göttfert, William Michaelian

De Oostenrijkse dichter en schrijver Constantin Göttfert werd op 19 mei 1979 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Constantin Göttfert op dit blog.

Uit:  Ein Mann fällt in Hietzing

         für Karin

„Ein Mann fällt in Hietzing. Er hat das Weiße verlassen, das er zu feinem Knochenmehl zermahlen hat. Jetzt bläst ihm das Werk seiner eigenen Hände in Gesicht und Kleidung, legt sich an ihn, als wollte es ihn begraben und halten gleichzeitig. Er denkt an Wiederholung, an das Rieseln von solcherlei Mehl in Weißwein, den er Tags zuvor noch getrunken hat und der ihm nun aus allen Poren bricht. Eine Hülle ist das, was ihm bleibt, nachdem er sich selbst ausgelöffelt hat, weil ihm zwei Antworten gleichzeitig aus dem Mund gebrochen sind, die beide hätten verschluckt sein wollen, obwohl sie ihm doch tagelang den Hals wund gescheuert haben. Er setzt Fußspuren in Knochenmehl, als wollte er einen Weg markieren, als hieße es eine Route zu finden, aber das einzige Ziel, das er sich vorstellen kann, ist dort, wo der Fuß zum ersten Mal ins Mehl getreten ist. Im Kopf leuchten ihm nun die kleinen grünen Sonnen, die er so gerne bei sich gehabt hätte. Er wollte etwas gegen sie eintauschen, aber er konnte sich nichts Passendes vorstellen und hätte dies womöglich auch gar nicht besessen. Statt dessen hat ihn das Knochenmehl von den Füßen geholt und das, was ihm vom kleinen Grünen noch in den Taschen steckt, ist doch nur mehr ein winziger Henkel: ein Phantomgewicht, das ihm die Hände nicht mehr schwer macht, wenn er danach greift. Ein Vortag mit feinem Ascheflockenregen, denkt er, während er sich im weißen Staub versinken lässt. Andere Möglichkeiten, die grünen Sonnen zu erwerben, kennt er nicht. Warum also lässt er sie nicht dort, wo sie sind? Seine Hände, denkt er, und hebt diese unbrauch­barsten aller Werkzeuge, haben Geschwindig­keits­begren­zungen verletzt. Da hat sich etwas selbständig gemacht, denkt er. Etwas ist aus mir heraus gebrochen, von dem ich gar nicht wusste, dass es darinnen war. Es bröckelt nur so an ihm herab. Mit spitzen Fingern, als wären sie mit Kot glasiert, hebt er Teile von sich auf und bezweifelt sofort deren Nützlichkeit. Er verwechselt Hülle und Inhalt an sich selbst. Die Uhr, sagt er, hat zu schlagen begonnen. Das Pendel, das durch die feinen Ascheflocken in der Luft pflügt, außerdem jenes Tentakel, das durch Felsspalten zu ihm vordringt, aber natürlich hat er alles verwechselt. Er schaufelt sich Mehl in den Mund, als könnte es dadurch wieder ganz werden. Es ist ein jämmerliches Bild. Gotteskrieger, sagt er.”

 

Constantin Göttfert (Wenen, 19 mei 1979)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

 

Als ik, toen ik een kind was

Als ik, toen ik een kind was,
een glimp had opgevangen
van mezelf zoals ik nu ben,
zou ik een vreemde
hebben gezien.

Als hetzelfde is gebeurd
toen ik op de rand van mannelijkheid stond,
zou ik gelachen hebben om mijn verbazing en mijn angst
te verbergen.

Nu ben ik hier.

Maar ik herinner me het kind
en zou het overal herkennen:
op de trap, in de tuin, in een boom,
slapend in zijn niet-afgemeerde bed,
drijvend door de straat,
lief en zich van niets bewust.

Ik weet, ook, dat de wereld
wordt gedroomd door veel van zulke ogen,
en hoorde zachtjes roepen
in de nacht.

En toch als we elkaar ontmoeten,
verheugen we ons zelden.

Vreemden zijn overal.

Maar onze levens
zijn als spiegels.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Michaelian (Dinuba, 20 mei 1956)
Portret door Laura Tedeschi, 2010

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e mei ook mijn blog van 19 mei 2020 en eveneens mijn blog van 19 mei 2019 en ook mijn blog van 19 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

W.G. Sebald, Markus Breidenich

De Duitse schrijver W.G. Sebald werd geboren in Wertach (Allgäu) op 18 mei 1944. Zie ook alle tags voor W. G. Sebald op dit blog.

 

Uit: Nach der Natur. Ein Elementargedicht

Wer die Flügel des Altars
der Pfarrkirche von Lindenhard
tzumacht und die geschnitzten Figuren
in ihrem Gehäuse verschließt,
dem kommt auf der linken
Tafel der hl. Georg entgegen.
Zuvorderst steht er am Bildrand
eine Handbreit über der Welt
und wird gleich über die Schwelle
des Rahmens treten. Georgius Miles,
Mann mit eisernem Rumpf, erzen geründeter
Brust, rotgoldnem Haupthaar und silbernen
weiblichen Zügen. Das Antlitz des unbekannten
Grünewald taucht stets wieder auf
in seinem Werk als das eines Zeugen
des Schneewunders, eines Einsiedlers
in der Wüste, eines Mitleidigen
in der Münchner Verspottung.
Zuletzt im Nachmittagsschimmer
der Erlanger Bibliothek scheint es hervor
aus einem mit weiß gehöhter Kreide angelegten,
später mit Feder und Tusche von fremder
Hand zerstörten Selbstbildnis eines vierzig-
bis fünfzigjährigen Malers. Immer dieselbe
Sanftmut, dieselbe Bürde der Trübsal,
dieselbe Unregelmäßigkeit der Augen, verhängt
und versunken seitwärts ins Einsame hin.
Auch kehrt Grünewalds Gesicht wieder
in einem Basler Bild des jüngeren
Holbein, das eine gekrönte Heilige zeigt.
Es seien dies merkwürdig verstellte
Fälle von Ähnlichkeit, schrieb Fraenger,
dessen Bücher die Faschisten verbrannten.
Ja, es scheine, als hätten im Kunstwerk
die Männer einander verehrt wie Brüder,
einander dort oft ein Denkmal gesetzt,
wo ihre Wege sich kreuzten. Darum wohl
auch in der Mitte des rechten Flügels
des Lindenhardter Altars in Besorgnis
den Blick auf den Jüngling auf der anderen
Seite gerichtet jener ältere Mann, dem ich selber
vor Jahren einmal an einem Januarmorgen
auf dem Bamberger Bahnhof begegnet bin.
Es ist der heilige Dionysius,
das abgeschlagene Haupt unterm Arm.

 

W.G. Sebald (18 mei 1944 – 14 december 2001)

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

GRAND CHATEAU

Leven uit koffers. Een niet-thuis zijn was het chateau.
Een niet gekraakte code voor schaaldieren.
Wie we ook zijn, we stappen op. Een
onderhemd eruit halen, een stuk zeep, een crème.

Wij waren er. En bleven hangen. Aan roestige spijkers
sterrenbeelden. Aan de deur. Het schip van de
Argonauten. Nog op de badkamerspiegels
in de deining: de eigen reflecties.

’s Avonds tussen de gangen door. In de vleugel van het huis
de wind. Nog een keer na het Angelus
de wederopstanding van de gasten.

En de laatste sesamolie
op rucolabladeren

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn blog van 18 mei 2020 en eveneens mijn blog van 18 mei 2019 en ook mijn blog van 18 mei 2018 en eveneens mijn blog van 18 mei 2014 deel 2.

Albert Verwey, Michael Lentz

De Nederlandse dichter, essayist en letterkundige Albert Verwey werd geboren in Amsterdam op 15 mei 1865. Zie ook alle tags voor Albert Verwey op dit blog.

 

Van de liefde die vriendschap heet

15

Zo als een kind rijk-zijn niet anders kent
Dan dat het woont in een rijk huis en eet
Van goude’ of zilvren bord, en gaat gekleed
In zacht satijn of bont, en ’t zich gewent,

Dat het door ’t huis vlugge bedienden zendt
Om lieve grillen en nooit anders weet
Of ’t hoort zo dat zijn bedje is toegereed
Met dons, ombeeld met kostbaar ornament; –

Zo ken ook ik mijn rijkdom anders niet
Dan dat ik in u woon als welkom gast,
En mijn en uw ziel zitten samen aan;

Wijl mijn gedachten als bodinnen gaan
Om een zoet woord van u, die mij verrast
Door ’t rijke wonder van uw lach en lied.

16

Ik ben een dichter en der Schoonheid zoon.
Alles wat schoon is, is me een vreugd altijd.
Mijn hart is menslijk, maar of ’k lach of lijd,
Mijn lachen en mijn leed zijn beide schoon.

Ik heb de macht dat ik wat schoon is toon
Aan andren, door de taal die ik belijd,
Zodat wie leest bedroefd wordt of verblijd,
Maar zich bedroevend vreugd smaakt van mijn schoon.

En zó zal ik, die altijd dichter ben,
Nooit enkel lijden, daar geen ogenblik
Der schoonheid wonder van mijn ziel zal vliên.

En daarom (zo ik recht mijzelven ken),
Zal ’k altijd troosten kunnen, wie als ik
Lijden, maar in hun leed geen schoonheid zien.

 

Nieuwe reis

De zilvren eilanden van Denemarken,
In ’t zomers-vroege licht waar ik ze zag,
Lagen als perken in de waterparken
Waardoor ik voer bij ’t opgaan van de dag.

Geen morgen was ooit lieflijker, ooit reinder.
Een pasgeslepen wereld toonde nog
In land en water en verborgen einder
Haar vreemdheid, maar geen aanvang van bedrog.

En ook wij beiden waren, bij ’t beginnen
Van zulk een nieuwe reis, in hoop en schroom,
Als zonder zonde, als met gebade zinnen
Open naar ’t waken en nog vol van droom.

 

Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937)
Borstbeeld in Noordwijk aan Zee

 

De Duitse dichter, schrijver, literatuurwetenschapper en musicus Michael Lentz werd geboren in Düren op 15 mei 1964. Zie ook alle tags voor Michael Lentz op dit blog.

 

vergeef me

Ik heb altijd precies willen zijn
dat de deur sluit wanneer deze sluit
dat dit de laatste blik achterom is
je mond die warm is je hand
de omarming de omarming
dat de herhaling niets herhaalt
slechts versterkt ik heb gewoon
de dingen voor een keer duidelijk willen maken: voor altijd
nu staan ze er heel verloren bij
alsof er altijd alleen maar iets is dat in beeld komt
ik wil later toch niet in details verdwalen
– een handvol beelden vervliegt
en later is altijd
en de spraak wordt gevolgd door de tegenspraak en het wonder van het lichaam
door de wonderlijke schaduw
en van de dingen tot slot hielden van de schaduw
we hielden van de schaduw van het bos
de geur die uit de schaduw komt
en toen we ‘s zomers gingen schrikken hielden we van
de puntige schaduw van de bomen
waarin we dakloos neerzonken
zo koel zo beschermend
en vergeef dat we geen schaduw hebben
de liefde is een uitloop die leeg is
de liefde is een woord dat pas op de plaats maakt
maar je bent niet alleen alleen
is het niet de grootste eenzaamheid om niet alleen te zijn?
een keer een duidelijke gedachte krijgen en je hand kleurt hem in
de hand die nog warm is de mond
dat dit de laatste blik achterom is
en dat de deur wanneer deze sluit gesloten blijft

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Lentz (Düren, 15 mei 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook mijn blog van 15 mei 2020 en eveneens  mijn blog van 15 mei 2019 en ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Jo Gisekin, Kathleen Jamie

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Zie ook alle tags voor Jo Gisekin op dit blog.

 

Azuur beklimt ligusterhagen

Azuur beklimt ligusterhagen
en naast de bessenstruik
het luie land ontplofbaar
haast van hitte

de zon hangt in
het kraaiennest
het asfalt dampt als
paardenlucht
een rookpluim naar
de overkant

concerto voor de gulle rozen
honingbrood voor bedelaars

het staat met vuurpijlen
op wolken geschreven:
hoe glansrijk de aarde
hoe moe de taal.

 

De liefde geurt naar evenveel

De harpen hangen
als koude koorden
in al te naakte bomen
en schuifelend aan mijn
oor het schuchter snarenspel
van bloemen op de akker
de krokus wordt geboren
de wind hangt zeilen uit.

Wat wij zelden horen
het rillen van de huid
het geuren van de
liefde als een blank
boeket camelia
naar méér nog of
in elk geval
naar evenveel.

 

Moe gedicht

Ik heb het linnen gestreken
de kip van zijn botjes ontdaan
een handvol pijnappelpitten
kwistig in de abrikozenvla

ik zit met mezelf aan tafel
uitgedoofde bloesemtak
in drabbig water
véél moeder
weinig vrouw
ontbonden bijna, vergeten
de geur van lichaamswarmte
en streelzacht water

hoe kan ik weten
dat morgen de hemel
doorzichtig wordt en jij
luidruchtig de beminde.

 

Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Kathleen Jamie op dit blog.

 

Madeliefjes

Wij zijn bloemen van het gewone
grasveld, zoveel is ons duidelijk.
Aan al het andere
hebben we geen schuld. Geen Schepper
legde zulke voorwaarden vast
voor ons prettige leven,
– het is gewoon onze aard,
waren we niet zo,
we zouden geen madeliefjes zijn,
die onze wimpers sluiten bij de eerste
suggestie van Venus. Tegen die tijd
zijn we bijna uitgeput. Avond
betekent slaap, en het is zeker beter
om onszelf te vernieuwen dan te sterven
aan al die openheid?
Maar sterven zullen we, onschuldig
of niet, aan hoe de nacht zich
uitgiet boven onze tuin,
tweelingen glinsteren daar
voor ieder van ons; sterven,
nooit wetend wat we missen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e mei ook mijn blog van 14 mei 2020 en eveneens mijn blog van 14 mei 2019 en ook mijn blog van 14 mei 2018 en eveneens mijn blog van 14 mei 2017 deel 3.