Altaarstuk met Sint Maarten en de bedelaar in de parochiekerk St. Martin in Wängle, Oostenrijk
Abends, wenn es dunkel wird
Abends, wenn es dunkel wird, und die Fledermaus schon schwirrt, ziehn wir mit Laternen aus in den Garten hinterm Haus. Und im Auf- und Niederwallen lassen wir das Lied erschallen: „Laterne, Laterne, Sonne Mond und Sterne.”
Plötzlich aus dem Wolkentor kommt der gute Mond hervor, wandelt seine Himmelsbahn wie ein Haupt-Laternenmann. Leuchtet bei dem Sterngefunkel lieblich aus dem blauen Dunkel: „Laterne, Laterne, Sonne Mond und Sterne.”
Ei, nun gehen wir nach Haus, blasen die Laternen aus, lassen Mond und Sternelein leuchten in die Nacht hinein, bis die Sonne wird erwachen, alle Lampen auszumachen „Laterne, Laterne, Sonne Mond und Sterne.”
Ich habe schon als Kind gar nicht oder wenn, nur schwer verstanden, daß Hühner, Hasen, Enten, Gänse in den Küchen im Kochtopf landen.
Essen wir doch lieber Apfelküchle am 11. November, dem Martinstag. So manche Gans darf dann leben, evtl. bis sie selber nicht mehr mag.
Heinrich Seidel (25 juni 1842 – 7 november 1906) De dorpskerk van Perlin, de geboorteplaats van Heinrich Seidel
wat je stem zo vlak maakt zo dun en van blik dat is de angst iets verkeerds te zeggen
of altijd hetzelfde of te zeggen wat allen zeggen of iets onbelangrijks of versletens of iets dat verkeerd begrepen zou kunnen worden of de oppervlakkige lieden zou bevallen of kitsch of iets reactionairs of iets stoms of iets dat al geweest is iets ouds
Ben je het nu niet beu van louter angst van louter angst voor de angst iets verkeerds te zeggen altijd het verkeerde te zeggen?
Vertaald door Wouter Donath Tieges
Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren, 11 november 1929)
De rosse blaren van de najaarsbomen beleggen ’t macadam met gouden zomen. Er dwaalt een blijde stemming in de stad van wemelende mensen, weeldezat. De zon met gouden draden, fijn als rag spint haar kleed voor allerheiligendag.
Ach kind er hangt een waas van weemoed over! zie jij ’t dan niet?
De glans van zon en lover is niet zo helder als je meisjeslach; ‘t is immers morgen allerzielendag!
Voel jij niet dat in elke vreugde trilt het leed om ‘t niet bezit van wat je wilt? Het leed om ’t niet-bezit van je verlangen,
Zo dat de zon half in de mist blijft hangen.
Gaston Burssens (18 februari 1896 – 29 januari 1965) De Onze-Lieve-Vrouwekerk in Dendermonde, de geboorteplaats van Gaston Burssens
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Hooi
Hooi, hooi in de kinderschuren, waar te verbranden of zichzelf voor altijd te verliezen even gemakkelijk is. Gebundeld hooi, hooi op de velden, hooi als bij de dodelijke verscheidenheid van de mogelijkheden zomaar bij elkaar gevoegde letters, deze richting, maar geen andere. Hooi dat in de wind vliegt, op de droge stoppels achterblijft, voor altijd gescheiden van de anderen, dat wacht op de sneeuw, die de hemel ervan weg zal nemen, zijn onbeweeglijke, doffe evenbeeld. De zekerheid dat er geen troost is, maar het gejubel. Hooi, sneeuw en einde.
Vertaald door Frans Roumen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Uit:Medelijden, medeleven, bijna: vriendschap. Hans Werkman en Willem de Mérode (Samen met Cees van der Pluijm)
“Hans Werkman: In het begin heb ik De Mérode te eenzijdig positief gezien, qua karakter. Ik kwam bij Meertens [P.J. Meertens, een vriend met wie De Mérode uitvoerig heeft gecorrespondeerd; KvdH/CvdP] en het eerste dat hij vroeg, was: ‘Wat vindt u van hem?’ Ik had me daar nog niet mee beziggehouden, dus ik moest snel wat verzinnen. Ik zei: ‘Ik vind hem een integer man.’ Meertens zei toen: ‘De Mérode was helemaal geen integer man. Hij was een roddelend oud wijf.’ Dat vond ik heel ontluisterend.
Later ontdekte ik dat De Mérode een moeilijke man is geweest. Hij is zo geworden door die rampzalige tijd in 1924, dat heeft hem in zijn schulp gejaagd. Vóor die tijd bewaarde hij de meeste van zijn brieven, daarna niet meer. Hij schreef aan Meertens: ‘Ik verbrand jouw brieven onmiddellijk, doe die van mij alsjeblieft ook weg.’ Gelukkig heeft Meertens dat niet gedaan, maar in De Mérodes archieven heb ik maar weinig brieven gevonden. Dat zegt mij dat hij zeer argwanend is geworden.
U had geen afgerond beeld van De Mérode toen u aan de biografie begon?
Hans Werkman: Je kunt geen afgerond beeld hebben van degene over wie je moet schrijven, want dat leven is voorbij en je kunt het niet van dag tot dag reconstrueren. Wat je probeert, is met de fragmenten die je terugvindt een beeld te bouwen en je moet je daarbij voortdurend afvragen of het wel klopt. Het is te vergelijken met een vaas die gereconstrueerd wordt aan de hand van een aantal scherven. Daaraan wordt een heleboel klei toegevoegd om een idee te krijgen van de waarschijnlijke vorm. Nu moet je daar ook weer niet te pessimistisch over zijn, want de hoofdlijnen worden toch wel duidelijk, maar je moet niet de vaas naboetseren en je al te veel vrijheden veroorloven. Ik wil niet de feitenbiografie gaan verdedigen, want je moet een aantal witte plekken invullen, maar je moet aangeven waar je dat doet. Van der Plas, bij voorbeeld, heeft dat te weinig gedaan in zijn Gezellebiografie. Hij heeft knap werk geleverd, maar het is naar mijn smaak te subjectief. Het is geen wetenschappelijke biografie.”
Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010
Het Landauer-altaarstuk. Allerheiligen door Albrecht Dürer, 1511
All-Saints’ Day (1867)
Blessed are they whose baby-souls are bright, Whose brows are sealèd with the cross of light, Whom God Himself has deign’d to robe in white- Blessed are they!
Blessed are they who follow through the wild His sacred footprints, as a little child; Who strive to keep their garments undefiled- Blessed are they!
Blessed are they who commune with the Christ, Midst holy angels, at the Eucharist- Who aye seek sunlight through the rain and mist- Blessed are they!
Blessed are they-the strong in faith and grace- Who humbly fill their own appointed place; They who with steadfast patience run the race- Blessed are they!
Blessed are they who suffer and endure- They who through thorns and briars walk safe and sure; Gold in the fire made beautiful and pure!- Blessed are they!
Blessed are they on whom the angels wait, To keep them facing the celestial gate, To help them keep their vows inviolate- Blessed are they!
Blessed are they to whom, at dead of night,- In work, in prayer-though veiled from mortal sight, The great King’s messengers bring love and light- Blessed are they!
Blessed are they whose labours only cease When God decrees the quiet, sweet release; Who lie down calmly in the sleep of peace- Blessed are they!
Whose dust is angel-guarded, where the flowers And soft moss cover it, in this earth of ours; Whose souls are roaming in celestial bowers- Blessed are they!
Blessed are they-our precious ones-who trod A pathway for us o’er the rock-strewn sod. How are they number’d with the saints of God! Blessed are they!
Blessed are they, elected to sit down With Christ, in that day of supreme renown, When His own Bride shall wear her bridal crown- Blessed are they!
Ada Cambridge (21 november 1844 – 19 juli 1926) St Germans church in Wiggenhall St Germans, de geboorteplaats van Ada Cambridge
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Tijdig advies
Ten eerste moet je geloven, dat het dag wordt als de zon opkomt. Maar als je het niet gelooft, zeg ja. Ten tweede moet je geloven en met al je kracht, dat het nacht wordt, als de maan opkomt. Maar als je het niet gelooft, zeg ja of knik toegeeflijk met je hoofd, dat accepteren ze ook.
Vertaald door Fans Roumen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
La Procession de la Fête-Dieu door Maurice Le Bel, tussen 1925 en 1950
Procession de la Fête-Dieu 35
Processionnez autour du Temple Processionnez autour de moi moi je me pioche et me contemple cherchant le feu du feu de joie, cherchant Dieu près de ma fenêtre, conquérant patiemment ses yeux. Processionnez autour de Dieu Je suis gourmand qu’il me pénètre.
Comme on rencontre une colline Tu t’élèves à mon horizon. Qu’est-ce la terre ? une cantine puanteur et séquestration.
Processionnez ! j’attends le Vin Cataracte dans mon eau trouble ! Je suis métal et vous burin Vous, le souffle et moi le buccin et ce qui me touche Vous touche.
Quand Dieu eut inventé l’animal et la plante et la terre
qui germe et l’océan qui chante et le droit pour Adam de Lui désobéir.
Il lui dit maintenant, homme fais-moi mourir.
Et quand on eut posé sur Dieu mort une pierre
Dieu rejaillit et parcourut le ciel jusqu’à Son Père.
Qu’aujourd’hui et pour l’Éternité me soient chers
le miracle et Dieu qui m’ont révélé l’enfer
alors que cet enfer me gangrenait déjà,
sous la trompeuse gloire et tous ses falbalas.
Attablé à la vie et sans troubles remords
qui ? sauf Dieu ? m’aurait dit l’envers de mes décors ?
En me donnant la Foi, il m’a donné la crainte.
Enfer ! Enfer ! je puis sortir de ton étreinte.
J’allais tout doucement à la rouge fournaise
hélas ! je ne pensais la vie que pour mes aises.
Et maintenant je sais l’épouvante et les cris
qui sont pour le pécheur, en serais-je surpris ?
Enfer tu n’es pas loin, ni Satan qui me guette
je ne redoute pas ta fosse et tes tempêtes.
Je suis gardé par Dieu Ieo Haamiach,
par mon ange gardien, le délicieux cornac
j’ai les livres des Saints, la Bible, l’Evangile
les pardons de l’Église me sont un ferme asile.
Max Jacob (12 juli 1876 – 5 maart 1944) De Saint-Corentin kathedraal in Quimper, de geboorteplaats van Max Jacob
En als toegift bij een andere verjaardag:
Rooilaan langs de Maas
Eerst dient de horizon zich weidser aan, zo zonder bomen die het uitzicht zeven. Dit werd pas ’s winters even vrij gegeven, om er dan snel een loofdoek voor te slaan.
Een kleine bal, een zwarte volle maan, lijkt al wat in de verte is gebleven. De bomen zijn steeds ijler weggedreven. Van dichterbij zie ik een pony staan.
Daar ging ik met de hond elk jaargetijde, tot vreemde mannen ons met vuur beroofden van deze gang die ons voor kort bevrijdde
van kooi en tijd. En ik herinner mij de begeerde schaduw die het zonlicht doofde, het herfstgeruis dat eeuwigheid beloofde.
Frans Roumen, Uit: Elk woord van mij is zonde, Uitgeverij Berend Immink, Nijmegen 1984)
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) De Maas in Maastricht door Jan Kusters, 2009
Maria omringd door de apostelen tijdens het “Pinksterwonder”, Meester van het Heilige Altaar van Salem, eind 15e eeuw
Maria
Gezegend is de maagd de kroon van alle maagden, De tempel van Gods Zoon en wezenlijke kracht, De schone dageraad waardoor ons nu toe-lacht De Zonne waar zo dik de Vaderen naar vraagden.
Gelukkig, meer als die die ooit de Heer behaagden, De zuster van haar kind, de dochter van haar dracht, De bruid van die ze zelf ter wereld heeft gebracht In wiens ontvangenis beid’ aard’ en hemel waagden.
Wel zalig zijn voorwaar haar ongeraakte borsten Waarnaar de bronne zelf des levens plach te dorsten: Wel zalig is de schoot daarin hij heeft gerust:
Maar zalig bovenal zijn zulke die haar leven (Gelijk Maria dee) tot zijne dienst begeven En hebben in zijn woord haar hertelijke lust.
Jacobus Revius (november 1586 – 15 november 1658) De Lebuinuskerk in Deventer, de geboorteplaats van Jacobus Revius
„In Wirklichkeit war das Gemüt des Mondwanderers auf keine Weise geschaffen, politische Verheißungen zu empfangen oder hervorzubringen. Nichts beweist, daß er das Amurruland auch nur von vornherein als zukünftiges Gebiet seines Wirkens ins Auge gefaßt habe, als er die Heimat verließ; ja, der Umstand, daß er versuchsweise auch das Land der Gräber und der stutznäsigen Löwenjungfrau erwanderte, scheint das Gegenteil zu beweisen. Wenn er aber des Nimrods großmächtiges Staatswesen im Rücken ließ und auch das hochangesehene Reich des Oasenkönigs mit der Doppelkrone sogleich wieder mied, um ins Westland zurückzukehren, das heißt in ein Land, dessen zersplittertes Staatsleben es zu politischer Ohnmacht und Abhängigkeit hoffnungslos bestimmte, so zeugt dies für nichts weniger als für seinen Geschmack an imperialer Größe und seine Anlage zur politischen Vision. Was ihn in Bewegung gesetzt hatte, war geistliche Unruhe, war Gottesnot gewesen, und wenn ihm Verkündigungen zuteil wurden, woran gar kein Zweifel statthaft ist, so bezogen sich diese auf die Ausstrahlungen seines neuartig-persönlichen Gotteserlebnisses, dem Teilnahme und Anhängerschaft zu werben er ja von Anbeginn bemüht gewesen war. Er litt, und indem er das Maß seiner inneren Unbequemlichkeit mit dem der großen Mehrzahl verglich, schloß er daraus auf seines Leidens Zukunftsträchtigkeit. Nicht umsonst, so vernahm er von dem neuerschauten Gott, soll deine Qual und Unrast gewesen sein: Sie wird viele Seelen befruchten, wird Proselyten zeugen, zahlreich wie der Sand am Meer, und den Anstoß geben zu Lebensweitläufigkeiten, die keimweise in ihr beschlossen sind, – mit einem Worte, du sollst ein Segen sein. Ein Segen?
Jozef wordt door zijn broers herkend door Baron François Pascal Simon Gérard, 1789
Es ist unwahrscheinlich, daß mit diesem Wort der Sinn desjenigen richtig wiedergegeben ist, das zu ihm im Gesicht geschah und das seiner Lebensstimmung, der Empfindung seiner selbst entsprach. In dem Worte »Segen« liegt eine Wertung, die man fernhalten sollte von Bezeichnungen des Wesens und der Wirkung von Männern seiner Art: von Männern also der inneren Unbequemlichkeit und der Wanderung, deren neuartige Gotteserfahrung die Zukunft zu prägen bestimmt ist. Einen reinen und unzweifelhaften »Segen« bedeutet das Leben solcher Männer selten oder nie, mit denen eine Geschichte beginnt, und nicht dies ist es, was ihr Selbstgefühl ihnen zuflüstert. »Und sollst ein Schicksal sein« – das ist die reinere und richtigere Übersetzung des Verheißungswortes, in welcher Sprache es immer möge gesprochen worden sein; und ob dies Schicksal einen Segen bedeuten möge oder nicht, ist eine Frage, deren Zweitrangigkeit aus der Tatsache erhellt, daß sie immer und ohne Ausnahme verschieden wird beantwortet werden können, obgleich sie natürlich mit Ja beantwortet wurde von der auf physischem und geistigem Wege wachsenden Gemeinschaft derer, die in dem Gotte, welcher den Mann von Ur aus Chaldäa geführt, den wahren Baal und Addu des Kreislaufs erkannten und auf deren Zusammenhang Joseph sein eigenes geistiges und körperliches Dasein zurückführte.“
jeugdherinneringen zijn altijd vervelend als je zwart bent je herinnert je altijd dingen zoals wonen in Woodlawn zonder toilet binnenshuis en als je beroemd wordt of zo praten ze nooit over hoe blij je was om je moeder helemaal voor jezelf te hebben en hoe goed het water voelde toen je in bad ging in van een van die grote kuipen waar mensen in Chicago in barbecueën en op de een of andere manier als je over thuis praat komt nooit over hoe goed je hun gevoelens begreep terwijl de hele familie bijeenkomsten over Hollydale bijwoonde en hoewel je het je herinnert begrijpen je biografen nooit de pijn van je vader wanneer hij zijn aandelen verkoopt en er weer een droom verloren gaat En hoewel je arm bent, is het geen armoede die je stoort en hoewel ze veel vochten is het niet het drinken van je vader dat het verschil maakt maar alleen dat iedereen samen is en jij en je zus fijne verjaardagen hebben en heel goede kerstdagen en ik hoop echt dat geen enkele blanke ooit een reden heeft om over mij te schrijven omdat ze nooit begrijpen dat Zwarte liefde Zwarte rijkdom is en zij zullen waarschijnlijk praten over mijn moeilijke jeugd en nooit begrijpen dat ik al die tijd best gelukkig was
Go, roads, to the four quarters of our quiet distance, While you, full moon, wise queen, Begin your evening journey to the hills of heaven, And travel no less stately in the summer sky Than Mary, going to the house of Zachary.
The woods are silent with the sleep of doves, The valleys with the sleep of streams, And all our barns are happy with peace of cattle gone to rest. Still wakeful, in the fields, the shocks of wheat Preach and say prayers: You sheaves, make all your evensongs as sweet as ours, Whose summer world, all ready for the granary and barn, Seems to have seen, this day, Into the secret of the Lord’s Nativity.
Now at the fall of night, you shocks, Still bend your heads like kind and humble kings The way you did this golden morning when you saw God’s Mother passing, While all our windows fill and sweeten With the mild vespers of the hay and barley.
You moon and rising stars, pour on our barns and houses Your gentle benedictions. Remind us how our Mother, with far subtler and more holy influence, Blesses our rooves and eaves, Our shutters, lattices and sills, Our doors, and floors, and stairs, and rooms, and bedrooms, Smiling by night upon her sleeping children: O gentle Mary! Our lovely Mother in heaven!
Thomas Merton (31 januari 1915 – 10 december 1968) De Eglise Saint-Pierre in Prades, Frankrijk, de geboorteplaats van Thomas Merton
Langzaam bewegende zwarte lijnen gaan onophoudelijk over de aarde, De noorderling wordt gedragen en de zuiderling wordt gedragen… en zij aan de Atlantische kust en zij aan de Pacific, en zij daartussenin, en door het hele land van de Mississippi… en over de hele aarde.
De grote meesters en de kosmos zijn goed als ze gaan… de helden en weldoeners zijn goed, De bekende leiders en uitvinders en de rijke eigenaars en de vromen en voornamen mogen goed zijn, Maar er is een groter belang dan dat… er is een precies belang van alles.
De onuitroeibare horden van de onwetenden en slechten zijn niet niets, De barbaren van Afrika en Azië zijn niet niets, Het gewone volk van Europa is niet niets… de Amerikaanse inboorlingen zijn niet niets, Een zambo of een voorhoofdloze Crowfoot of een Camanche is niet niets, De geïnfecteerden in het immigrantenziekenhuis zijn niet niets… de moordenaar of de valse persoon is niet niets, De eeuwige opeenvolging van oppervlakkige mensen is niet niets als zij gaan, De hoer is niet niets… de bespotter van godsdienst is niet niets als hij gaat.
Ik zal gaan met de rest… we hebben voldoening: Ik heb gedroomd dat we niet zoveel zullen veranderen… en ook de wet van ons is niet veranderd; Ik heb gedroomd dat helden en weldoeners onder de huidige en oude wet zullen vallen, En dat moordenaars en dronkaards en leugenaars onder de huidige en oude wet zullen vallen; Want ik heb gedroomd dat de wet waaronder ze nu vallen genoeg is.
En ik heb gedroomd dat de voldoening niet zoveel veranderd wordt… en dat er geen leven is zonder voldoening. Wat is de aarde? wat zijn lichaam en ziel zonder voldoening?
Ik zal gaan met de rest, We kunnen niet op een gegeven moment worden stopgezet… dat is geen voldoening; Om ons een goed ding of een paar goede dingen te laten zien voor een eindige periode – dat is geen voldoening; Het kan niet anders of wij zijn van het onvernietigbare ras van de besten, ongeacht tijd. Zo niet zouden al deze dingen slechts wederkeren tot as van mest; Als maden en ratten ons zouden beëindigen, dan wantrouwen en verraad en dood.
Wantrouw je de dood? Als ik de dood zou wantrouwen zou ik nu moeten sterven, Denk je dat ik vriendelijk en goedgekleed zou kunnen lopen naar vernietiging?
Vriendelijk en goedgekleed loop ik, Waarheen ik loop kan ik niet definiëren, maar ik weet dat het goed is, Het hele universum maakt duidelijk dat het goed is, Het verleden en het heden maken duidelijk dat het goed is.
Hoe mooi en perfect zijn de dieren! Hoe perfect is mijn ziel! Hoe perfect de aarde, en het kleinste ding op aarde! Wat goed genoemd wordt is perfect, en wat zonde wordt genoemd is even perfect; De planten en mineralen zijn allemaal perfect… en de onpeilbare stromen zijn perfect; Langzaam en zeker zijn ze hiertoe gekomen, en langzaam en zeker zullen ze nog verder gaan.
O mijn ziel! als ik besef van je heb heb ik voldoening, Dieren en planten! als ik besef van jullie heb heb ik voldoening, Wetten van de aarde en lucht! als ik besef van jullie heb heb ik voldoening.
Ik kan mijn voldoening niet definiëren… toch is het zo, Ik kan mijn leven niet definiëren… toch is het zo.
Het ongeloof van St. Thomas door Matthias Stom, 1641-1649
St. Thomas the Apostle
“We do not know… how can we know the way?” Courageous master of the awkward question, You spoke the words the others dared not say And cut through their evasion and abstraction. Oh doubting Thomas, father of my faith, You put your finger on the nub of things We cannot love some disembodied wraith, But flesh and blood must be our king of kings. Your teaching is to touch, embrace, anoint, Feel after Him and find Him in the flesh. Because He loved your awkward counter-point The Word has heard and granted you your wish. Oh place my hands with yours, help me divine The wounded God whose wounds are healing mine.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) Oritamefa Baptist Church in Ibadan, Nigeria
De Amerikaanse dichter George Oppen (eig. George Oppenheimer) werd geboren op 24 april 1908 in New Rochelle, New York. Zie ook alle tags voor George Oppen op dit blog.
Vijf gedichten over poëzie
1- HET GEBAAR
De vraag is: hoe houd iemand een appel vast Die van appels houdt
En hoe gaat iemand om met Vuil? De vraag is
Hoe houdt iemand iets In gedachten waar hij greep op
Wil krijgen en hoe houdt de verkoper Een prul vast dat hij van plan is
Te verkopen? De vraag is Wanneer zullen er geen honderd
Dichters zijn die dat gebaar verwarren Met een stijl.
Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!
Pasen stilleven door Stanisław Żukowski, 1915
Osterhas
Sprang der Osterhasen durch die grünende Welt; Kinder und Verliebte suchten im sonnigen Feld.
Welch ein schönes Nest hat mein Liebchen entdeckt! Unterm Veilchenbusch fein war es versteckt.
Viele schöne Eier lagen glänzend drin, und mein jubelndes Liebchen kauerte neben es hin.
“Eier rosenrot! Eier himmelblau! Keins von ihnen schwarz! Keins von ihnen grau!”
Die Rosenroten waren voll Küsse; die Himmelblauen waren voll Lieder; – und Dämmerung ward es, eh’ wir nach Haus kamen!
Wilhelm Raabe (8 september 1831 – 15 november 1910) De St. Martin Kirche in Eschershausen, de geboorteplaats van Wilhelm Raabe
De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.
De omloop van de geest
’s Morgens reis ik naar mijn eigen ster in de ringbaan van de geest waarin ik mijn karavanen van vermoeidheid berg mijn trouwe, geheime ster wacht steeds op mij bij de keerpunten van de tijd op de startbaan van de storm ik kniel voor mijn eigen ster in de ringbaan van de geest ik mompel zingzeg het lied van de essentie dompel het grote hart vol liefde in het bestaan omarm de vrijheidswaan die ik met pure tranen was dat zij mij redt en mij verheft naar torens van zekerheid.
Toen U de mens met al zijn rijkdom schiep, Verloor hij snel die schatten weer; En toen zijn tijd verliep, Viel hij, o Heer, Heel diep. Uw Hand Zorgt weer dat ik Verrijzen zal en dan Zal jub’len als de leeuwerik, Omdat wie diep valt, hoger vliegen kan.
Al in mijn jeugd begon voor mij de pijn; Ziekte en schande deed mij zeer. Gestraft, voor mijn venijn Werd ik, o Heer, Heel klein. Uw Hand Verlost mij nu; De hele dag jubel ik van Uw opstanding, ik vlieg met U, Omdat na smart, ik hoger vliegen kan.
Vertaald door Arie van der Krogt
George Herbert (3 april 1593 – 1 maart 1633) George Herbert op Bemerton door William Dyce, 1860