het huis leunde tegen de berg, zwart zijn hout van alle winters. de zon boog gele schaduwen in de vallei. of het regende dagenlang. of sneeuwde. het leven had niet veel woorden. en het zwijgen rook naar vochtig gras, dat uit de grond oprees. er hingen kleren in de kasten, die in hun stof naar seringen roken. een vlinder zat op het plafond, vastgehouden door de draden van de spin. De stappen op de vloerplanken vertelden de stappen op de vloerplanken. daaronder rustte het huis. daarboven de wereld. die weg waren, niemand vroeg naar hen. bloemen sierden het haar van de graven. de kerk torende boven zichzelf uit. niemand sprak over de dromen. spoedig vergaten ze wie in de nacht ze toebehoorden. de ogen zagen wat ze waren. soms werd een huis door een lawine meegesleept, het is lang geleden. de bergen namen ze mee de dood in alsof ze konden vluchten.
De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.
Uit: Auf Reisen. Wie ich mir Deutschland erlesen habe
„Jeder Mensch funktioniert in seinen Tätigkeiten wie eine Maschine – moderner würden wir sagen: wie ein Computer. Das Fließband war der erste Ausdruck dieses Maschinenzeitalters, der Modern Times. Chaplin hat es in seinem Film, der Fließbandtragikomödie, auf atemberaubende, gleichzeitig »chaplineske« und »kafkaeske« Weise vorgeführt. Läuft das Fließband, lässt es sich bis zur Grenze der maschinellen und menschlichen Kräfte ausbeuten; gerät ein Teilchen aus der Ordnung, entsteht eine Kettenreaktion aus Fehlern: In der Ordnung lauert das Chaos, das die Unordnung genauso beschleunigt wie im Normalfall die Produktivität. Auch im Chaos potenziert sich die Kraft. Chaplin zeigt, wie die Ordnung »außer Rand und Band« gerät. Ein Bestandteil der modernen Komik ist, dass sie zeigt, wie die Ordnung in Unordnung umschlägt. Fehler, Fehlleistungen, Unachtsamkeiten sind dann nicht wiedergutzumachen. Die Unordnung bringt die Ordnung aus ihrem Lauf, sobald ein Steinchen ins Getriebe gerät, ein Fehler sich unerbittlich im Ablauf potenziert. Chaplin führt das am Fließband wie an der Ess- und Fütterungsmaschine vor. Natürlich erfährt das auch derjenige, der nach Fahrplan reisen muss. Und dabei gibt es zwei Fehlerquellen: den Fahrplan und den Reisenden, den Menschen und die Maschine, das Subjekt und die Tücke des Objekts (die übrigens auch im Subjekt lauern kann). Dem geraden Weg stellt sich etwas in die Quere. Manchmal. Öfter. Meistens. Früher habe ich in kleinen Flugzeugen Gelegenheit gehabt, dem Piloten und dem Copiloten beim Start durch die geöffnete Kabinentür über die Schulter zu schauen. Wie sie alle Vorgänge nach einer Anleitungsliste abchecken, laut und vernehmlich. Und wie sie dabei Schalter umlegen, sodass aus roten Lämpchen grüne werden und aus nach unten geschalteten Hebeln nach oben gerichtete. Es ist wie ein Blick in ein Gehirn, beim Packen, bevor die Reise losgeht. Wie eine Zwiesprache im Monolog. Habe ich genug Socken, Unterhemden, Hemden und Unterhosen eingepackt? Bin ich zwei oder drei Tage unterwegs? Habe ich (das gilt für ältere Reisende wie für chronisch Kranke) genug Pillen, Tabletten und Salben für drei Tage? Habe ich das Ladegerät für mein Handy? Genug Klingen für meinen Rasierer? Patronen für meinen Füller oder Schreibstift? Habe ich meinen Ausweis, Führerschein? Brauche ich meinen Ausweis, meinen Führerschein? Fliege ich und habe die Schere aus Versehen ins Handgepäck gesteckt? Werde ich beim Einchecken ins Flugzeug also wieder eine Nagelschere und ein Toilettenwasser einbüßen? Habe ich die Kreditkarte, die Bahncard? Die Miles-&-More-Karte? Habe ich mein Notizbuch, meinen Taschenkalender mit Terminen und Adressen?“
Hellmuth Karasek (4 januari 1934 – 29 september 2015)
het geheugen, als het de ene na de andere herinnering opgeeft, wordt verblind door zijn woorden. in lege ruimtes tast je langs de muur, die je handen pakt, over deuren die je niet opent naar het raam. Blikken die donker die helder zijn, wijken voor de ogen. Aan geluiden vormt zich de stem, die niet boven het zwijgen uit- komt. nog een keer ga je met bodemloze stappen door het huis. licht heeft schaduwen weggesneden, waarvoor hier geen reden is. je krabt aan de randen je vingers kapot. iemand volgt je met de armen gekruist, zijn blik. je vraagt, om langer te blijven. voor de poort wacht de auto. de motor start.
Ze wandelen heel gemoedelijk voorbij, hun seizoen is een apart seizoen. Ze hebben geen behoefte aan een wandelstok, ze gaan met een reserve aan kracht begonnen in de winters van hun jeugd.
En als ze stilstaan om naar iets te kijken staan ze zonder beven stil; de zon maakt van hun oude, montere, blote benen iets bijzonders, als een pose op een plein vol licht.
Maar mooier nog zijn hun gepolitoerde knieën of de glaswol op hun kuiten, Zo worden ze bekeken door bewonderaars die anoniem blijven terwijl ze zelf met mildheid naar de dingen kijken, naar de groene bomen en de witte klok
die beter loopt dan zij en iets vertelt over hun afgezaagde tijd; zij kennen hem van buiten.
De tuinman
Hij eet het fruit met pit en al, trekt wortels uit de grond die on- gewassen in zijn zak bewaard worden voor later. Je ziet hem niet direkt onder de ritssluiting van gras, maar zeker is hij bezig, stelt de mol een ultimatum, legt zijn oor te luisteren aan een donker, koud stramien om het dreunen van de mieren op te vangen. Als kind al roosterde hij met een grote glazen schijf insekten in de zomerzon, tot er een toefje rook uit hun gebarsten rug opsteeg. Vooral de grote blauwe vliegen bloosden in de dood. Hij was van geen insekt bang, hield van planten boekhouding in een verkleurend schrift dat in de schuur lag. Nu kookt hij kruiden door voor ons. Hij doet het zwijgend en wij zien in zijn pupil waarachter donkere humus kruid van eeuwen opgetast tot groei moet voor- bereiden. Na zijn dood als onze tuinman.
De pruimelaar
De pruimelaar in onze tuin, scharminkelig maar niettemin nog vol van licht, keerde zich van het voorjaarsgorgelen en stierf verder. Luis groef hem langzaam uit de grond omhoog.
Richting vijver en bij naderende storm kon je doorheen zijn kruin de dondervliegjes zien, met elektriciteit bezenuwd. Zo kwam de zon daarna ook altijd door zijn poort de tuin binnen.
Nog wordt hij dagelijks gelezen dat het kraakt: een stam vermagerend tot op een dunne, dodelijke naald, zwart en nauwkeurig.
Het schemert reeds. Reeds schemert het. Aan de bomen komen takken. Aan de takken komen bladeren. Aan de bladeren komt kleur. Aan de kleur komt een toon. In de toon komt diepte. In de diepte zachtmoedigheid.
Op de vloer komt een tapijt. Op het tapijt komen pantoffels. Op de tafel komt een glas. In het glas komt water. Tegen de muur komt behang. Op het behang komt een patroon. Op de planken komen boeken. In de boeken komen letters.
Op het kussen komen haren. Onder de haren komt een gezicht. In het gezicht komen ogen. Om de ogen komen oogleden. Bij de oogleden komen wimpers. Over de wimpers komt een rilling. Door de rilling komt een beeldscherm. Op het scherm komen dromen.
De dromen bewegen op het netvlies. Jij beweegt je elleboog. Ik raak je aan. Je draait je om. Onder de deken komt warmte. In de warmte komt een droom. In de droom komt de zon.
De aanbidding van de koningen door Peter Paul Rubens, 1628-29
Kerstbrief van Melchior
Ik schrijf u Caspar, Balthazar, vanuit mijn hoofdkwartier. Ik kan en wil niet weg dit jaar want oorlog houdt mij hier. De laatste oorlog weliswaar tegen het blank verweer maar laatste loodjes wegen zwaar en dat weet God de Heer.
Gaat gij getweeën maar op reis. Ik vecht het hier eerst uit. Mijn zwarte volk werd smartelijk wijs en is niet langer buit. Waar ook de blanke man zijn voet neerzette, schoot hij neer. Daar baande hij zijn weg door bloed en dat weet God de Heer.
Mijn zwarte volk heeft het geduld, het werd door leed gestaald. Drie eeuwen blanke heersersschuld wordt eindelijk betaald. Een zwarte huid bergt ook een ziel die bloei wil tot Gods eer. Maar bloesem sterft onder een hiel en dat weet God de Heer.
Nu zal ik wel gedoodverfd zijn als vuige communist, als een rebel in de woestijn; – men heeft zich meer vergist. Ik strijd hier voor een rechte zaak, niet min en ook niet meer. Dit is mijn opgedragen taak en dat weet God de Heer.Nu gaat gij op naar Bethlehem, nu volgt gij weer de ster. Het vredeslied der englenstem hoor ik toch wel van ver. Maar eerst zal hier een vrijheid staan aleer ik wederkeer om samen met u op te gaan en dat weet God de Heer.
En als gij ’t Kind vindt in het licht en knielend tot Hem spreekt, zegt dan waarom het aangezicht
van Melchior ontbreekt. De Derde wijze kon dit jaar niet komen ‘van zo veer’. Dat weet gij Caspar, Balthazar en dat weet God de Heer.
Jan H. de Groot (13 maart 1901 -1 december 1990) Alkmaar, de geboortestad van Jan H. de Groot
Door zijn gekuch mag hij niet naar buiten. Voor oudere mensen kan dat gevaarlijk zijn, heeft z’n moeder gezegd. Bijna al z’n strips las hij al twee keer. Drie weken zonder school is toch wel lang.
Zijn vader zei: Drie weken is nog niks, jonge. Opa ging in de oorlog ruim drie jaar niet naar school. Zo lang, lachtte hij, zal dit toch hopelijk niet duren. Dan zitten we hier in 2023 nog.
Maar z’n vader maakte niet steeds grapjes, soms keek hij lang op zijn telefoon. Zonet sprak hij zacht met z’n moeder over geld en ZZP.
Hoelang zal dit allemaal nog duren, wanneer wordt het weer gewoon? Gister hoorde hij op het nieuws, te voorspellen valt er niet zoveel.
In bed dacht hij aan opa en aan zichzelf over tachtig jaar. Hoe zal hij met zijn kleinkinderen terugkijken op deze vreemde Corona-tijd?
Eerlijk, hij wist het niet, al leek een ding toch wel zeker: Hij kuchte al een beetje minder vaak. Zijn keel deed iets minder pijn.
KAMER
Er was een kamer in die stad waar ik steeds omheen cirkelde. Het was in de buurt van mijn lief. Ze wist niet dat ik soms die trappen opliep. Aan de wand hingen foto’s van voor de oorlog. Ik sprak er eens over met een oude Friese schrijver. Hij zei: ‘Ik ken die kamer, ik zou er eigenlijk binnen moeten gaan, maar het gaat er niet meer van komen, ben ik bang.’ Hij kreeg gelijk. Hij stierf tijdens de Spelen. De kamer is er nog steeds – de trappen op, linksaf de gang door. Iedereen weet wel zo ongeveer wat erin staat.
Hoe sereen dingen in mijn leven misschien ook zijn, hoe goed het ook gaat, mijn lichaam en ziel zijn twee kliftoppen waar een droom van wie ik kan zijn van afvalt, en ik moet elke dag weer leren vliegen, of sterven.
De dood zorgt voort respect en angst van de levenden. De dood biedt geen valse starts. Het is geen scheidsrechter met een proppenschieter bij het verrassende van een honderd meter sprint.
Ik leef niet om terug te krijgen of te vermeerderen wat mijn vader verloor of verwierf.
Ik vind mezelf voortdurend terug in de ruïnes van een nieuw begin, het touw van mijn leven ontrollend om steeds dieper af te dalen in onbekende afgronden, mijn hart in een knoop te leggen rond een boom of rotsblok, om veilig te stellen dat ik iets heb dat me houdt, dat me niet laat vallen.
Mijn hart heeft vele met doornen bezaaide barsten van vlammen, oplaaiend uit de rode kaarspotten. Mijn dromen flikkeren en draaien op het altaar van deze aarde, licht worstelt met duisternis, licht straalt in de duisternis, om mijn dag blauw te verwijden, en alles wat was is smelt in de vlam-
Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!
Winters stadsgezicht door Adrianus Eversen, 19e eeuw
New Year’s Day
The rain this morning falls on the last of the snow
and will wash it away. I can smell the grass again, and the torn leaves
being eased down into the mud. The few loves I’ve been allowed
to keep are still sleeping on the West Coast. Here in Virginia
I walk across the fields with only a few young cows for company.
Big-boned and shy, they are like girls I remember
from junior high, who never spoke, who kept their heads
lowered and their arms crossed against their new breasts. Those girls
are nearly forty now. Like me, they must sometimes stand
at a window late at night, looking out on a silent backyard, at one
rusting lawn chair and the sheer walls of other people’s houses.
They must lie down some afternoons and cry hard for whoever used
to make them happiest, and wonder how their lives
have carried them this far without ever once
explaining anything. I don’t know why I’m walking out here
with my coat darkening and my boots sinking in, coming up
with a mild sucking sound I like to hear. I don’t care
where those girls are now. Whatever they’ve made of it
they can have. Today I want to resolve nothing.
I only want to walk a little longer in the cold
blessing of the rain, and lift my face to it.
Kim Addonizio (Washington, 31 juli 1954) Washington bij de jaarwisseling
Een nieuwjaarsgroet
(Na lezing van een artikel van Mary J. Marples in Scientific American, januari 1969) voor Vasily Yanowski
Deze dag die traditie bestemt voor het opmaken van de balans, geldt mijn groet jullie allen, Gisten, Bacteriën, Virussen, Aeroben en Anaeroben: Een heel gelukkig nieuw jaar Voor elk voor wie mijn epidermis Is als Middenaarde voor mij.
Aan schepsels van jullie formaat bied ik vrijheid van vestiging, dus strijk maar neer in de zone die ’t beste bevalt, in de poelen van poriën, het tropisch woud van mijn oksels en kruis, de woestijnen van mijn onderarmen, of in het koele bos van mijn schedel.
Koloniseer maar: ik zorg voor warmte en vochtigheidsgraad, vereiste lipiden en sebum, maar beding wel dat jullie me nooit irriteren met je bestaan, dat je je gedraagt als van gasten mag worden verwacht, niet te hoop loopt tot acne, voetschimmel of steenpuist.
Heeft mijn innerlijk weer invloed op het oppervlak waar jullie leven? Verandert er iets, onvoorspelbaar, als mijn innerlijk kwik diep omlaag duikt van mooi weer: mentaal alles pluis en gedachten die er toe doen, naar lelijk weer: er gebeurt niets en er belt niemand op en het regent.
Ik zou graag willen geloven dat ik geen onmogelijke wereld ben, maar een Eden zal het niet zijn: mijn spel en mijn handelen kan daarginds wel tot rampen leiden. Als jullie godsdienstig zijn, hoe rechtvaardigen dan jullie drama’s het lijden dat niet is verdiend?
Wat voor mythen heeft jullie clerus ter verklaring van de orkanen die woeden, twee maal per etmaal, wanneer ik me aan- of uitkleed, wanneer ondanks vlotten van hoornstof hele steden weggevaagd worden, in de ruimte vergaan – van de zondvloed die dodelijk schroeit als ik douche?
Maar vroeger of later breekt er een Apocalyptische dag aan, mijn omhulsel, opeens, is te koud en ook te ranzig voor jullie, wel genietbaar voor vretend gedierte van een grimmiger soort; dan ben ik beroofd van excuses en nimbus, een Verleden, goed voor het Oordeel.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) De kathedraal van York (North Yorkshire), de geboorteplaats van W. H. Auden
Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!
Wintergezicht door Anton Smeerdijk, ca. 1910
Anti-nieuwjaar
Altijd en ergens oudejaarsavond op een ster in een boek of een brief ik vier mijn tijd niet in namen ik hef geen punch op een dief.
Eeuwen zo oud als mijn jaren mijn jaren zo jong als de wind die met datumloze gebaren mij uit de kalenders ontbindt.
Deze avond blijf ik afwezig betrek een aanwezigheid op einders die mij genezen van mijn vergankelijkheid.
Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993) Jaarwisseling in Oostende, de geboorteplaats van KarelJonckheere
Nieuwjaar
Ik laat het stervende jaar achter mij als een sjaal en laat het vallen. Het gehaaste vuurwerk werpt zichzelf tegen de nacht, bloemen van verlangen, liefdes vurigheid. Uit de ruimte om me heen, terwijl ik hier sta, vorm ik jouw afwezige lichaam tegen het mijne. Je raakt me aan als de gevende lucht.
Het meest veraf, meest dichtbij, zijn je armen duisternis, die me vasthoudt, dus ik leun achterover, lip-lees de hemel die doorpraat in het licht, syllabische sterren. Ik zie dat ze eindelijk tot ons bidden. Jouw adem is middernacht, levend, op mijn huid, over de mijlen tussen ons heen, velden en snelwegen en steden, de miljoen verlichte huisjes.
Deze liefde die we hebben, omgekeerd verdriet, vol rijm, verkeerde plaats, verkeerde tijd, zoet werk voor handen, de roeping van ’t hart, vlammen om het nieuwe jaar in te leiden, de dagen en nachten ver in de donkere zee van de lucht. Je mond is nu sneeuw op mijn lippen, koel, intiem, eerste kus, gelofte. Tijd valt en valt door eindeloze ruimte, naar wanneer we zijn.
Vertaald door Frans Roumen
Carol Ann Duffy (Glasgow, 23 december 1955) Jaarwisseling in Glasgow
“Maar dan is er dus Otmar Smit uit Venlo. Wanneer de man Dolfs moeder komt ophalen voor de nieuwe James Bond of voor een cabaretvoorstelling in de Maaspoort, brengt hij altijd iets voor hem mee, meestal een bouwpakket dat precies in de roos is, het goede vliegtuig, de goede schaal, de goede wereldoorlog. Een keer blijft hij een hele zondagmiddag in de flat om Dolf aan de eettafel waarop ze kranten hebben uitgespreid voor te doen hoe je een Vickers-tweedekker opschildert. De verf zit in begeerlijke miniblikjes die Otmar koopt in een winkel in Venlo waarvan zijn moeder het bestaan niet eens vermoedt. Ze voeren ernstige gesprekken over welke lijm de beste is, uit een tube of uit een potje, en ook over de vliegtuigen zelf, of de boordmitrailleur van de schots en scheve Vickers al tussen de propellers door schoot, of de Sopwith Camel die aan visdraad boven zijn bureau hangt een beetje wendbaar was – zaken waarvoor je bij vaders moet zijn, ziet hij in. Zonder twijfel heeft zijn moeder al eerder aanbidders gehad. De stroopwafelboer op de markt snijdt de bovenste wafel van haar zakje altijd in de vorm van een hart. De muziekleraar, een man met een glazen oog, wil dat hij de groeten doet aan zijn moeder. Verdwaalde vaders op het schoolplein maken grapjes tegen haar, wat Dolf verbaast, want zo aardig is ze niet. Wel is ze anders dan andere moeders. Om te beginnen heet ze al gek, Ulrike Eulenpesch, ‘waarom heten jullie Uilenpis,’ vraagt een jongen op school met wie hij meteen begint te vechten – maar ze praat ook gek, als het knappe zusje van prins Claus, zegt Otmar. Bij Duitse postorderbedrijven bestelt ze fleurige zijden blouses en taillehoge pantalons waaronder ze open schoenen met gouden riempjes aantrekt, zelfs als het regent. Wanneer hij in de klas zit, ziet hij haar vanuit zijn ooghoeken het schoolplein op komen, ze heeft een asblond kapsel dat ze overeind houdt met grote wolken hairspray. ‘Scheisse, hoe kan die Elnett nou al op zijn?’ roept ze vanuit het douchehok, waarna ze ’s middags samen de bus naar Venlo nemen, de Maasbrug over, en hand in hand door de Vleesstraat naar het Nolensplein lopen om bij Die 2 Brüder von Venlo nieuwe bronzen flacons te kopen, en ook meteen koffie en sigaretten en harde broden; daar houdt zijn moeder van, net als van goud en ‘geschoolde zang’. Tijdens het bedden verschonen zingt ze Duitse aria’s. ‘Jouw moeder was bij de operette in Wuppertal,’ zegt Otmar als Dolf een brutale mond geeft, ‘dus wees een beetje lief voor d’r.’ Hij doet wat hij kan. Al dacht hij toen ze nog met z’n tweeën waren niet in die termen over zijn moeder, als over iemand voor wie je extra lief moest zijn; haar karakter leent zich niet voor medelijden, ze is een vrouw die als ze verdrietig is boos wordt of gaat schoonmaken. De enige vrouwen die op haar lijken ziet hij in reclames voor shampoo van Schwarzkopf op de Duitse televisie, maar die wonen in grote huizen en gedragen zich vrolijk.”
zojuist was het fulda. het bleke licht van de plafondlampen van de reiswagon wordt constant voor me weerspiegeld in het raam. je schrijft bij jou is het bedekt en koel
mijn hartslag stoort me het bedrukte gevoel al op de heenreis vloog het me aan buiten de weilanden veel bos e. de wolken, wat ik ook zie, het doet mij
niet goed het oude stuwen in mijn bloed. eergisteren was er het golvende groen e. wind op het erf hoe de boom bewoog hoorde ik de waarschuwingskreten van de ekster
ze vloog achter me aan vanuit een ander leven er was een boom op het erf maar op een ochtend licht e. een stem spreekt van ver: kassel ligt achter ons. nog altijd
is het een goede twee en een half uur, rusteloos ben ik e. ouder dan jij e. raas roerloos op göttingen af e. zie de taluds rood van klaprozen e. kan mijn gestaag vloeiende tijd
geen van de voorbij trekkende beelden beloven. dat e. de ondraaglijke wachttijd totdat je me na de ruzie weer kust laat me zeker voor hildesheim bezwijken.
“Op de elektriciteitsdraad die door de vallei loopt zitten al meer dan een minuut, op telkens een halve meter van elkaar, een roodkopklauwier, een groenling en een huismus. Alle drie kijken ze strak voor zich uit in dezelfde richting. Het is alsof ze daar door een poppenspeler zijn geplaatst en de voorstelling dadelijk zal beginnen, een middeleeuws blijspel met een koning, een lakei en een vagebond. Het paartje torenvalken dat hier vorige lente vier jongen grootbracht in een nestkast is de hele winter in de buurt gebleven. Die nestkast liet ik twee jaar geleden ophangen toen er op een meter of vijftig van mijn schrijfhut een extra elektriciteitspaal werd geplaatst omdat de draad bijna op de grond hing. Aanvankelijk was ik woedend en bedroefd. De paal stond recht in mijn gezichtsveld als ik door het raam keek – het voelde alsof er opeens een balk in mijn oog stak. Nog dezelfde dag besloot ik van de nood een deugd te maken en vroeg mijn handige buurman een houten bak van veertig bij dertig bij dertig centimeter te timmeren, die als een loge in een theaterzaal aan de voorzijde halfopen was. Toen ik nog op het Vlaamse platteland woonde had ik een soortgelijke nestkast in een hoge es gehangen en jaar na jaar brachten torenvalken er drie tot vijf jongen in groot, tot nijlganzen de kast op nogal agressieve wijze veroverden en de oorspronkelijke bewoners voorgoed verjoegen. In de wijde omtrek zijn, op enkele eucalyptussen na, amper hoge bomen. Torenvalken broeden hier voornamelijk in spleten en holen en op richels van rotswanden, zoals die van de Peña de Hierro, waar ik al vaker een paartje had opgemerkt. Nestkasten voor deze soort zag ik nergens – en voor andere soorten evenmin. Hoewel ik de kans dat een paartje een nestkast aan een elektriciteitspaal in de open ruimte van de campo zou uitkiezen erg laag inschatte, wilde ik het toch proberen en toen de technici van de elektriciteitsmaatschappij – een jonge en een oude man – de volgende dag terugkeerden om de kabel te bevestigen, had ik de nestkast met wat draad en enkele lange schroeven al bij de voet van de paal klaargezet. In mijn toen nog ongeoefende Spaans legde ik hun mijn plan uit, waarbij ze mij in steeds grotere verbazing aankeken alsof ik in lichte (de jonge man) en misschien wel in hoge mate (de oude man) idioot was. ‘Para el cernícalo. Voor de torenvalk,’ zei ik nogmaals met nadruk voordat ik hen weer alleen liet.”
“Also, ich mußte wieder auf ein paar Tage nach Zürich. Meine Mutter wollte mich dringend sprechen. Sie hatte angerufen, ich solle doch bitte mal rasch kommen, es war ganz unheimlich gewesen am Telefon. Und aus Nervosität darüber hatte ich mich das gesamte verlängerte Wochenende über so unwohl gefühlt, daß ich unter starker Verstopfung litt. Dazu muß ich außerdem sagen, daß ich vor einem Vierteljahrhundert eine Geschichte geschrieben hatte, die ich aus irgendeinem Grund, der mir nun leider nicht mehr einfällt, Faserland genannt hatte. Es endet in Zürich, sozusagen mitten auf dem Zürichsee, relativ traumatisch. Ich war mit der ganzen Geschichte dann das erste Mal erneut in Berührung gekommen, als ich eben, wie gesagt in Zürich, unten auf der Bahnhofstrasse, einen dunkelbraunen, etwas groben Wollpullover gekauft hatte, an einem kleinen, aus Brettern zusammengezimmerten Verkaufsstand, unweit des Paradeplatzes. Es war bereits Abend gewesen, ich hatte etwas Baldrian zu mir genommen, und der Effekt der Tabletten und das Hoffnungslose des Schweizer Herbstes und die fünfundzwanzig vergangenen Jahre hatten sich bleiern und maßlos über mein Gemüt gelegt. Kurz zuvor war ich in der Altstadt unterwegs gewesen. In einer klandestinen Filmvorführung drüben im Niederdorf war In girum imus nocte et consumimur igni gezeigt worden, der letzte Film von Guy Debord, fertiggestellt noch vor seinem Selbstmord. Man war zu viert oder zu fünft gekommen, was mir angesichts des immer noch hellsonnigen warmen Abends und des blutleeren, einschläfernden Werks wie ein Wunder erschienen war. Und nachdem das Publikum, also die beiden Professoren, der Projektionist und ein Obdachloser, der eine Weile im Kinosessel hatte schlafen wollen, verabschiedet und die Hände fertig geschüttelt waren, bin ich wohl wieder hinab Richtung Paradeplatz gelaufen, ohne Absicht und Sinn durch die Nacht. Und dort, auf der anderen Seite der Limmat, hatte ich dann eben jenen improvisierten Verkaufsstand einer schweizerischen Kommune vorgefunden, an dem zwei bebrillte Frauen unbestimmten Alters und ein bärtiger, freundlicher junger Mann schwere Wollpullover und Decken in Naturfarben verkauften, die sie selbst gestrickt hatten.“
„Späte Pop-Art auf staatseigenen Rädern. Aber ich wette, Trössner, du hast das gemocht. Gib’s zu! Du warst jung, diese Farben waren jung, das passte einfach wunderbar zusammen, ein fantastischer Auftakt für eine Klassenfahrt. Vielleicht nach Berlin? Das wurde doch vor Zeiten einmal staatlich bezuschusst. Womit ich auch ganz zwanglos wieder bei meiner Frage wäre: Warum nach Berlin? Und wieder keine Antwort. Dafür ist der Fahrschein gedruckt. Trössner nimmt ihn aus dem Kästchen, in dem ein kleines Licht sehr dringlich flackert. Dergleichen Kommunikation mit der Maschine war zu seinen Klassenfahrtzeiten noch unbekannte Zukunft und wirkt heute schon wieder überkommen. Einszweidrei, im Sauseschritt, läuft die Zeit. Aber jetzt keine Nostalgie. Es muss gefahren werden. Mag der Himmel wissen, warum. Und warum ausgerechnet nach Berlin! Aber das wirst du mir noch sagen, Trössner, nicht wahr? Das wirst du doch nicht vor mir verheimlichen, oder? Und nicht so schnell! Ich komme ja kaum hinterher. Hier oben auf dem Bahnsteig ist er nicht allein. Hoffentlich verdirbt ihm das nicht die Stimmung. Nach all den Jahren in so aberwitzig viel Gesellschaft ist er mittlerweile wieder ein Profi im Alleinsein, und er scheint es zu schätzen. Allerdings galt es ja nur, alte Fähigkeiten wiederzubeleben. Als Einzelkind und Unternehmersohn in einem noblen Vorort ohne Kindergarten, da lernt man das Alleinsein von der Pike auf. Er hatte sich sogar ein gewisses Vergnügen daran bewahrt, als es um ihn herum lebhafter wurde. Das hat er in meinem Beisein einem der Therapeuten erzählt. Mit zwölf oder dreizehn besuchte er dieses altmodische Kino am Bahnhof, das damals still vor sich hin starb. Nachmittagsvorstellung, außer ihm vielleicht nur vier, fünf andere im Saal, unerkennbar in der Dunkelheit. Der Film war ihm egal, es ging nur um das Gefühl, so etwas wie der Einzige oder sogar der Letzte zu sein. Wenn einer kam und fragte, ob jemand Eis wolle, sei das wie eine persönliche Botschaft gewesen. Lange her, Trössner! Er nickt bloß. Klemmt dabei die Daumen hinter die Tragegurte des neuen Rucksacks und schaut die Schienen entlang. Trete ich also einen Schritt beiseite. Ich will ihm ja seine wertvollen Momente nicht ruinieren.“
Burkhard Spinnen (Mönchengladbach, 28 december 1956)
ik ben boos op taal, op alles wat me met krakende jatten aanraakt. maar ik zeg het niet hardop.
stom van afschuw schud ik de vloerplanken, luister naar klopsignalen. mijn adem, een koppige eenheid, geherprogrammeerd door toetsingen aan de grondwet.
boven mij ruimt de geheime dienst op. voorbereidingen zijn in volle gang, om mijn appartement met plankton te bedekken.
een briefje glijdt onder de deur door: maak je geen zorgen om mij. heb de stemmen in de regenpijpen in detail bestudeerd. door mijn vleugels af te knippen, word ik onsterfelijk.
ik had me nooit moeten laten overtuigen al onze eerste borrel: fout. zoals in een western wilde je mij, pezig en dapper
zoals in een western, liet je me achter toen de sheriff kwam.
“Ik nader mijn bestemming, steek mijn telefoon weg en zoek de huisnummers af. Een spoedje, las ik in de order. Ik glijd behoedzaam de stoep op, temporiserend, en hang de laatste meters op één pedaal, in de stijl van boodschappende moeders. Ik werd nageroepen, dat weet ik zeker. Voor ik me om kan draaien heeft een mevrouw van een zekere leeftijd in feite de moeite genomen om me achterlangs voorbij te snellen en voor me te gaan staan en begint me hier uit te foeteren. Aan haar zijde gapen beurtelings drie keffertjes, als een piepklein pijporgeltje. Wat voor idioot of ik ben, om zomaar ‘het trottoir’ op te rijden! Ze had wel dood kunnen zijn. Welke achterlijke imbeciel het in zijn hoofd haalt zich zo in het verkeer te begeven? Door wie ik ben opgevoed, áls ik al ben opgevoed, en of ik soms een wolfskind ben? Ondertussen bevingert ze haar kruisje, dat glimmend tussen haar zonverbrande borsten rust. Ik wijs met een duim naar de tas op mijn rug die aan de oplettende waarnemer verraadt dat ik een fietskoerier ben, een soort postbezorger, en dus werkachtig in de logistiek (getuige het kwartaalkrantje dat ik ontvang, waaruit blijkt dat ik ook collega’s heb onder vrachtwagenchauffeurs). Verkeersregels gelden voor mij als voor ieder ander, zeker, maar ik permitteer me nu en dan, als de kust veilig is, een aanloopje stoep om mijn klant te behagen. Snelle service heet dat. Waarvan akte, tot uw dienst. De confrontatie verslechtert snel. Waarschijnlijk herinner ik haar aan een lange lijn verlopen liefdes. Of ze heeft een afvallige zoon, hij wil haar geld zonder haar affectie of haar affectie maar dan met geld toe. Als er maar geld loskomt. Dat haar roedel is uitgekeken op de situatie en onrustig om haar heen drentelt, helpt de spanning alleen te verhogen. Je had liever dat ze begonnen te janken. – Ja, jij denkt laat maar blèren, dat malle mens, het zal mijn tijd wel duren! – Mevrouw, het spijt me, u hebt gelijk. Maar nu moet ik verder met mijn werk. De stoep is trouwens zo breed als een boulevard. Er kan nog zeker een Deense dog langs met zijn baas, zo wordt ondertussen bewezen, en nog blijft er armslag over. Alles aan haar staat me nu tegen: haar verwrongen gezicht, de kakel in haar stem, haar sieraden, haar honden, maar vooral haar blik, die zegt: ik zal je laten boeten voor alles wat ik niet kan bevatten, jongen. Er is een onontkoombare intimiteit tussen ons ontstaan.”
de zomer is afgelast, de houwdegens komen dichterbij (wie hangen ze vandaag aan de goot) hun strijdkreten in de tuinen van de kameraden
dat de tijdrekening met elk refrein krommer wordt (er tussenin een gat: afgedekt met netten zodat de arbeidsmarkt niets ziet)
Patroonhulzen klikken tussen noodlampen heen en weer iemand jongleert met grote handen soms uitvalswegen, soms piratenzenders
(zijn eigen uitsluitingszone) wat was daaraan even gevaarlijk (herhalingen) oh ja: het onmogelijke in telbare gestalten
de trailers worden er uitgesneden of passend bij de aardkromming overgeschilderd (daar alsjeblieft een ondertitel: gebruik van middelen die men niet begrijpt)
naar lege bibliotheken joggen (wazige blik op een rivier waarin de bruggen elkaar overtreffen) in het donker staat het insectenleger
(de argumenten tegen een stap in het water worden dunner) snel trappelen (de hele tijd van zijde wisselen) desondanks hardop schreeuwen