Anneke Brassinga, Li-Young Lee

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog.

 

De goede afloop

Wat doen we hier eigenlijk, vragen we
ons niet af zolang het huppelen van wijsjes
uit de luidsprekerboxen voortgaat, in de bomen
hangen ze onzichtbaar, en wij maar denken
dat het vogels zijn die kwinkeleren –

wat doen we hier? Eerst eens voelen of
de voeten warm genoeg en niet al te pijnlijk
verknobbeld zijn, dan even goed luisteren
naar het lichte geborrel in de diepte van ons
ingewand, oude waarzegster die laat weten

of we alweer verrekken van honger zo niet
dorst, je komt er immers niet achter anders
en het moet niet in het honderd lopen in het
hier, het verzandende, de bossige verstuiving
waar de limonadekraampjes de een na de ander

luchtspiegeling blijken als je hijgend dacht
er te zijn – in het hier waar je wandelt en,
door steeds het niet te kunnen laten nog weer
om te kijken naar waar je vandaan kwam,
niet ophoudt te struikelen over stronken,

schrammen op te lopen van ruwe eikenschors
en roest- of bloedrood prikkeldraad,
resten van beschaving. En hoe vaker je terug-
blikt, voortzwoegende, op de wonderschone
zonsopgang roerloos in je rug boven het verre

geboomte dat onhoorbaar ruist, hoe beter je
weet: dat ontwaken van de frisheid van limoenen,
die paradijselijke eerste hap van de tropische
verrassing in een jasje van melkchocolade –
het verblindend prille komt niet weerom.

Wat doen we hier? Wat we niet doen
is opletten. Of is de afgrond onzichtbaar, of
bestaat er geen afgrond voordat je erin valt,
langs gladde steenwand suist? Het gaat
gezwind. In het gras naast de beek op de bodem

wacht God, zo blij als een moeder die al die
tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s,
sherry in het glas. En vanachter de bloeiende
bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten
voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.

 

Alle dagen

De oorlog wordt niet meer verklaard,
maar voortgezet. Het ongehoorde
is alledaags geworden. De held
blijft uit de gevechten weg. De zwakke
is naar de vuurlinies opgerukt.
Het uniform van de dag is het geduld,
het ereteken de armzalige ster
van de hoop boven het hart.

Het wordt verleend
als er niets meer gebeurt,
als het trommelvuur verstomt,
als de vijand onzichtbaar is geworden
en de schaduw van eeuwige bewapening
de hemel bedekt.

Het wordt verleend
voor de desertie,
voor de dapperheid tegenover de vriend,
voor het verraden van onwaardige geheimen
en het in de wind slaan
van om het even welk bevel.

 

Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

 

De Amerikaanse dichter Li-Young Lee werd geboren op 19 augustus 1957 in Jakarta, Indonesië. Zie ook alle tags voor Li-Young Lee op dit blog.

 

Kleine vader

Ik begroef mijn vader in mijn hart.
Nu groeit hij in mij, mijn vreemde zoon,
Mijn kleine wortel die geen melk drinkt,
Kleine bleke voet verzonken in ongekende nacht,
Kleine klokveer net nat
In het vuur, kleine druif, ouder van de toekomst
Wijn, een zoon de vrucht van zijn eigen zoon,
Kleine vader die ik loskoop met mijn leven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Li-Young Lee (Jakarta, 19 augustus 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e augustus ook mijn blog van 20 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 20 augustus 2019 en ook mijn blog van 20 augustus 2017 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Marc Degens, Ted Hughes

De Duitse schrijver Marc Degens werd geboren op 18 augustus 1971 in Essen. Zie ook alle tags voor Marc Degens op dit blog.

Uit: Selfie ohne Selbst

„Um neunzehn Uhr sind Herr Rutschky und ich in der »Bar Centrale« in der Yorckstraße in Berlin verabredet. Ich bin schon ein paar Minuten früher am verabredeten Ort, vor der Bierkneipe nebenan sitzt mein früherer Agenturkollege Kristof Magnusson an einem Tisch vor einem Haufen Notizen und schreibt. Wir unterhalten uns kurz, dann sehe ich auch schon Herrn Rutschky um die Ecke kommen und verabschiede mich von Kristof. Ich begrüße Herrn Rutschky, und wir beide setzen uns in das vornehme italienische Restaurant, in dem wir uns schon Ende der neunziger Jahre, noch bevor ich nach Berlin gezogen war, regelmäßig getroffen hatten. Das Treffen ist sehr schön. Er trinkt Weißwein, ich Bier. Wir unterhalten uns über Toronto und das Leben in Kanada, dann endlich kommen wir auch auf seine Krebserkrankung zu sprechen. Herr Rutschky hat keine Haare mehr auf dem Kopf und bereits sechs Chemotherapien hinter sich. Seine prognostizierte Lebenserwartung betrage noch vier Jahre. Dann sei er fast achtzig, erzählt er mir, das reiche, irgendwann müsse auch mal Schluss sein. Ich nicke stumm. Anschließend sprechen wir über unsere Arbeit. Ich erzähle ihm von meinem neuen Romanprojekt, er wiederum berichtet von seinem nächsten Tagebuchband, der die Wendejahre bis 1992 darstellt. Ich frage ihn, ob er es jemals bereut habe, dass er keine Kinder hat. Herr Rutschky schüttelt den Kopf und sagt, er habe ja mich und die anderen jungen Menschen, zu denen er immer den Kontakt gesucht habe. Ich freue mich über diese Antwort. Zum Schluss lädt er mich ein, wie früher so oft, und sagt, wie charmant er den Abend fand. Wir sehen uns wieder, erklärt er zum Abschied zweimal. Ich hoffe, dass das stimmt, und freue mich bereits auf das Wiedersehen. Drei Tage später fliege ich zurück nach Kanada.
Im September bestelle ich mir sein gerade erschienenes zweites Tagebuch In die neue Zeit und lasse es mir nach Toronto schicken. Ein halbes Jahr später, als ich gerade dabei bin, eine E-Mail an Kathrin Passig zu schreiben, erhalte ich die Nachricht, dass Herr Rutschky in der Nacht gestorben sei. Ich fange an zu weinen. Dann ziehe ich seine Bücher aus dem Regal, breite sie auf dem Boden aus,
fotografiere sie und veröffentliche das Foto auf Instagram, Twitter und Facebook.
Den Post verknüpfe ich mit einem Link zu einem Text von mir, den ich vor ein paar Jahren für ein Radiofeature geschrieben hatte: »Einen Meister habe ich nicht gehabt, aber einen Mentor: Michael Rutschky. Ich kenne einige Autoren, die durch die sogenannte ›Rutschky-Schule‹ gegangen sind – ich glaube, dieses Wort ist tatsächlich angebracht. Ich habe Michael Rutschkys Bücher bewundert, so traurig, so dankbar #MichaelRutschky ihn angeschrieben, damals war ich noch Student. Michael
Rutschky wohnte in Berlin, ich im Ruhrgebiet, auf dem Germanistentag 1997 in Bonn haben wir uns das erste Mal getroffen.“

 

Marc Degens (Essen,  18 augustus 1971)

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Kraai en de zee

Hij probeerde de zee te negeren
Maar die was groter dan de dood, zoals ze groter was dan het leven.

Hij probeerde met de zee te praten
Maar zijn brein sluiterde en zijn ogen vertrokken ervan als van open vuur.

Hij probeerde de zee te mogen
Maar die schudde hem af – zoals een dood ding je afschudt.

Hij probeerde de zee te haten
Maar voelde zich meteen een gore droge konijnenkeutel op de winderige klif.

Hij probeerde gewoon met de zee in de wereld te zijn
Maar zijn longen waren niet diep genoeg

En zijn opgewekte bloed sloeg eraf
Als een waterdruppel van een heet fornuis.

Uiteindelijk

Draaide hij zich om en stapte hij weg van de zee

Zoals een gekruisigd man zich niet kan bewegen.

 

Vertaald door Daan Doesborgh

 

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2018 en ook mijn blog van 18 augustus 2017 en ook mijn blog van 18 augustus 2016 en ook mijn blog van 18 augustus 2013 deel 1 en ook deel 2.

Ted Hughes

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Pike

Pike, three inches long, perfect
Pike in all parts, green tigering the gold.
Killers from the egg: the malevolent aged grin.
They dance on the surface among the flies.

Or move, stunned by their own grandeur,
Over a bed of emerald, silhouette
Of submarine delicacy and horror.
A hundred feet long in their world.

In ponds, under the heat-struck lily pads –
Gloom of their stillness:
Logged on last year’s black leaves, watching upwards.
Or hung in an amber cavern of weeds

The jaws’ hooked clamp and fangs
Not to be changed at this date;
A life subdued to its instrument;
The gills kneading quietly, and the pectorals.

Three we kept behind glass,
Jungled in weed: three inches, four,
And four and a half: fed fry to them –
Suddenly there were two. Finally one

With a sag belly and the grin it was born with.
And indeed they spare nobody.
Two, six pounds each, over two foot long.
High and dry in the willow-herb –

One jammed past its gills down the other’s gullet:
The outside eye stared: as a vice locks –
The same iron in his eye
Though its film shrank in death.

A pond I fished, fifty yards across,
Whose lilies and muscular tench
Had outlasted every visible stone
Of the monastery that planted them –

Stilled legendary depth:
It was as deep as England. It held
Pike too immense to stir, so immense and old
That past nightfall I dared not cast

But silently cast and fished
With the hair frozen on my head
For what might move, for what eye might move.
The still splashes on the dark pond,

Owls hushing the floating woods
Frail on my ear against the dream
Darkness beneath night’s darkness had freed,
That rose slowly towards me, watching.

 

Night-Ride on Ariel

Your moon was full of women.
Your moon-mother there, over your bed.
The Tyrolean, the guttural,
Mourning and remaking herself.
It was always Monday in her mind.
Prouty was there, tender and buoyant moon,
Whose wand of beams so dainty
Put the costly sparkle
Into Cinderella. Beutscher
Moon of dismemberment and resurrection
Who found enough parts on the floor of her shop
To fill your old skin and get you walking
Into Tuesday. Mary Ellen Chase,
Silver nimbus lit, egg eyes hooded,
The moon-owl who found you
Even in England, and plucked you out of my nest
And carried you back to collage,
Dragging you all the way, your toes trailing
In the Atlantic.

Phases
Of your dismal-headed
Fairy godmother moon. Mother
Making you dance with her magnetic eye
On your daddy’s coffin
(There in the family film). Prouty
Wafting you to the ballroom of broken glass
On bleeding feet. Beutscher
Twanging the puppet strings
That waltzed you in air out of your mythical grave
To jig with your Daddy’s bones on a kind of tightrope
Over the gap of your real grave.

Mary Ellen Moon of Massachusetts
Struck you with her chiming claw
And turned you into an hourglass of moonlight
With its menstrual wound
Of shadow sand. She propped you,
On her lectern,
Lecture-timer.

White-faced bolts
Of electrocuting moonlight-
Masks of the full or over-full or empty
Moon that tipped your heart
Upside down and drained it. As you flew
They jammed all your wavelengths
With their criss-cross instructions,
Crackling and dragging their blacks
Over your failing flight,
Hauling your head this way and that way
As you clung to the sun – to the last
Shred of the exploded dawn
In your fist-

That
Monday.

 

Kraai strijkt neer

Kraai zag de kudde bergen, stomend in de ochtend.
En hij zag de zee
Donkergerugd, met heel de aarde in zijn lussen.
Hij zag de sterren, het zwart in dampend, zwammen van
het nietswoud, hun sporen maskerend, het virus van
God.
En hij rilde bij de gruwel van de Schepping.
In de hallucinaties van de gruwel
Zag hij die schoen, zonder zool, verregend,
Die op een heide lag.
En er was die vuilnisbak, bodem weggeroest,
Een speelplaats voor de wind, in een woestenij van poelen.
Er was die jas, in de donkere kast, in de stille kamer,
in het stille huis.
Er was dat gezicht, dat een sigaret rookte tussen het schemerend
raam en de sintels van het vuur.
Bij het gezicht, die hand, bewegingloos.
Bij die hand, die beker.
Kraai knipperde. Hij knipperde. Niets vervaagde.
Hij staarde naar het bewijs.
Niets ontsnapte hem.(Niets kon ontsnappen.)

 

Vertaald door Daan Doesborgh

 

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e augustus ook mijn blog van 17 augustus 2021 en ook mijn blog van 17 augustus 2019 en ook mijn blog van 17 augustus 2016 en ook mijn blog van 17 augustus 2014 deel 2.

Miriam Van hee, Charles Bukowski

De Vlaamse dichteres en slaviste Miriam Van hee werd geboren in Gent op 16 augustus 1952. Zie ook alle tags voor Miriam Van hee op dit blog.

 

Op het uitstel wachten

wie laat wie vallen
als van een boom de
moegekleurde bladeren
wanneer komt de volgende halte?

o god laat ze het niet geloven
dat van de huizen de tuintjes
dat van de middenweg met goud en
zonder bomen

als een deur in de avond
laat je me vrij
alice heten of sophie en met
blote voeten op gebroken schelpjes
lopen, zomaar tot de zon weggaat
ouder worden
het grote wonder niet meer dromen
weetjewel et puis la pluie
et puis

 

Les doux plaisirs de l’automne

zacht en met onnodige
treurigheid hebben wij met velen
het landschap gekleurd
met kamers gespeeld

hoe lang nog staat
enkel het verdriet te wachten in de morgen –
niet hij wiens naam ik niet
onthouden heb, onthoudbaar zijn enkel
de straten welke we nooit samen
bewandeld hebben rue du jardin
rue d’Angleterre rue
de la petite gare

niet hij wiens lippen
zuiver waren als van
een prins?

 

Een romantische ziel

nooit word ik moe, zei ze,
elke dag droom ik de ramen
vol wolken en groene bomen.

in een veel te lange winter ging ze dood
omdat god niet in de hemel was
het leven niet mooi
en van de herinnering enkel
het kleed herkenbaar

 

Miriam Van hee (Gent, 16 augustus 1952)

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog.

 

Escapade

Het einde van de genade, het einde van
wat er toe doet.
Het oog op de bodem van de fles
is dat van jou
dat terug knipoogt.
Oude stemmen, oude liedjes
zijn een slang die weg
kruipt

Mannen worden gek van het staren in lege gezichten.
Waarom niet?
Wat kunnen ze anders?
Ook ik heb dat gedaan.

Het oog op de bodem van de fles
knipoogt terug.
Het is allemaal een trucje.
Alles is een trucje.
Er is iets anders aan de hand.
Maar waar?
Niet hier.
Niet daar.

Traag kruipen we richting het imbeciele,
we verwelkomen het als een
minnaar

Ik ben deze wedstrijd met mezelf beu,
maar het is in deze stad
de enige sport.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e augustus ook mijn blog van 16 augustus 2019 en ook mijn blog van 16 augustus 2016 en ook mijn blog van 16 augustus 2015 deel 2.

Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

Aan Iokaste

Bij ontstentenis van vrouwen
waren alle mannen planten,
gaven zelfs misschien wel bloemen,
als er niet aan alle kanten
poolijs was, oost, west, noord, zuid,
en totaal geen hemelstreken.
Alleen wind die zinneloos
op de huizen zich liet breken.
Als geen vrouwen meer bestonden,
waren ook die huizen leeg,
was ons hart leeg, was ons lijf leeg,
alle levensteeken veeg;
zaten wij mistroostig samen
zonder arbeid of gesprek
en verhief een hond reikhalzend
naar de maan zijn trieste bek.
Gingen wij dan dood, dan vloekten
wij op ons onvruchtbaar leven,
want wij waren nooit geboren,
waren altijd weggebleven.

 

In exilio

I
Het oud klavier is hopeloos ontstemd.
Als grijze draden tussen zwarte haren
klinkt de verwelkte toon van enk’le snaren
en alle geestdrift wordt vermoeid gedempt.

Maar als de wind er zich mee gaat bemoeien
waait hij twee eeuwen zonder moeite weg,
ik sta weer aan een rozenheg en leg
mijn oor te luister aan muziek die vloeien

komt uit de meisjeskamer van een buiten.
Zij speelt een sierlijk spel en op de ruiten,
de toetsen en haar poederhaar glanst licht.

Ik kan niets zien van haar bedwelmd gezicht,
alleen den cavalier die, wat gebogen,
het blad omslaat herken ik, aan mijn ogen.

 

II
’s Nachts droom ik van mijn aankomst op de kade
waar zij woont en van haar betraand gezicht.
Maar ’s morgens in het onbarmhartig licht
luister ik naar de regen, lig te raden

hoe lang het nog zal duren eer ik vrijkom.
Dan neemt het ruisen mijn gedachten mee
naar huis en naar de havens en de zee,
naar vorig jaar Augustus en zijn rijkdom.

Ik denk aan het kanaal waarop wij roeiden,
de late kabbeling en de vermoeide
schepen voor anker, aan de tuin vol ooft,

aan vrede en aan haar genegen hoofd
en aan de glimlach van verstandhouding
tussen haar oogen en de schemering.

 

Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Guillaume van der Graft, getekend door Kees Wennekendonk, z.j.

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

TROMPE-L’OEIL

In heel Genua
zie je ze: ramen met openstaande luiken.
Dan spat de illusie uiteen.

Maar dat is niet waar. Jij wist
dat de luiken slechts opgeschilderd waren.
Je wist het keer op keer.

De claim van het opgeschilderde luik
dat het ooit het oog
van het raam sluit is een openlijke leugen.

Je merkt op hoe zijn schaduwgrendels
in een enkele hoek de muur raken,
zoals de vastzittende wijzers van een klok.

Wie heeft het vaker dan twee keer per dag
nodig het bij het rechte eind te hebben?
Wie heeft echte schaduw harder nodig dan spelen?

In het huis, een eindeloze
stapel kleding om te wassen.
Op een buitenmuur de verse verf ervan

opgehangen om te drogen–
hemden wapperen op een fries
niet gerimpeld door een briesje,

zoals de woorden die op deze regel zijn vastgepind.
En het vreemde woord is een leugen:
die tweede “l” in “l’oeil”

die er alleen uitziet als een “l” en stom is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2019 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Wolf Wondratschek

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Warum Gefühle zeigen?

Chuck geht die Straße runter
und wenn er jemand trifft, sagt er automatisch
Gut geht’s mir, ja ausgezeichnet, tausendprozentig,
glaubs mir!
Und dann Sprüche wie
Ja, wir telefonieren, gut, okay,
Nein, ich weiß noch nicht, ob ich heut ins Kino geh!
Chuck trifft halb München,
setzt sich ins Capri,
starrt gleich aufs erste nackte Knie
und der erste Gedanke ist:
Bleib sitzen, bis sie wieder Weihnachtsbäume verkaufen
oder bis dir ungemütlich wird
und die Füße in den Turnschuhen anfangen zu schwitzen
oder bis ein Mädchen vorbeigeht
mit dem Kleid mit den Flugzeugen drauf, aus denen
Palmen wachsen
und daß ihr der Wind über die Schenkel weht –
zu welchen Träumen gibt das Anlaß?
». . . weißt du, die hat viel Phantasie, viel Erfahrung,
aber in Wirklichkeit?« und wie die Sprüche heißen aus
dem geschminkten
Totenkopf der Eitelkeit.
Du machst es
Du bist es
Du verstehst es

Chuck beobachtet, wie sie geht
wie alle anständigen Frauen, die sich eines Tages
in Gedanken in die Toilette einschließen,
um ein paar der miesesten Angewohnheiten eines
fremden Mannes zu genießen,
und wieder tönt es irgendwo
Du machst es
Du bist es
Du verstehst es
Der Mann dürfte keinen Namen haben,
müßte erfolgreich sein
und könnte eigentlich nur aus dem Luftschacht da oben
kommen.
Da geht sie, Hemmungen hätte sie keine,
Lippenstift-Jäckchen,
das Gesicht so weiß wie die Knochen von Papa,
so unsichtbar wie Unterwäsche auf der Wäscheleine,
verliebt in den Gedanken ihrer völligen Versklavung,
zerfressen von Vitaminpillen,
um etwas jünger auszusehen.
Da geht sie,
Chuck könnte ihr die Juwelen, die sie schmücken,
einzeln ins Hautinnere drücken.
Oder sieht er das alles etwas zu kraß?
Vor allem wenn er zu Hause sitzt in seinem Zimmer,
zwischen den Mädchen mit dem aufgemalten
Hoffnungsschimmer,
zwischen den Freunden, die erzählen, daß sie, um nicht
durchzudrehen,
nicht mehr aus dem Haus gehen –

Chuck, der sein Kind liebt,
das nie zur Welt kommen wird.

 

De misdaad van de zon

Moe zijn de mensen en droog de rivieren.
Daar de agent die zich bewonderen laat.
De zon die klauwen in de aarde slaat
en buiten op de stenen vegeteren

adelaars als kippen, wachtend op de slager.
Het land is als een leeggeroofde gaarde.
Cactussen bloeien er nog slechts en leugen,
en kinderen zul je zien, die onbeschaamd,

alsof een schreeuw in hen tot zwijgen kwam
misdaden van elke soort begaan.
Alleen voor minnaars is de hemel vreugde.

De armsten strooien kruimels op hun doden.
Daar de agent die zich bewonderen laat;
hem is maar één zaak echt heilig: zijn kloten.

 

Vertaald door Willem van Toorn

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e augustus ook mijn blog van 14 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 14 augustus 2018 en ook mijn blog van 14 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Taije Silverman

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

 

The Dumb Bones

Last night I asked a man I love to destroy me quickly.
I wanted him to leave nothing, crushed up bones,

chalk they can’t trace back as evidence.
What, he asked, not understanding.

The man is a god. The god is a man. He kneels for me.
He puts my cheek to the white plaster, curving.

He lifts my skirt and I shake my head no, trying
to remember an instinct.

He nods and I want to lie down for him.
Make me chalk. Make me end.

Is it just love, this grief in me crumbling?
Just love, after all, just love. Sleeping. Trying to sleep.

I never knew to prize my mother’s happiness.
How tonight, she smiled at her guests in that slow candlelight

around the table. She was the center, and meant
to be the center, and grateful. I’ve only wanted this.

Then his one hand, slipping into me. His insistence.
Again I believe in promises.

 

Vigilance

Today we lay

across the chaise,
my head along her pillowed hip she said
I am going to vomit. I pulled her up

to sitting, quick. I cupped my hands before her.
She shook her head.

I grabbed the glass, dumped water
like spit, it hit the edges of her sandals, spread.
I think sometimes of dreams. They are like falling, in.

She threw up pink, the peaches
sliced for breakfast, how
she’d sliced them
smaller with her spoon,
each careful cut, I thought to help—
Slime on her lips, again, and then.

I made her laugh. I held her head.
I pressed my head soft to her head.
You useless heart, you gentle guilt.

Sometimes my dreams.

Her leg shook like a dull machine, the engine
low, on vibrating. The room filled up to watch her.
She closed her eyes, and did not answer questions.

We tried to be a silence.
Come time, we called, and swallowed it.

 

Filtrum

I.
Papieren boot, spleet
in het water.
Behendig bluffen
van een duim.
Misplaatste traan,
laten drogen.
Koele kloof
van de rivierbedding.

II.
Voordat we geboren worden, komt de engel van God in de baarmoeder
en leert ons alles. Hoe de long schorpioenen inboekt,
ze laat ademen, de aard van de hebzucht van een sterrenstelsel.
Hele herinneringen en de woorden voor elk stukje van de wereld.
Daarna geboorte. En de engel keert terug als onze moeders
beginnen te lijden, legt cellen het zwijgen op als onze moeders smeken.
Pers, dringt iemand aan, en bijna, binnenin
volgt de engel een vinger van de neus naar de bovenlip, dus wanneer
we ons leven binnen treden, is alles wat ons is geleerd vergeten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 13 augustus 2019 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Rouke van der Hoek, Thomas Mann, Wolf Wondratschek

De Nederlandse dichter Rouke van der Hoek werd op 12 augustus 1952 in Eindhoven geboren. Zie ook alle tags voor Rouke van der Hoek op dit blog.

 

Het is geel en het helpt

In het verpleeghuis weten ze: wanneer de neuspunt
van de patiënt opvallend dun wordt, is het einde nabij.
‘Dan geven we ze soms een advocaatje met slagroom.’

Wacht even: rauwe eidooiers? Dient dat om het proces
te versnellen of is het bedoeld als beloning, voorschot
op wat Petrus aansluitend opleest bij de hemelpoort?

En dat ‘soms’, is dat ook een kwestie van voorselectie
of hangt dat af van ieders zorgverzekering? (Ver weg
begint het te rommelen, de comateuze reus Solidariteit

draait zich om, dan keert de rust terug.) Wat vandaag
nog is, hoeft er morgen niet te zijn. Gelijke rechten,
advocaat. Vanaf heden zullen wij neuzen inspecteren,

te beginnen met de eigen. Loop bij onraad tegen een
solide dichte deur, ter verdikking. En schenk op straat
passanten met scherpe neus onbekrompen advocaat.

 

Uilen op het oorlogskerkhof

Jij wist de roestboom te staan
tussen betonnen kruisen,
verslagen Duitsers
en overig

feldgrau braaktapijt verraadt een troep
ransuilen in de sparren
die stil en aandachtig, koppies scheef,
over onze geschiedenis waken.

Terwijl ik hun wetenschappelijke distantie bestudeer,
scharrel jij, vader, door de Noordlimburgse sneeuw
en de jaren dertig

waarheen geen elektriciteitsdraden, telefoonpalen
of geluiden meer vertrekken.

Je zoekt en roept:
hier ligt hij, Jas,

Jasper R., dorpsgenoot
en ss-er.

Boerenzoon, krisis en toch doorgedraaide groente.
‘Als de R’s eenmaal iets besloten,
dan geen half werk.’

 

Roeken

Door het helblauw
schuiven twee roeken ons gezichtsveld binnen.
Verkenners. Dan twintig, tweehonderd,
tweehonderdtweeëntwintig.

Trage praatgrage eskaders
op weg naar hun ondoorgrondelijke slaapbossen,

maar recht boven ons raken ze de richting kwijt.
Snibbig roepend wervelen ze
alsof er een knoop in de lucht

Waarom hier?

Misschien omdat ze weten
dat ik onder hen was en weet
dat zij de zielen van onze voorouders zijn.

Het kan.

 

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Herr und Hund 

Er springt in der Tat, weil er weiß, daß ich Gefallen daran finde; denn öfters habe ich ihn durch Zurufe und Klopfen auf das Gitter dazu angehalten und ihn belobt, wenn er meinem Wunsche entsprochen hatte; und auch jetzt kommt er beinahe nach jedem Satz, um sich sagen zu lassen, daß er ein kühner und eleganter Springer ist, worauf er auch noch gegen mein Gesicht emporspringt und meinen abwehrenden Arm mit der Nässe seines Maules verunreinigt. Zum zweiten aber obliegt er diesen Übungen im Sinne einer gymnastischen Morgentoilette; denn er glättet sein rauhgelegenes Fell durch die turnerische Bewegung und verliert daraus die Strohhalme des alten Moor, die es verunzierten. Es ist gut, so am Morgen zu gehen, die Sinne verjüngt, die Seele gereinigt von dem Heilbade und langen Lethetrunke der Nacht. Mit kräftigem Vertrauen blickst du dem bevorstehenden Tage entgegen, aber du zögerst wohlig, ihn zu beginnen, Herr einer außerordentlichen, unbeanspruchten und unbeschwerten Zeitspanne zwischen Traum und Tag, die dir zum Lohn ward für eine sittliche Führung.

 

De bibliotheek in Manns voormalige villa in Los Angeles, nu het Thomas-Mann-Haus

 

Die Illusion eines stetigen, einfachen, unzerstreuten und beschaulich in sich gekehrten Lebens, die Illusion, ganz dir selbst zu gehören, beglückt dich; denn der Mensch ist geneigt, seinen augenblicklichen Zustand, sei dieser nun heiter oder verworren, friedlich oder leidenschaftlich, für den wahren, eigentümlichen und dauernden seines Lebens zu halten und namentlich jedes glückliche ex tempore sogleich in seiner Phantasie zur schönen Regel und unverbrüchlichen Gepflogenheit zu erheben, während er doch eigentlich verurteilt ist, aus dem Stegreif und moralisch von der Hand in den Mund zu leben. So glaubst du auch jetzt, die Morgenluft einziehend, an deine Freiheit und Tugend, während du wissen solltest und im Grunde auch weißt, daß die Welt ihre Netze bereit hält, dich darein zu verstricken, und daß du wahrscheinlich morgen schon wieder bis neun Uhr im Bette liegen wirst, weil du um zwei erhitzt, umnebelt und leidenschaftlich unterhalten hineingefunden … Sei es denn so. Heute bist du der Mann der Nüchternheit und der Frühe, der rechte Herr des Jägerburschen da, der eben wieder über das Gitter setzt, vor Freude, daß du heute mit ihm und nicht mit der Welt dort hinten leben zu wollen scheinst. Wir verfolgen die Allee etwa fünf Minuten weit, bis zu dem Punkte, wo sie aufhört Allee zu sein und als grobe Kieswüste weiter dem Lauf des Flusses folgt; wir lassen diesen im Rücken und schlagen eine breit angelegte und, wie die Allee, mit einem Radfahrweg versehene, aber noch unbebaute Straße von feinerem Kiesgrund ein, die rechtshin, zwischen niedriger gelegenen Waldparzellen, gegen den Hang führt, welcher unsere Ufergegend, Bauschans Lebensschauplatz, im Osten begrenzt.

 

Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)
Cover

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Goed nieuws

Streel zachtjes door haar haren
zoals het uit de mode is.
Neem er een handvol van
in je vuist, niet boos,
doe haar geen pijn, maar voelen
moet ze het verlangen van een man
die gekozen heeft.

Voorbij de tijd van de kleine eeuwigheden.
Voorbij de zozeer geliefde variëteit,
meer liefgehad dan de liefde.

Oh, het was mooi, dat zal ik niet ontkennen.
Maar ik deed het op zoek naar iets
mooiers dat meer is, veel meer
dan alleen schoonheid.

Met welk recht?
Met geen ander dan dat van mijn hart
dat weet dat je wacht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor de schrijvers van de 12e augustus ook mijn blog van 12 augustus 2019 en ook mijn blog van 12 augustus 2018 en mijn blog van 12 augustus 2015 en mijn blog van 12 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Fernando Arrabal, Wolf Wondratschek

De Spaanse schrijver, dichter, dramaturg en cineast Fernando Arrabal werd geboren in Melila, Spaans Marokko op 11 augustus 1932. Zie ook alle tags voor Fernando Arrabal op dit blog.

Uit: De steen van de waanzin (Vertaald door Stella Linn)

“Ik weet nog dat ik niet kon slapen omdat het licht van de operatiekamer me hinderde, al hield ik steeds mijn ogen dicht. Ik hoorde het commentaar van de chirurgen als een zacht gemompel en af en toe grinnikten ze.
Hoewel de grote wond van de operatie bijna dicht was, deed mijn hele rug vreselijk pijn en, uit angst dat de pijn erger zou worden, bewoog ik me niet. Ik bedacht dat het beter zou zijn als zij niet kwam, zeker niet met haar ouders. Haar moeder zou, als ze mij in deze toestand zag, tegen haar zeggen dat ze mij moest verlaten, en haar vader zou me uitlachen. Ik begon een paar wortels te eten die naast me lagen; ik had geen zin om ze op te eten en toch begon ik er, zoals altijd, aan te knagen.
Toen ving ik een gedeelte van het gesprek op van de chirurgen. Ze hadden het erover dat ze opnieuw moesten opereren en praatten vooral veel over een apparaat dat sommigen ‘algometer’ noemden en anderen eenvoudigweg ‘pijnmeter’, en dat gebruikt werd om te meten tot welke grens pijn kon worden verdragen.
Ineens kreeg ik het gevoel dat mijn hele lichaam bedekt was met haar. Ik bedacht dat het vast en zeker was gaan groeien doordat ik de dag voor de operatie helemaal geschoren was. Ook leek het me alsof ik geen lakens had en zelfs of iemand zaagsel in mijn bed had gedaan.
Daarna hoorde ik hoe de artsen vertelden dat ze in staat waren met dat apparaat de pijn op te voeren tot de uiterste grens, te stoppen wanneer de patiënt op het punt stond het bewustzijn te verliezen of te sterven en dan opnieuw te beginnen. Eén zei er dat het dezelfde avond nog getest moest worden.
Ik kon niet slapen en mijn rug deed steeds meer pijn.
De chirurgen stonden te lachen. Ik werd erg bang, omdat ze verscheidene malen mijn naam noemden. Ze sloten weddenschappen af; een paar zeiden er dat een mens een week lang pijn kon verdragen met een intensiteit van ‘negen eenheden’, anderen dat hij maar ‘zeven eenheden’ zou uithouden. En op dat moment hoorde ik duidelijk dat ze het apparaat op mij zouden gaan testen.
Ik kwam zo ver als ik kon overeind en probeerde te schreeuwen, maar ik kon alleen maar gegrom uitbrengen. Om mij heen hoorde ik een paar konijnen grommen, die vast en zeker door mijn kreet wakker waren geworden. Toen deed ik mijn ogen open en besefte dat ik in een kooi zat en dat de grond vol lag met zaagsel en wortels, en dat er in elk van de andere kooien om me heen een proefkonijn zat.“

 

Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932)

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Gebed

’s Nachts, al voorbij de tijd en ver weg,
Hoor je het zingen van de wind en je ziet
bergen branden die als een vuurwerk van vallende
sterren verschroeien. Te diep ligt daar beneden

de aarde, dit inferno van onverschilligheid,
dat ook de lachende slechts geïntimideerd overleeft,
en zelfs de gelukkige is aan zijn geluk gebonden
zoals de gehangene daar aan zijn touw;

ongelovig, aarzelend nog , als met grote moeite,
zegt de eenzame man nu zijn eerste gebed,
zijn ogen wit en leeg, ontnuchterd door het zuipen,

zijn hart te zeer aan barsten gewend.
Het afscheid dan, en dan de stilte,
die al het leven overstemt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2021 en ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Taalslacht

“Dokter Kipping.
Goedemiddag.
U bent bestuurslid van de Nederlandse Taalunie, die de spelling wil vereenvoudigen, om tot één officiële versie van de taal in Nederland en Vlaanderen te komen, toch?
Uiteindelijk wel, ja.
Kunt u een paar van die overeenkomende gevallen noemen?
U bedoelt wat wij voorlopig zijn overeengekomen?
Ja en graag kort samengevat, want de aflopende minuten zijn wij nogal uitgelopen.
Nou het gaat mij persoonlijk niet eens zozeer om de spelling. Mijn bezorgdheid geldt de verloedering van ons Nederlands over de gehele linie. Niet alleen de spellingsfouten, maar vooral de grammaticale blunders, die je overal hoort maken. En ziet schrijven. Nu bent u toch een presentator van een Taalprogramma, nietwaar?
Nou en of en al zeven jaar.
Toch pleegt u in uw eerste zinnen al meteen twee enorme taalkundige vergrijpen.
Wat doe ik dan verkeerd?
U haalt het tegenwoordig- en het voltooid deelwoord door elkaar! Het participe présent en het participe passé, waar zij bijvoeglijk gebruikt worden! U zei: overeenkomende gevallen, terwijl u de overeengekomen gevallen bedoelde.
Slipje. U heeft gelijk. Ik zal eraan denken. Maar goed, onder uw bezielde leiding heeft de commissie…
Weer zoiets! U zegt bezielde leiding, terwijl u, naar ik mag hopen, mijn bezielende leiding bedoelt. Mijn leiding die anderen bezielt, als het goed is.
Ja. Weer fout. Maar goed: er gebeuren, ook binnen de taal, nu eenmaal verwarde dingen!
Nee! Strikt genomen kan het wel, verwarde dingen, maar ik weet zeker dat u verwarrende dingen wilt zeggen!
Dus niet alle voorgekomen fouten zijn honderd procent verkeerd? Omdat het, zoals bij uw verwarde dingen, qua betekenis soms weinig verschil maakt of u het bijvoeglijk naamwoord bezigt in zijn tegenwoordige dan wel in zijn verleden vorm, kunnen wij de gebruiker niet alle voorkomende fouten aanrekenen, helaas.”

 

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

De omhelzing

Je voelde je niet slecht of echt ziek;
gewoon een beetje moe, je schoonheid,
getint door verdriet of verwachting, wat
aan je gezicht een kalme, verdiepende gratie verleende.

Ik twijfelde er geen moment aan dat je dood was.
Ik wist dat dat nog steeds waar was, zelfs in de droom.
Je was weg geweest – op je werk misschien? –
had een goede dag gehad, bijna energiek.

We leken te verhuizen uit een oud huis,
waar we hadden gewoond, overal dozen, dingen
in wanorde: dat was het verhaal van mijn droom,
maar zelfs in mijn slaap schrok ik uit het relaas

door je gezicht, het fysieke feit van je gezicht:
centimeters van het mijne, gladgeschoren, liefdevol, alert.
Waarom was het zo moeilijk, te onthouden hoe je er echt
uitzag? Zonder foto, zonder vervorming?

Dus toen ik je onbewaakte, betrouwbare gezicht zag,
je onmiskenbare blik die alle warmte
en helderheid van jou naar buiten liet – warme bruine thee – hielden we
elkaar voor de tijd die de droom toestond vast.

Godzijdank. Je kwam terug zodat ik je nog een keer
kon zien, duidelijk, zodat ik tegen je aan kon rusten
zonder te denken dat dit geluk alles verzachtte,
zonder te denken dat je weer leefde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.