Samuel Johnson, Omer Karel De Laey, Jan Mens

De Britse lexicograaf, dichter, essayist en criticus Samuel Johnson werd geboren in Lichfield op 18 september 1709. Zie ook alle tags voor Samuel Johnson op dit blog

 

The Vanity Of Human Wishes (Fragment)

 

IN IMITATION OF THE TENTH SATIRE OF JUVENAL.

 

Let observation, with extensive view,

Survey mankind, from China to Peru;

Remark each anxious toil, each eager strife,

And watch the busy scenes of crowded life;

Then say, how hope and fear, desire and hate

O’erspread with snares the clouded maze of fate,

Where wav’ring man, betray’d by vent’rous pride

To tread the dreary paths, without a guide,

As treach’rous phantoms in the mist delude,

Shuns fancied ills, or chases airy good;

How rarely reason guides the stubborn choice,

Rules the bold hand, or prompts the suppliant voice.

How nations sink, by darling schemes oppress’d,

When vengeance listens to the fool’s request.

Fate wings with ev’ry wish th’ afflictive dart,

Each gift of nature, and each grace of art;

With fatal heat impetuous courage glows,

With fatal sweetness elocution flows,

Impeachment stops the speaker’s pow’rful breath,

And restless fire precipitates on death.

But, scarce observ’d, the knowing and the bold

Fall in the gen’ral massacre of gold;

Wide wasting pest! that rages unconfin’d,

And crowds with crimes the records of mankind;

For gold his sword the hireling ruffian draws,

For gold the hireling judge distorts the laws;

Wealth heap’d on wealth, nor truth nor safety buys,

The dangers gather as the treasures rise.

Let hist’ry tell where rival kings command,

And dubious title shakes the madded land,

When statutes glean the refuse of the sword,

How much more safe the vassal than the lord;

Low sculks the hind beneath the rage of power,

And leaves the wealthy traitor in the Tower,

Untouch’d his cottage, and his slumbers sound,

Though confiscation’s vultures hover round.

 

samuel_johnson

Samuel Johnson (18 september 1709 – 13 december 1784)
Portret door Joshua Reynolds

 

De Vlaamse dichter, toneelschrijver en essayist Omer Karel De Laey werd geboren in Hooglede op 18 september 1876. Zie ook alle tags voor Omer Karel De Laey op dit blog.

 

 

Fantaisie

 

Kent gij de vermaarde dichten

van den ouden Lessing niet,

die in alle dingen: Liebe und

Wein, of Wein und Liebe, ziet?

 

Trinken – van ’t begin tot ’t einde;

kijkt en leest: op ieder blad

is hij minstens, zonder liegen,

zes of zeven keeren zat.

 

‘k Hoor u verontweerdigd roepen:

– zulke dorst is al te groot!

vader Lessing, ongetwijfeld,

vader Lessing dronk hem dood! –

 

Neen, pardon, geachte lezer,

neen! de Duitsche dichter heeft,

boven alle middenmate,

twee en vijftig jaar geleefd.

 

De uitleg hiervan is, dat Lessing

in de bekers die hij dronk,

Vele meer – het was voorzichtigst –

fantaisie dan Moezel schonk.

 

‘k Ken er velen, hier te lande,

die, al spreken over wijn

of van ander zaken, zelve

Lessings… en nog erger zijn!

 

 

omer-karel-de-laey-dierensprookjes-gedichten

Omer Karel De Laey (18 september 1876 – 16 december 1909)

 

De Nederlandse schrijver Jan Mens werd geboren in Amsterdam op 18 september 1897. Zie ook alle tags voor Jan Mens op dit blog.

 

Uit: De kleine waarheid (Televisiserie met Willeke Alberti)

 

Sla, tomaten en radijsjes

Sla, tomaten en radijsjes
Jonge erwten, jonge meisjes
Jonge veulens, jonge lammetjes in de wei
En de zon op alle daken
Op de Amstel met zijn aken
Op Jordaan en Pijp en Vondelpark en IJ

Sla, tomaten en radijsjes
Westertoren speel je wijsjes
Munt en Dampaleis en Montelbaan kom erbij
Vier ons biefstuk, mals en mager
Bij de grinnikende slager
Iedereen is aardig, iedereen is blij

Sla, tomaten en radijsjes
Overal zijn paradijsjes
Alle dagen komt een stukje geluk voorbij
Maar omdat je ’t deelt met velen
Moet je ‘r krijgertje mee spelen
Of ’t zegt ‘iene-miene-mutte, af ben jij’…

 

Tekst: Willy van Hemert, Muziek: Harry de Groot

 

MENS

Jan Mens (18 september 1897 – 31 oktober 1967)

William Carlos Williams, H.H. ter Balkt, Ken Kesey, Abel Herzberg

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook alle tags voor William Carlos Williams op dit blog.

 

A Sort of a Song 

 

Let the snake wait under

his weed

and the writing

be of words, slow and quick, sharp

to strike, quiet to wait,

sleepless.

— through metaphor to reconcile

the people and the stones.

Compose. (No ideas

but in things) Invent!

Saxifrage is my flower that splits

the rocks.

 

 

Approach of Winter 

 

The half-stripped trees

struck by a wind together,

bending all,

the leaves flutter drily

and refuse to let go

or driven like hail

stream bitterly out to one side

and fall

where the salvias, hard carmine–

like no leaf that ever was–

edge the bare garden. 

 

 

 

January 

 

Again I reply to the triple winds

running chromatic fifths of derision

outside my window:

Play louder.

You will not succeed. I am

bound more to my sentences

the more you batter at me

to follow you.

And the wind,

as before, fingers perfectly

its derisive music.

 

 

williamWC

William Carlos Williams (17 september 1883 –  4 maart 1963)

 

 

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

 

 

De vliegen dragen de winter

 

De vliegen dragen de winter weg

uit de boom met de zeven lichten

Naar die vloeren in Siberië

Waar je heel makkelijk op bevriest

 

Een omvallende popgroep speelt daar

onder zeven vilten dekens

met bruinkoolgruis op altsax

en vuile putlucht op de hoorn.

 

 

 

Anti-canto I

 

 ‘In meiner Heimat

  where the dead walked

  and the living were made of cardboard.’

  Ezra Pound, Canto cxv*

 

Secretarisvogel van Yeats, liep je Henry James na

de luide eeuw in, grondvestte windhandel; duister

Jij die de schaaf opnam in Pisa, polijster

Een oud-reizigster leidde je rond in Europa

– een heel continent om in repen te scheuren!

‘The scientists are in terror

and the European mind stops’

 

‘ik herinner mij hoe eensklaps de hidalgo

zijn penseel opnam en kalm verwoesting verfde

de stemmen in scherven, gedoofd licht’,

zei daar in de sneeuwjacht bij Aust

in een wetland dat je niet aandeed, Pound

de bonte kraai in de berk. ‘Ai

na de val noemde hij dat Guernica’

 

Jij en treurnis… Jij buizerdkop roemde

het totalitaire; ‘Gesteenteboor van de Waterkruiken’

beeld van verbrijzeling eerder dan van ontworteling

en ook ijziger: een Syrisch grafglas schonk jou

teruggereisd naar Venetië de dogenstad

miljoenen tranen; verspilling

 … blinde medeplichtigheid…

 

‘Er ligt rijp op
de rotswand’, Canto Honderdacht

Was dan een tabakswinkeltje begonnen, maker

Scheef wiel reed uit… Schijnwerper scheen

op de Wetgever van de wereld, snel kwik

mengden kou en hitte waanzin dooreen

Er hangt een verbleekt Schema
boven de prent van de schaaf

 

Inzicht in Delft, met de kraam van de
muziekinstrumentenverkoper (Carel Fabritius)

Delft was inniger dan Amsterdam, ik verliet
Rembrandt de geldwolf, zijn beslijkt palet en al
dat bruin, als turfbergen dampend ten hemel.
Hier slaan de huizen het licht niet tot munt,

hier zijn de grachten lieflijker, éen leid ik
er rondom de Nieuwe Kerk, devotie van de huizen
straalt in de zilveren halo van de historie. ’t Is
of de boom opspringt bij de deemoedige keien.

De muziekinstrumentenverkoper onder zijn hoed,
ben ik niet. Uithangbord van welke handel. En
zwarte houten traliën, tussen welke werelden.

Het jaar is 1652, iets viel al stil in die tijd;
geen koper nadert over de keien de luit, muziek
diep in slaap in de snaar gekeerd naar de muur.

 

 

Carel Fabritius (Midden-Beemster 1622-Delft 1654)

 

 

H_H_terBalkt

H.H. ter Balkt (Usselo, 17 september 1938)

 

 

De Amerikaanse schrijver Ken Kesey werd geboren in La Junta (Colorado) op 17 september 1935. Zie ook alle tags voor Ken Kesey op dit blog.

 

Uit: One Flew Over the Cuckoo’s Nest

 

„He talks a little the way Papa used to, voice loud and full of hell, but he doesn’t look like Papa; Papa was a full-blood Columbia Indian — a chief — and hard and shiny as a gunstock. This guy is redheaded with long red sideburns and a tangle of curls out from under his cap, been needing cut a long time, and he’s broad as Papa was tall, broad across the jaw and shoulders and chest, a broad white devilish grin, and he’s hard in a different kind of way from Papa, kind of the way a baseball is hard under the scuffed leather. A seam runs across his nose and one cheekbone where somebody laid him a good one in a fight, and the stitches are still in the seam. He stands there waiting, and when nobody makes a move to say anything to him he commences to laugh. Nobody can tell exactly why he laughs; there’s nothing funny going on. But it’s not the way that Public Relation laughs, it’s free and loud and it comes out of his wide grinning mouth and spreads in rings bigger and bigger till it’s lapping against the walls all over the ward. Not like that fat Public Relation laugh. This sounds real. I realize all of a sudden it’s the first laugh I’ve heard in years.“

 

 

kesey

Ken Kesey (17 september 1935 – 10 november 2001)

 

 

De Nederlandse toneel- en kroniekschrijver en essayist Abel Herzberg werd geboren in Amsterdam op 17 september 1893. Zie ook alle tags voor Abel Herzberg op dit blog.

 

Uit: De oneindige oorlog (Interview door stan van Houcke)

 

„‘Ik herinner mij een Scharführer met een hond die op de eerste dag dat we aan het werk gingen tegen ons zei: “Jullie hoeven geen enkele angst te hebben, 75 procent van onze mensen is goed.” Maar de 25 procent die overbleef, daar heb ik het over. Dat waren vijanden. Een andere Scharführer zei: “Wij zijn een arm volk. Jullie zullen ons rijk maken.” Zo was het. Het is niet waar dat alle Duitsers moordlustig waren. Die indruk kreeg ik helemaal niet. En de verschillen waren essentieel. Ik zal je een voorbeeld geven: onze aanvankelijke commandant is ontslagen, werd weggestuurd omdat hij een portret had laten maken door een jood die kon schilderen. Dat is die commandant zo kwalijk genomen dat hij naar het front werd gestuurd. Er zat een zekere menselijkheid in hem en dat mocht niet… Ander voorbeeld. Wij hadden een rechtbank ingesteld, dat was een zeldzaamheid in die kampen. Ik heb daar zelf als advocaat aan meegewerkt. In het begin gebeurde het clandestien, omdat wij bang waren dat ze het zouden verbieden en we ervoor gestraft zouden worden. Maar het kwam toch uit. Diezelfde kampcommandant hoorde ervan en zei toen: “Ja, zoiets begrijp ik wel, wanneer zoveel mensen bijeenleven, moet er wel iets gebeuren. Die rechtspraak is juist.” We crepeerden allemaal van de honger, dus kwam er diefstal voor, vooral onder jongeren, die stalen brood, maar ook kledingsstukken. Er werd veel gestolen, maar er waren weinig dieven, natuurlijk meer dan in de normale maatschappij, maar verreweg de grootste meerderheid ging liever dood dan dat ze van elkaar stal. En omdat het mocht werden de processen openbaar, zelfs Duitse officieren kwamen er bij zitten om te zien hoe het verliep. Zo kregen wij de gelegenheid om hen duidelijk te maken hoe slecht het met ons ging. Maar een andere commandant, Josef Kramer, was heel anders, dat was een echte, die hoorde tot de 25 procent. Als hij een dief te pakken kreeg dan kreeg die Prügel, een afranseling, 25 stokslagen op zijn blote achterste. En dan konden we hem door het hele kamp heen horen schreeuwen van pijn.“

 

herzberg

Abel Herzberg (17 september 1893 – Amsterdam, 19 mei 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ludwig Fleischer op dit blog.

Uit: Aus der Schule oder Europaanstalt Mayerlingplatz

 

„Direktor Willi Muster hat durch den Bombenalarm nichts an Schwung eingebüßt. Schläue litzt aus seinen Äuglein, von denen sich Lustfältchen bis zu den Ohren kerben, der Schnurrbart zittert über einem Strahlelächeln, der ganze Mann vibriert wie ein Vertreter, der drauf und dran ist, eine Jahrhundertprovision zu verdienen. Qualitätsschule, Mitarbeiter, um die man mich beneidet, unsere Anstalt allen anderen wieder einmal um Jahre voraus.

Muster erläutert ein neues Corporate-Identity-Logo, das er in den letzten Ferientagen gemeinsam mit einigen Vorzugslehrern entworfen hat: ein vierblättriges Kleeblatt, in dem sich die Worte Dynamik, Offenheit, Globalität und Praxisbezogenheit um das Kürzel Mayer-WIFASCH samt der Kringelschlange des Verbandes Christlicher Kaufleute gruppieren. Das Emblem symbolisiere das Selbstbild des “Betriebes”, den “Schwung unserer Anstalt”. Die werte Kollegenschaft möge über eine entsprechende Bezeichnung für das Logo nachdenken, vielleicht gebe es bereits spontane Ideen. “Schwungpropeller”, schlägt Terlaner vor, “christliches Verbandszeug.” Muster lächelt ignorativ. “Eventuell sollten wir uns im Anschluß an die Konferenz etwas überlegen. Nun aber zu einem, ich möchte sagen: künstlerischen Unterfangen …” Endlich kann der Direktor sein Ruprecht Mayerling-Büstenprojekt enthüllen.“

 

 

Fleischer

Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Zie ook alle tags voor Dilip Chitre op dit blog.

 

 

Ich lach. Ich wein.

Ich lach. Ich wein. Ich zünde Kerzen an. Trink Alkohol.
Die Augen noch schmutzig von Liebe. Der Mund
Verdreckt von Gesang. Gedichte wachsen wie Läuse mir im Haar.
Sagte der Romantiker. Saß in einer Kneipe in Bombay.
Die Holzbänke geschwärzt vom Schweiß der Jahre.
Die nackte Birne warf ihren dürftigen Schleier in den Raum.
Die Madonna und das Gotteskind verblaßten an der Wand.
Wir gossen noch etwas Soda zur Tragödie und spülten sie hinab.
Einer sagte Asien steht in Flammen. Ein andrer es wird aufwärts gehn mit Indien.
Draußen lag Bombay wie Erbrochnes. Phosphoreszierend in der Nacht.
Verzeih und unsre Unwissenheit und unsern gestauten Verkehr Herr.
Den schalen Geruch der Paarung hinter Blumengardinen.
Vergib uns unsern Kollektivlärm und unsre Stimmlosigkeit.
Aus solch grandiosen Visionen fallen wir hinaus in schlammige Gassen.
Wir laufen und entgehen dabei knapp dem Leben um ein Uhr
Morgens wenn eben endet unser Tag.

 

 

Vertaald door Lothar Lutze

 

dilipchitre

Dilip Chitre (17 september 1938)

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Zie ook alle tags voor Albertine Sarrazin op dit blog.

 

 

Il y a des mois que j’écoute

 

Il y a des mois que j’écoute
Les nuits et les minuits tomber
Et les camions dérober
La grande vitesse à la route
Et grogner l’heureuse dormeuse
Et manger la prison les vers
Printemps étés automnes hivers
Pour moi n’ont aucune berceuse
Car je suis inutile et belle
En ce lit où l’on n’est plus qu’un
Lasse de ma peau sans parfum
Que pâlit cette ombre cruelle
La nuit crisse et froisse des choses
Par le carreau que j’ai cassé
Où s’engouffre l’air du passé
Tourbillonnant en mille poses
C’est le drap frais le dessin mièvre
Léchant aux murs le reposoir
C’est la voix maternelle un soir
Où l’on criait parmi la fièvre
Le grand jeu d’amant et maîtresse
Fut bien pire que celui-là
C’est lui pourtant qui reste là
Car je suis nue et sans caresse
Mais veux dormir ceci annule
Les précédents Ah m’évader
Dans les pavots ne plus compter
Les pas de cellule en cellule

 

 

Sarrazin

Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)

 

 

Rectificatie:

 

De Engelse dichteres schrijfster Mary Stewart werd geboren op 17 september 1916 in Sunderland. Zie ook alle tags voor Mary Stewart op dit blog.

 

Uit: The Ivy Tree

 

I might have been alone in a painted landscape. The sky was still and blue, and the high cauliflower clouds over towards the south seemed to hang without movement. Against their curded bases the fells curved and folded, blue foothills of the Pennines giving way to the misty green of pasture, where, small in the distance as hedge-parsley, trees showed in the folded valleys, symbols, perhaps, of houses and farms. But in all that windless, wide landscape, I could see no sign of man’s hand, except the lines — as old as the ridge and furrow of the pasture below me — of the dry stone walls, and the arrogant stride of the great Wall which Hadrian had driven across Northumberland, nearly two thousand years ago.

The blocks of the Roman-cut stone were warm against my back. Where I sat, the Wall ran high along a ridge. To the right, the cliff fell sheer away to water, the long reach of Crag Lough, now quiet as glass in the sun. To the left, the sweeping, magnificent view to the Pennines. Ahead of me, ridge after ridge running west, with the Wall cresting each curve like a stallion’s mane.

There was a sycamore in the gully just below me. Some stray current of air rustled its leaves, momentarily, with a sound like rain. Two lambs, their mother astray somewhere not far away, were sleeping, closely cuddled together, in the warm May sunshine. They had watched me for a time, but I sat there without moving, except for the hand thatlifted the cigarette to my mouth, and after a while the two heads went down again to the warm grass, and they slept.”

 

stewart

Mary Stewart (Sunderland, 17 september 1916)

Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Michael Nava, Andreas Neumeister, James Alan McPherson, Frans Kusters

De Zuid-Afrikaanse schrijver en dichter Breyten Breytenbach werd geboren op 16 september 1936 in Bonnievale. Zie ook mijn blog van 16 september 2006 en ook mijn blog van 16 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

Report

I saw couples kissing in doorways

turning around with open mouths I walked

across bridges and heard people cough below

I saw grayheads riding in taxis

look through rain-thick windows at buildings

no longer there. snow in winter

and grapes in the summer but I

don’t remember much about it

 

I saw the midnight sun

and birds of all sizes and fish

in the water and the southern cross above a peak

and cats wearing boots and drunken women

and bare trees with blossoms.

snow in the winter

and grapes in summer but

I don’t remember much about it

 

I too heard roosters crow

and the call of trains and voices

in my bed and gods on the roof and I saw

dragons in zoos and the beards

of friends and smelled the sun.

snow in winter and grapes in summer

but I don’t remember much about it

death sets in at the feet

 

One should simply doze off

yet they say for 48 hours consciousness will

still beat at the steamed-up windows of the skull

      like a fish in a basket

      or an astronaut in his spacetub beyond control

      or a Jew under a pyramid of Jews

      or a nigger(lover) in a cell

with a prickling of pins that begins in the soles.

 

Could it be thus?

The giddiness as the floor tilts

and a membrane of water draws over trees

and a zealous hand embraces the throat more tightly?

And what a farce, this fumbling for pictures.

 

Last week’s chrysanthemums are already rotten

on their stems, the green veins perished rubber tubes,

they who were yakking parrots

are now drooping withered wings.

 

Yesterday’s white carnations stink like slumped old women.

Yesterday’s red roses have a deeper bloom

as smothered fists.

 

People usually die flat on their backs,

feet coldly erect as petrified rabbits

or blossoms on a branch,

with a prickling of pins that begins in the soles.

 

My feet are recalcitrant: I must cajole them,

swaddled in rags, because I’m not yet done,

must still learn how to die,

I must still decide how to make up my mind.

 

For now I gaze through a mirror into a riddle,

but tomorrow it will be from face to face.

 

 

BreytenBreytenbach

Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)

 

 

 

De Nederlandse dichter Alfred Schaffer werd geboren in Leidschendam op 16 september 1973. Hij is de zoon van een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader. Schaffer debuteerde in 2000 met de dichtbundel Zijn opkomst in de voorstad. In 2004 verscheen zijn vierde dichtbundel. Hij werkte regelmatig samen met de Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog en was na zijn promotie als Fellow aan de Universiteit van Kaapstad verbonden. Schaffer, zoon van een Limburgse vader en Arubaanse moeder, woonde vanaf 1996 een tijd in in Zuid Afrika. Zijn boeken verschijnen bij de Bezige Bij, waar hij als werkzaam is als redacteur. Schaffer is tevens redacteur van het tijdschrift Bunker Hill.

 

Slotzinnen genoeg zou je zeggen

 

Nu wordt het ingewikkeld, struikel niet over de rommel. ‘Kijk eens,
ook hier hebben mensen gewoond.’ Een dagreis van vandaag blijft alles
bij het oude: de penetrante lucht van enkelvoud, het straatleven o zo
geloofwaardig, de natuurramp die aan alle twijfel een einde zal maken.

Met de schrik vrij heet dat dan, eind goed al goed, de uitgestrektheid
is het ritselen dat ons omgeeft. Dat wordt flink dringen geblazen.
‘Jij hier?’ ‘Jij hier?’ Resteert de vraag wie van ons beginnen mag, hand
op het hart. Groot verdriet. Wie weet wat we straks zullen zeggen.

Weer dwalen we af, het is net echt. Je moest er nodig eens tussenuit,
je ziet de laatste tijd de gekste dingen – je zou bijvoorbeeld kunnen liften,
zet je schrap. Lekker weg in eigen land. Wacht, ik loop even met je mee,
ik moet toch die kant uit. Er zit een vlekje op je bloes. Nee, iets hoger.

 

 

Schaffer

Alfred Schaffer (Leidschendam, 16 september 1973)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Nava werd geboren op 16 september 1954 in Stockton, Calefornië, en groeide op in Sacramento. In 1981 voltooide hij zijn studie rechten aan de Stanford universiteit, waar hij een jaar eerder zijn partner Bill Weinberger had leren kennen. Zij runden samen een advocatenpraktijk, eerst in Palo Alto, vanaf 1984 in Los Angeles. In 1986 verscheen de eerste roman The little death. Na zeven delen was de romancyclus over de homosexuele advocaat Henry Rios in 2001 afgesloten. Nava praktizeert sinds 1995 in San Francisco en is ook actief in de homobeweging.

 

Uit: Rag And Bone

 

I wasn’t usually so dyspeptic this early in the day, but I had the world’s worst heartburn, undoubtedly the result of a breakfast that had consisted of four cups of coffee, a bagel that was half-burned and half-frozen-I really needed a new toaster-and a handful of vitamins. The bitter aftertaste of the pills lingered at the back of my throat. Also, now that I noticed it, my right arm was throbbing. Great. When I was a teenager, I’d suffered through growing pains; at forty-nine, I was suffering through growing-old pains.

The young deputy A.G. beside me pored over his notes and muttered to himself, as if he were about to argue before the United States Supreme Court rather than a three-judge panel-two white-haired white men, one graying black lady-of the intermediate state appellate court. His knee knocked nervously against mine and I glanced at him. He was a handsome boy with that luminous skin of the young, as if a lantern were burning just beneath the flesh.

“‘Scuse me,” he murmured without looking up.

“Your first appearance?” I asked.

Now he looked. His eyes were like cornflowers. “Is it that obvious?”

“Don’t be too anxious,” I said. “They’ve already written the opinion in your case.”

“Really?”

“Really,” I said. “Oral argument’s mostly for show. It’s hardly worth bothering to show up.”

“Then why are you here?”

“I’m a criminal defense lawyer,” I said. “Tilting at windmills is my specialty.”

He smiled civilly, then returned to his notes.

“We will hear People versus Guerra,” the presiding justice said.

I pulled myself out of the chair and made my way to counsel table. The young A.G. beside me also stood up.

“You’re Mr. Rios?” he said as we headed to counsel table.

“None other,” I replied.

He held open the gate that separated the gallery from the well of the court where counsel tables were located, and said, “Great brief. I had to pull an all-nighter to finish my reply.”

I remembered his brief had had the whiff of midnight oil. “Thanks. You did a good job, too.”

I set my file on my side of the table and was gripped by a wave of nausea so intense I was sure I was going to vomit, but the moment passed.

“Counsel?”

I looked up at the presiding justice, Dahlgren, who was not much older than me and quite possibly a year or two younger.

“I’m sorry, Your Honor.”

“Your appearance, please.”

“Yes, Your Honor,” I grunted. “Henry Rios for defendant and appellant Anthony Guerra.”

“Mr. Rios,” the lady judge, Justice Harkness, spoke. “Are you all right? You went white as a ghost a second ago.”

“Heartburn, Justice Harkness. I’ll be fine with a little water.” I poured a glass from the carafe on the table. My hand was shaking.

 

nava

Michael Nava (Stockton, 16 september 1954)

 

 

De Duitse schrijver Andreas Neumeister werd geboren op 16 september 1959 in Starnberg. Hij studeerde na het gymnasium ethnologie in München. Neumaster staat in de traditie van de popliteratuur. Ook rap poetry wordt in zijn collage-achtige teksten verwerkt. In zijn werk „Könnte Köln sein“ onderzoekt hij de samenhang tussen architectuur, politiek en geschiedenis. In 1993 ontving Neumeister de Förderpreis zum Alfred-Döblin-Preis en in 1996 de Bayerische Förderpreis für Literatur.

 

Uit: Könnte Köln sein

Aus dem Wasser ans Land gekrochen. Auf dem Umweg über das Reptil zum aufrechten Gang gefunden. Im Schutz von Bäumen übernachtet. Wo es Höhlen gab, in den Schutz von Höhlen gekrochen. In den tiefsten Höhlen überwintert. Horden gebildet. Immer wieder die Kontinente gewechselt. Auf dem Umweg über Landbrücken und Pässe weites Neuland besiedelt. Vom Urknall über den Urschrei zur Urhütte gefunden. Das Feld vor der Hütte als Anlass genommen, sesshaft zu werden. Gesellschaftsvertrag. Dörfer gebaut. Fehden gefochten, Schanzen gebaut. Kriege geführt. Grenzen gezogen, Mauern errichtet. Neue Säue durch neue Dörfer getrieben. Gräben gegraben, Mauern geschliffen. Entdeckungen gemacht und Hürden übersprungen. Dabei immer wieder in den Regen geraten. Auf dem Umweg über die Geschichte immer wieder in die Geschichtslosigkeit zurückgefallen. Auf dem Umweg über Abgründe immer wieder festen Boden unter die Füße bekommen. Städte gegründet und Handel getrieben. Immer größere Ansiedlungen geplant. Staaten gegründet. Kriege geführt. Meere überwunden und aus fernen Kontinenten unerhörte Schätze mitgebracht. Sklaven verschifft und weiterverkauft. Städte befestigt und Burgen geschleift.

Neue Waffen erfunden und Kirchen geweiht. Schulen errichtet, Kasernen gebaut. Niederlagen beweint. Siege gefeiert. Immer wieder aufgerappelt und von Neuem gestrauchelt. Gold eingeschmolzen und Münzen geprägt. Dächer geflickt und Paläste angezündet. Vom Land in

die Städte geflüchtet. Fabriken hochgezogen, Produkte verkauft. Eisenbahnlinien in die Landschaft getrieben und um neue Bahnhöfe neue Siedlungen erichtet. Baumschulen gegründet, Hecken gepflanzt

 wo waren wir stehengeblieben?

Brieftauben, schreibt der weltkundige Wissenschaftsteil heute, nutzen gerne das Straßennetz zur Orientierung. Offensichtlich folgen die Tiere lieber Autobahnen oder Schienen, als sich nach ihrem angeborenen Orientierungssinn zu richten – selbst wenn es für sie einen Umweg bedeutet.”

neumeister

Andreas Neumeister (Starnberg, 16 september 1959)
Foto: Franz-Xaver Fuchs

 

 

De Amerikaanse schrijver James Alan McPherson werd geboren op 16 september 1943 in Savannah, Georgia. In 1978 won hij de Pulitzer Prize voor fictie voor zijn bundel korte verhalen Elbow Room. Zijn werk is gepubliceerd in 27 kranten en tijdschriften, in zeven bloemlezingen van short stories. McPherson studeerde aan de Morgan State University, Morris Brown College, Harvard Law School, de University of Iowa’s Writers’ Workshop, en aan Yale Law School. Hij doceerde Engels aan de University of California, Santa Cruz, Harvard, en gaf lezingen in Japan.

 

Uit: Hue and Cry. Stories

 

“Thomas Brown stopped going to church at twelve after one Sunday morning when he had been caught playing behind the minister’s pulpit by several deacons who had come up into the room early to count the money they had collected from the other children in the Sunday school downstairs. Thomas had seen them putting some of the change in their pockets and they had seen him trying to hide behind the big worn brown pulpit with the several black Bibles and the pitcher of ice water and the glass used by the minister in the more passionate parts of his sermons. It was a Southern Baptist Church.

“Come on down off of that, little Brother Brown,” one of the fat, black-suited deacons had told him. “We see you tryin’ to hide. Ain’t no use tryin’ to hide in God’s House.”

Thomas had stood up and looked at them; all three of them, big-bellied, severe and religiously righteous. “I wasn’t tryin’ to hide,” he said in a low voice.

“Then what was you doin’ behind Reverend Stone’s pulpit?”

“I was praying,” Thomas had said coolly.

After that he did not like to go to church. Still, his mother would make him go every Sunday morning; and since he was only thirteen and very obedient, he could find no excuse not to leave the house. But after leaving with his brother Edward, he would not go all the way to church again. He would make Edward, who was a year younger, leave him at a certain corner a few blocks away from the church where Saturday-night drunks were sleeping or waiting in miseryfor the bars to open on Monday morning. His own father had been that way and Thomas knew that the waiting was very hard.
He felt good toward the men, being almost one of them, and liked to listen to them curse and threaten each other lazily in the hot Georgia sun. He liked to look into their faces and wonder what was in their minds that made them not care about anything except the bars opening on Monday morning. He liked to try to distinguish the different shades of black in their hands and arms and faces. And he liked the smell of them. But most of all he liked it when they talked to him and gave him an excuse for not walking down the street two blocks to the Baptist Church.”

 

McPherson

James Alan McPherson (Savannah,16 september 1943)

 

De Nederlandse schrijver Frans Kusters werd geboren in Nijmegen op 16 september 1949. Hij studeerde rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn studie werd hij daar parttime wetenschappelijk medewerker. In 1973 schreef hij acht korte verhalen, die werden gebundeld in de Gelderse Literaire Reeks. Hij won hiermee de Reina Prinsen Geerligsprijs. De verhalenbundel is daarna uitgebreid en onder de titel De reis naar Brabant, en andere verhalen bij De Bezige Bij uitgegeven. In 1977 was hij mede-initiator van het Literair Café Nijmegen in O’42. Daarnaast richtte hij rond deze tijd het literaire tijdschrift De Schans op, samen met Thomas Verbogt, Nop Maas en Anton Fasel. In 2001 publiceert hij zijn eerste roman, Na het wonder.

Uit: Na het wonder

 

‘En waar ze net nog aan het klaverjassen waren, zijn ze nu ineens aan het bamzaaien, zo lijkt het wel. Maar dan zijn ook de luciferhoutjes van het ene moment op het andere verdwenen en toch bamzaaien zij steeds fanatieker verder. Raadsels. Dilemma’s. Onzekerheden. Waar Theo is, zijn er, kortom, altijd raadsels, dilemma’s en dubbele bodems. Maar het zijn wel de raadsels, de dilemma’s en de dubbele bodems waar het in de hedendaagse kunst om gaat. Uitzoomen, even opnieuw inzoomen, dan bevriezen en aftitelen.’

 

Kusters

Frans Kusters (Nijmegen, 16 september 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Hans Arp, Anna Bosboom – Toussaint, Justin Haythe, Thomas Ross, Frans Eemil Sillanpää

De Frans-Zwitserse kunstenaar, dichter en schrijver Hans (Jean) Arp werd geboren op 16 september 1886 in Straatsburg. Zie ook mijn blog van 16 september 2006.

Opus Null

1
Ich bin der große Derdiedas
das rigorose Regiment
der Ozonstengel prima Qua
der anonyme Einprozent.

Das P. P. Tit und auch die Po
Posaune ohne Mund und Loch
das große Herkulesgeschirr
der linke Fuß vom rechten Koch.

Ich bin der lange Lebenslang
der zwölfte Sinn im Eierstock
der insgesamte Augustin
im lichten Zelluloserock.

2
Er zieht aus seinem schwarzen Sarg
um Sarg um Sarg um Sarg hervor.
Er weint mit seinem Vorderteil
und wickelt sich in Trauerflor.

Halb Zauberer halb Dirigent
taktiert er ohne Alpenstock
sein grünes Ziffernblatt am Hut
und fällt von seinem Kutscherbock.

Dabei stößt er den Ghettofisch
von der möblierten Staffelei.
Sein langer Würfelstrumpf zerreißt
zweimal entzwei dreimal entdrei.

3
Er sitzt mit sich in einem Kreis.
Der Kreis sitzt mit dem eignen Leib.
Ein Sack mit einem Kamm der steht
dient ihm als Sofa und als Weib.

Der eigne Leib der eigne Sack.
Der Vonvon und die linke Haut.
Und tick und tack und tipp und topp
der eigne Leib fällt aus der Braut.

Er schwingt als Pfund aus seinem Stein
die eigne Braut im eignen Sack.
Der eigne Leib im eignen Kreis
fällt nackt als Sofa aus dem Frack.

4
Mit seiner Dampfmaschine treibt
er Hut um Hut aus seinem Hut
und stellt sie auf in Ringelreihn
wie man es mit Soldaten tut.

Dann grüßt er sie mit seinem Hut
der dreimal grüßt mit einem du.
Das traute sie vom Kakasie
ersetzt er durch das Kakadu.

Er sieht sie nicht und grüßt sie doch
er sie mit sich und läuft um sich.
Der Hüte inbegriffen sind
und deckt den Deckel ab vom Ich.

hans-arp-1905

Hans Arp (16 september 1886 – 7 juni 1966)

 

De Nederlandse schrijfster Anna Bosboom – Toussaint werd geboren op 16 september 1912 te Alkmaar. Zie ook mijn blog van 16 september 2006

 

Uit: Almagro

“Eene vrouw, die moeder eener achttienjarige dochter is, en nog, daarenboven, Lord jeverless tot echtgenoot heeft, moet vaak genoegens en begeerten aan hare berekeningen opofferen.

De season is reeds aangevangen; alles ijlt naar Londen; twee luisterrijke assemblées zijn er reeds gegeven; entréekaartjes, voor de eerstkomende raouts, liggen vóór mij op mijn schrijfkistje, en toch vertoef ik nog met mijne anny, die beter danst dan menige eerste danseuse van de opera, wier élégante taille in onze côterie haars gelijken niet vindt, hier, op Chummore-Castle, bij den ouden St. really, die altijd buiten woont, sinds hij zijn prachtig hôtel in de hoofdstad, tot zijns zoons meerderjarigheid, aan Sir b. verhuurde.

Hij leeft daar echter niet eenzaam, zijne oudvaderlijke gastvrijheid en goed humeur maken, dat hij zijn ruim kasteel bijna altijd opgevuld ziet met gasten, die er komen, om onder de vrienden van den aanzienlijken Lord geteld te worden, of, omdat zij smaak vinden in hem zelven, of in degenen, die men er aantreft. Thans echter, nu de wintervermaken de meeste lieden naar de stad drijven, zoude het hier spoedig ledig geworden zijn, zoo niet onze gastheer aan een gedeelte van zijn gezelschap had voorgesteld, om te blijven tot den dag waarop zijn zoon meerderjarig wordt, daar hij dien met eenigen luister wenscht te vieren. Eenparig werd er besloten, niet te vertrekken; mijn gemaal echter uitgezonderd; hij, die zich hier niet vermaakte, niet inziende, dat hij ergens noodig kan zijn, waar hij zich niet vermaakt, verliet ons, en aan mij alleen bleef het dus opgedragen, om een sinds lang ontworpen huwelijksplan voor mijne dochter tot stand te brengen. Zie, dit is de oorzaak mijner afwezigheid van Londen, in eenen tijd, die zeker door hen, die mij geen goed hart toedragen, gebruikt zal worden, om de ontwerpen, welke hun eigenbelang medebrengt, voor te staan. Doch van dit alles thans niets; liever maak ik het u duidelijk, waarom ik u schrijf.”

Bosboom

Anna Bosboom – Toussaint (16 september 1812 – 13 april 1886)
Portret door D. J. Sluyter

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Justin Haythe werd geboren op 16 september 1973 in Londen. Zie ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 16 september 2008.

De Nederlandse schrijver Tomas Ross (eig. Willem Pieter Hogendoorn) werd geboren in Den Bommel op 16 september 1944. Ross volgde het gymnasium Sorghvliet te Den Haag en deed in 1964 staatsexamen. Vervolgens studeerde hij korte tijd geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In 1966-1969 deed hij de School voor Journalistiek in Utrecht en in 1975 studeerde hij af aan de Universiteit van Amsterdam in niet-westerse sociologie. Ross werkte vervolgens als journalist onder meer voor het dagblad Het Vaderland en voor de VNU. Bovendien werkte hij op televisie voor de NOS en de TROS. Voor deze laatste omroep presenteerde hij Op de man af. Sinds 1984 is hij fulltime schrijver. Hij debuteerde in 1980 als schrijver van misdaadromans met De Honden van het Verraad, een politieke thriller over de vrijheidsstrijd van Zuid-Molukkers. Deze roman wordt al gekenmerkt door wat later zijn handelsmerk zou worden: spannende fictie, gebaseerd op feiten en grondige research, waarbij hij meestal zegt te stuiten op doofpotaffaires. Naast romanschrijver is hij ook scenarioschrijver, onder meer van de televisieseries Bij de gratie Gods (1996) en Wij, Alexander (1998) en van enkele films van Theo van Gogh (waaronder 06/05, een bewerking van zijn eigen boek De zesde mei).

 

Uit: Mathilde

 

„Wanneer Mathilde Maria Theodora de Doelder, kortweg Tilly, in 1957 op haar negentiende in Amsterdam arriveert, weet ze niets van wat een paar jaar later die stad op zijn kop zal zetten: de studentenopstand, de provo’s, seks, drugs en rock & roll. Evenmin kent de stad haar: een naïef maar s
lim meisje uit Zeeland. Enkele jaren later is dat totaal anders: ‘tout’ Amsterdam kent Tilly als Mathilde, de exentrieke en verwende vrouw van de beroemde schilder Carel Willink. Geen feest, geen expositie zonder Mathilde in een van haar peperdure Fong Leng-creaties. Het burgerlijke meisje ontpopt zich als de koningin van het uitgaansleven en domineert de showpagina’s van kranten en tijdschriften met haar uitzinnig luxe leven, door de veel oudere schilder gefinancierd.

Er wordt echter gefluisterd dat Willink genoeg van haar heeft: van haar uitspattingen, haar inmiddels overbekende hysterie, haar affaires en haar contacten met de onderwereld. Volgens ingewijden is het zogenaamde sprookjeshuwelijk een hel waaruit de schilder niet kan ontsnappen omdat hij door Mathilde wordt gechanteerd. Ook na de scheiding, wanneer ze haar luxe leventje voortzet in een riant Amsterdams pand, bezocht door een stoet van minnaars: schatrijke zakenlieden, geheimzinnige buiten- landers, zelfs criminelen. Willink is inmiddels weer gelukkig met zijn nieuwe bruid Sylvia.„

 

Ross

Tomas Ross (Den Bommel, 16 september 1944)

 

Zie voor onderstaande schrijver mijn blog van 16 september 2006.


De Finse schrijver en Nobelprijswinnaar Frans Eemil Sillanpää werd geboren in Hämeenkyrö op 16 september 1888.

 

 

Jan Slauerhoff, Lucebert, Orhan Kemal

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2006.

 Uit: Such is life in China

 

“Het is nog vroeg, voor vieren, de dag is nog in den hemel. Misschien was het beter dat hij er bleef en de wereld voortaan overliet aan den nacht, goedgunstig voor de minnaars en misdadigers, de avonturiers, de eenigsten die aan de lotgevallen dezer wereld nog iets nieuws geven, al is het dan niet onder de zon. Waarom houdt deze laatste toch het doffe dagelijksche leven in gang, overal hetzelfde, in China, in Europa?

Wat zou er gemist worden als de zon eens niet meer kwam? Maar hij komt toch, en daarmee ook dit verhaal te voorschijn. Nu is het nog niet zoo ver, een oogenblik verademing. Lucht en wereld zijn nog even grijs, raken elkaar aan met laaghangende wolken en zacht naar de hoogte zwellende bergen. Daartusschen zijn gaten waardoor een groen verschiet als een hoogerliggende zee glooit. De zon komt op, ergens achter de Tai Sjan, de stad ligt nog in diepe schaduw, het eiland Lappa, waarop de huizen en tuinen van de Westerlingen, yamen en rijke kooplieden liggen, drijft al in rozig licht.

Langs de landtongen meren de sampans in groote zwermen, de gespleten achterstevens omhoog, groen en rood als van watervogels met dubbele staarten. De vrachtschepen liggen roerloos op den stroom, op enkele brandt schaarsch en bleek licht, in de verte wordt bij een kustvaarder, uit een langszijliggenden lichter, geladen, telkens, hoor, de kleine donder van een kraan.

Dan komt er ook beweging in deze wereld. Een groote driemastjonk zeilt dwars door de baai.

Dichtbij ziet men talrijke mannen op het dek; vrouwen met kinderen op den arm tusschen manden met groenten en kippenkooien op den achtersteven. Van den boeg steken vier koperen kanonnen den tromp op. De piraten zijn nog niet uitgeroeid. De jonk is vol lading, leven en beweging. Een poos later drijft hij in de verte als een hol bruin blad op het water en de baai is weer stil en leeg.

Dan schieten plotseling, bijna gelijktijdig, alsof twee kustkanonnen tegen elkaar waren afgevuurd, snelronkend, twee motorbootjes de baai in, één van het eiland, één van de stad. Zij naderen elkaar. Welk van beide is de torpedo? Ze zullen elkaar rammen! Neen, op een paar meter afstand een scherpe zwenking. ‘Stockfish!’ ‘Wooden Shoe!’ Zijn dit oorlogskreten?

De twee aan het roer schijnen dubbelgangers, beiden stokmager, de kleeren fladderend om het lijf. Van dichtbij verschillen ze als engel en duivel: drankduivel en doodsengel. Talman is manager van de South China Bank en honorair consul van Letland, Holland, Oostenrijk en nog een paar kleinere naties.”

 

slauerhoff

Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2006

gij zult rondtasten in de middaghitte

 

de slaper door een sloopwerktuig ontworpen

eens genummerd als kind is door willekeur omringd

hij gaat tenslotte op zijn tenen staan zijn ogen

zullen eenzaam opklimmen naar een schitterend lichaam in de lucht

dit is mijn geluk dit is mijn ellende

 

deze dag zal zijn als alle dagen

gedachten worden gedaan rondom de dingen

deels duidelijk deels aangeduid

maar geen zal er daadwerkelijk winnen

 

slechts even door handoplegging

zal zich losmaken het pakijs van het verdriet

te zijn gebonden een last logge onderdelen

een loopmachine smekend om respijt

om rust in de rage

de dwingende bronnendorst

 

bah hoe slaat in de goedgesmeerde steden

keer op keer de bliksem in

juist daar waar ik drinken wil

 

 

Sachsen

 

ik a classic

ik dronk de deur open

de deur het rode water

waarvan wij zo vaak samen droomden

ook jij maoni

met 30 dolzinnige ogen onder een voorhoofd

pauwogen pijnlijk open

jij hield niet van beeldhouwershanden onthouden

heuvels en dalen nee en zelfs geen schaduwen

 

toen wij een rode oto kogten

en naar gross magdenburg reden

daarna in de elmerstrasse ontvouwde jij je kaarten

een staalkaart van stenen appelen

en op de platz de morello-kapelle speelde

weisse schatten ja en sehr reizvoll

wei yes studentensnelle blikken over alle gebreken

globale van de Globe

afwisslend en waar als heuvels en dalen

 

is het niet waar fredrich?

 

 

 

sonnet

 

ik

mij

ik

mij

 

mij

ik

mij

ik

 

ik

ik

mijn

 

mijn

mijn

ik

 

 

lucebert

Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 15 september 2007. en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Nog tijdens zijn schooltijd moest hij met zijn vader om politieke redenen naar Syrië vluchten. Hij keerde in 1932 terug naar Adana waar hij als arbeider zijn brood verdiende. Tijdens zijn diensttijd werd hij weer om politieke redenen tot een gevangenisstraf van vijf jaar veroordeeld. In die tijd leerde hij de schrijver Nazım Hikmet kennen. Na zijn vrijlating trok hij naar Istanbul waar hij vanaf 1951 als zelfstandig schrijver werkte. Onder het pseudoniem Ekmek Kavgası publiceerde hij in 1949 zijn eerste verhalenbundel en eveneens zijn roman Baba Evi. Later schreef hijook draaiboeken en toneelstukken.

 

Uit: Schokolade

 

„Sie waren vor dem riesigen Schaufenster des Süssigkeitengeschäfts. Im Schaufenster waren verschieden grosse Bonbons, Süssigkeiten in Schachteln und Schokolade. Sie schauten zu den Schokoladen. Rechts des dicken und runden Knaben war seine Schwester und links die Tochter des Joghurtverkäufers. Die Tochter des Joghurtverkäufers war etwa so alt wie die Schwester. Die Schwester hatte gerade vorhin den dicken und runden Bruder zum Coiffeure gebracht, mit grosser Mühe. Der Coiffeure hatte einen grossen Spiegel, einen Käfig mit blauem Gitter, im Käfig einen gelben Vogel.

Er war ein Freund des Vaters. Der hauchdünne, pechschwarze Schnurrbart oberhalb seiner Lippe lächelte ständig durch den Spiegel dem Mädchen mit den grossen Busen des gegenüberliegenden Hauses. Auch das Mädchen mit den grossen Busen lächelte, sie lächelten sich gegenseitig an. Ab und zu winkten sie sich gegenseitig. Der dicke und runde Knabe hatte es auch gesehen, als seine Haare rasiert wurden, er hatte auch den gelben Vogel gesehen. Fingergross, es zwitscherte ununterbrochen.

Wenn bloss die Maschine des Coiffeurs sein Haar nicht ab und zu rupfen würde. Das tat ihm so weh. Er wollte aufstehen und fliehen und den Laden von draussen mit Steinen bombardieren. Desshalb mochte er es nicht, zum Coiffeur zu gehen. Sein Stampfen und seine Fusstritte gegen die Schwester waren desshalb. Wenn seine Schwester nach der Rasur nicht:” Komm, lass unser Geld zusammenmischen und uns Schokolade für einen fünfziger kaufen!” Gesagt hätte, hätte er schon gewusst, was er machen würde.“

 

Kemal

Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

Sonata Form Denatured Prose

crush the alphabet between your teeth yawn vowels, the fire is burning in hell vomit and spit now or never I and dizziness you or never dizziness now or never.

we will begin over

crush the alphabet macadam and your teeth yawn vowels, the sweat runs in hell I am dying in the convolutions of my brain vomit now or never dizziness I and you. i and he she it. we will begin over. i and he she and it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. scream and cry: it goes fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions like madness in the sky dizziness. scream and cry: he is falling he has fallen. it was fine it went fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions vomit now or never dizziness i and you. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it.

we will begin over.

crush the alphabet between your teeth yawn vowels the fire is burning in hell vomit and split now or never i and dizziness you or never dizziness now or never.

 

Vertaald door Robert Bly en Christina Paulston

Ekelof

Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

 

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook mijn blog van 16 september 2008.

 

Uit: The Mysterious Affair at Styles

“The intense interest aroused in the public by what was known at the time as “The Styles Case” has now somewhat subsided. Nevertheless, in view of the world-wide notoriety which attended it, I have been asked, both by my friend Poirot and the family themselves, to write an account of the whole story. This, we trust, will eVectually silence the sensational rumours which still persist.

I will therefore brieXy set down the circumstances which led to my being connected with the aVair.

I had been invalided home from the Front; and, after spending some months in a rather depressing Convalescent Home, was given a month’s sick leave. Having no near relations or friends, I was trying to make up my mind what to do, when I ran across John Cavendish. I had seen very little of him for some years. Indeed, I had never known him particularly well. He was a good Wfteen years my senior, for one thing, though he hardly looked his forty-Wve years. As a boy, though, I had often stayed at Styles, his mother’s place in Essex.

We had a good yarn about old times, and it ended in his inviting me down to Styles to spend my leave there.

“The mater will be delighted to see you again?after all those years,” he added.

“Your mother keeps well?” I asked.

“Oh, yes. I suppose you know that she has married again?”

I am afraid I showed my surprise rather plainly. Mrs. Cavendish, who had married John’s father when he was a widower with two sons, had been a handsome woman of middle-age as I remembered her. She certainly could not be a day less than seventy now. I recalled her as an energetic, autocratic personality, somewhat inclined to charitable and social notoriety, with a fondness for opening bazaars and playing the Lady Bountiful. She was a most generous woman, and possessed a considerable fortune of her own.”

 

Christie

Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Ina Seidel werd geboren op 15 september 1885 in Halle. Zie ook mijn blog van 15 september 2007.

 

 

Regenballade

 

Ich kam von meinem Wege ab, weil es so nebeldunstig war. 

Der Wald war feuchtkalt wie ein Grab und Finger griffen in mein Haar. 

Ein Vogel rief so hoch und hohl, wie wenn ein Kind im Schlummer klagt 

und mir war kalt, ich wußte wohl, was man von diesem Walde sagt! 

 

Dann setzt’ ich wieder Bein vor Bein und komme so gemach vom Fleck 

und quutsch’ im letzen Abendschein schwer vorwärts durch Morast und Dreck. 

Es nebelte, es nieselte, es roch nach Schlamm, verfault und naß, 

es raschelte und rieselte und kroch und sprang im hohen Gras. 

 

Auf einmal, eh ich’s mich versehn, bin ich am Strom, im Wasser schier. 

Am Rand bleib ich erschrocken stehn, fast netzt die Flut die Sohle mir. 

Das Röhricht zieht sich bis zum Tann und wiegt und wogt soweit man blickt 

und flüstert böse ab und an, wenn es i
m feuchten Windhauch nickt. 

 

Das saß ein Kerl! Weiß Gott, mein Herz stand still, als ich ihn sitzen sah! 

Ich sah ihn nur von hinterwärts, und er saß klein und ruhig da. 

Saß in der Abenddämmerung, die Angelrute ausgestreckt, 

als ob ein toter Weidenstrunk den dürren Ast gespenstisch reckt. 

 

“He, Alter!” ruf ich, “beißt es gut?” Und sieh, der Baumstamm dreht sich um 

und wackelt mit dem runden Hut und grinst mit spitzen Zähnen stumm. 

Und spricht, doch nicht nach Landesart, wie Entenschnattern, schnell und breit, 

kommt’s aus dem algengrünen Bart: “Wenn’s regnet, hab’ ich gute Zeit”! 

 

“So scheint es”, sag ich und ich schau in seinen Bottich neben ihn. 

Da wimmelts blank und silbergrau und müht sich mit zerfetzem Kiem´, 

Aale, die Flossen zart wie Flaum, glotzäugig Karpfen. Mittendrin, 

ich traue meinen Augen kaum, wälzt eine Natter sich darin! 

 

“Ein selt’nes Fischlein, Alter, traun!” Da springt er froschbehend empor. 

“Die Knorpel sind so gut zu kaun” schnattert listig er hervor. 

“Gewiß seid ihr zur Nacht mein Gast! Wo wollt ihr heute auch noch hin? 

Nur zu, den Bottich angefaßt! Genug ist für uns beide drin!” 

 

Und richtig watschelt er voraus, patsch, patsch am Uferrand entlang. 

Und wie im Traume heb ich auf und schleppe hinterdrein den Fang. 

Und krieche durch den Weidenhag, der eng den Rasenhang umschmiegt, 

wo, tief verborgen selbst am Tag, die schilfgebaute Hütte liegt. 

 

Da drinnen ist nicht Stuhl, nicht Tisch, der Alte sitzt am Boden platt, 

es riecht nach Aas und totem Fisch, mir wird vom bloßem Atmen satt. 

Er aber greift frisch in den Topf und frißt die Fische kalt und roh, 

packt sie beim Schwanz, beißt ab den Kopf und knirscht und schmatzt im Dunkeln froh. 

 

“Ihr eßt ja nicht! Das ist nicht recht!” Die Schwimmhand klatscht mich fett aufs Knie. 

“Ihr seid vom trockenen Geschlecht, ich weiß, die Kerle essen nie! 

Ihr seid bekümmert? Sprecht doch aus, womit ich Euch erfreuen kann!” 

“Ja”, klappre ich: “Ich will nach Haus, aus dem verfluchten Schnatermann.” 

 

Da hebt der Kerl ein Lachen an, es klang nicht gut, mir wurde kalt. 

“Was wißt denn Ihr vom Schnatermann?” “Ja”, sag ich stur,” so heißt der Wald.” 

“So heißt der Wald?” Nun geht es los, er grinst mich grün und phosphorn an: 

“Du dürrer Narr, was weißt du bloß vom Schnater-Schnater-Schnatermann?!” 

 

Und schnater-schnater, klitsch und klatsch, der Regen peitscht mir ins Gesicht. 

Quatsch´ durch den Sumpf, hoch spritzt der Matsch, ein Stiefel fehlt – ich acht es nicht. 

Und schnater-schnater um mich her, und Enten- ,Unken-, Froschgetöhn. 

Möwengelächter irr und leer und tief ein hohles Windgestöhn… 

 

Des andern Tags saß ich allein, nicht weit vom prasslenden Kamin 

und ließ mein schwer gekränkt´ Gebein wohlig von heißem Grog durchziehn. 

Wie golden war der Trank, wie klar, wie edel war sein starker Duft! 

Ich blickte nach dem Wald – es war noch sehr viel Regen in der Luft… 

 

Seidel

Ina Seidel (15 september 1885 – 2 oktober 1974)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Amerikaanse schrijver Jim Curtiss werd geboren in 1969 in Beaver Falls, Pennsylvania. In 2008 verscheen van hem een fictie en nonfictie onder de titel „Stories from elsewhere”. Zijn roman Every Thing Counts is nog niet gepubliceerd, maar delen ervan zijn opgenomen in de bundel „Stories from elsewhere” en in de bloemlezing „Falling in Love Again” van de Outrider Press.

 

Uit: Every Thing Counts

 

„When I wasn’t examining it, I carried the ring in my pocket. I thought of it as a charm, a type of connection with my grandmother’s spirit. It had been her ring, after all, and perhaps it would bring me some of her wisdom. Perhaps it would see me through the turmoil of deciding between tying myself to a Central European lady or remaining Mr. Freeandeasy. Both paths beckoned, and the situation really didn’t need exacerbated by the re-appearance of rock-and-roll hoochie-koo. But sometimes I suppose these things happen for a reason.

The story: On Feb. 1st I told Liliana I was going into town to meet Josh. No problem, she said. She had a lot of work.

Into town I went. After two beers and no Josh, I called my messages and he’d left one saying he couldn’t make it. Great.

So, being the in-love fool that I was, I hurried back to spend a quiet evening with baby.

But when I knocked on her dorm room there was no answer.

Ok…

Since I didn’t have to teach the next day, I headed over to the big campus bar to see if Karel was there. Maybe we’d play some pool.

I went in, got a beer, and looked around the large hall. There were perhaps 30 square tables in the middle of the room, pool tables off to the right. Being a weeknight and sparsely peopled, it was easy to pick out Liliana.

She was sitting with Mr. Rock and Roll himself, Zdenek I-forget-his-last-name (Ok, I do remember it, but I’m spiting it out of memory).

Liliana was sitting with her back to me, Zdenek to her left. I could partially see his face.

Like an idiot, I skulked over to a nearby table and watched them. They were enjoying each other’s company, and every now an
d again they’d explode in laughter.“

 

Curtiss

Jim Curtiss (Beaver Falls, 1969)

Hans Faverey, Theodor Storm, Ivan Klima

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2006

 

[Staande op een rots]

 

Staande op een rots,

die het begin is

van een berg,

 

en die zich niettemin

voor mijn ogen

in zee stort,

 

heb ik soms

zo kunnen verlangen

naar de binnenzee in mij,

dat ik mij haast een zich

verstotende was geworden.

 

 

 

[Ik zit in mijn cirkel]

 

Ik zit in mijn cirkel

en stel mij een oneindig

aantal veelhoeken voor:

 

ik zie het me al doen.

De boot, op het land

 

getrokken, is niet meer

van mij; hoeft niet meer

van mij te zijn. Ik ben

haast waar ik wezen moet:

al was ik het zelf

 

die op de oever zit, of

liever: op de oever ligt,

 

onder geoorde, zilver- of

amandelwilgen, daaraan al

zo lang zijn hangende

de harpen; de gewurgden.

 

 

 

[Eerst was er niets]

 

 Eerst was er niets.

 

 Daarna was er meer dan iets.

 Toen bleek er te veel over;

 

 tenslotte hield ik niets

 meer over. Het begin

 van het einde;

 het houdt niet over.

 

 Wat er aan deze dingen bestaan

 zou kunnen hebben, heeft bestaan,

 of zou bestaan kunnen hebben.

 

 Of heeft zich dood gezwegen;

 of heeft nooit bestaan.

 

Favery

Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Storm werd geboren in Husum op 14 september 1817.

 

Oktoberlied

 

Der Nebel steigt, es fällt das Laub;

Schenk ein den Wein, den holden!

Wir wollen uns den grauen Tag

Vergolden, ja vergolden!

Und geht es draußen noch so toll,

Unchristlich oder christlich,

Ist doch die Welt, die schöne Welt,

So gänzlich unverwüstlich!

 

Und wimmert auch einmal das Herz –

Stoß an und laß es klingen!

Wir wissen’s doch, ein rechtes Herz

Ist gar nicht umzubringen.

 

Der Nebel steigt, es fällt das Laub;

Schenk ein den Wein, den holden!

Wir wollen uns den grauen Tag

Vergolden, ja vergolden!

 

Wohl ist es Herbst; doch warte nur,

Doch warte nur ein Weilchen!

Der Frühling kommt, der Himmel lacht,

Es steht die Welt in Veilchen.

 

Die blauen Tage brechen an,

Und ehe sie verfließen,

Wir wollen sie, mein wackrer Freund,

Genießen, ja genießen!

 

 

Wohl fühl ich, wie das Leben rinnt

 

Wohl fühl ich, wie das Leben rinnt,

Und daß ich endlich scheiden muß,

Daß endlich doch das letzte Lied

Und endlich kommt der letzte Kuß.

Noch häng ich fest an deinem Mund

In schmerzlich bangender Begier;

Du gibst der Jugend letzten Kuß,

Die letzte Rose gibst du mir.

 

Du schenkst aus jenem Zauberkelch

Den letzten goldnen Trunk mir ein;

Du bist aus jener Märchenwelt

Mein allerletzter Abendschein.

 

Am Himmel steht der letzte Stern,

O halte nicht dein Herz zurück;

Zu deinen Füßen sink ich hin,

O fühl’s, du bist mein letztes Glück!

 

Laß einmal noch durch meine Brust

Des vollsten Lebens Schauer wehn,

Eh seufzend in die große Nacht

Auch meine Sterne untergehn.

 

Theodor_Storm_Denkmal_Husum_1

Theodor Storm (14 september 1817 – 4 juli 1888)
Standbeeld in Husum

 

 

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 14 september 2007 en ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

De Tsjechische schrijver Ivan Klíma werd op 14 september 1931 geboren in Praag. Zie ook mijn blog van 14 september 2006 en ook mijn blog van 14 september 2008.

 

Uit: The Spirit of Prague (Vertaald door Paul Wilson)

 

Totalitarianism correctly understood the threat this cultural resistance posed, but the nature of that power ruled out any accommodation or compromise. It continued to battle against literature. It raided private flats and detained people who had gathered there to listen to lectures or the reading of a play or something as innocent as lyric poetry. It confiscated manuscripts from poets, prose writers and philosophers, both local and translated works, just as it did documents from Charter 77. From time to time it held trials in which judgement was passed on those who copied texts or organized other kinds of cultural activitiy. Because these people were clearly innocent, even according to the laws in force, the outcome of these trials were the opposite of what the authorities intended. They were meant to intimidate, but they succeeded only in unmasking power, in revealing it for the unprincipled, prejudiced and philistine force it was. This merely stiffened people’s resistance. Early samizdat publications came out in tiny editions of tens of copies; by the eighties, books were being reproduced in many workshops, the technology of reproduction was modernized, and the number of titles mushroomed. (The literary samizdat enterprise Padlock Editions published three hundred titles.) In the seventies, there were practically no samizdat cultural journals; by the eighties, there were more than a hundred unofficial magazines. (At the same time, there were only five official magazines dealing with culture.)

Sasmizdat literature was only one of the ways in which the repressed culture expressed itself. There were seminars in philosophy, and lecture series were held on different areas of the humanities. Young people frequently tried to distance themselves entirely from the pseudo-culture offered to them by the authorities. They founded small theatres, and from the seventies on, the most authentic expression of their relationship to the ruling system was the protest song. Singers who were closest to them in age and attitude became their idols. The authorities reacted predictably, and one generation of protest singers was essentially driven into exile, but as usual, the results were the opposite of what was intended.“

 

ivan-klima5

Ivan Klíma (Praag, 14 september 1931)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Corly Verlooghen, Eric van der Steen, Mario Benedetti, Uli Becker

De Surinaamse dichter, schrijver, journalist en muziekpedagoog Corly Verlooghen werd geboren op 14 september 1932 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2006  en ook mijn blog van 14 september 2008.

 

Dit gaat niemand aan

 

Deze zomerherinnering

gaat niemand aan

zij dacht zo mij

aan te voelen

er kwam een telegram

je bent voortvluchtig

als mijn kans op onweer

de storm in je greep

in je ogen de bliksem

het voorgevoel in de rivier

van jouw zondvloed

te verdrinken

 

ik seinde prompt terug

wees mutoditna overtuigd

van mijn innigste deelname.

 

 

 

De Plezierboot

 

Dichter schrijf een dwangbevel

tegen de intellektuelen en hun gedaas

horden van smulpapen

in de plezierboot van champagne

 

dichter schrijf aan creoolse leentje

en haar vaderloze pop

de saramaccastraat begint bij lelydorp

dichter vergeef de proletariërs

want hun plezierboot is

een krot wat rhum en cha-cha’s

dichter vergeef het hoongelach

van hen die beter weten

dichter schrijf en vergeef.

 

Verlooghen

Corly Verlooghen (Paramaribo, 14 september 1932)

 

De Uruguayaanse dichter, schrijver, criticus en journalist Mario Benedetti Farugia werd geboren op 14 september 1920 in Paso de los Toros in het department Tacuarembó. Mario Benedetti is op 17 mei van dit jaar overleden. Hij werd 88 jaar. Zie ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Necrologie met juichkreten

 

Komaan, laat ons feesten

Iedereen is uitgenodigd

De onschuldige

Alle slachtoffers

Zij die het ’s nachts uitschreeuwen

En bij dag dromen

En de last van hun lichamen dragen

En geesten herbergen

En blootvoets marcheren

En de bevroren armen

vervloeken en verbranden

 

Zij die van iemand houden

En dat nooit vergeten

Komaan, laat ons feesten

Iedereen is uitgenodigd

De schurk is dood

De vriend is weg

De verrotte dief is voor goed weg

Haast u

Iedereen is uitgenodigd

Komaan, het is tijd om te feesten

Niet om te zeggen

Dat de dood de lei schoonveegt

Alles zuivert

Op gelijk welke dag

De dood veegt niets uit

Wij dragen nog steeds de littekens

Haast u

de schoft is dood

het is tijd om te feesten

niet om te treuren uit gewoonte

laat zijn tegenhangers maar wenen

en hun tranen verspillen

de monsterachtige magnaat is weg

hij is weg voor goed

het is tijd om te feesten

en niet om ons in te tomen

herinner u daar is niet zo maar iemand dood

het is tijd om te feesten

niet om te vermurwen

vergeet niet dat deze dode man

een echte S.O.B. was

 

 

Vertaald door Henri Thijs

 

 

 

Rostro De Vos  (Face Of You)

 

I’ve got such a concurred loneliness
So filled with melancholy
and faces of you,
with long ago good byes,
and welcome kisses,
of changing springs
and last trains.

I’ve got such a concurred loneliness
that i can organize it
like a procession
by colours,
shapes,
and promises
by epoch
by tact
and by flavour.

Without more trembling,
I hug your absences
which vis
it and visit me
with my face of you.

I’m filled with shades,
with nights and wishes,
with laughs and some course

My guests concur,
concur like dreams,
with their new rancors,
and their lack of candour,
and i put them a broom behind the door,
because i want to be alone,
with my face of you.

But the face of you looks elsewhere
with its eyes of love,
but no longer love
as provisions that look for their hunger,
they look and look and extinguish my day.

The walls leave,
remains the night,
melancholies leave,
nothing’s left.

Then my face of you
closes its eyes,
and it is such a desolate loneliness..

Benedetti_1

Mario Benedetti  (14 september 1920 – 17 mei 2009)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Eric van der Steen werd op 14 september 1907 in Alkmaar geboren. Zie ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Chantage

 

Hoe zou ik slapen kunnen, nu haar ogen,
zo dromerig blauw, als nauw bewogen meer
door wat ter wereld ook, niet rusten eer,
ik zacht mij over haar heb heengebogen ?

 

Maar wat ik mogen zal en niet zal mogen,
dat is een vraag die ik al doende leer
en ’t antwoord, dat ik meer dan haar begeer,
wijst tevens uit of zij mij heeft bedrogen.

 

Zij zal niet rusten voor ik moet bekennen
en lokt mij in haar weelderige tent,
ik zal niet slapen voor ik binnen ben en

 

met zoet geweld mijn liefs gastvrijheid schend –

en in de morgen, als ik wordt verbannen,
weet zij dat ik voorgoed gevangen ben.

 

VanDerSteen

Eric van der Steen (14 september 1907 – 3 november 1985)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Uli Becker werd geboren op 14 september 1953 in Hagen. Zie ook mijn blog van 14 september 2008.

 

 

Ewig nicht gemäht – 

mein hippieskes Phlegma: 

Langes, blondes Gras.

 

*

 

Wer hat gesagt, daß sowas Leben

ist? Ich gehe in ein

anderes Blau.

 

 *

 

Wie altes Eisen

stehn die Bäume im Park rum,

wenn der Lack ab ist.

 

 

hagen-ostermarkt-freilichtmuseum

Uli Becker (Hagen, 14 september 1953)
Hagen (Geen portret beschikbaar)

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 14 september 2008.

 

Tõnu Õnnepalu, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, Anton Constandse, J. B. Priestley

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin.

Uit: Freedom as a Border State of Mind

„There are some rare moments in the time, while freedom emerges. If we want to be more grandiloquent we may call time the History. Or, speaking about someone’s personal life, we may call it Destiny. Those moments, political and psychological, are perhaps the most suitable for writing. I mean the real writing, which is always the emerging of something unexpected, something new, as in the end of the Baudelaire’s poem Le Voyage.

It is a long poem, which starts with an image of a child dreaming on the maps of seas and continents. The world under the lamp of childhood is huge and without borders. And then the old poet says (well, he wasn’t this old in fact – perhaps as old as I’m now, but, like he says in another poem – Le Spleen – J’ai plus des souvenirs que si j’avais mille ans – I have more memories than I would have at the age of thousand years), so, he says: how little is world in the eyes of memory!

For a child the potential of possibilities, the latent freedom is in it’s maximal rate. Then, during the life, the doors of unused possibilities are closing, one by one. The hungry dreaming has been replaced by searching of real sensations, then by dullness, boredom and spleen – the famous ennui. As the potential of freedom has been used up, the life becomes to be felt like a prison. The trials of escape from this prison become more and more violent. As the poet says in another poem, the boredom – ennui – is the worst of all vices, the most powerful source of evil. A bored human being may – just to escape from his own prison – destroy the world, kill and torture.

Or destroy himself. The last part of the poem, which closes the whole book, evokes the Death as ultimate liberator and ultimate door into the unknown and the last remaining possibility for something new. This absurd hope tells us about the inner feelings of the poet, who’s sources of creation are like drying up and who doesn’t find his former freedom any more. So was the freedom, the childhood’s borderless world just an illusion?“

 

Õnnepalu

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

 

De Poolse dichter Julian Tuwim werd geboren in Łódź op 13 september 1894.

 

The Dancing Socrates 

 

I roast in the sun, old wretch…

I lie, and yawn, I stretch.

Old am I, but full of pep:

When I take a slug from the cup

I sing.

My ancient bones bask in the sun’s glow,

And my curly, wise, grey head.

In that wise head, like woods in spring

Hums and hums a wiser wine.

Eternal thoughts flow and flow,

Like time

 

 

tuwim2

Julian Tuwim (13 september 1894 – 27 december 1953)

 

De Nederlandse dichter, predikant en hoogleraarr Nicolaas Beets werd geboren op 13 september 1814 in Haarlem. Voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 13 september 2006.

Uit: Uit: Camera Obscura

 

En wezenlijk, de Hollandsche jongens zijn een aardig slag. Ik zeg dit niet met achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat Potgieter, in zijn tweede deel van ‘het Noorden’, over de Zweedsche, en wat Wap in het tweede deel van zijne ‘Reis naar Rome’, over de Italiaansche in ’t midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks de veete tegen de Belgen, voor ’t grootst gedeelte blauwgekielde spes patriae.

De Hollandsche jongen; – maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van krijgertje, – twee lieve spelen, mevrouw, die u ed. te wild vindt. Ten derde, heeft u ed., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen, om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort u ed. als zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in ’t ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een schoffel en een klap leeren berekenen? – ik verzeker u dat hij nagelt, mevrouw! een nagelaar is hij, en een nagelaar zal hij blijven: – wat kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar? Ook draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet u ed. wat u ed. van uw lief Fransje maakt? 1. een gluiper; 2. een klikspaan; 3. een geniepigerd; 4. een bloodaard; 5… Och lieve mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken, en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen zonder een buil of een schram, – hij zal een groot man worden”.

 

Beets

Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Borstbeeld, gemaakt door Cornelis Beets

 

De Britse schrijver Roald Dahl werd geboren op 13 september 1916 in Llandalf, Zuid-Wales.

 

Cinderella (Fragment)

 

I guess you think you know this story.

You don’t. The real one’s much more gory.

The phony one, the one you know,

Was cooked up years and years ago,

And made to sound all soft and sappy

just to keep the children happy.

Mind you, they got the first bit right,

The bit where, in the dead of night,

The Ugly Sisters, jewels and all,

Departed for the Palace Ball,

While darling little Cinderella

Was locked up in the slimy cellar,

Where rats who wanted things to eat

Began to nibble at her feet.

She bellowed, “Help!” and “Let me out!”

The Magic Fairy heard her shout.

Appearing in a blaze of light,

She said, “My dear, are you all right?” ‘

All right?” cried Cindy. “Can’t you see

I feel as rotten as can be!”

 

She beat her fist against the wall,

And shouted, “Get me to the Ball!

There is a Disco at the Palace!

The rest have gone and I am jalous!

I want a dress! I want a coach!

And earrings and a diamond brooch!

And silver slippers, two of those!

And lovely nylon pantyhose!

Thereafter it will be a cinch

To hook the handsome Royal Prince!”

The Fairy said, “Hang on a tick.”

She gave her Wand a mighty flick

And quickly, in no time at all,

Cindy was at the Palace Ball!

It made the Ugly Sisters wince

 

Roald Dahl

Roald Dahl (13 september 1916 –  23 november 1990)

 

De Nederlandse wetenschapper en publicist, vrijdenker en anarchist Anton Constandse werd geboren in Brouwershaven op 13 september 1899.

 

Uit: Het terrorisme

 

„De bloedige onderdrukking van de Parijse Commune en de wrede taferelen van officiële moord op weerloze socialisten hebben een diepe indruk gemaakt op de revolutionairen van het laatste gedeelte der vorige eeuw. Nimmer scheen tegengeweld zo geoorloofd als bij het verweer tegen standen en klassen die op zo tirannieke wijze hadden gewoed. Men vergete niet dat de ‘tirannenmoord’ op velerlei gronden door uiteenlopende richtingen was goedgekeurd, en dat het christendom zich daarbij niet onderscheidde van politieke stromingen. Talloos was het aantal koningsmoordenaars (‘régicides’) geweest wier daden verontschuldigd waren geworden. De man die de laatste en dodende aanslag had gepleegd op Willem de Zwijger, Balthazar Gerards, voltooide een goddelijk geachte opdracht. Toen in 1610 de Franse koning Henri IV van het leven werd beroofd door Ravaillac, wilde deze laatste de gewezen protestantse monarch treffen, die nog als beschermer der hugenoten werd beschouwd. Nadat in 1793 Charlotte Corday de revolutionaire leider Marat had doodgestoken (door haar beschouwd als een tiran) had zij gezegd: ‘Ik heb één man gedood om honderdduizenden te redden.’ Hoewel de meeste politieke moorden – men denke aan de tijd der Renaissance, Reformatie en Contrareformatie – door leden van de overheid zijn gepleegd, is de liquidatie van een dictator door het nageslacht bijna altijd verdedigd als een begrijpelijke en vaak heilzame daad.

Deze opvatting werd in de negentiende eeuw versterkt door de berichten, die uit het absolutistisch geregeerde Rusland kwamen. Na 1848, toen de tsaar had ingegrepen om de Hongaarse opstand te helpen neerslaan; na 1863 toen wederom een Poolse revolutie was onderdrukt; na de massa-arrestaties en verbanningen van Russische revolutionairen gold het ook in het Westen als onvermijdelijk dat aanslagen nog de enig mogelijke vorm waren van noodzakelijk verzet. De invloed van Alexander Herzen, met wie Bakoenin (na zijn ontsnapping uit Siberië) enige jaren had samengewerkt, was voornamelijk ideologisch, gericht op een vaag democratisch socialisme. Hij keerde zich in beginsel tegen het revolutionaire geweld. ‘Wie niet wil dat de beschaving wordt gevestigd met de knoet, mag de bevrijding niet willen bereiken met de guillotine.’ Maar wel riep hij op christelijke wijze herhaaldelijk het beeld op van een bloedige Apocalyps, een Wereldondergang waaruit de nieuwe orde geboren zou worden.“

 

constandse2

Anton Constandse (13 september 1899 – 23 maart 1985)
Portret door Jan Wiegers

 

Zie voor alle bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 13 september 2008.

 

 

De Engelse schrijver, journalist en literatuurcriticus John Boynton Priestley werd geboren in Bradford op 13 september 1894. Zie ook mijn blog van 13 september 2007.