Dit is mijn muts, dit is mijn jas, hier is mijn scheerset in een linnen zak. Conservenblikje: mijn bord, mijn beker, ik heb in het vertinde blik mijn naam gekrast. Gekrast hier met deze kostbare nagel, die ik voor hebzuchtige ogen verberg. In mijn broodzak zitten een paar wollen sokken en een paar dingen die die ik niemand vertel, zo dient hij als kussen voor mijn hoofd ’s nachts. Het karton hier ligt tussen mij en de aarde. De potloodstift is mij het dierbaarst: Overdag schrijft hij verzen voor me die ik ’s nachts heb bedacht. Dit is mijn notitieboekje, dit is mijn tentdoek, dit is mijn handdoek, dit is mijn draad.
Dat is het eerste van de lente in de havenstad: een volle bries van de stroom, zo vol als het gelaat van een boerejongen die in een mondharmonika blaast een bries die over de stad vaart en even onvermoeid is als die dorpsmuzikant. De wind die de eerste maal dit jaar een zelfstandige vreugde heeft gevonden. Enkel wind te zijn, tomeloos, mateloos, ongebonden. Wind te zijn, te waaien in de boom, in al de bomen. Geen enkele vertoont groen en toch is geen enkele nog winterdood. Tijd van blijde boodschap, zelfstandige tijd die een eigen leven scheppen gaat: een eigen geboorte, een eigen leven, oogst en dood. Wind te zijn: de kerktorens, de oude heksen, te buigen, te dwingen tot kinderspel.
Wind te zijn, even dwaas tegenover de jonkvrouwelijke kathedraal. En zó’n goddelijk genot met de ernst te zwetsen: de hoed van een parlementslid vijftig meter ver te dragen of legendarisch akelig te doen achter schilden en uithangborden.
Een grote dag die de kristelijke liefde bezingt in een nog heidense roes. Als gister misschien schijnen bomen even dood. Maar de lucht is de millionnaire trilling van leven daarrond. Geen winteravond meer, doch elk gerucht vergaat in vreugde-echo. Zo’n dwaas geluk kent een knaap die plots te zwemmen gevat heeft, of fiets te rijden. Er is nog niets tastbaars veranderd. Dat is juist het grote van het genot. Gister: alexandrijnen over wintermajesteit. En nu: de lach van een volksjongen die van een vlondertje het water invalt, het goede, warme water, – en daarom lacht. Nergens is er één detailbewijs van de nakende lente. Enkel de algemene adem. De jongen die blaast in een mondharmonika! De wind van de stroom. Over de stad, het land in. De kleine dorpen schommelend. Over de bergen! Broedergroet aan het volk van over de grenzen De wind van onze haven die al de volkeren verfrist. De muziek van de wind: de bassen onderlijnen door een Internationale! Morgen zullen de mannelijke cello’s het lied hervatten.
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928) De Keyserleiin in Antwerpen, de geboortestad van Paul van Ostaijen
Auf einem offenen Altane sangen Greise orgelspielend gegen Himmel, Indes auf einer Tenne, ihm zu Füßen, Der Schlanke mit dem bärtigen Enkel focht, Daß durch den reinen Schaft des Oleanders Ein Zittern aufwärts lief; allein ein Vogel Still in der Krone blütevollem Schein Floh nicht und äugte klugen Blicks herab. Auf dem behauenen Rand des Brunnens aber Die junge Frau gab ihrem Kind die Brust.
Allein der Wandrer, dem die Straße sich Entlang der Tenne ums Gemäuer bog, Warf hinter sich den einen Blick des Fremden Und trug in sich – gleich jener Abendwolke Entschwebend über stillem Fluß und Wald – Das wundervolle Bild des Friedens fort.
Gute Stunde
Hier lieg ich, mich dünkt es der Gipfel der Welt, Hier hab ich kein Haus, und hier hab ich kein Zelt!
Die Wege der Menschen sind um mich her, Hinauf zu den Bergen und nieder zum Meer:
Sie tragen die Ware, die ihnen gefällt, Unwissend, daß jede mein Leben enthält.
Sie bringen in Schwingen aus Binsen und Gras Die Früchte, von denen ich lange nicht aß:
Die Feige erkenn ich, nun spür ich den Ort, Doch lebte der lange Vergessene fort!
Und war mir das Leben, das schöne, entwandt, Es hielt sich im Meer, und es hielt sich im Land!
Schneeglöckchen
Schneeglöckchen, ei, bist du schon da? Ist denn der Frühling schon so nah? Wer lockte dich hervor ans Licht? Trau doch dem Sonnenscheine nicht!
Wohl gut er’s eben heute meint, Wer weiß, ob er dir morgen scheint? „Ich warte nicht, bis alles grün; Wenn meine Zeit ist, muss ich blühn.”
Dageraad
Nu ligt en trilt aan vale horizon, Verzonken in zichzelf, de donderbui. Nu denkt de zieke: ‘Dag! Nu zal ik slapen!’ En doet de hete ogen dicht. Nu strekt De vaars op stal naar frisse morgenlucht De brede neus. Nu, in het stille bos, Richt de landloper, ongewassen, zich Uit ’t zachte bed van lang verwelkt blad op, Grijpt met brutaal gebaar zomaar een steen, Gooit die naar ’n duif die nog slaapdronken vliegt, En huivert zelf wanneer de steen zo dof En zwaar op aarde valt. Nu rent het water, Als wilde het de nacht die wegsloop na, Het duister in, snel, onverschillig, wild, Als koude luchtvlaag voort, terwijl daarboven De Heiland en zijn moeder zachtjes, zachtjes, Op ’t brugje met elkander spreken; zachtjes, En toch zijn hun luttele woorden eeuwig En onverwoestbaar als de sterrenhemel. Hij draagt zijn kruis en zegt alleen maar: ‘Moeder!’ En kijkt haar aan, en: ‘Ach, mijn lieve zoon!’ Zegt zij. – Nu heeft de hemel met de aarde Een stom, beklemmend tweegesprek. Dan gaat Een rilling door het oude, zware lijf: Zij maakt zich op een nieuwe dag te leven. Nu klimt het schimmig ochtendlicht. Nu glipt Er iemand blootsvoets uit een vrouwenbed, Snelt als een schaduw, klautert als een dief Zíj́n kamer door het venster binnen, ziet Zich in de spiegel, is plotseling bang Voor deze bleke, nachtdoorwaakte vreemde, Als had hij zelf de brave jongen die Hij was in deze nacht vermoord, als kwam Hij nu zijn handen wassen in de kan Als om het offer dat hij bracht te honen; Daarom misschien was de hemel zo drukkend En alles in de lucht zo wonderlijk. Nu knarst de staldeur. En nu is het dag.
Vertaald door Nina Brunt
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) Cover
in die dierbare tijden hadden we inderdaad geen gebrek aan zingende zusjes en brabbelende broers.
zo werden we ondermeer bezocht door Piet Sybrandi – de nederlandse Pat Boone -, in staat binnen vijf minuten een ruwhouten kruis in elkaar te zetten, dit tijdens een zgn. jeugddienst.
en de drie gebroeders Spaargaren, Zeeuwen, voerden de kruisvlag in top van hun opvouwbaar orgeltje. één van hen speelde, twee zongen – eerste en tweede stem – dat het langs de wolken ruiste;
verwekten hierdoor in iedere keel een brok vlak naast het pepermuntje.
God ziet alles.
Men verplaatst zich
Men verplaatst zich, maar nooit even snel, in tegengestelde richting.
Nooit met eenzelfde zakdoek mooi symmetrisch wuivend – even wit, even droog.
Eén blijft er staan, verwijdert zich.
Bij gebrek aan wie verliet langzaam kleiner wordend.
Hou toch op!
Of het al niet erg genoeg is, heb je mensen, om de paar jaar kraaien ze om het hardst: ik ben aan een nieuwe uitdaging toe.
Alsof, als ze daarop ingingen, het beste in hen waar we al zo lang op zaten te wachten vanzelf naar boven kwam dan.
En alsof, was dat al het geval, dat voor iemand anders dan voor henzelf ook maar van het minste belang zou kunnen zijn.
Alle mensen zijn zwanger, sprak Diotima, hun lijf is zwanger en zwanger is hun geest, o, wat willen ze uit alle macht graag baren. Schoonheid is baren. Geboorte is waarlijk schoon.
Zo sprak Diotima tegen Socrates. Socrates vertelde het verhaal verder op het feest van Agatothon. Dat hoorde de jonge Aristodemos, en hij vertelde het later door aan Apollodoros, die het zijn vrienden vertelde.
De kleine Plato speelde buiten met kevers. Waar komen al die kevers vandaan, dacht hij, misschien uit een hele grote kever hoog in de hemel? Die we niet zien?
’s Avonds legde zijn moeder hem in de kamer te slapen. Bij Agathon begon een homofeest, en omdat niemand meer kon drinken, gingen ze discussiëren: laat ons vandaag spreken over de liefde. Spreken over de schoonheid.
Zij speelden niet, zij trouwden in de spiegel op de gang. Ring en zoen en eerste dans, hen bond een feit van glas. Zij dachten dat dit alles was.
En trouwden niet, maar spelen ieder met een ander toen. Zij zagen zich voor later staan, nu zien zij zoveel minder meer. Zij denken juist, net omgekeerd.
Alice na wonderland
De kamer geurt naar zeer oud zweet, Alice is uit wonderland opgestaan. Het duizelt in haar hoofd van avontuur, zij krijgt haar sloffen weer niet aan,
kamt een stuk of wat haren plat en stapt uit haar kleed. Alles schudt. De spiegel is mist, haar adem is zuur. Uit haar lichaam ontsnapt de nacht.
Het meisje Alice is terug in de tijd. Zij kijkt door de sleet op haar ogen en ziet aan de kant van haar droom een vrouw, lelijk van werkelijkheid.
Zo
Het laatste is aanwezigheid. Dat stoel en kast stoel en kast staan te zijn, eindelijk poten. Dat zij ’s ochtends lippen zet, ogen lijst, haren – klaar voor een dag in hun bestaan. Dat in hun grote verstomming de bomen, in leegte de tuin, en dan ineens en hardop de bloemen. Dat theepot en hemel, mijn hand, dat alles zo onnodig, zo oneindig bedreven wil zijn in er zijn.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021
zomer betekent voor jou beenhaar gilletteren je strekt je dijen uit ik moet aan kippenvleugels denken als je de pluisjes wegveegt bij het open raam in de condenssporen hemel lach je daarbij haat ik het felle zonlicht en het bruin het liefst heb ik jou zeg ik maan-bleek in de halo van panthenol en antioxidanten
De Oostenrijkse schrijver. Antonio “Tonio” Schachinger werd geboren op 29 januari 1992 in New Delhi, India. Schachingers vader is een Oostenrijkse diplomaat, zijn moeder is een kunstenares van Mexicaans-Ecuadoriaanse afkomst. Ze ontmoetten elkaar in Wenen, waar de moeder schilderkunst had gestudeerd aan de Academie voor Schone Kunsten. Vanwege de baan van zijn vader pendelde het gezin aanvankelijk tussen Nicaragua en Wenen, waar Schachinger verbleef na de scheiding van zijn ouders. Schachinger bezocht de middelbare school Theresianum in Wenen en studeerde Romaanse talen en Duits aan de Universiteit van Wenen, evenals taalkunde aan de Universiteit voor Toegepaste Kunsten, waar hij co-redacteur was van het literaire tijdschrift “Jenny”. Tonio Schachinger woont in Wenen. In 2018 publiceerde Schachinger samen met kunstenaar Anna Schachinger het geïllustreerde boek “Sicherheit” waaraan hij de tekst “Sicherheit, Umzug, Interieur” bijdroeg. Als auteur werd hij in 2019 bekend in de Duitstalige wereld met zijn debuutroman “Nicht wie ihr”. Het verhaal over de rijke Oostenrijkse profvoetballer en familieman Ivo, die een affaire begint met zijn jeugdliefde Mirna, kwam op de shortlist voor de Duitse Boekenprijs 2019. Volgens Schachinger vond de roman zijn uitgangspunt in een cursus van de Oostenrijkse schrijfster Anna Kim, die hem ook ondersteunde tijdens het schrijfproces en bij de latere zoektocht naar een uitgever. De actieve amateurvoetballer Schachinger onderzocht het materiaal met behulp van de sociale mediakanalen van voetballers. Hij ziet “Nicht wie ihr” niet als een sleutelroman en laat bewust de dagelijkse werkzaamheden van de voetballer achterwege. De Frankfurter Allgemeine Zeitung noemde het boek een “roman die even grappig als scherp geobserveerd en pretentieloos is”.
Uit: Nicht wie ihr
„Wer keinen Bugatti hat, kann sich gar nicht vorstellen, wie angenehm Ivo gerade sitzt. Er streckt die Beine aus und schaut durch seine Sonnenbrille nach draußen auf den Platz vor dem Merkur, wo nichts ist, nur eine Telefonzelle und ein leerer Käfig. Er hätte gar nicht mit dem Bugatti kommen sollen, aber er ist froh, es gemacht zu haben, weil durch den Bugatti alles besser wird, die Fahrt her, die Fahrt zurück und sogar das Warten. Bugattis sind Autos für Leute, die nicht warten, und sie alle, die, die keinen Bugatti haben und die, die keine Zeit haben, in ihrem zu warten, verpassen etwas. Ivo würde gerne für immer so in seinem Bugatti sitzen. Die Mittagshitze sieht durch die verdunkelten Scheiben aus wie früher Abend und die 33 Grad, die es draußen angeblich hat, erreichen den Innenraum des Autos nicht. Ivo stellt sich vor, wie das von außen aussieht, ein schwarzer Bugatti, ganz alleine irgendwo im 20. Bezirk, wie ein Raumschiff aus einer anderen Welt, das von der Sonne nicht berührt wird; eine Black Box, die alle anschauen, ohne reinsehen zu können, eine Fata Morgana in der heißen, flimmernden Luft. Wer jetzt aus dem Merkur kommt und ihn sieht, wird glauben zu träumen, außer es ist Jessy, die wird Ivo sagen, dass er nicht mit dem Bugatti hätte kommen sollen. Ivo lässt seinen Blick über den Platz schweifen. Für einen Moment rinnen ihm die Hitzewellen als Kälteschauer über den Rücken, und er lehnt sich noch weiter zurück. Die Türen vom Merkur gehen auf und heraus kommt nicht Jessy, sondern ein Mann, irgendein fades Opfer mit Stoffsackerl, und natürlich schaut er her, aber nicht wie jemand, der mitten in der Wüste eine Oase sieht, sondern wie jemand, der Scheiße riecht. Er hält sich eine Hand vor die Stirn, als würden die goldenen Felgen ihn blenden, und verzieht seinen Mund. Soll das ein Lachen sein? Ivo setzt sich ein bisschen auf und kneift die Augen zusammen, um ihn besser zu sehen, aber das hätte er nicht machen müssen. Er könnte sogar noch 30 Meter weiter weg stehen und ein Brett vor dem Kopf haben und würde trotzdem das Gleiche wissen: dass dieser Typ einfach ein Hurenkind ist. Er sieht es an der Art, wie der den Mund seitlich verzieht, wie er lacht, ohne ein Geräusch zu machen. Er sieht, dass der Typ nicht echt ist. Der Mann holt sein Handy heraus, lehnt sein Stoffsackerl gegen die Wand, macht ein Foto, und Ivo sieht seinem Gesicht an, dass er überlegt, was er Witziges dazuschreiben soll, bevor er es hochlädt. »Du Hurenkind«, sagt Ivo, und die Entspannung fällt von ihm ab, »du dummes, dummes Hurenkind.« Er würde gerne das Fenster eine Handbreit runterfahren, nur damit dem Typen sein schiaches Lächeln vergeht, damit er sieht, dass er beobachtet wird und Angst bekommt vor dem, der da im Auto sitzt, der Ivo, aber genauso gut auch ein Mafiaboss sein könnte, und vor einer ganzen Welt, die er nie betreten wird.“
Ik heb niets na te laten Behalve beschreven papier, Bestanden die op een USB-stick passen Welk voorrecht heb ik Vanwege leeftijd, eventuele eerdere ziekten, Boven anderen Het virus is slechts een symptoom Op Facebook Las ik over een zelfhulpgroep Voor autisme Eindelijk is normaal Wie sociale contacten mijdt
De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.
Het dooit onder de korven
(bij het tienjarig jubileum van het literaire tijdschrift Awater)
(naar Martinus Nijhoff)
4. Nogmaals, de opdracht is helder als zat. Men pakke een torenspits, een kwast en smeren die hap: kind kan de was. Ieder doet tien liter nectar per dag en denkt eraan: altijd van u af.
Hebt u de kerk en de zendmast gehad smeert dan goed door op rotonde, parkeervak een afslag, de voetbalstip in het gras – hun vallen op geometrische vormen. Zorgt dat morgen dit hele dorp plakt.
Ja zo doen wij dat. Wij gaan stap voor stap ons vaderland met koninginnenpap volsauzen. Wij hebben lang genoeg gewacht. Laat dijken geuren, zoet als het graf. ’t Is tijd om hun neer te swaffelen.
Verblindt hun met bloemen, kleurig en strak liggen Hollandse bollen in slagorde. Maakt dat hun landen, zwaait! lacht! Maakt ons onmisbaar van bovenaf. En zoekt ten allen tijden contact.
Laat het volk zoemen als een moeras ontsteekt de broeikassen op volle kracht opdat wij die kutgoden eerste klas met de stront in hun ogen zullen verrassen. Dat hun neerstorten – recht op ons af.
5. Ze gingen ons het dooien leren. Praten als normale mensen. Hier op aarde zou men het licht van ons af schrapen. Hier leren goden zich te gedragen.
We moesten in plassen nederdalen mochten geen enkele afstand laten. Het was de totale thuiskomst. Naakt vloeiden ze door onze ijzige navels.
Het dooit, alle maanden, alle uren gaapt het heelal als een glazen oog. Ivoren korven hangen leeg en verlaten. Teken noch taal scheiden ons nu.
Broederlijk dalen wij af naar de bron. En het smeltwater stroomt, lager en lager tot waar geen enkele moeder of vader geen vallende sneeuw ons nog halen komt.
Wiegelied
(bij de discussie over de verblijfsvergunning van Mauro Manuel)
slaap zacht mijn land vannacht ga ik niet weg
de hoeken van je dromen zal ik kraken voor ons twee
mijn tongval modderzacht haakt zich reeds vast, daar
zal ik wachten, daar alleen in vaste slaap je opzoeken
onderduiken samen fluisteren voetballen uren achtereen
en dan gehakt met jus en prei deze nacht stelen we tijd
zullen wij slapen, thuis als vroeger zonder schaamte
Voor het eerst hoorde ik waarschijnlijk in groep 8 iets over raadselachtige vissterfte in de zomer verboden mestafvoer van varkensmesterijen in naburige plaatsen ik zag scheuren en vogelsporen in rottingsslib rond het uitdrogende oog van het stuwmeer in een plas een dode kroeskarper met ontblote kieuwen ik rende over de stangenweg naar huis met dit beeld voor ogen
van de aanblik van uitgescheurde kieuwen word ik vandaag nog wakker hoor je naast me in mijn slaap jammeren ook jij droomt nog steeds van school van eindeloze examens ik weet en stel mijzelf ermee gerust dat rond onze ogen jaarringen groeien zonder botox-injecties
Uit: Het geluk van de wolf (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Fausto was veertig toen hij, op zoek naar een plek om opnieuw te beginnen, zijn heil zocht in Fontana Fredda. Hij kwam daar al van jongs af aan, en als hij al te ver weg was van de bergen daar werd hij neerslachtig, hetgeen een van de oorzaken, of misschien wel dé oorzaak was van de problemen met de vrouw die bijna zijn echtgenote was geworden. Na hun scheiding had hij er een huisje gehuurd en er de maanden september, oktober en november doorgebracht met paden afstruinen, hout sprokkelen in de bossen en voor de kachel eten, genietend van het zout van de vrijheid en kauwend op het bitter van de eenzaamheid. Hij schreef ook, of althans, hij probeerde het: in de loop van de herfst zag hij dat de kuddes de almen verlieten en de naalden van de lariksen geel werden en afvielen, totdat met de eerste sneeuwval ook het geld dat hij opzij had gelegd opraakte, hoezeer hij zijn uitgaven ook tot een absoluut minimum had beperkt. Nu het winter werd, kreeg hij de rekening van een moeilijk jaar gepresenteerd. Hij kende wel wat mensen in Milaan die hij om werk kon vragen, maar dan moest hij terug naar de stad, gaan rondbellen, met zijn ex de kwesties oplossen die ze voor zich uit hadden geschoven, en toen hij zich er al bijna bij had neergelegd dat er niets anders op zat, had hij op een avond achter een glas wijn zijn hart uitgestort in de enige openbare gelegenheid die Fontana Fredda rijk was. Babette, achter de toog, begreep het volkomen. Getuige haar accent en een zekere elegantie was ook zij ooit uit de stad gekomen, maar god weet wanneer en langs welke wegen. Op een gegeven moment had ze een restaurant overgenomen op een plek waar in de tussenseizoenen de enige klandizie bestond uit metselaars en veehouders, en had het De tafel van Babette genoemd, naar de Babette uit de novelle van Karen Blixen. Vanaf dat moment noemde iedereen het zo, niemand wist meer hoe het eerst heette. Fausto had vriendschap met haar gesloten omdat hij Karen Blixen had gelezen en de toespeling had begrepen: de Babette in het verhaal was een revolutionair die, nadat de Commune van Parijs was mislukt, naar een boerengehucht in Noorwegen was gegaan waar ze als kokkin ging werken. De Babette in Fontana Fredda serveerde geen schildpadsoep, maar had de neiging dolende zielen onder haar vleugels te nemen en te proberen praktische oplossingen te vinden voor existentiële problemen. Nadat ze de zijne had aangehoord vroeg ze: Kun je koken? En zo was hij er met kerst nog steeds, in de keukendampen worstelend met enorme potten en pannen. Er was ook een skipiste in Fontana Fredda; elke zomer was er sprake van dat die gesloten zou worden en elke winter ging hij toch weer open. Een bord beneden bij de afslag en wat op de weiden gespoten kunstsneeuw moesten skigezinnetjes trekken, en drie maanden per jaar veranderden de bergbewoners in stoeltjesliftpersoneel, sneeuwmakers, reddingswerkers en bestuurders van de zogenoemde sneeuwkatten: een collectieve ver- kleedpartij waar ook hij nu aan meedeed.”
Die schreef vanuit een geleefd leven Dus ik benijdde hem. natuurlijk Kon ik zijn manier van doen imiteren Maar het geleefde leven (waar ik, geloof me, Niets over wilde horen) Was van hem. Aan anderen laat ik De herinnering aan zichzelf na.
Vertaald door Frans Roumen
Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)
Onafhankelijk van geboortedata
De Nederlandse dichteres, schrijfster, presentatrice en columniste Iduna Paalman werd geboren in Rolde in 1991. Paalman studeerde Duitse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Humboldt Universität in Berlijn. In 2010 deed ze mee aan het schrijversplatform ABCYourself onder begeleiding van Edward van de Vendel. Haar werk verscheen onder meer in Revisor, De Gids en Het Liegend Konijn. Sinds 2016 is ze columniste voor Hard//hoofd. In 2019 debuteerde Paalman met de bundel “De grom uit de hond halen”. Hiervoor werd zij genomineerd voor de Buddingh- en de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Door de Volkskrant werd ze uitgeroepen tot literair talent van het jaar. In 2020 won ze de Poëziedebuutprijs aan Zee. Iduna Paalman verving in 2022 Petra Grijzen als presentatrice van de NPO Radio 1 en NTR wetenschapspodcast Atlas.
Toekomstmuziek
Alles wat we zeggen zit in een stationaire dorskast. De kast heeft kieren en de grond is ongeschonden, maar nu staan we te zwijgen tussen de stoppels en de machines draaien
onze opa’s vertelden nog verhalen met de hand, grepen vlegels van moeilijk te splijten hout zoals haagbeuk, haalden vrouwen aan met middeleeuwse wapentypes, zaten nebenbei in het verzet. Zij spraken van product en residu
wij schieten korrels van tafel en spugen natte verlanglijstjes door een buis. We zoeken een roestvrijstalen gebaar en weten niet dat elke generatie op den duur naar zolder gaat en daar nooit meer wordt aangeraakt.
ONTVANGSTBEVESTIGING
Mail gestuurd aan oude liefde kikkerdril gevonden afgewacht.
De vlier bloeit – vroeger trokken we er siroop van en dacht ik dat mannenzaad ook zo rook – ergens ligt iets te rotten, ik krijg geen antwoord maar dat komt misschien omdat hij een jonge vader is, de sloot leeft, er moet gevoed worden, ik sta klaar
plant zonwerende waterplanten, kijk daar in het donker ligt het bol van opgehoopte dichtgeslibde, afgestompte klompen nieuw bestaan beloftevol bubbeltjesplastic lensvorming om lensvorming – stripfiguurogen beloeren mij, gluiperig en geleiachtig stil is het, misschien brengt hij zijn dochter naar pianoles bevruchtingen moeten tenslotte de moeite waard worden gemaakt
de onvolgroeid groene bessen noppen van haarborstels reigers trekken nomadisch langs de wallen dril wordt zygote wordt larve
dat wat rotte komt tot leven dat wat wachtte wordt gedood.
Dronken en huilend. Het is weer een nacht bij live-in-de-opera, en ik denk dat het slecht met me zal aflopen. De doden naast de deur nemen hun begroetingen in ontvangst, hun gezouten noten, het langgerekte gejammer. Wij, de levenden, moeten dekking zoeken, ik dus. Sterfelijkheid is het ABC ervan, en daarna komen wellust en liegen. En, oh, hoe voeg je een leven samen uit deze schande en verwarring, alsof de goden in ons woonden of samenwoonden met ons, enkel omwille van de muziek.
“Mijn mesjogge oma vroeg me deze doek naar zijn graf te brengen om de tijd te dichten. Anders is hij verloren.’ De soldaat kijkt hoe ik de doek weer opvouw. Traag, eerst over de helft en dan nog een keer over de helft, tot ik een klein vierkant stuk stof vasthoud. Voorzichtig stop ik het in mijn tas. Ik probeer het zo dramatisch mogelijk te doen, langzaam, alsof dit het allerbelangrijkste object ter wereld is. ‘Geef me gewoon dit laatste stukje. Een paar dagen, dan ben ik weer weg.’ Ik rommel nog eens in mijn tas en haal de oude foto van Aleksandra tevoorschijn, mijn troef, het laatste wat ik bij me heb om hem over te halen. Ik houd de foto voor zijn gezicht, duw hem bijna tegen zijn neus, zodat hij er wel naar moet kijken. Aleksandra kijkt hem recht aan. Links en rechts van haar zitten Njoesja en Doesja, haar nichtjes, die net als zij mee werden genomen in de oorlog. ‘Godallemachtig,’ zegt de soldaat zacht en slaat zijn ogen naar de hemel. ‘Alle andere foto’s uit haar jeugd zijn verbrand,’ zeg ik. ‘Ik heb rondgevraagd, mijn moeder heeft rondgevraagd, niemand in de familie heeft nog iets. Alles is verdwenen. In de fik gestoken. Door de Duitsers.’ Hij pakt de foto en houdt ’m naast mijn gezicht, knijpt één oog dicht, kijkt naar mij en dan weer naar de foto. Ik trek dezelfde strakke mond als Aleksandra en knijp mijn ogen een beetje dicht. Had ik van mijn piekerige haar een vlecht moeten maken en die op traditionele wijze om mijn hoofd moeten leggen als een kroon? ‘Jullie lijken op elkaar. Alleen dat haar…’ ‘Flauw, zo flauw,’ mompel ik. Ik gris de foto uit zijn hand en stop hem met een felle beweging in mijn tas. Dit is het toppunt van mijn dramatische kunnen. Had ik maar meer felheid in me, de felheid van mijn Oekraïense tantetjes, die eindeloos tegen iemand aan blaffen zonder adem te halen. ‘Laat me binnen,’ probeer ik te snauwen. De oude vrouw achter me begint nadrukkelijk te zuchten. Ze zet haar plastic tassen met een theatrale kreun op de grond en vraagt hoelang mijn toneelstuk nog gaat duren. Als ze praat blinken haar gouden hoektanden in het zonlicht. ‘Het is nu voorbij,’ zegt de soldaat, en wuift me weg. ‘Ga uit de rij. Voorbij die Oekraïense vlag, daar, na de brug, ben je met deze papiertjes, die doek en die zielige foto niet veilig.’ ‘Ik heb iets beloofd,’ ga ik tegen hem in, ‘laat me er gewoon door, dan ben je van me af.’ ‘Nee. Er willen meer mensen langs, mensen die echt naar huis moeten. Die hier wonen,’ zegt hij hard. De vrouw knikt chagrijnig met hem mee.”
Om vele redenen, O God, leg ik mij In Uw hand, ik, geschapen, de eerste dag Door U, en voor U, en toen ik verslagen lag, Kocht Uw bloed wat al van U was weer vrij. Ik ben Uw zoon, die naast U schijnt als Gij, Uw dienaar, wiens daad steeds beloning zag, Uw schaap, Uw beeld, en tot ik door gedrag Mijzelf verraadde, een tempel Gods daarbij. Wat moet een duivel macht over Uw werk? Wat steelt, neen, rooft hij wat U rechtens hoort? Tenzij Gij opstaat, vecht en hem verstoort, Val ik ten prooi aan wanhoop, als ik merk, Dat Gij de mensheid mag, maar mij niet kiezen wilt, Dat Satan haat, maar mij toch niet verliezen wil.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Monument in St Paul’s Cathedral, Londen