Linda Pastan

De Amerikaanse dichteres Linda Pastan werd geboren op 27 mei 1932 in New York. Zie ook alle tags voor Linda Pastan op dit blog.

 

Alphabet Song

Like a train made up of 26 boxcars,
the alphabet drags such a heavy cargo
down the tracks, such strange,
compelling combinations

that we are left breathless, admiring
a world constructed of words
and sentences as much
as the sunsets and snowfalls

which perform their mysteries
before our distracted eyes.
Now we learn how alphabets of genes
produce jellyfish and roses

and the intricate brain
that invented language—then wrote
a poem which like a brief breeze
wafts over us and is gone.

 

Jump Cabling

When our cars touched
When you lifted the hood of mine
To see the intimate workings underneath,
When we were bound together
By a pulse of pure energy,
When my car like the princess
In the tale woke with a start,
I thought why not ride the rest of the way together.

 

Shadblow

Because the shad
are swimming
in our waters now,

breaching the skin
of the river with their
tarnished silvery fins,

heading upstream
straight for our tables
where already

knives and forks gleam
in anticipation, these trees
in the woods break

into flower–small, white
flags surrendering
to the season.

 

Wat we willen

Wat we willen
is nooit eenvoudig.

We bewegen tussen de dingen
we dachten dat we wilden:
een gezicht, een kamer, een open boek
en deze dingen dragen onze naam-
nu willen ze ons.
Maar wat we willen verschijnt
in dromen, gekleed in vermommingen.
We vallen voorbij,
onze armen uitstrekkend
en in de ochtend
onze armen doen pijn.
We herinneren ons de droom niet,
maar de droom herinnert ons.
Het is er de hele dag
zoals een dier er is
onder de tafel,
zoals de sterren daar zijn
zelfs in de volle zon.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Linda Pastan (New York, 27 mei 1932)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e mei ook mijn blog van 27 mei 2020 en eveneens mijn blog van 27 mei 2019 en ook mijn blog van 27 mei 2018 deel 2.

Ascension day (Michael Symmons Roberts), Maxwell Bodenheim

 

Bij Hemelvaartsdag

 

De Hemelvaart van Christus. Glas-in-loodraam in de Saint Joseph Catholic Church in Somerset, Ohio

 

Ascension day

In the Blue Lobster Café backyard,
the head chef – arms outstretched –
bears what looks like a body,

but conjures six cook’s shirts,
hot-laundered, pegged out,
dripping in a drench of sun.

As they dry, their half-hearted
semaphore becomes
more urgent, untranslatable.

Sex and death are in the air
this May morning: pollen and spent
blossom on an aimless breeze;

crab-backs, prawn skins, clams,
black-violet mussel shells,
all reek in sun-baked bin-sacks.

 

Michael Symmons Roberts (Preston, 13 oktober 1963)
De St Walburgiskerk in Preston, Lancashire

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Maxwell Bodenheim werd geboren op 26 mei 1892 in Hermanville, Mississippi. Zie ook alle tags voor Maxwell Bodenheim op dit blog.

 

Merkteken van je stem

Merkteken van je stem, een dageraad
Die kleine gebaren op mijn voorhoofd laat vallen,
Terwijl sluimergedachten in mijn hoofd opkomen
En koddig en verward terugzwaaien.
Pijn heeft geschertst met de wervelende nacht
En beide verdwijnen als een onuitsprekelijk gebed,
Dus, maak van je stem een dageraad
Die kleine gebaren op mijn voorhoofd laat vallen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maxwell Bodenheim (26 mei 1892 – 6 februari 1954)
Hier met zijn tweede echtgenote Ruth Fagin rond 1952

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e mei ook mijn blog van 26 mei 2021 en ook mijn blog van 26 mei 2020 en eveneens mijn blog van 26 mei 2019 en ook  mijn blog van 26 mei 2018.

Egyd Gstättner, Theodore Roethke

De Oostenrijkse schrijver en essayist Egyd Gstättner werd geboren op 25 mei 1962 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Egyd Gstättner op dit blog.

Uit: Wiener Fenstersturz

„In einer Sekunde werde ich tot sein. Die Hölle, aus der ich flüchte, ist gestern endgültig und unwiderruflich losgebrochen. Aber dass diese Hölle auch Wien zerfressen würde, das war seit Tagen, seit Wochen, seit Langem schreckliche Gewissheit und seit Jahren absehbar. Ausweg gab es jetzt keinen mehr. Gestern ist das Land untergegangen. Gestern ist sein Kanzler der Gewalt gewichen und hat sich im Radio von seinem Volk verabschiedet. Aber eigentlich ist gestern mit dem Land auch die Welt untergegangen. Mein ganzes erwachsenes Leben, vorn allerersten Jahr des Jahrhunderts weg, lebte ich fast vierzig Jahre lang in dieser Wohnung und war hier so zu Hause, wie man nur zu Hause sein kann: meine Höhle im dritten Stock. Diese Wohnung war die Kommentierzentrale der Welt, der Anfang und das Ende jeden Tages. Die Möbel hatte ich von meinen Eltern übernommen; das heißt: von meinem Vater. Das war mein Reich, und in diesem kleinen Reich war Platz. für alle Reiche aller Zeiten dieser Welt gewesen. Ich hatte es in diesen vierzig Jahren vielleicht manchmal dumpf gefühlt, aber doch nie wirklich daran gedacht, dass eine Wohnung im dritten Stock zu einer Falle werden kann, einer tödlichen Falle, aus der es im Fall des Falles kein Entkommen gehen würde. Jetzt war die Falle ganz plötzlich zugeschnappt. Jetzt war mir der Fluchtweg abgeschnitten. Wohin hätte ich auch flüchten sollen? Flüchten wollen? Zürich, Paris, London, New York? Die Exzesse der amerikanischen Bürokratie, mit denen die Amerikaner die unglücklichen Opfer in ihrem Nett. unerfüllbarer Bedingungen zu Tode zappeln lassen? Oder gar Richtung Osten?  Schwermütig herumsitzen und auf den Tod warten wie Ovid am Schwarzen Meer? Hör mir auf! Alles nichts. Kufstein eine Zeit lang vielleicht. Aber Dauerlösung wäre Kufstein auch keine gewesen. Alles außerhalb dieser Wohnung war Blödsinn. Ich hörte Hermines Schrei. Ich schaute nach. Ich sah die beiden feisten Burschen in ihren so-Uniformen nur einen Augenblick. Ich schloss ganz ruhig die Bibliothekstür hinter mir und verschwand ins angrenzende Schlafzimmer. Eine Frage von Sekunden jetzt. Seneca! Wenn ich wenigstens im Arbeitszimmer gewesen wäre, wo ich die Phiole liegen gelassen hatte. Als ich die vul-gären Stimmen draußen im Stiegenhaus hörte, war mir schlagartig klar gewesen, was zu tun war. Mein Todesurteil! Sechzig Jahre, zwei Monate, fünfundzwanzig Tage, plötzliches Todesurteil, Voll-streckung: Sofort. Rettungsversuch, Unsinn. Ein letztes Mal würde ich meine Wohnung verlassen! Mein Reich! Meine Welt. Alles ging jetzt ganz schnell. Alles spielte sich in wenigen Augenblicken ab. Die Straßenschuhe hatte ich noch an. Ich band den Haus-mantel zu, kippte den Slibowitz, den ich mir eben eingeschenkt hatte, in einem Zug hinunter, schritt zum Fenster, öffnete es, kletterte aufs Fensterbrett, stützte mich mit beiden Armen ab und schaute auf die nächtliche Semperstraße hinunter. Ich wollte nicht sterben. Ich war feig.“

 

Egyd Gstättner (Klagenfurt, 25 mei 1962)

 

De Amerikaanse dichter Theodore Huebner Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan op 25 mei 1908. Zie ook alle tags voor Theodore Roethke op dit blog.

 

Onkruidwieder

Onder de betonnen bakken,
Hakkend in zwarte harige wortels, –
Die wulpse apenstaarten hangend uit afvoergaten, –
Spittend in het zachte puin eronder,
Webben en wildgroei,
Larven en slakken en scherpe staken,
Of trekkend aan varenkrullen,
Groene dikke spiralen, als druipende winde,
De hele dag rukkend aan averechts leven:
Wat een vernedering! –
Terwijl alles boven mijn hoofd bloeit,
Lelies, zachtroze cyclamen, rozen,
Hele zeeën schitterend en ongeschonden, –
En ik in die stinkboel van onkruid,
Kruipend op handen en voeten,
Springlevend in een glibberig graf.

 

Vertaald door Ria Loohuizen

 

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)
Portret van Theodore Roethke door Mike Nease in de Blue Moon Tavern in Seattle, waar de schrijver in de jaren 50 en 60 vaak kwam.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e mei ook mijn blog van 25 mei 2020 en eveneens mijn blog van 25 mei 2019 en ook mijn blog van 25 mei 2017 en ook mijn blog van 25 mei 2015 deel 2.

Michael Chabon, Joseph Brodsky

De Amerikaanse schrijver Michael Chabon werd geboren op 24 mei 1963 in Washington. Zie ook alle tags voor Michael Chabon op dit blog.

Uit: The Amazing Adventures of Kavalier and Clay

IN LATER YEARS, holding forth to an interviewer or to an audience of aging fans at a comic book convention, Sam Clay liked to declare, apropos of his and Joe Kavalier’s greatest creation, that back when he was a boy, sealed and hog-tied inside the airtight vessel known as Brooklyn, New York, he had been haunted by dreams of Harry Houdini. “To me, Clark Kent in a phone booth and Houdini in a packing crate, they were one and the same thing,” he would learnedly expound at WonderCon or Angoulême or to the editor of The Comics Journal. “You weren’t the same person when you came out as when you went in. Houdini’s first magic act, you know, back when he was just getting started. It was called ‘Metamorphosis.’ It was never just a question of escape. It was also a question of transformation.” The truth was that, as a kid, Sammy had only a casual interest, at best, in Harry Houdini and his legendary feats; his great heroes were Nikola Tesla, Louis Pasteur, and Jack London. Yet his account of his role—of the role of his own imagination—in the Escapist’s birth, like all of his best fabulations, rang true. His dreams had always been Houdiniesque: they were the dreams of a pupa struggling in its blind cocoon, mad for a taste of light and air.
Houdini was a hero to little men, city boys, and Jews; Samuel Louis Klayman was all three. He was seventeen when the adventures began: bigmouthed, perhaps not quite as quick on his feet as he liked to imagine, and tending to be, like many optimists, a little excitable. He was not, in any conventional way, handsome. His face was an inverted triangle, brow large, chin pointed, with pouting lips and a blunt, quarrelsome nose. He slouched, and wore clothes badly: he always looked as though he had just been jumped for his lunch money. He went forward each morning with the hairless cheek of innocence itself, but by noon a clean shave was no more than a memory, a hoboish penumbra on the jaw not quite sufficient to make him look tough. He thought of himself as ugly, but this was because he had never seen his face in repose. He had delivered the Eagle for most of 1931 in order to afford a set of dumbbells, which he had hefted every morning for the next eight years until his arms, chest, and shoulders were ropy and strong; polio had left him with the legs of a delicate boy. He stood, in his socks, five feet five inches tall. Like all of his friends, he considered it a compliment when somebody called him a wiseass. He possessed an incorrect but fervent understanding of the workings of television, atom power, and antigravity, and harbored the ambition—one of a thousand—of ending his days on the warm sunny beaches of the Great Polar Ocean of Venus. An omnivorous reader with a self-improving streak, cozy with Stevenson, London, and Wells, dutiful about Wolfe, Dreiser, and Dos Passos, idolatrous of S. J. Perelman, his self-improvement regime masked the usual guilty appetite. In his case the covert passion—one of them, at any rate—was for those two-bit argosies of blood and wonder, the pulps. He had tracked down and read every biweekly issue of The Shadow going back to 1933, and he was well on his way to amassing complete runs of The Avenger and Doc Savage.”

 

Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

 

Dido en Aeneas

De grote man keek door het raam,
Maar voor haar eindigde de wereld met de zoom
Van zijn brede Griekse tuniek
Die door de rijkdom van zijn plooien leek op een
Stilstaande zee.
………….Maar hij
Keek door het raam en zijn blik was op dit moment
Zo ver van deze plaats dat zijn lippen
Verstarden als een schelp waarin
Geruis verborgen ligt, en de horizon was in zijn drinkbeker
Onbeweeglijk.
……Maar haar liefde
Was niet meer dan een vis, die misschien in staat was
Achter zijn schip aan in zee te duiken,
De golven te doorklieven met een soepel lichaam
En hem zo misschien in te halen, maar hij,
Hij stapte in gedachten al aan land.
En de zee werd tot een zee van tranen.
Maar, zoals men weet, begint er juist op het moment
Van de wanhoop altijd een gunstige wind
Te waaien. En de grote held
Verliet Carthago.
……………………Zij stond
Voor de brandstapel die door haar soldaten
Onder de stadsmuur werd aangestoken
En zag hoe in het mistige schijnsel van de brandstapel
Dat beefde tussen vuur en rook
Carthago geluidloos uiteenviel

Lang voor de profetie van Cato.

 

Vertaald door Kees Verheul

 

Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e mei ook mijn blog van 24 mei 2020 en eveneens mijn blog van 24 mei 2018 en ook mijn blog van 24 mei 2015 deel 2.

Jan Baeke, Jane Kenyon

De Nederlands dichter Jan Baeke werd geboren in Roosendaal op 23 mei 1956. Zie ook alle tags voor Jan Baeke op dit blog.

 

Boerenzomer

Ik was gaan kijken of het toonde:
de stand van de zon, zwaluwen onder de dakgoot.

Moeilijk te zeggen.
Al die lege schuren. Overal land

begon dit landschap te zijn
en veel daarin
wat niet hersteld kan worden.

Niet alleen hierheen gekomen
maar ook ingehaald
was ik

een akker naar dit hoofd gedragen
om voor die akker te zijn geweest.

Dit liep uit op zand en stenen
en ik lag daar
tot de regen kwam.

Niemand die zich kan herinneren
wat nog opgeraapt kan worden
en met zorg gedroogd.

 

Ik bel mijn moeder

Ik hoor gerommel in de keuken
artillerievuur, zwaar verkeer vanuit het centrum.

Ik bel mijn moeder op het nummer
waarop ze voor haar dood bereikbaar was en
ze neemt op.

Hoe gaat het? Het gaat goed, zegt ze.
Ik wil haar vragen of ze weet hoe de zorg om
wat er buiten gebeurt vanbinnen werkt.

Ach jongen, de dingen gebeuren omdat
we niet weten hoe ze werken.

Het is goed geluid te vermijden, zegt ze.
Dingen die niet kunnen
zouden geen geluid moeten maken.

 

De boodschap van dit alles

Moeder hangt haar jas over de keukentrap.
Dit is de man met de schouders
die ik liefheb, dit is de juiste lengte
torenhoog.

Dit zijn haar woorden
de man in haar stem
de melk in de pan
het brood op tafel.

Hoe dit alles de keuken verruimt.
Hoe kinderen de minuten tellen.

Moet dan de betekenis nog worden opgezocht
als de lucht over de messen waait
en moeder rokend in de keuken staat
als een braambos, als de slag bij Waterloo?

De boodschap van dit alles is eenvoudig:
er is altijd een reden een keuken te bedenken
maar meer nog

zie hoe alles wordt vervangen

de meld, het brood
het goede van de messen in de keuken
en het langzaam uitdijende fornuis.

 

Jan Baeke (Roosendaal, 23 mei 1956)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Het uitpraten met Melancholie

 

2. FLESSEN

Tryptizol, Ludiomil, Doxepine,
Desipramine, Prozac, Lithium, Xanax,
Wellbutrin, Parnate, Nardil, Zoloft.
De gecoate ruiken zoet of hebben
geen geur; de poederige ruiken
naar het scheikundelab op school
waardoor ik mijn adem inhield.

3. SUGGESTIE VAN EEN VRIEND

Je zou niet zo depressief zijn
als je echt in God zou geloven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2020 en eveneens mijn blog van 23 mei 2019.

Erik Spinoy, Jane Kenyon

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

 

Krokodilvormige mummie

(I)
De eeuwenoude, bruin geworden neteldoek
van schemerlicht versluiert de vitrines en
de sarcofagen. Je moet derhalve diep voorover
buigen en je ogen vlakbij het beschot,

de glasplaat, brengen. Pas dan, na die
beweging – de oogbol van een laborant
die neerdaalt naar zijn microscoop – valt
er te onderscheiden. Zoeven zag je van Egyptisch

aardewerk de diggelen en die dan weer
verspreid, verweerd – niet meer te
lijmen. Wat voor je ligt, zijn
scherven van een onherstelbare krokodil.

Wat voor een wezen werd gehouden
is, zoals een schijndeur in
het graf van farao’s, ontmaskerd door
te veel oprechtheid en benadering.

 

Een openbaring

Hoe klemt de deur
tot hij opengaat, zuigend
Wij hijgen,
zinken.

De niet blijde of droeve intrede in
wellicht een kamer,
waar voorwerpen vallen en
niet klinken op

de uitgestrekte vloer.
Zwart stikt er in
Wit. Zeer zeer
Wit.

Er zijn geen gasten en
ze zwijgen. Hoe
ze zwijgen.

 

Electrocutie

Een masker dringt zich op. Zijn mond
aanvaardt de zilversmaak en oud en als
de waarheid wordt hij: het zwijgen opgelegd,
een mantel omgeslagen. Afgezworen.

Stralend als de derde god. Een stang
werd in zijn kruis geboord, een kroon
van draad en snaren opgezet. Verblekend
wacht hij op de stroomstoot. De voltooiing

En hij verliest controle. De bliksem,

De beving vertrapt de tempel
van de leugen. Maar hij (nu koud en zuiver
als alleen de dood) daalt naar de kelder
van de geest. Zo diep in het huis, zo diep

De trappen afgestegen. Een duizeling
bevangt hem van geluk. Alles,
het slapeloze bed, het hangen
zonder wurgen, het zal weldra

Afgelopen zijn.

 

Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Het uitpraten met Melancholie

 

1. UIT DE KINDERKAMER

Toen ik werd geboren, wachtte je
achter een stapel linnen in de kinderkamer,
en toen we alleen waren, ging je bovenop mij
liggen en perste
de gal van verwoesting in elke porie.

En vanaf die dag maakte
alles onder de zon en de maan
me verdrietig – zelfs de gele
houten kralen die schoven en draaiden
langs een staaf aan mijn wieg.

Je hebt me geleerd te bestaan zonder dankbaarheid.
Je hebt mijn manieren tegenover God verpest:
“We zijn hier gewoon om op de dood te wachten;
de geneugten van de aarde worden overschat.”

Ik bleek alleen van mijn moeder te zijn,
leefde tussen blokken en katoenen hemdjes
met drukknopen; tussen rode blikken lunchboxen
en rapportkaarten in lelijke bruine cassettes.
Ik was al van jou – de anti-drift,
de verminker van zielen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

Zie voor meer schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2020 en eveneens mijn blog van 22 mei 2018.

Robert Creeley

De Amerikaanse dichter Robert Creeley werd geboren op 21 mei 1926 in Arlington, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Robert Creeley op dit blog.

 

A Song

I had wanted a quiet testament
and I had wanted, among other things,
a song.
That was to be
of a like monotony.
(A grace
Simply. Very very quiet.
A murmur of some lost
thrush, though I have never seen one.

Which was you then. Sitting
and so, at peace, so very much now this same quiet.

A song.

And of you the sign now, surely, of a gross
perpetuity
(which is not reluctant, or if it is,
it is no longer important.

A song.

Which one sings, if he sings it,
with care.

 

A Token

My lady
fair with
soft
arms, what

can I say to
you-words, words
as if all
worlds were there.

 

Goodbye

She stood at the window. There was
a sound, a light.
She stood at the window. A face.

Was it that she was looking for,
he thought. Was it that
she was looking for. He said,

turn from it, turn
from it. The pain is
not unpainful. Turn from it.

The act of her anger, of
the anger she felt then,
not turning to him.

 

Zelfportret

Hij wil
een brutale oude man zijn,
een agressieve oude man,
even saai, even bruut
als de leegte om hem heen,

Hij wil geen compromis,
noch ooit aardig zijn
voor wie dan ook. Slechts gemeen,
en definitief in zijn brute,
zijn totale afwijzing van alles.

Hij probeerde het schattige
het zachtaardige, het “oh,
laten we elkaars hand vasthouden”
en het was verschrikkelijk,
saai, bruut inconsequent.

Nu staat hij op
zijn eigen verslappende benen.
Zijn armen, zijn huid,
krimpen dagelijks. En
hij heeft lief, maar haat evenzeer.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e mei ook mijn blog van 21 mei 2021 en ook mijn blog van 21 mei 2020 en eveneens mijn blog van 21 mei 2019 en ook mijn blog van 21 mei 2018.

Ellen Deckwitz, William Michaelian

De Nederlandse dichteres en schrijfster Ellen Deckwitz werd geboren op 20 mei 1982 in Deventer. Zie ook alle tags voor Ellen Deckwitz op dit blog.

 

DE GROOTVADER DIE IK NIET HAD

Mijn grootvader leidt me rond
in zijn urn, hangt mijn jas op
bij het familieportret en het geweer
terwijl zijn rug zich recht.
De levervlekken lopen leeg.

We veranderen tijd
in een platgeslagen vlieg
op een pasgewassen raam.

Hij neemt me op schoot, vertelt
over onze soort. De Hades in de aderen
die alles schoonwoedt. Het gat tussen
zijn ogen dat zich vol met inkt zuigt
en dat zich sluit. Ik kruip tegen hem aan.
Hij knikt, gelooft niet
dat er in mijn ballpoint
ook een kogel zit.

 

OVER DE LONGEN VAN ARNO’S MOEDER

Op een ochtend word je gebeld en krijg je van je voeten
amper de tijd om nog laarzen aan te trekken of hup daar
ga je al de deur uit en het sneeuwt daar en het vriest daar
zo hard dat je vingertoppen de klappen van de kou opvangen
Je denkt aan Arno’s moeder, dat ze iets hebben gevonden
wat ze liever niet waren tegen gekomen, de röntgenfoto
was gevuld met het rookpatroon dat na de knal van een vuurpijl
in de lucht hangt. Je loopt door en denkt aan je ouders en je vrienden
en aan de ouders van je vrienden. Dat er de laatste jaren steeds meer
worden weggemaaid, ook jij hebt een leeftijd bereikt
waarbij je je steeds moeilijker neerlegt bij slaap, steeds meer walg je
over je voeten, hoe soepel ze over de aarde heengaan. Ze vonden iets
bij Arno’s moeder en toen je je vader de laatste keer omhelsde voelde je
hoe los zijn vel zat, zijn geest met de dag afnam. Het waren weken
waarbij met ieder telefoontje de grond onder je voeten veranderde
in een ijsschots die op het punt van kantelen stond, je vaders ogen
leken de laatste keer een donkere vijver, er hingen bevroren vissen in.
Ze hebben iets gevonden in Arno’s moeder en je loopt door de vrieskou
naar het midden van het ondergesneeuwde meer, ze hebben iets gevonden
in Arno’s moeder, in het midden van het meer blaast de wind
een zwart venster, je loopt het ijs op, ze vonden iets, de lucht brandt
in je longen en je trekt je kraag hoger op, denkt terug aan vroeger,
toen alles nog goed kwam, toen je echt nog dacht dat dat een recht was.

 

Benen

Toen al onze benen gebroken bleken,
moesten we er toch een beetje om janken. Je keek me aan,
zei dat je nooit had gedacht dat ik sterk genoeg was.
Het deed me blozen.

We leerden lopen, beweging bleek een taal
die we waren verleerd. Onze tenen zetten hun punten
op deze onhandige grammatica. We leerden dat
wanneer jij een stap naar voren deed, ik naar achter stapte.

Ik bewoog tegen je aan, je bewoog terug omdat ik tegen je aan bewoog.

We zagen er nog steeds niet uit, maar jemig het was toch leuk
om over te vertellen. De kliko vol gips en dat ik weer nieuwe stof
tot ergernis kon verzamelen.

 

Ellen Deckwitz (Deventer, 20 mei 1982)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

 

Novemberhemel

Ik geef je mijn haar, ik geef je
mijn gezicht, ik geef je mijn nagels.
Ik geef je mijn stem en mijn ogen.

Ik geef je de bomen en de heuvels.
Ik geef je de gekleurde bladeren
op drift op stille, spiegel-grijze vijvers.

Ik geef je de dageraad, nu bevroren.
Ik geef je de wegen. ik geef je
de graven en de geheimen die ze bevatten.

Ik geef je de aarde waar ik sta,
en de plaatsen waar ik ben geweest.
Ik geef je de afstand ertussen.

Ik geef je mijn schoenen. ik geef je
mijn armen. Ik geef je mijn handen.
Ik geef je mijn geloof in dromen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Michaelian (Dinuba, 20 mei 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e mei ook mijn blog van 20 mei 2020 en eveneens mijn blog van 20 mei 2019.

J. L. Carr

De Britse schrijver, uitgever, leraar en excentriekeling Joseph Lloyd Carr werd op 20 mei 1912 in Yorkshire geboren in een gezin van Wesleyaanse methodisten. Zijn vader Joseph was de elfde zoon van een boer, maar wilde zelf geen carrière als boer, ging voor de spoorwegen werken en werd uiteindelijk stationschef voor de North Eastern Railway Co. Carrs vroege leven werd gevormd door mislukkingen. Hij bezocht de dorpsschool, maar zakte voor het examen op elfjarige leeftijd en toen hij zijn middelbareschoolcarrière beëindigde, lukte het hem niet toegang te krijgen tot de hogeschool voor lerarenopleiding. Hij werkte een jaar als ongediplomeerd leraar – een van de laagste banen in het Engelse onderwijs – op de South Milford Primary School, waar hij betrokken raakte bij een plaatselijke amateurvoetbalclub die verbazingwekkend succesvol was in dat jaar. Vervolgens schreef hij zich succesvol in voor de lerarenopleiding in Dudley. In 1938 onderbrak hij zijn opleiding een jaar om als vervangend leraar te werken in Huron, South Dakota in de Great Plains. Het grootste deel van het jaar was een strijd om te overleven in een voor hem vreemde cultuur waarin bovendien zijn Britse salaris omgezet in dollars bedroevend ontoereikend was om de Amerikaanse kosten van levensonderhoud te kunnen betalen. Tegen het einde van het jaar vervolgde Carr zijn reis westwaarts en reisde door het Midden-Oosten en het Middellandse Zeegebied terwijl de Tweede Wereldoorlog dreigde. In september 1939 arriveerde hij in Frankrijk en bereikte Engeland waar hij zich opgaf als vrijwilliger voor dienst in de Royal Air Force. Hij kreeg een opleiding als fotograaf voor de RAF en werd gelegerd in West-Afrika, terwijl hij later in Engeland diende als geheim agent. Tegen het einde van de oorlog trouwde hij met Sally (Hilda Gladys Sexton) en keerde terug naar lesgeven. Hij werd aangesteld als hoofdmeester van de Highfields School in Kettering, een post die hij van 1952 tot 1967 vervulde op een hoogst eigenzinnige wijze, waardoor hij de toewijding verwierf van zowel het personeel als de leerlingen. Hij keerde terug naar Huron, South Dakota in 1957 om in het kader van een uitwisselingsprogramma les te geven. Hij schreef toen een sociale geschiedenis van de “Old Timers” van Beadle County. In 1967 had hij twee romans geschreven en nam hij afscheid van het lesgeven om zich te wijden aan het schrijven. Hij produceerde een serie ‘kleine boekjes’ die waren ontworpen om in een binnenzak te passen: sommige waren verzamelingen van werken van Engelse dichters, andere kleine monogrammen over historische gebeurtenissen of naslagwerkjes. Toen grotere uitgeverijen zijn werken weigerden of voor dumpprijzen wilden uitgeven, besloot hij deze zelf uit te geven. In 1980 verwierf hij eindelijk roem met zijn roman “A Month in the Country” (vertaald als “Een maand op het land”). Carr schreef in totaal acht korte romans die elementen van komedie en fantasie bevatten, maar ook donkere passages, gebaseerd op zijn levenservaring als leraar, reiziger, cricketspeler, voetballer, uitgever en restaurateur van het Engelse erfgoed. Daarnaast schreef Carr verschillende non-fictiewerken die hij zelf uitgaf met zijn “Quince Tree Press”, waaronder een woordenboek voor cricketspelers, een woordenboek van eponiemen en een encyclopedie van Engelse koningen en koninginnen. Hij schreef ook teksten voor verschillende kinderboeken die erop waren gericht de taalvaardigheid van kinderen te ontwikkelen.

Uit: A Month in the Country

“Then I carted my kit up the ladder and laid it out—a lancet (for lifting lime-wash), a jar of alcoholic solution of hydrochloric acid, brushes, dry colors, a jar of distilled water to dilute ammonia … most of it handed on to me by Joe Watterson when he announced that he’d done his last job and wished me luck. “It’s a profession, my boy,” he had said. “And a bloody perilous and penurious one but, if a profession’s a skilled job that not so many men can tackle, then it’s a profession all right.” And he’d laughed sardonically into his beard. “Why we’re near enough extinct; there’s only the two of you now, and George Peckover’s eyesight’s getting so bad he’ll fall off a ladder any day now. Then you’ll be able to starve without competition.”
I moved gingerly about my new territory. Just above head level the roof’s keel drove back to bed itself into the tower wall, punctuated at its crossings by three quite extraordinary bosses, their original color preserved by the gloom which lingers perpetually in the fastnesses of high roofs. It was a splendid medieval gallery—nearest me, an almost Spanish head of the stricken Christ caught amid the leaves of a gallows tree; further along, a golliwog devil thrusting his grinning head between a couple trapped in the wrong bed; finally, a plump woman holding a blue shield of lilies. It proved what every true church-crawler knows—there’s always something of surpassing interest in any elderly building if you keep looking. Then the door squealed and a middle-sized sturdy chap was gazing up at me, appraising, taking in as much as he could. He had a confident-looking round face, blue, knowing eyes. “Good morning,” he said. (He had a highish voice of exceptional clearness.) “Good morning! I’m Charles Moon,” and he pulled a squashed tweed hat off his tousled fair hair. “I’m digging next door. In the meadow. You may have seen my tent? I’d meant to let you settle in but felt I had to come and have a look at you. Well, partly, but really because I get so stiff in the night my legs get me up, so that I make a point of stumping across most mornings to see if Laetitia’s managed to climb out during the night.” He waved a hand at the south aisle. “I’ll come down,” I said and did. He was twenty-seven or -eight, a stiff shortish man who stood as though he’d taken root. And his “All thy waves and billows have gone over me” look gave him away earlier even than the three holes in the tunic’s shoulders where his captain’s pips had been. I liked him from that first encounter: he was his own man. And he liked me (which always helps). God, when I think back all those years! And it’s gone. It’s gone.”

 

J. L. Carr (20 mei 1912 – 26 februari 1994)

Jodi Picoult, William Michaelian

De Amerikaanse schrijfster Jodi Lynn Picoult werd geboren op 18 mei 1966 in Nesconset op Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Jodi Picoult op dit blog.

Uit: The Book of Two Ways

“My calendar is full of dead people.
When my phone alarm chimes, I fish it out from the pocket of my cargo pants. I’ve forgotten, with the time change, to turn off the reminder. I’m still groggy with sleep, but I open the date and read the names: Iris Vale. Eun Ae Kim. Alan Rosenfeldt. Marlon Jensen.
I close my eyes, and do what I do every day at this moment: I remember them.
Iris, who had died tiny and birdlike, had once driven a getaway car for a man she loved who’d robbed a bank. Eun Ae, who had been a doctor in Korea, but couldn’t practice in the United States. Alan had proudly showed me the urn he bought for his cremated remains and then joked, I haven’t tried it on yet. Marlon had changed out all the toilets in his house and put in new flooring and cleaned the gutters; he bought graduation gifts for his two children and hid them away. He took his twelve-year-old daughter to a hotel ballroom and waltzed with her while I filmed it on his phone, so that the day she got married there would be video of her dancing with her father.
At one point, they were my clients. Now, they’re my stories to keep.
Everyone in my row is asleep. I slip my phone back into my pocket and carefully crawl over the woman to
my right without disturbing her—air traveler’s yoga—to make my way to the bathroom in the rear of the plane. There I blow my nose and look in the mirror. I’m at the age where that’s a surprise, where I still think I’m going to see a younger woman rather than the one who blinks back at me. Lines fan from the corners of my eyes, like the creases of a familiar map. If I untangle the braid that lies over my left shoulder, these terrible fluorescent lights would pick up those first gray strands in my hair. I’m wearing baggy pants with an elastic waist, like every other sensible nearly-forty woman who knows she’s going to be on a plane for a long-haul flight. I grab a handful of tissues and open the door, intent on heading back to my seat, but the little galley area is packed with flight attendants. They are knotted together like a frown.
They stop talking when I appear. “Ma’am,” one of them says, “could you please take your seat?”
It strikes me that their job isn’t really very different from mine. If you’re on a plane, you’re not where you started, and you’re not where you’re going. You’re caught in between. A flight attendant is the guide who helps you navigate that passage smoothly. As a death doula, I do the same thing, but the journey is from life to death, and at the end, you don’t disembark with two hundred other travelers. You go alone.”

 

Jodi Picoult (Nesconset, 19 mei 1966) 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Michaelian werd geboren op 20 mei 1956 in Dinuba, Californië. Zie ook alle tags voor William Michaelian op dit blog.

 

Hij weet het

Stop. Laten we niet dwaas zijn.
De hond staat op de veranda
te luisteren naar elk woord van ons.
Zie je wel? Hij kijkt naar binnen.
Het is niet eerlijk om hem getuige te maken
van onze luie misdaad van egoïsme,
vooral op zo’n fijne
warme herfstdag.
Kijk naar hem. Hij weet het.
We zouden op konijnen moeten jagen,
niet hier in de keuken
naar elkaar staan te blaffen
zonder een bot tussen ons.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Michaelian (Dinuba, 20 mei 1956)
Portret door Rahina, 2010

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e mei ook mijn blog van 19 mei 2020 en eveneens mijn blog van 19 mei 2019 en ook mijn blog van 19 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.