Yi Mun-yol, Markus Breidenich

De Zuidkoreaanse schrijver Yi Mun-yol werd geboren op 18 mei 1948 in Yongyang. Zie ook alle tags voor Yi Mun-yol op dit blog.

Uit:  Meeting with My Brother (Vertaald door Heinz Insu Fenkl en Yoosup Chang)

“Come in,” a woman’s voice called from the shadows be-hind the counter. I couldn’t be sure from her short greeting, but she didn’t seem to have the local Yanji accent. She came over to me as I found an empty table. She appeared to be around thirty. “What would you like?” When she handed me a menu and asked again what I’d like, her accent sounded so much like the Seoul dialect that I did a double take. She was dressed the way a proprietor of a cafe in Seoul would dress, and for a moment I wondered if she was from there, but then decided against it. I’d heard that people from the South were starting lots of businesses here in Yanji, but why bother opening a second-rate café? I couldn’t imag-ine a woman from Seoul coming all the way to Yanji to be a hostess. “I’ll just have a glass of juice,” I said. I was curious about her, so I tried a ploy I used when I wanted to chat with pro-prietresses of country cafes in the South. “Bring one for yourself, too, if you like.” The woman returned with two glasses of juice—she was obviously used to this sort of thing—and sat down with me. She might have been bored, since there were no other custom-ers, or else her lack of self-consciousness meant she wasn’t a local. She spoke first. “You’re not from around here,” she said with exaggerated interest. “Where did you come from?” I suppressed my curiosity about her for the moment. “I’m from Seoul; I said. “Are you here alone?”
“No, I’m with a group. But I broke away to take care of some business.” “Are you a businessman?” “Not really, I’m just meeting someone.” “Where’s the rest of your group?” “It’s just a tour group. They’re at I leaven Lake.” “When do they get back?” I figured there was no reason to hide anything from her, so I told her the truth. “Tomorrow night. We’re supposed to stay in the hotel together.” “Then bring them here tomorrow night,” she said with a knowing look. “I’ll take good care of you all. It may not be much, but we have karaoke here. And a lot of irresistibly beautiful girls, real killers.” “I’ll tell them,” I said. I had finally found an opening, so I asked her, casually, “Are you from here?” She answered without much hesitation. “Yes. Not exactly Yanji, but I grew up nearby. Why? Don’t I look like a local?” “You don’t sound like it. Have you ever been to Seoul?” “Oh, my accent! Yes, I lived in Seoul for about two years. I got funny looks and there were a lot of other disadvantages, too, when people heard my accent so … I worked hard on a Seoul accent. Does it sound pretty close?” “What do you mean by disadvantages of having a Yanji accent?” “Once they find out you’re from Yanji, they look down on you and try to cheat you. And when I had a job they’d try to grope me while I was working.” She must have gone to Seoul to make some money.”

 

Yi Mun-yol (Yongyang, 18 mei 1948) 

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

Cold Play

Soms kan men

van deze werkbespreking in de sneeuw
een geknerp opvangen.

Alsof het de toon van vlokken is, die hier
de stemming dicteert.

De gedempte nadering van een kraai
op de takken van een blauwe spar.

Of het luwen van de sneeuwjacht
hiernaast.

In de voorbewerkte groeven kon je
de naald van een spar horen vallen

voor het aftasten van opgenomen tracks.
Zoals

die het knisperen van het ijs weergeeft.
Onder de voeten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e mei ook mijn blog van 18 mei 2020 en eveneens mijn blog van 18 mei 2019 en ook mijn blog van 18 mei 2018 en eveneens mijn blog van 18 mei 2014 deel 2.

Lars Gustafsson, Markus Breidenich

De Zweedse dichter en schrijver Lars Gustafsson werd geboren in Västeras, op 17 mei 1936. Zie ook alle tags voor Lars Gustafsson op dit blog.

 

DE RANGORDE DER GENADE

Deze kaart geeft de houder geen recht
op een zitplaats in de eerste klas.

Deze kaart geeft de houder geen recht
op een zitplaats.

Deze kaart geeft de houder geen recht
op de Orde van Karel de XIIIe, twaalfde in rang
in Seraphim’s Orde.

Deze kaart geeft de houder überhaupt geen recht
op algemene aandacht, liefde en bewondering.

Deze kaart geeft de houder geen recht
op sexuele diensten, levensmiddelen of een huis.

Deze kaart geeft de houder geen recht
andere kaarten te bezitten,

Deze kaart geeft de houder daarentegen het recht
zo lang hij wil, zijn kaart te houden.

 

ARISTOTELES EN DE LANGOUSTINES

We gingen maden kopen in een winkel
duidelijk voor dat doel bestemd.

En vonden wat wij zochten:
meelwormen, dik en kronkelend,

de soort waar vissen hier verzot op lijken.
Maar midden in die winkel een grote, ouderwetse

pot van klei: blauw, rond en gevuld met langoustines.
Mijn zoontje zou ontroostbaar zijn

als wij deze prachtdiertjes hier achterlieten.
Wij kochten er twee en lieten ze los

in ons schone, glasheldere akwarium,
waar de goudvissen zwaarwichtig rondzwommen

als oude dichters in een illustere academie. En zie,
grote duisternis zonk over alles neer,

meningsuitingen, discussies vonden plaats
die ons verstand te boven gingen; slechts zeegras

dat naar de oppervlakte dreef getuigde van
de strijd die daar in het verborgene woedde.

Op de derde dag werd het akwarium weer doorzichtig.
Het werd opnieuw zoals het was. Maar geen langoustine

viel meer te bekennen. Wij stelden vast dat zij
nu als heremieten moesten leven, in hogere wijsheid,

onttrokken aan de openbaarheid,
diep onder alle bodems.

Zo bleef het lange tijd tot ik op
een dag mijn Aristoteles opsloeg

en een kreeftenlijkje vond, plat
als een plantje in een herbarium

en wel precies op die plek waar de Filosoof
spreekt over het geheugen en het oproepen

van het verleden. En dat hoofdstuk,
een van de beste dingen

ooit over het geheugen neergeschreven,
zal van nu af aan voorgoed verbonden zijn

met een niet licht te vergeten geur,
de geur van licht verrotte kreeft.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Lars Gustafsson (17 mei 1936 – 3 april 2016)

 

De Duitse dichter en schrijver Markus Breidenich werd geboren in Düren op 18 mei 1972. Zie ook alle tags voor Markus Breidenich op dit blog.

 

MORPHING

Men begint met zich op te doffen een
zweem van parelmoer over zachte lichamen
te dragen en – aan het einde van het koude buffet –
een slakkenhuis te legen, uit eigen behoefte.

Zoals laat het heffen van de glazen van de grond af.
Parels smelten op de tong. De stenen.
Kettingen waar men aan hangt.

Met algen volgehangen zalen, kroonluchters, die
– van de vloer af – schitteren in zeestromingen.

Dan ziet men het ’s nachts, met nattere ogen.
Met een hoofd vol goud valt men in slaap. En
hoort in de schalen ver weg het
kloppen van het echolood.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Markus Breidenich (Düren, 18 mei 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e mei ook mijn blog van 17 mei 2021 en eveneens mijn blog van 17 mei 2018 en ook mijn blog van 17 mei 2015 deel 2.

Paul Gellings, Adrienne Rich

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953. Zie ook alle tags voor Paul Gellings op dit blog.

 

APRIL

Alweer een winter die een zomer zonder
vogels was, vuil en nat de straten,
geen sneeuw die niet meteen verdween
In klinkers lauw als grachtenwater.

En nu dit: de stad één tochtig huis
terwijl de sterren in de avond zich
langzaam al herschikken tot een


stier met messen in zijn schoften.

Deze maand rijmt op ik ril, bloesemende
kou – bijna niet te dragen, tenzij
verzacht door brandewijn; open
nog je wonden maar steriel.

 

ALBERT CUYPSTRAAT, ZWOLLE

Na middernacht verlaat ik hier het liefst de boot
en knik heel even naar een leeg en licht hotel,
maar kies dan voor het donker, voor de nevel,
die vergeten straat, een wereld stil en groot.

Wel vaker dwaal ik ’s nachts door deze buurt
op zoek naar een geheim om in te wonen,
kamers vol geliefde schimmen en hun dromen,
niet gehinderd door de slaap die mij ommuurt.

Ben ik hier thuis? En jij? We kunnen dat
niet zeggen, want elk gordijn is dicht
en achter iedere gesloten voordeur ligt
de ochtendkrant te zwijgen op de mat.

Altijd dit raadsel weer. Na het slapen gaan
neem ik de boot, vaar weg en meer hier aan;
de straat slokt mij dan op, en daar sta jij
en vraagt me: achter welke gevel wonen wij?

 

LISSABON

Orgasme is een steegje van een paar
seconden bij de haven. Met trappen
rechtstreeks naar de sterren. Links
een palmboom schuin achterover in

indigo lucht. Rechts knippert hier en
daar hetzelfde uithangbord. Niet lauw
de nacht, maar zonder temperatuur.
Verstikkend ook van zomerse parfums.

Wanneer je ogen eenmaal aan de schaduw
zijn gewend, verrijst in iedere stenen
plooi een meisje, één knie opgetrokken
die in maanlicht glanst als een olijf.

Overal sfinxen ineens, met donkere
krullen en rokend in stilte. Altijd
maar weer stoïcijns onder zo veel
grote liefde voor een paar seconden.

 

Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

 

De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zie ook alle tags voor Adrienne Rich op dit blog.

 

Voor de goede orde

De wolken en de sterren hebben deze oorlog niet gevoerd
de beken gaven geen informatie
als de berg stenen van vuur in de rivier spuwde
koos hij geen partij
de regendruppel die zachtjes wiegde onder het blad
had geen politieke meningen

en als hier of daar een huis is
gevuld met teruggestroomd ongezuiverd rioolwater
of dat degenen die daar woonden vergiftigde
met langzame dampen, jaren lang
waren de huizen niet in oorlog
noch waren de dichtgespijkerde panden

van plan om onderdak te weigeren
aan dakloze oude vrouwen en zwervende kinderen
het was niet hun beleid om ze te laten zwerven
of sterven, nee, de steden waren niet het probleem
de bruggen waren onpartijdig
de snelwegen verbrand, maar niet met haat

Zelfs de kilometers prikkeldraad
gespannen rond ineengedoken tijdelijke hutten
ontworpen om ongewenste personen
op veilige afstand te houden, uit het zicht
zelfs de planken die jaar na jaar
zoveel menselijke geluiden moesten absorberen

zoveel kolken van braaksel, tranen
langzaam doorsijpelend bloed
hadden zich hiervoor niet aangeboden
De bomen wilden niet vrijwillig in planken worden gezaagd
noch de doornen vlees openrijten
Kijk eens naar alles om je heen

en vraag wiens handtekening
is gestempeld op de bestellingen, ontdekt
in de hoek van de bouwplannen
Vraag waar de ongeletterde, dikbuikige
vrouwen waren, de dronkaards en gekken,
degenen waar je het meest bang voor bent: vraag waar jij was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrienne Rich (16 mei 1929 – 27 maart 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e mei ook mijn blog van 16 mei 2020 en eveneens mijn blog van 16 mei 2019 en ook mijn blog van 16 mei 2018.

Judith Hermann, Adrienne Rich

De Duitse schrijfster Judith Hermann werd geboren op 15 mei 1970 in Berlijn-Tempelhof. Zie ook alle tags voor Judith Hermann op dit blog.

Uit: Daheim

“Damals, in diesem Sommer vor fast dreißig Jahren, wohnte ich im Westen und weit weg vom Wasser. Ich hatte eine Einraumwohnung im Neubaugebiet einer mittleren Stadt und Arbeit in der Zigarettenfabrik. Die Arbeit war simpel, ich musste darauf achten, dass der Tabakstrang ganz gerade in den Zerteiler lief, das war alles; eigentlich machte das die Maschine, sie hatte einen Sensor, an dem der Strang vorbeischnurrte, und wenn er nicht gerade lag, hielt sie an. (Sie hielt an wie jemand, der gegen die Wand läuft, sie stoppte mit einem entsetzlichen Ruck.) Dieser Sensor funktionierte häufig nicht, deshalb stand ich neben der Maschine und beobachtete den Strang, rückte ihn gerade, wenn er in die Schieflage kam. Von sieben bis zwölf, eine halbe Stunde Mittagspause und noch mal drei Stunden weiter. Ich sah ziemlich oft weg. Ich sah zum Zerteiler rüber, in dem der Strang in einzelne Zigaretten geschnitten wurde, aus dem Tausende von Zigaretten herausfielen, all diese Zigaretten, die die Menschen draußen in der Stadt rauchen würden. Vor der Arbeit. In der Pause. Nach dem Essen. Während des Streitens. Während der Liebe und nach der Liebe. Rauch.
Die Arbeit in der Zigarettenfabrik war in Ordnung. Ich hielt mich aus den Zusammenhängen raus, oder anders – ich steigerte mich nicht in die Zusammenhänge hinein.
Ich trug Ohrenstöpsel, die anderen Fabrikarbeiterinnen trugen keine, sie bestanden tatsächlich darauf, inmitten des Höllenlärms in dieser Halle miteinander zu reden, ich konnte sie wegen meiner Ohrenstöpsel nicht verstehen, aber ich konnte zusehen, wie sie sich anschrien. Ihre Gesichter waren gerötet und glänzend, die Sehnen am Hals traten kräftig und schön hervor. Sie gestikulierten, sie hatten präzise, knappe Gesten für Ficken und Scheitern, Zorn, für das Ende von etwas, für den Triumph. Sie lachten viel und deuteten aufeinander, schlugen sich auf die Schenkel vor Lachen und wischten sich die Tränen mit den Handrücken ab. Die meisten von ihnen waren ziemlich hübsch, trotz der unförmigen Kittel, der Hauben aus fusseliger Gaze, trotz der Hitze in der Halle, die uns alle zu erledigten Geschöpfen machte.
In der Mittagspause musstest du Mahlzeit sagen. Mahlzeit, im Fahrstuhl, im Gang, in der Kantine, in der Schlange an der Essensausgabe. Ich wollte nur ungerne Mahlzeit sagen, irgendwann fiel das auf, und sie bestellten mich in das Büro des Schichtleiters.
Der Schichtleiter saß hinter seinem Schreibtisch, er rollte mit dem Stuhl vor und zurück und sah mich von oben nach unten an, was er da sah, interessierte ihn nicht besonders. Er nickte, als hätte er irgendetwas sowieso und schon immer gewusst, er gähnte gelangweilt.“

 

Judith Hermann (Berlijn-Tempelhof, 15 mei 1970)

 

De Amerikaanse dichteres Adrienne Rich werd 16 mei 1929 geboren te Baltimore. Zie ook alle tags voor Adrienne Rich op dit blog.

 

Cartografieën van stilte

1.
Een gesprek begint
met een leugen. en elke

spreker van de zogenaamde gemeenschappelijke taal voelt
de ijsschots spleet, het uiteendrijven

als machteloos, als tegen
een kracht van de natuur in

Een gedicht kan een leugen
bevatten. En verscheurd worden.

Een gesprek heeft andere wetten
laadt zichzelf weer op met zijn eigen

valse energie, kan niet verscheurd
worden. Infiltreert in ons bloed. Herhaalt zichzelf.

Etst met zijn niet-terugkerende naald
het isolement dat het ontkent.

2.
Het klassieke muziekstation
dat uur na uur aan speelt in het appartement

het opnemen en opnemen
en weer opnemen van de telefoon

De lettergrepen die keer op keer
het oude script uitspreken

De eenzaamheid van de leugenaar
levend in het formele netwerk van de leugen

die de kiesschijf draait om de terreur te verdrinken
onder het onuitgesproken woord

3.
De technologie van stilte
De rituelen, de etiquette

de vervaging van termen
stilte geen afwezigheid

van woorden of muziek of zelfs
rauwe geluiden

Stilte kan een plan zijn
rigoureus uitgevoerd

de blauwdruk van een leven

Het is een aanwezigheid
het heeft een geschiedenis een vorm

Verwar het niet
met elke vorm van afwezigheid

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrienne Rich (16 mei 1929 – 27 maart 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e mei ook mijn blog van 15 mei 2020 en eveneens  mijn blog van 15 mei 2019 en ook mijn blog van 15 mei 2018 en ook mijn blog van 15 mei 2017 en ook mijn blog van 15 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Jo Gisekin, Kathleen Jamie

De Vlaamse dichteres Jo Gisekin werd geboren in Gent op 14 mei 1942. Zie ook alle tags voor Jo Gisekin op dit blog.

 

Waarheid

I
In dauw van schuwgeworden scheiding
waar elke zwijger mededeelzaam wordt
tussen vragen en vergeten
ligt zij gesneuveld
als een onmiddellijk taboe

‘onbruikbaar’ sprak de stem
wie heeft het tasten leren kennen?
dit is het netvlies dat aaneengegroeid
het lichaam achterlaat.

Er waren vogels om het straatbeeld
te versieren en kleine grieven
die men mode noemt
als liefde daggebonden en een luie
aangrijpend dwaze kat
die stad noch wal kon onderscheiden

wat wij vroeger hadden uitgeknipt
twee vlinders zonder schroef en zacht koraal
het lijkt niet waar?
is dit een ster met ingeplante haren
een waarschuwing met kliertjes in de wand

zij werd een nachtlokaal, een adem
die met vingers streelt, een groot plat dak
dat zonder regen heel gezellig was
de huiver om haar benen kon je met witte was
op uithangborden lezen.

II
Dit is een straatje vol pigment

met ogen die het nachtelijk verkeer
in onbekende boompjes weven
ik wil het niet proberen
met stijfsel en een zwartgeverfde stem
die wakkerblijft en in een groot blauw bed
de bruine onschuld wil bedelven
alsof het steeds zal verder gaan
de leegte uit, de woeker in
een huisdier vluchtend voor een zwerm
nachtprofeten

was ik de kamer niet
ik zou voor deur gaan spelen.

 

Jo Gisekin (Gent, 14 mei 1942)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Kathleen Jamie op dit blog.

 

Maan

Gisteravond, toen de maan
mijn zolderkamer binnen glipte
als een rechthoek van licht,
voelde ik dat ze kwam om medelijden te hebben.

Het was augustus. Zij reisde
met een kleine valies
van duisternis, en de eerste paar sterren
die terugkeerden naar de noordelijke hemel,

en mijn kamer, hadden haar,
zo leek het, gemist. Ze deed alsof ze
interesse had in de boekenkast
terwijl andere objecten

zich roerden, als in een rotspoel,
met onverwacht leven:
kralensnoeren glommen in hun groene schaal,
het onder papier bedolven bureau;

de boeken leken ook geneigd
zich te openen en te biechten.
Zeker wetend dat de maan
enige bedoeling koesterde,

wachtte ik; keek een eeuwigheid lang
hoe haar koele blik verschoof,
eerst naar een bloemenschets,
vastgeprikt tegen de tegenoverliggende muur,

dan naar beneden gleed om te blijven rusten
op de grenen vloer,
voordat ik er genoeg van had. Maan,
zei ik: we hebben nu allebei littekens.

Zijn ze een volkomen raadsel voor je,
de eenvoudige woorden van liefde? Zeg ze.
Je bent mijn moeder niet;
met mijn moeder wachtte ik tot de dood.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e mei ook mijn blog van 14 mei 2020 en eveneens mijn blog van 14 mei 2019 en ook mijn blog van 14 mei 2018 en eveneens mijn blog van 14 mei 2017 deel 3.

Eduard von Keyserling

De Duitse schrijver Eduard Graf von Keyserling werd geboren in Hasenpoth, Koerland, op 14 mei 1855. Keyserling behoorde tot een vooraanstaande adellijke Baltisch-Duitse familie. Van 1873 tot 1877 studeerde hij rechten en filosofie in Dorpat. Later woonde en werkte hij in Wenen en vanaf 1899 in München. Keyserling leed aan syfilis en leefde na 1900 een teruggetrokken bestaan. Op latere leeftijd werd hij blind. In 1887 debuteerde Keyserling als romanschrijver met “Fräulein Rosa Herz. Eine Kleinstadtliebe”, gevolgd door “Die dritte Stiege”. Deze vroege werken werden nog sterk beïnvloed door het naturalisme, maar verraden al zijn bijzondere stilistische kwaliteiten. Deze komen nog sterker naar voren in zijn latere werk, dat onder het impressionisme in de literatuur wordt gerangschikt. Tot zijn beste werken worden gerekend: “Beate und Mareille” (1903), waarin hij melancholisch en gelaten de wereld van de Baltische adel beschrijft, en “Wellen” (1911), een tragisch eindigend verhaal over een vrouw uit de hogere standen die haar veel oudere man verlaat voor een jonge kunstenaar. Keyserling schreef ook een aantal succesvolle toneelwerken.

Uit: Fräulein Rosa Herz

Den Ort, an dem Fräulein Rosa Herz das Licht der Welt zuerst erblickt hatte, vermochte keiner anzugeben. Wo ihre Wiege gestanden — ob sie überhaupt je eine Wiege besessen —, wer konnte es wissen! Über jenen Teil von Fräulein Rosas Leben hatte sich undurchdringliches Dunkel gebreitet. Herr Klappekahl, der Apotheker, war gewiss ein Mann von seltenem Scharfblick. Ein halbes Jahr hatte er in der Residenz verlebt, und die Früchte jenes Aufenthaltes, ohne Zweifel, waren: Weltklugheit, Bildung, skeptische Klarheit in der Beurteilung der verwickeltsten Verhältnisse; Eigenschaften, die ein jeder ihm zuerkannte. Vielleicht auch ein Anflug von Frivolität, aber — «Mein Gott!», meinte er, «wer kann sich in der verderbten Weltstadt davor bewahren!» Herr Klappekahl nun pflegte zu sagen, wenn das Gespräch auf Rosa Herz kam: «Ihren Geburtsort? Gott, wer soll den kennen! Solche arme Würmer kommen ebenso gerängehlos und plötzlich zur Welt wie die Pilze nach dem Sommerregen. Gelegentlich einmal, während eines Zwischenaktes, hinter einer alten Kulisse, was weiß ich! — Das Publikum klatscht und ruft. Dann tritt der Regisseur vor und dankt, denn die Fee oder der Engel kann nicht erscheinen, ein kleines Unwohlsein … Und in einer Ecke hört man’s piepen. In einer verstaubten Papprüstung —auf einem wackeligen Theaterthron liegt etwas in Gazefetzen gewickelt und wimmert. Das ist dann das Kind, Fräulein Soundso, Fräulein Rosa. Es wird mit all dem Plunder zusammengepackt, und weiter geht es. Glauben Sie, Madame Herz oder Monsieur Springinsfeld erinnerten sich schließlich selbst daran, wo die Geschichte mit dem Kinde passierte? Gott bewahre! Das geht alles so geschwind; heute hier, morgen dort. Ich kenne das!» Was kannte Herr Klappekahl nicht! Und hier hatte er, wie sonst immer, recht. Rosas Mutter war Balletttänzerin, ihr Vater Balletttänzer gewesen. Während des rastlosen Umherziehen von einer Stadt zur anderen war Rosa geboren worden; doch kostete ihre Geburt der atmen Madame Herz das Leben. Herr Herz — traurig, einsam, des Tanzens müde, sehnte sich danach, sein unstetes Leben mit einem ruhigeren zu vertauschen. Auf diesem Standpunkte angelangt, gedachte er wieder seiner Heimatstadt. Als Knabe hatte er sie verlassen, zum Leidwesen seines Vaters, des braven Schustermeisters Herz, um, statt für die Füße anderer Leute zu sorgen, sich mit den seinigen unsterblichen Ruhm zu erwerben. Jetzt sehnte sich sein alterndes Herz nach der friedlichen Heimat zurück. Sein Vater war längst tot, aber eine Schwester lebte ihm noch; eine musterhafte Schwester. Als Herr Herz von dem Verluste seiner Gattin betroffen ward, langte ein schwarzgerändertes Schreiben von Frl Ina Herz an, voll schwesterlichen Bedauerns und frommer Ermahnungen. Am Schluss meinte die gute Seele: Da die kleine Rosa der mütterlichen Pflege beraubt sei, möge man ihr das Kind bringen; sie wolle für dasselbe sorgen und ihm eine zweite Mutter sein. — Gerührt von so viel Liebe, beschloss Herr Herz, nicht nur das Kind, sondern auch sich selbst der Sorgfalt seiner guten Schwester anzuvertrauen.“

 

Eduard von Keyserling (14 mei 1855 – 28 september 1918)

Sander Kollaard

De Nederlandse schrijver Sander Kollaard werd geboren op 13 mei 1961 in Amstelveen. Kollaard studeerde geschiedenis in Amsterdam. Sinds 2006 woont en werkt hij in een voormalige pastorie op het Zweedse platteland. Hij debuteerde in 2012 met de verhalenbundel “Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde” en schreef verhalenbundels, romans en artikelen en essays voor literaire tijdschriften en kranten. Voor zijn debuut ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs en zijn eerste roman, “Stadium IV”, werd verkozen tot Boek van de maand bij DWDD. Met zijn roman “Uit het leven van een hond“ won hij de Libris Literatuurprijs 2020. In 2021 verscheen de roman “De kleuren van Anna”. Zijn werk is vertaald in o.a. Duits, Frans, Engels en Japans.

Uit: De kleuren van Anna

“Bloed is rood. Het hart is rood (door al dat bloed). Het bloed op het uniformjasje dat Franz Ferdinand droeg toen hij werd vermoord in Sarajevo, in 1914, is allang niet meer rood natuurlijk maar je beseft dat het dat ooit was, dat het uit een stervend lichaam kwam, en dat het ellendige gevolgen zou hebben. Zijn vrouw kwam ook om, Sophie Chotek, maar dat zijn we vergeten.
De bloedspetters op de zonnebril die John Lennon droeg toen hij in 1980 werd doodgeschoten in New York waren rood maar, eenmaal gedroogd, een soort bruin. Yoko Ono, zijn vrouw, maakte er een foto van die ze gebruikte als protest tegen vuurwapengeweld in de vs.
Het mantelpakje van Jackie Kennedy raakte besmeurd met het bloed van haar man toen hij werd vermoord in Dallas, in 1963. Het bloed toont donker op de roze stof. Ze stond erop dat pakje ook te dragen toen ze in Air Force One met haar overleden man terugvloog naar Washington. Onderweg werd Lyndon Johnson ingezworen als president. Jackie stond naast hem, op zijn verzoek, en dus in dat pakje. Het gaf denk ik uiting aan haar woede. Ze probeerde het onzinnige geweld dat haar man had weggenomen zichtbaar te maken en te houden en dat is gelukt want zojuist heb ik die foto maar weer eens opgezocht, niet voor de eerste keer. Het spectrum van het licht van ver weg gelegen sterren verschuift naar rood. Hoe verder weg, hoe roder het licht. Zo kun je afstand meten. Astronomen hebben dat gedaan en ontdekten dat het heelal nog altijd uitdijt: de afstanden nemen toe. Dat is een tikje verontrustend want het heelal is al erg groot. Om u een idee te geven: als twee sterrenstelsels, elk met miljarden sterren, de meeste ervan groter dan onze zon, al die sterren met planeten en heel wat van die planeten met manen of ringen, als al die wervelende massafs met elkaar botsen, gebeurt er niets. De stelsels schuiven simpelweg door elkaar heen.
Ruimte zat.
Rood betekent gevaar. Rood is een waarschuwing. Rood betekent stoppen en wachten en pas verdergaan bij groen. Brandweerautofs zijn rood. Buurten waar veel prostituees werken zijn ros. Felrode lippen staan voor schoonheid, zinnelijkheid of een bedenkelijke moraal, net wie je het vraagt, maar hoe dan ook moet je opletten. Rood staan betekent dat je schulden hebt. Rood zien betekent dat je van het veld moet. Rode lappen brengen stieren de kop op hol.”

 

Sander Kollaard (Amstelveen, 13 mei 1961)

Jan Lauwereyns, Kathleen Jamie

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

 

Vuurwerk

Volgens de astronoom die met de mond
vol tanden staat – knappe kerel –
was er in het begin al iets.

Iets: met veel aantrekkingskracht,
een zwart gat, een vlam in mijn hart.

Zo niet, geen gebeurtenis t voor t + 1,
en dan ook niets daartussen

waar tijd plaats

kon vinden. En zonder tijd
geen pijl die ergens vertrekt om God
weet wanneer ergens anders aan te komen.

God, Cupido, Thor.

Zo denkt men zwijgend dat
er in het begin iets geweest moet zijn
waarmee het allemaal begonnen is.

 

De drie prinsen van Serendib

Koning van een voorspoedig rijk, springlevend,
heeft drie zonen, waaronder jij.

(Ook al bent u toevallig lezeres.)

Vader: drager van een grijze baard.
Met verkleinwoord, Tijd, onomkeerbaar,
dit in tegenstelling tot de zandloper.

Geeft alles aan wie voor het jaar rond is
een verbluffend iets op tafel legt.

Waar kijkt Homo sapiens nog van op?

Een vliegend tapijt? Een geneeskrachtige appel?
Een verrekijker die voorbij de horizon kijkt?
Samen zullen onze giften de

op apegapen liggende vader redden.
Tenzij we alsnog wakker worden.

 

Via Arctica

Langs de weg van de ijsbeer bezongen we de opwarming

met massieve schepen, zestigduizend ton ijzererts, braken
door het smeltende ijs, de Chinese fabrieken stonden te wachten,

treinen voerden meer en meer ijzererts aan, wij willen slechts

alle goeds, verklaarde Het Absolute Niets, verrukkelijk,
korrelig, hartverscheurend, kwiek en alles bij elkaar prachtig,

jubelde het schip der wetenschap, nijverheid en koophandel,

zo kalm mogelijk stonden we naast de anderen te kijken naar
de elektroden op de kruin van de kaalgeschoren ijsbeer en

knikten, het waren veelkleurige gegevens, maar de hypothese

was verdwenen, iedereen verdacht iedereen, het Absolute Niets
breidde zich uit, het alsmaar grotere zwart in het ruim, vader,

vader, de ijsbeer schoot wakker, zou je niet beter wat slapen?

 

Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Kathleen Jamie op dit blog.

 

De herten

Dit is de menigte, de dieren
die je me wilde laten zien, me stroomopwaarts
trekkend, de hele ochtend door de door wind-
gekamde heide tot aan de heuvelrug.
Beneden ons, in de volgende vallei, is de zware
kalme broederschap, neergedaald
uit de winter, uit de honger, knielend
als de ondertekenaars van een verbond;
hun zware, antiek gepolijste gewei,
uitstijgend boven de vegetatie
als masten in een haven, of stadstorens.
We liggen dicht bij elkaar, en hoewel de wind
onze man-en-vrouw geur verdrijft, lijkt
elk hert-gezicht onze kant op te kijken, onze kant op,
maar niet naar ons: zij schenken ons,, en wij schenken hen,
een beleefde aandacht. Ik vermoed dat je
hoopte indruk op me te maken, mijn ogen op te heffen
naar ons gedeelde land, me dieper te leiden
in wat je weet, maar uit afkeer
om angst op te wekken ga je al
stilletjes weg, ik ga zeker met je mee,
zoals ik nu zou doen, bijna overal.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2020 en eveneens mijn blog van 13 mei 2019 en ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Als alle vogels

Mijn armen zijn de wanden
van je enkelvoud
waaraan bodem en plafond ontbreken
zodat je kunt ontsnappen
door de wijdste kier, de hemel,
onder de dikste plint, de aarde
maar laat ons eerst een nestje vlechten
van onze ledematen.

 

Mag ik naar je toe?

Mag ik naar je toe?
Samen zitten op de bank
waar jij me aait totdat ik slaap
en verder niets?

Alle winst wordt weer verlies.
Ieder woord doet afbreuk aan
het strelen van je hand,
je kussen op mijn haar.

Troost mij niet.
Je lieflijkheid draagt kilte aan.
Ons opgaan in elkaar
komt van één kant.

 

Debuut II

Licht spiraalde op de muur
van zijn studentenkamer,
gaf flakkerend de schaduw aan
van twee figuren, lichtgebogen.

Heel traag sloeg zij haar kleren af
en ook haar schaamte dwarrelde neer
temidden van ontkurkte flessen,
de asbak en leergangen fysica

kwam hij haar nader dan de dag erna
waar op de tafel in het schelle morgenlicht
de glazen schaamrood kleurden van de wijn

die op de bodem hard geworden
met de afdruk op het matras
getuigde dat niets meer hetzelfde was.

Daarvan waren alle ramen,
de studenten op college
die er samenzweerderig over zwegen,
de stoeptegels die haar zagen lopen
al op de hoogte.

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

de dochters zijn ramen

de dochters zijn ramen
…………………………..in de huizen van de moeders, daar

kijken ze door naar buiten; de
…………………………..zonen zijn snaren, gestemd als

de vaders. – nu zien ze er allemaal
…………………………een beetje gespannen uit.

op zichzelf zijn de viooltjes
…………………………lelijk, in de balkonbakken

buiten (zelfs nog als allegorie); “dit
………………………zou iemand opnieuw moeten omscheppen.”

de bloemkelken citeren engelen
……………………….en bijen. – op zaterdag wanneer

de kevers poetsen, ruikt het
………………………door het hele huis naar chitine

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

 Zie voor nog meer schrijves van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

In Memoriam Jeroen Brouwers

In Memoriam Jeroen Brouwers

De Nederlandse schrijver, journalist en essayist Jeroen Brouwers is op 82-jarige leeftijd overleden. Dat maakte zijn uitgeverij Atlas Contact bekend. Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Cliënt E. Busken

En u bent? Woelend door met een knijper bijeengehouden papieren op een plankje in de boog van haar arm: Meneer Busken, ja? U bent meneer E. Busken? Eerst dacht ik dat zij een knappe jonge man was vanwege het stemgeluid en het haar, kort tegen haar schedel. Ook omdat het witte cipierspak geslachtsonduidelijk is: de man die niet Moniek heet, draagt hier hetzelfde als de vrouw die wel zo heet. Toen ik mijn ogen nog eens opende en haar echt zag, wendde ik ze meteen van haar weg naar het raam dat niet open kan, zo’n schok ging door me heen als soms bij het ondergaan van Bach of andere kunst, zo weemakend verheven verstikkend mooi vond ik haar dat het me op de ogen sloeg en ik mezelf even voelde verdwijnen. Moniek dus. Personeel, thans aangeduid met verpleegkundige dan wel verzorgende, stelt zich voor en laat zich aanspreken bij de voornaam. Verpleegster of zuster zeggen is ouderwets. Ik heet Ellie, corrigeert voorheen zoiemand. Of noemt u mij maar Suzan hoor. Of Pienie. De mannelijke soort mag niet meer worden aangesproken met broeder, zoals in de Middeleeuwen, die nu immers voorbij zijn, maar gezellig met Wim, Karel, Antoon, Sjoerd, allen aangesteld als zorgdragendekundigetoezichthoudende. Genderneutraal eindigt van iedere functionerende in de zorgsector de aanduiding van beroep of functie op -ende. Het leidinggevende opperhoofd van deze vrijheidberovende firma, geneesheerdirecteur staat op de deur van zijn kantoor, zegt u maar gerust Richard, uit te spreken als Risjaar, draagt niet zo’n geslachtsloos gestichtsuniform, maar gewonemensenkleren, evenals alle stafleden, aan hem is dus vanbuiten te zien dat hij masculien is. Van het gewone personeelsvolk valt soms alleen uit de voornaam af te leiden welk geslachtskenmerk in eenieders broek en elders aanwezig is. Neem de harpij van psychiatrie met haar soldatenkop, die heet Carola. Dat staat op een naar de bezoeker toegekeerd plastic plankje op haar bureau met de leptop. Al moet volgens sommige godkundigen ook Jezus Christus, een der afsplitsingen Gods, onmannelijk onvrouwelijk worden aangeduid met het, het messiassende, omtrent de geslachtsidentiteit van genoemde Carola kan geen twijfel rijzen, deze snaterende psychiaterende is voorzien van bolle, verschuivende borsten als kanonkogels voor het beleg van Den Briel. Moniek beschikt dan weer over nauw waarneembare, schuchtere, als nog niet opgebloesemde welvinkjes, die de zaak onzeker laten als ze niet Moniek zou heten. Moniek Morton, het staat te lezen op het naamplaatje aldaar op haar gewaad. U zegt niks alsof u niks gehoord hebt, meneer Busken? Meneer Busken? Nog niet helemaal wakker of bent u doofstom of zo? De bewoners van Huize Madeleine blijven formeel u en meneer of mevrouw. Dezen verblijven hier niet, zegt Richardrisjaar, als patiënten, maar zogenaamd als gasten, zoals in een hotel, of als loges, zoals bij vrienden, het woord patiënt wordt zorgvuldig vermeden.”

Jeroen Brouwers (30 april 1940 – 11 mei 2022)