Moederliefde (Willem M. Roggeman)

 

Bij Moederdag

 

 
Moeder en kind door Mary Cassatt, 1903

 

Moederliefde

Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een beeld van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste
om even een korte rustpauze te houden.
De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.

Haar gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over haar ogen
een dun laagje vocht ligt en trilt,
nog geen echte tranen, maar toch,
iets als een pril begin van verdriet.

Haar handen liggen in haar schoot,
lichtbruin, als gevallen bladeren,
wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog een kind, leg het hoofd
met de rode schram over de wang
op de harde rondingen van haar knieën.
Jaren later laat zij mij los en leer ik
de eenzaamheid van de volwassenen.

 

 
Willem M. Roggeman (Brussel, 9 juli 1935)
De Grand Place in Brussel, de geboortestad van Willem M. Roggeman

 

Zie voor de schrijvers van de 12e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Sabine Imhof, Dante Gabriel Rossetti, Eva Demski, Willem A. Hecker, Jesse Laport

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Hiernamaals

1
Het hiernamaals is een veel te lang woord
voor wie al dood zijn en doof
voor al te lange woorden.

Daar is slechts het hier en het na wordt
het nu en het maal is wel duizendmaal
ontelbaar levenslang met alle sterren
vermenigvuldigd zoals er een toekomst is
om van te dromen en een die de droom is.

Onder het uitspreken van hiernamaals
kan vele malen worden gestorven,
het klinkt dan ook zacht als het zwijgen
na de laatste ademhaling, zoals welterusten
wanneer je ging uit logeren maar
zonder terug te komen naar huis.

2
Zal het hiernamaals onveranderlijk zijn
of verschuiven met de lichtval van één dag,
de invalshoeken prismadiep, telescopisch ver
wanneer er lenzen op versteld worden,
diafragma’s aangedraaid
als duimschroeven van het moment?

Het moment ontglipt de kijker, is dunner
dan een duim en sneller dan kleinduimpje
maar op het hemelsbreed hiernamaals hoe in godsnaam
het vooruitzicht zo te verstellen dat het past?

3
Ik stel ons voor
als kronkelende zaadjes
in een behaaglijk natte ruimte
als spermatozoïden onder de microscoop
rondzwemmend

slingerend ons staartje, vinnetje, tentakeltje
rond in dik water,
we zijn de schrijvertjes van Gezelle
maar dan onderwater,

vermaken ons door schuldeloos
om elkaar heen te draaien
bij tijd en wijle glijden we
eventjes tezamen

het is zo nat
zo ontrammelanterig
hierna en zo behaaglijk.

4
Van iemand die ik niet kende
heb ik gehoord dat zijn zoon zelfmoord pleegde,
medelijden met vader en zoon gekregen,
naar woorden gezocht om onbestemd
naar hen te verzenden.

Ik hoorde dat de woorden zijn teruggekomen
als holle echo’s die de vader slaakt
in zijn slaap die hij ’s nachts vermijdt
in de gesmoorde klank van het kussen

en zag dat de woorden holle ogen werden
in de zwarte muur van zijn kleine slaapkamer
die tegen me aan bleven hameren:
wat is leven?

De man die ik niet kende van wie de zoon
die ik evenmin kende zelfmoord pleegde
ben ik nooit helemaal uit het oog verloren.
Soms als er ergens iets ergs gebeurt
huilen we even

 


Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bertus Aafjes (pseudoniem Jan Oranje) werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1914. Zie ook alle tags voor Bertus Aafjes op dit blog.

 

Een voetreis naar Rome (Fragment)

Calliope, van heldenzangen
de gebiedster, doe uw poëet
naar iets edels en groots verlangen
in ’t relaas van zijn lief en leed.
En Urania, van de sterren
de gebiedster, daar steil omhoog,
overkoepel mijn vers van verre
met uw duizendvoudige oog.
Helpt mij deze regels te dichten ;
gunt mij iets van uw heerlijkheid,
mij, de dichter meest van het lichte
genre aan Cupido gewijd,
en van rozen, altijd weer rozen,
en van de dood, die desolaat
door de triestige bladerloze
najaarsplantsoenen zijns weegs gaat.

Want ik wens een lang vers te schrijven,
dat men leest in het avonduur,
om ergens mee bezig te blijven
bij het warm knapperende vuur.
Buiten gaat de herfst al beginnen,
en de regen stort op het groen ;
men neemt dan een boek op daarbinnen,
om maar iets te hebben te doen ;
en men breekt een oud wijnmerk open,
voor de kille dagen bewaard ;
langzaam laat men het glas vollopen ;
dan opent men het boek bedaard.
Voor dat uur heb ik dit geschreven ;
vul het glas, smoor de bruine pijp ;
laat de regen zijn sluiers weven,
want de vrucht van de geest wordt rijp.

 


Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)

 

De Vlaamse schrijver, dichter, kunsthistoricus en politicus August Vermeylen werd geboren in Brussel, op 12 mei 1872. Zie ook alle tags voor August Vermeylen op dit blog.

Uit: Twee vrienden

“Na het zien van zijn vriend voelt Frans zich vaster. Hij springt in een wagen en rijdt naar huis. Hier is het Sinte-Kathelijneplein, de Graanmarkt, de Hopstraat, hij herkent de winkels… het huis!
Fien, de oude meid, komt opendoen. Hij verbluft ze met zijn luid geroep: ‘Hier ben ik, Fien!’ geeft haar de valies over en loopt recht beneden naar de voorkeuken, waar hij zijn moeder stram van rheumatiek in haar ouden zetel weet zitten. Ze zegt eenvoudig: ‘Frans!’ en haar lippen sidderen, haar bol gezicht naar haar jongen opgeheven als om zijn blik op te drinken. Haar gerimpelde kaken hebben wel iets van een appel waar de winter over gegaan is. Frans wil aan zijn gevoeligheid niet toegeven, hij zal de warme vochtigheid in zijn ogen weerhouden. Zijn moeder, dat simpel, ongeletterd volksmens, dat van hem niets begrijpt, zij is hem toch het liefste, het enige zelfs wat hij buiten Mark bezit. Hij houdt haar soms voor een soort van heilige, – een heilige van den tweeden rang, want te benepen, te uitsluitend lijdzaam, zwijgend onder de dwingelandij van haar man, maar steeds schuchter stralend van zuivere, onbegrensde goedhartigheid.
– Jongen, jongen, zegt zemaar. En daar komt vader Balders de trap afgelopen, schudt Frans een hand, pakt hem bij den schouder. ‘Wel, kerel!…’ En na een poos: ‘Waarom hebt ge niet getelegrafeerd?’
Frans valt het op, dat zijn vader wat ouder geworden is: de fletse wangen doen onaangenaam aan in dien kloek getekenden kop. Hij houdt veel van zijn vader, maar liefst op een afstand, hij heeft te veel voor zijn strengheid gebeefd.
Het noenmaal wordt in de kelderkeuken opgediend; die ziet bovenaan op de straat uit en is de eigenlijke woonkamer; de achterkeuken blijft het gebied van de meid. Deze, een familiestuk, zit naar patriarchaal gebruik mee aan. En dan komt ook, van zijn kantoor in de Congolese Bank, de joviale Jozef, die zich op uitbundige wijze zo verheugd toont, zijn broer Frans terug te zien en hem met vragen overstelpt. Met hem kan er nog gepraat worden: hij is slechts vier jaar ouder dan Frans, leest nu en dan een boek, een roman van Zola bij voorbeeld, en kan ook wel eens een onverantwoord oordeel over buitenlandse politiek inbrengen.
Frans herkent den eigen reuk van het huis, niet te bepalen, en al het van oudsher vertrouwde rondom zich: de potsierlijke bronzen pendule met jager en herderin, op den schoorsteen, tussen de twee bonte porseleinen vazen, het snijwerk van de Mechelse eiken kasten aan weerszijden… Alles getuigt van zulk een onvervalst burgerlijken wansmaak, dat hij er, vergoelijkend, karakter in ontdekt. Hij herinnert zich, hoe hij als kind voor zichzelf historietjes onder de tafel speelde als in een kluis, waar hij zich afgezonderd dacht, en zich schaamde, wanneer een van zijn broers hem daar betrapte. En die zware zetel waar zijn moeder in zit, met een bankje onder haar voeten…”

 


August Vermeylen (12 mei 1872 – 10 januari 1945)
Twee pagina’s uit Vermeylens verzameld werk

 

De Russische dichter Andrej Andreyevich Voznesensky werd geboren in Moskou op 12 mei 1933. Zie ook alle tags voor Andrej Voznesensky op dit blog.

 

The Nose (Fragment)

Gogol, that mystical uneasy soul,
Intuitively sensed their role.

My good friend Buggins got drunk: in his dream
It seemed that, like a church spire
Breaking through washbowls and chandeliers,
Piercing and waking startled ceilings,
Impaling each floor like,
Receipts on a spike,

Higher and higher
rose
his nose.

“What could that mean?” he wondered next morning.
“A warning,” I said, “of doomsday: it looks
As if they were going to check your books.”
On the 30th poor Buggins was haled off to jail.

Why, O Prime Mover of Noses, why
Do our noses grow longer, our lives shorter,
why during the night should these fleshly lumps,
like vampires or suction pumps,
Drain us dry?

They report that Eskimos,
Kiss with their nose.

Among us this has not caught on.

 

 
Andrej Voznesensky (12 mei 1933 – 1 juni 2010)
In 2008

 

De Zwitserse dichteres Sabine Imhof werd geboren in Brig in 1976. Zie ook alle tags voor Sabine Imhof op dit blog.

Uit: Eingebettet

„Hotel Seventeen. Und die Blümchentapete passt nicht. Ich bemerke, dass ich nicht mag, wie du sprichst. Eigentlich. Wie du das Satzende immer verschluckst. Du liegst mit offener Hose da. Atmest tief und ruhig, wie es nur jemand kann, an dem Dinge abprallen oder dem Dinge gar nicht erst passieren. Ich wende mich ab und dir den Rücken zu, zähle die Gegenstände auf dem Nachttisch. Eine kleine Schüssel, sechs aufgeweichte Cornflakes, die darin kleben. Ein Löffel. Fünf Postkarten mit fünf Briefmarken, unbeschrieben.
“Fass mich an”, sagst du.
“Fass mich an. Hier”, und zeigst dabei wohl irgendwohin, ich zähle nochmals die Dinge auf dem Tischchen, weil ich den Faden verloren habe.
“Das ist doch…normal, weisst du.”
Ich nicke in mein Kissen, du siehst es nicht. Ich denke darüber nach, wo in dieser Stadt nun Osten ist und wo Westen, und daran, dass ich gerne hier leben möchte. Und dass ich alleine hierher wollte. Aber du bist plötzlich im Flugzeug neben mir gesessen. Und wolltest schmusen; ein junges Paar auf Reisen. Ich wollte dem hübschen Amerikaner links von mir beim Essen zusehen, seinen Händen, wie sie Gabel und Messer hielten. Ich wollte ihn so lange anschauen, bis er mich bemerkt. Du hast meine Schulter in Besitz genommen, mit offenem Mund darauf gedöst, danach war mein Pullover nass. Was träumen Menschen wie du? Menschen, die bestimmt nie einen Herzinfarkt bekommen und mindestens achtzig Jahre alt werden. Das hätte ich gerne gewusst, obwohl es mich nicht wirklich interessierte.
“Fass mich an”, hauchst du und fasst mich am Handgelenk. Ich rutsche weiter weg von dir, bin nun bei der Bettkante angelangt, mein Arm reicht aber immer noch bis an deine Haut.“

 


Sabine Imhof (Brig, 12 mei 1976) 
Brig

 

De Engelse schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti werd op 12 mei 1828 inLonden geboren. Zie ook alle tags voor Dante Gabriel Rossetti op dit blog.

 

Sonnet VII: Supreme Surrender

To all the spirits of Love that wander by
Along his love-sown harvest-field of sleep
My lady lies apparent; and the deep
Calls to the deep; and no man sees but I.
The bliss so long afar, at length so nigh,
Rests there attained. Methinks proud Love must weep
When Fate’s control doth from his harvest reap
The sacred hour for which the years did sigh.
First touched, the hand now warm around my neck
Taught memory long to mock desire: and lo!
Across my breast the abandoned hair doth flow,
Where one shorn tress long stirred the longing ache:
And next the heart that trembled for its sake
Lies the queen-heart in sovereign overthrow.

 

Vox Ecclesiae, Vox Christi

Not ‘neath the altar only,—yet, in sooth,
There more than elsewhere,—is the cry, “How long?”
The right sown there hath still borne fruit in wrong—
The wrong waxed fourfold. Thence, (in hate of truth)
O’er weapons blessed for carnage, to fierce youth
From evil age, the word hath hissed along:—
“Ye are the Lord’s: go forth, destroy, be strong:
Christ’s Church absolves ye from Christ’s law of ruth.”
Therefore the wine-cup at the altar is
As Christ’s own blood indeed, and as the blood
Of Christ’s elect, at divers seasons spilt
On the altar-stone, that to man’s church, for this,
Shall prove a stone of stumbling,—whence it stood
To be rent up ere the true Church be built.

 

 
Dante Gabriel Rossetti (12 mei 1828 – 9 april 1882)
Roman Widow door Dante Gabriel Rossetti, 1874

 

De Duitse schrijfster Eva Demski werd geboren op 12 mei 1944 in Regensburg. Zie ook alle tags voor Eva Demski op dit blog.

Uit: Gartengeschichten

„Sie war eine jener Pessimistinnen, die grade deshalb die schönsten Gärten zustande bringen. Sie zeigen nämlich der verrotteten, dreckigen und kranken Gegenwart, wie sie aussehen könnte, wenn gärtnerische Vernunft regierte. Plato wollte Philosophen als Könige haben, meine Mutter Gärtner. Natürlich keine professionellen, die waren Teil des weltweiten Mörder­ und Vergifterkartells. Es gelangen ihr geniale Kombinationen von Farben und Pflanzen, ich beneidete sie um vieles und konkurrierte niemals – ich mit meinem »Handtuch«. Zu Lebzeiten meines Vaters durfte sie keinen Kitsch aufstellen und hielt sich mit Geschenken an mich schadlos, Steinamphoren und allerlei Terrakotta. Ein abstraktes eisernes Gebilde, das er als Kunstwerk ernster Art in Sichtweite des Hauses auf den Rasen betoniert hatte, bepflanzte sie mit Clematis der Sorte Montana Rubens, ein wunderbares und temperamentvolles Gewächs, unter dem man auch das Frankfurter Polizeipräsi­ dium schnell unsichtbar werden lassen könnte, wenn man nur wollte. In kurzer Zeit war aus dem Kunstwerk eine duftige, aber kompakte Wolke geworden, im April mit Hunderten von vierblättrigen rosa Blüten bedeckt, die sich in kleine gelbe Knöpfe und dann in sehr dekorative weiße Spiralnebelchen verwandelten. Wenn man etwas zu einem schönen Verschwinden bringen will, ist die Montana Rubens allererste Wahl.
Mein Vater hängte trotzig eine verdrehte, bearbeitete und etwa mannshohe Wurzel so hoch an die Hauswand, wie es ging, und sagte, die sei schließlich Natur, irgendwie. Die Favoriten meiner Mutter wechselten. Sie ging mit Pflanzen um wie ein Intendant mit seinen Schauspielern. Wer in einer Spielzeit zu viele Hauptrollen hatte, mußte sich in der nächsten mit Nebenrollen begnügen. Und wie ein Intendant konnte sie sich manchmal nicht entscheiden, wen sie nun mehr liebte: die fulminant auftretenden Feuerwerkstypen, prachtvoll, aber schnell schlapp – zum Beispiel Schwertli­ lien –, oder die verläßlichen Darsteller, von sanfterer, aber haltbarer Schönheit wie manche Polyantharosen, die den ganzen Sommer unermüdlich Blüten nachschieben. Das ist ein verbreitetes gärtnerisches Dilemma. Ich habe eine Freundin, die sich in einer bestimmten Zeitspanne im Monat Mai weder von lukrativen Jobs noch von verheißungsvollen privaten Terminen aus dem Garten lokken läßt, weil sie darauf wartet, daß ihre chinesischen Päonien aufblühen, riesige, zarte Blütenschüsseln, die schon ein Windhauch oder ein kleiner Regenguß zur Strecke bringt. Ihre volle Schönheit haben sie nur für Stunden. Das ganze übrige Jahr machen sie sich mit furchtbar viel Grünzeug wichtig, nehmen eine Menge Platz weg und leben von der Erinnerung. Meine Freundin pflegt einen Regenschirm über sie zu halten, wenn es nötig ist.“

 

 
Eva Demski (Regensburg, 12 mei 1944)

 

De Nederlandse dichter Willem Augustus Hecker werd geboren op 12 mei 1817 in Groningen. Zie ook alle tag voor Willem A. Hecker op dit blog.

Uit: HIPPOKREEN-ONTZWAVELING

Zo ontwikkelt in ’tgemoed des dichters, wat er diep
Verholen, onbewust van zijn ontvlamming, sliep;
Zy doet de volle borst tm ’t glorierijk ontwaken,
Daar ze als een Etna kookt, een lavagloedstroom braken
Van poëzy, die de aard (een zondvloed) overstroomt !
De roem is ’t eelst kleinood, waar elk zich ziek van droomt,
En onvermoeid om draaft en eindloos woelt en wemelt;
Maar ’t is de bronwel , die aan ’t uitgedroogd verhemelt
Ontsnapt, dat reikhalst naar den laafnisvollen dronk;
Een star is ’t. die verschoot, als ze overheerlijk blonk.
Ik moet beroemd zijn!” – waarom niet ? – “ ‘k bezit talenten !”
Althands om knollen voor citroenen uit te venten,
»Een ieder koopt mijn waar en ‘k ben by elk bekend.”
Dat pleit voor ’t onverstand van wie die koopt en vent ! –
– Zoo schijnen veel met haar of zy met veel te spelen:
En hoed de Hemel elk in tolk een vloek te deelen,
Die meest (rampzalig!) op ’t Poëtenvolkjen drukt,
En vaak ’t verbijsterd brein zijn denkenskracht ontrukt;
Die eigen prulwerk, waar de autheur voor diende te ijzen,
Schoon duizendwerf gelaakt, hem eindloos dwingt te prijzen,
En de altoos veile stem eens Letteroefenaars
Of Gids te huren die ’t gebrekkig kreupelvaars
Door valsche orakeltaal van windrige Sofisten
De onsterflijkheid (die ze aan klienten slechts verkwisten!)
Verzeekren : — dichter, ras den hemel ingerukt !
Met lijf en ziel ! — maar ach ! door d’overlast gedrukt
Van bondels verzen, moet ge op de aarde kruipen blijven,
Om eindlijk op den stroom der Lethe weg te drijven !
‘t Belachlijk kind des roems kwam in zijn roemzucht om:
Wie versjes rijmel, wees (hy kleer u !) niet zo dom.

 

 
Willem A. Hecker (12 mei 1817 – 15 januari 1909)
Postuum portret in de senaatskamer van de Universiteit van Groningen

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Jesse Laport werd geboren in Arnhem in 1991. Zie ook alle tags voor Jesse Laport op dit blog.

 

Wintertijd

als de dagen korter lijken
houd dan in je achterhoofd
dat de afwezigheid van licht
niet de gids is van je tijd

in de avond
heb je evenveel adem
als toen – wat je gisteren
nog middag hebt genoemd

 

Kind

Hoe lang ben je verliefd?
Hoe lang ben je boos?
In hoeveel staten tegelijk kun je zijn?
En hoe lang duurt de dood?
Hoeveel kun je van iemand houden?
Hoe lang heb je geluk?
Kun je iemands hart doen smelten?
En kan het dan nog stuk?
Hoeveel liefde kun je iemand geven?
En raakt het ook eens op?
En kan het ook gebeuren
dat gevoelens zijn verstopt?

 

 
Jesse Laport (Arnhem, 1991)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e mei ook mijn twee blogs van 12 mei 2018.

Cecilia Quílez, Ida Gerhardt, J. H. Leopold, Sandra Hoffmann, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 


The hallucinations of poets (dandelion) door Hernan Bas, 2010

 

PLASMASCHERM EN VIER GEDICHTEN

Iemand kwam het witte geheugen binnen
in de roerloosheid van het hart. Onder de mist zie ik een licht
en de zachtheid van de dwaling doet me de ogen sluiten
                                                                Antonio Gamoneda

Vier gaten van oneindige schittering
houden ons vanuit het halfduister in het oog.
De andere storingen zijn te wijten
aan een plaag van verveelde zeekreeften
die op virtuele hallucinaties van
frontale beelden kauwen.

Een ontwrichte liefde heeft geen plaats
en geen nooduitgangen.
Tijdens de lange trajecten drinken
de lichamen niet horizontaal.
De goede nachten ontsnappen niet
met een automatische kleurenbediening.

Ik verdwijn in de versgravures
ontdaan van witte oden en keer opgesmukt
terug van een verwerpelijke wijsheid
die mijn aandrang om je te blijven
nodig hebben in tweeën hakt.
Later denk ik, zoals altijd,
dat alweer de poëzie ons heeft gered.

 

Vertaald door Fa Claes

 

 
Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)
Algeciras, Plaza Alta met de kerk van Onze Lieve Vrouwe van La Palma

 

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

Biografisch I

De taal slaapt in een syllabe
en zoekt moedergrond om te aarden.

Vijf jaren is oud genoeg.
Toen mijn vader, die ik het vroeg,

mij zeide: ‘dat is een grondel’,
– en ik zág hem, zwart in de sloot

legde hij het woord in mij te vondeling,
open en bloot.

Waarvoor ik moest zorgen,
met mijn leven moest borgen:

tot aan mijn dood.

 

Kinderherinnering

Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.

 

Verwachting

Weet gij het ook de ganse nacht?
De vogels komen. Aan een geuren
– van wind, van water?- valt te speuren
hoe ’t lage land een komst verwacht.

Morgen het teken aan de lucht
– een frons, een lijn, een krimpend wolken-
en dan, bui van geluid, een vlucht
die dalen gaat: de vogelvolken.

En wéér staan in verwondering
wij tussen dit gevleugeld sneeuwen;
morgen- dan zijn wij, lieveling,
het eerste paar van duizend eeuwen.

 

 
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Cover voorleesboek

 

De Nederlandse dichter en classicus Jan Hendrik Leopold werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 11 mei 1865. Zie ook alle tags voor J. H. Leopold op dit blog.

 

Ik scheidde; onverstand was allerwegen

Ik scheidde; onverstand was allerwegen,
van al mijn parels werd niet één geregen.
De dwazen! honderd dingen, nooit beseft
en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.

 

In deze tuin zijn saamgelegd

In deze tuin zijn saamgelegd
geelbruine en witte en zwarte stenen,
gevoegd, gezocht, dat elk wat zegt
met een allengs opkomend menen,

bedoeld door een die niet meer is
de velerlei gevormde vlakken,
en met in de vakken
voorzichtige betekenis,

gebleekten in het aangezicht
der zon, gewassen door de regen,
rillende open plekken tegen
het plat invallend hemellicht,

en stil en toeziend aan de kant
de ceders en de blauwe den,
wistaria’s, de zachte plant
van irisbloemen, die ik ken.

O lief en teder onvermogen
tegen het gruwzaam element,
dat wankels nog iets blijven moge,
en strijd met het geweten end.

 

Zingende lucht

ZINGENDE lucht
zingende wind –
en binnen in,
binnen de struiken
ligt uitgegoten
een donkere vijver
en luistert en hoort,
hoort stil verloren
en denkt en peinst…
Want van lente, van lente,
Het zingt al van lente en zonneschijn.

 

 
J. H. Leopold (11 mei 1865 – 21 juni 1925)
Cover

 

De Duitse schrijfster Sandra Hoffmann werd geboren op 11 mei 1967 in Laupheim, Baden-Württemberg. Zie ook alle tags voor Sandra Hoffmann op dit blog.

Uit: Paula

„Schweigen ist anders als still sein. Nirgends, auch nicht, wenn du tief in die Taschen greifst, um die Münze zu finden, die du zwischen den Fingern bewegst, oder ein Stück Papier mit den Notizen vom Einkauf, findet sich darin wirklich Halt. Du hörst von irgendwoher oder aus dir heraus die dunklen Geräusche der Stummheit, die sich gegen dich wenden, du hörst sie als Grollen, als Grummeln, als fortwährendes Gemurre, Gemurmel irgendwo weit entfernt und zugleich nah. Als suchten sich all die ungesprochenen Wörter Wege aus dem stummen Körper heraus und hinein in den Raum, hin zu dir. Sie bringen dich um die Ruhe und sie bringen dich um den Schlaf. Das Schweigen, wenn jemand nahe bei dir lebt und so schweigt, so unerbittlich jedes Wort auffrisst, dass nichts übrig bleibt für dich und für keinen. Das Schweigen am Tisch, wenn die Gabeln und Messer auf Tellern klappern, wenn jemand, nur einer, sagt, kann ich bitte das Salz haben, und jemand reicht es. Und über allem das Schweigen, das dir vorkommt, als verschlinge es dich und all deine guten Sommer und die wenigen guten Winter. So als käme die Fröhlichkeit nie mehr zurück. Und du hörst das Geräusch von Strumpfhosenbeinen unter dem Tisch und wie der Hund am Stuhlbein vorbeistreicht, ein Räuspern und das laute Schlucken beim Wassertrinken, wenn der Halsmuskel spannt. Wenn die Geräusche aus den Körpern sich im Zimmer so ausgebreitet haben, dass da nur noch Dichte ist, Verdichtung nach außen. Dieses Schweigen, das schließlich in jeder Ritze eines Hauses sitzt, das abstrahlt, ausstrahlt, das ein Haus zur Festung macht, kennt nur die Endgültigkeit als Erlösung. Du kannst bleiben und sterben oder gehen. In der Stille aber wäre auch nur ein Traktor, draußen auf der Straße, ein schönes Geräusch, wäre das eine Verheißung, jemand mäht die Wiese zum ersten Mal in diesem Jahr, es ist noch hell. Die Welt wäre wieder da. Helligkeit und Sprache.
Am 10. November 1997 stirbt meine Großmutter Paula im Alter von 82 Jahren. Sie hat nicht über sich gesprochen, bis zum Schluss nicht. Sie hat ihr ganzes Leben, alle ihre Geheimnisse, aber auch alle ihre Nöte mit ins Grab genommen. Wenn ich morgens durch den Park laufe, den See umrunde und höre, wie die Schwäne und Enten schnattern, wenn ich den Mandarinenten zusehe, die wie bunte Punkte zwischen den anderen Enten leuchten, denke ich häufig an meine Großmutter, die seit achtzehn Jahren tot ist, und ich denke an meine Eltern. Ich würde ihnen gerne den Park zeigen, die Hunde, die mir regelmäßig auf meiner Laufstrecke begegnen, die schönen Stellen an den Nebenkanälen des Eisbachs, deren Oberfläche ab und zu eine Weide streift. Die Männer, die vor ihrer Personaltrainerin auf der Erde liegen und anstrengende gymnastische Übungen machen oder gegen kleine Boxsäcke schlagen, die in den Bäumen hängen, wieder und wieder und wieder, damit sie stark werden, für was auch immer.“

 

 
Sandra Hoffmann (Laupheim, 11 mei 1967)
Cover, met op de achtergrond een bundel oude foto’s

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Spaanse dichteres Cecilia Quílez Lucas werd geboren in Algeciras in 1965. Quílez publiceerde tot dusver vier dichtbundels: La posada del dragón (Ed. Huerga & Fierro), Un mal ácido (Ed. Torremozas), El cuarto día ( Calambur) en Visteme de largo (Calambur). Ook heeft zij meegewerkt aan radioprogramma’s en heeft talloze tentoonstellingen van schilderkunst en beeldhouwkunst gecoördineerd en geleid. Ze heeft meegewerkt aan verschillende tijdschriften en was betrokken bij een groot aantal poëziehappenings.

 

De jongen van Cosmopolitan

Het is omdat je beeld,
die rustende billen en ellebogen,
de zomer berispt
en daar, tussen je benen
de schuldige zich opricht.
Het is omdat de tarwe
zich verspreidt over het denkbeeldige bed
en de korrels hun goddelijke aanleg vergeten
in de puberale omhulling.
Met rood geverfd haar
hou je onder de
regendruppels dienstvaardig
je ogen voor het objectief.
En ik verlang niet dat jij meijuni van dit blad
dat me aan de dagen herinnert, laat voorbijgaan.
Je hand, zie je wel,
leidt de voyeur af
en dat is omdat in werkelijkheid
een slip vaag zichtbaar is,
doorschijnend nochtans
voor deze wellust.

 

De offergave

De beweging van het doodshoofd is voltooid.
De spleet van de oogleden spreekt nodeloos.
Op elke plaats op aarde huilt een meute
en weerstaan moeders die op de grafstenen afwachten.

Op iedere plaats is verleden
en trilt de beslissende zonsondergang.
Hier brandt de eerste kreet
in een roestige woordenkom.

Wij vereren de kwantumsymbolen
op het altaar van de obsessies.
We vernielende heiligdommen en bevrijden de beesten.
We werden gerechtelijk vervolgd
aan de onduidelijke muur van de tijd.

Nu draag je mijn hoofd op het dienblad,
voldoe aan mijn laatste wens:
Het zwaard de zee in.
De zee in.

 

Vertaald door Fa Claes

 


Cecilia Quílez (Algeciras, 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei en ook mijn blog van 11 mei 2018.

Paul van Ostaijen, J.C. Bloem, Herman Leenders, Didi de Paris

 

Dolce far niente

 

 
Sailing Boats, Dieppe Harbor door John Henry Twachtman, 1883 – 1885

 

Facture Baroqueaant

Soms
– wanneer de boten van hun zinnen sloegen
aan de immer deinende rotswand
van een reuk die openstaat
op wonderlike dieren
     en planten die
     koortsdoorschoten

tussen de blauwheid van de zee en de blauwheid van de
lucht

slechts zijn een vergelijken –
soms slaat het verlangen der mensen zo hoog uit
dat zij takelen de nederige boot
en ter zee gaan
in de zeilen speelt de wind een waan

     een oude waan
     die over de kim gekelderd lag
     tot de wind de huizen stuk woei
     en uit de scherven walmt de wijn van deze waan
     van deze oude waan
Geen kent het S.O.S.-gesein geenzijds der zinnekim
en dat aan de boôm van onze ziel er sprieten steken
die alleen het trillen vatten
van gene zijde
Soms dringt de drang de droom tot een gestalte
en wordt het lichaam droom

 

 
Paul van Ostaijen (22 februari 1896 – 18 maart 1928)
De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, de geboortestad van Paul van Ostaijen

 

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

Afscheid

Ieder scheiden is van ’t laatste scheiden
voorbode, ieder bed van ’t laatste bed.
Alle sterfelijke wegen leiden
naar het eind waarvan geen liefde redt.

In het stedelijk duister van de straten
nemen we afscheid – en het drukt als lood,
kijken om en wuiven, reeds verlaten,
slaan de hoek om, en het is de dood. 

 

Liefde

Kon ik één gaaf der jeugd terugverkrijgen,
Ik vroeg de makkelijke ontroerbaarheid
Van ’t hart, dat nog niet heeft geleerd te zwijgen,
Maar vrijelijk bij den breuk der droomen schreit.

Nu ben ook ik gewend, mij te gewennen;
Ik trek mij allengs in mijzelf terug.
En ach, zelfs die mij beter moesten kennen,
Ik schijn hun wellicht liefdeloos en stug.

Toch ben ik vol verholen teederheden,
Gekneusde liefde, die geen uitweg vond,
Oneindig medelijden met wie leden,
Bewogenheid, die ’t zware leven schond.

Alleen wanneer ik neder ben gezeten
In avondeenzaamheid en lampgesuis,
En al wat mij benauwde heb vergeten,
Begint er in mijn hart een zacht geruisch.

Dan wellen in mij nooit-verwonnen drangen,
Dan gaat een stroom van liefde van mij uit,
Die alle menschen in zich houdt omvangen,
Nu zij zich eindlijk niet meer voelt gestuit.

Dan heb ik ’t hart weer van mijn jeugd gevonden,
En ben ik warm van innerlijke gloed.
Al wat de wereld in zich houdt gebonden
Dat voer ik de beminden tegemoet.

Dan schijnt het mij, bij ’t zien van zóóveel derven,
Van zóóveel vleugels tot geen vlucht ontvouwd,
Dat ik alleen maar door voor hen te sterven
Hun toonen kan, hoeveel ik van hen houd.

Een oogwenk – de bekoring is gebroken,
Ik meng het mijne weer met hun bestaan.
Ik heb hun van mijn liefde niet gesproken,
En dit moet alles langs hen henengaan.

 

Enkele strofen

II
In den trein. De tijd vergaat met droomen.
Op de ruitjes wiegelt avondrood.
Als ik bij U ben gekomen,
Ben ik weer wat nader bij mijn dood.

Maar daar zal ik neder zijn gezeten
In verzadigdheid en lampenschijn.
Alles zal ik zijn vergeten
Dan dit eenige: bij U te zijn.

Deze liefde kent geen gaan en keeren,
Kent geen afstand en gewiekten tijd;
De ééne drang van haar begeeren
Is haar hongeren naar eeuwigheid.

O ik kan mijn hart niet doen gelooven
– Hart, dat zich gewende aan elk gemis –
Dat één oogenblik kan dooven
Waar een leven niet te lang voor is.

 

 
J.C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
J.C. Bloem door Titus Leeser, beeld bij de kerk en de begraafplaats van Paasloo

 

De Vlaamse dichter en schrijver Herman Leenders werd geboren te Brugge op 10 mei 1960. Zie ook alle tags voor Herman Leenders op dit blog.

 

Amatus

Er staat een man aan het raam.
Hij draagt een baard en een das
en kijkt mij indringend aan.
Ik zit verborgen achter spiegelglas.

Hij kamt z’n haar
neemt plaats achter het bureau
als achter een altaar,
zo breed is zijn gebaar.

Hij zit gebogen over het blad
waarvan hij opkijkt zo nu en dan
alsof er woorden staan
op de gevel aan de overkant.

Hij wordt niet gestoord,
zover ik weet
want vaak verlies ik hem uit het oog
voor een vergadering of een telefoon.

Zou hij er zijn als ik er niet ben?
Ik durf het niemand te vragen.
Wat gaat het mij aan?
Waar ben ik mee bezig als hij hier niet werkt

maar toevallig op dezelfde hoogte
dezelfde breedtegraad
aan de andere kant van de straat.
De ramen gaan niet open.

Hij legt de stukken samen,
plooit een handdoek open
haalt een thermos boven
een brooddoos, een banaan.

Hij slaat een kruis
(denkt dat hij alleen is in huis)
en bijt in een boterham
met kaas en sla.

Zijn linkerhand ligt onder de krant
waarin hij leest met het air
van de handelsreiziger in een restaurant.
Zijn rechter schenkt hem koffie in

lauw misschien maar zoet
de melk erin.
Hij is op alles voorzien.
De worst ligt op boterpapier.

Er dalen twee mannen
voor zijn raam
als engelen uit de hemel.
Het is een ander ras.

Zij zemen de ruiten
en laten strepen na op het glas.
Met zijn mond vol eten
zit hij met ze te spreken.

Ik denk dat men
vergeten is dat hij bestaat
of opgesloten zit.
Waarom is het dat hij niet opstaat

niet ongeduldig rammelt aan de deur
of gek wordt en zijn neus
platdrukt tegen het raam?
Ik moet dringend, hij nooit helaas.

 

 
Herman Leenders (Brugge, 10 mei 1960)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Didi de Paris werd geboren op 10 mei 1957 in Leuven. Zie ook alle tags voor Didi de Paris op dit blog.

Uit: Blake

“Hij kon er mee door. Blake wiste zich het zweet van het voorhoofd. Het begon er op te lijken dat het inmiddels dan toch zomer geworden was. In welk seizoen was hij vertrokken? In welk seizoen zal hij aankomen? Was zijn kleding niet te fleurig voor de tijd van het jaar? Het weder was wisselvallig. De kleding moet synchroon met de seizoenen zijn. Hoe laat is het? Komt het nog wel ooit goed?
Hij vond het park het mooist wanneer het er verlaten bij lag. Op zondag is het hier een drukte van jewelste. Dus klopte er iets niet met de tijd. Of misschien waren er die ochtend ruimtewezens geland en hadden zij in een vlaag van wereldverbeteringswaanzin alle mensen hun auto’s gesaboteerd.
Blake fronste de wenkbrauwen toen hij even op een rijtje stelde hoeveel machines een mens nodig heeft voor zijn verzorging. “De machines onze geisha’s! ’s Avonds in de huiskamer vertelt een machine ons (voor het slapengaan) verhaaltjes met beeldjes, klank en kleur. De mens wordt de slaaf (het huisdier) van de machine-god. En toch: zonder de techniek is er geen verdere evolutie denkbaar. De mens is de enige diersoort die kan nadenken over de eigen evolutie, en die zelfs kan bepalen hoe het verder moet.
Evolutie? Neen, we gaan weer in omgekeerde richting! Een mens en een god, daaruit komt een halfgod tevoorschijn. Na een tijdje zullen de mensen verdwijnen (weer stom worden: teevee-ogen, walkman-oren, de huizen storten in en de mens verliest zijn vuur.). In de plaats daarvan zal de wereld weer bevolkt zijn door een handvol halfgoden. Die zullen uiteindelijk allemaal in ware James Bond stijl hun supersonische straalmotorgordel omsjorren en dan tenslotte en masse – Tsjonge, tsjonge, tsjonge! Wat een scene! – ten hemel opstijgen. Nadat zij de hemelingen, de goden vervoegd hebben, zullen zij hier op aarde chaos achterlaten. De evolutie is haar tijd ver vooruit!”
Alhoewel hij dacht dat het nog maar middag was, was het ondertussen reeds herfst. De nerven van de boomstammen. Het bladerentapijt. Wolkenhemel. Een hertje vlucht weg.
Zijn naam is hem op het lijf geschreven. Heel lang geleden, toen hij nog klein was, dronk hij eens een fles bleekwater leeg, en nog niet zo lang geleden hebben ze zijn maag moeten leegpompen. Hij neemt vaak Rennies. Maar toch voorzichtig. De eeuwige jeugd bereikt men immers door een juist en efficiënt toepassen van de juiste combinatie van multi-vitaminepreparaten, beauty farms, fitnessprogramma’s en plastische chirurgie. Haarverf, hairwaving, anti-rimpelcrème, celterapie. Retine-A. Met getrokken degen de tijd tegemoet.”

 

 
Didi de Paris (Leuven, 10 mei 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Willem Wilmink, Jorie Graham, Pieter Boskma, Charles Simic

 

Dolce far niente

 

 
Slapende man met boek door Yehuda Pen, ca. 1900-1910

 

Een probleem

Vandaag vroeg mijn zoontje
met angstige stem :
‘Als iemand dood gaat
wat gebeurt er dan met hem ?’
Nu ken ik wel iemand
die daarover zegt :
‘Wie dood is komt in de hemel terecht
dus boven de wolken, dus altijd mooi weer
met een bal in het gras en ijsjes, meneer.’
Maar weer iemand anders vertelde zo waar
‘Als je dood bent, dan komt er een tovenaar.
Dan tovert hij aan je en word je een dier
een mus of een tijger, een leeuw of een mier.
Zelf mag je kiezen welk dier je wilt zijn,
een mug of een olifant of een konijn.’
Maar op een morgen ben ik gegaan
naar een man die heel oud was, dus gauw dood zou gaan
‘Of ik een dier wordt,’ zei deze man
‘Of ik in de hemel kom, ik weet er niets van,
maar als ik dood ben is ’t eerste wat ik doe
honderd jaar slapen. Want ik ben moe…’

 

 
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
De Grote Kerk in Enschede, de geboorteplaats van Willem Wilmink

 

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

Mother’s Hands Drawing Me

Dying only mother’s hands continue
undying, blading into air,
impersonal, forced, curving it
down — drought incessant rain
revolution and the organs shutting
down but not these extremities,
here since I first opened my first
eyes first day and there they were,
delicate, pointing, will not back off,
cannot be remembered. Mother,
dying — mother not wanting to
die — mother scared awakening
each night thinking she’s dead —
crying out — mother not
remembering who I am as I run
in — who am I — mother we must
take away the phone because who
will you call next — now saying I
dreamt I have to get this dress on, if
I get this dress on I will not die —
mother who cannot get the dress on
because of broken hip and broken
arm and tubes and coils and pan
and everywhere pain, wandering
delirium, in the fetid shadow-
world — geotrauma — trans-
natural — what is this message
you have been scribbling all your
life to me, what is this you drag
again today into non-being. Draw it.
The me who is not here. Who is the
ghost in this room. What am I that
is now drawn. Where are we
heading. Into what do you throw
me with your quick eye — up onto
me then down onto the blank of the
page. You rip the face
off. I see my elbow there where
now you bend it with the pen, you
fill it in, you slough it off me onto
more just-now making of more
future. You look back up, you take
my strangeness from me, you
machine me, you hatch me in. To
make what, mother, here in this
eternity this second this million
years where I watch as each thing is
seen and cancelled-out and re-
produced — multiplying aspects of
light in the morning air — the
fingers dipping frantic into the bag
of pens, pencils, then here they
are — the images — and the hands
move — they are making a
line now, it is our world,
it horizons, we ghost, we sleepwalk,
everything around us is leveled,
canceled, we background, we
are barely remains, we remain, but
for what, the fingers are deepening
curling, bringing it round, the mind
does not — I don’t think — know this
but the fingers, oh, for all my life
scribbling open the unseen,
done with mere things, not
interested in appraisal, just
seizure — what is meant by
seizure — all energy, business-
serious, about direction, tracing
things that dissolve from thingness
into in-betweens — here firm lines,
here powdery lift off — hunger,
fear — the study begins — all is not
lost — the thought a few seconds
wide — the perusal having gone
from here to here, aggregates,
thicket, this spot could be where
we came in, or where we are saved,
could be a mistake, looks across
room through me, me not here
then, me trying to rise in the beam,
nothing I do will make it
happen, rock-face, work that
excludes everything that is not
itself, all urge in the process of
becoming all effect, how can I touch
that hand like snow moving, when
is it time again as here there is no
time, or time has been loaded but
not cocked, so is held in reserve, all
wound up, I was also made but not
like this, I look for reluctance,
expectation, but those are not the
temperatures — if only I could be in
the scene — my time is not
passing — whose is the time that is
passing — the hands rushing across
the paper, cloudy with a sun
outside also rushing scribbling —
wisdom turning itself away from
wisdom to be — what — a thing that
would gold-up but cannot, a patch
of blue outside suddenly like the
cessation of language when lips
cease to move — sun — self-
pronouncing — I want this to not be
my writing of it, want my hands not
to be here also, mingling with hers
who will not take my hand ever into
hers, no matter how late we are, no
matter that we have to run so fast
through all these people and I need
the hand, somewhere a radiant
clearing, are we heading for it, head
down towards the wide page, hand
full of high feeling, cannot tell if it
takes or gives, cannot tell what it is
that is generating the line, it comes
from the long fingers but is not
them, all is being spent, the feeling
that all — all that we need or have —
would be spent for this next thing
this capture, actually loud though
all you can hear is the small
scratching, and I feel dusk
approaching though it is still early
afternoon, just slipping,
no one here to see this but me, told
loud in silence by arcs, contours,
swell of wind, billowing, fluent —
ink chalk charcoal — sweeps, spirals,
the river that goes
nowhere, that has survived the
astonishments and will never
venture close to that heat again, is
cool here, looking up at what,
looking back down, how is it
possible the world still exists, as it
begins to take form there, in the not
being, there is once then there is the
big vocabulary, loosed, like
a jay’s song thrown down when the
bird goes away, cold mornings,
hauling dawn away with it, leaving
grackle and crow in sun — they have
known what to find in the unmade
undrawn unseen unmarked and
dragged it into here — that it be
visible.

 

 
Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Pieter Boskma werd geboren in Leeuwarden op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Pieter Boskma op dit blog.

 

Drie liedjes uit het zwarte water

(licht lied)

Liefje als het later
aan het zwarte water
onder lichtgeklater
nog als nu als nu kon zijn

Heel ons leven staat er
en alles alles gaat er
in een stille schater
door ons terug in zijn voorbij

Liefje als het later
zoals nu als nu kon zijn:
goud over berg en water
en dat oude goud zijn wij.

(donker lied)

Maar als het als het later
aan het lange zwarte water
onder duisternisgeklater
een alleen alleenzijn is
En jouw leven staat er
als een schaduw naast en
begint opnieuw te praten
als van onder aarde

Dan zal ook ik ontwaken
in de opgegraven stem
waarmee ik over water
naar je kom toegerend

 

Klamme lente

Een boeket violen staat
te zwiepen op de radio.
Ergens in een studio
zweet de dirigent zich dood.

Het is inderdaad een warme dag.
Anderhalf miljoen mussen
vielen van de daken – toch
glimlachen wij welterusten.

Slaap je al? Ik ook niet, nee.
Het is te warm, te warm…
Mijn God wat ben je klam…
Hoe laat? Een uur of twee.

Ook de kikkers raken al
vermoeid na drie keer kwaken.
Hoog in de concertzaal
puffen vaag de sterren

en beginnen zoek te raken.
Het waterig applaus wordt
afgebroken door het nieuws.
Negen Mei en dertig graden,

voorbij flitst het bestaan.
Bekkenslag. Een buiging.
En dan het zachte kraken
van de bevroren nacht.

 

 
Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956)
Cover

 

De Amerikaanse dichter Charles Simic werd geboren in Belgrado op 9 mei 1938. Zie ook alle tags voor Charles Simic op dit blog.

 

Old Couple

They’re waiting to be murdered,
Or evicted. Soon
They expect to have nothing to eat.
In the meantime, they sit.

A violent pain is coming, they think.
It will start in the heart
And climb into the mouth.
They’ll be carried off in stretchers, howling.

Tonight they watch the window
Without exchanging a word.
It has rained, and now it looks
Like it’s going to snow a little.

I see him get up to lower the shades.
If their window stays dark,
I know his hand has reached hers
Just as she was about to turn on the lights.

 

So Early in the Morning

It pains me to see an old woman fret over
A few small coins outside a grocery store –
How swiftly I forget her as my own grief
Finds me again – a friend at death’s door
And the memory of the night we spent together.

I had so much love in my heart afterward,
I could have run into the street naked
Confident anyone I met would understand
My madness and my need to tell them
About life being both cruel and beautiful,

But I did not – despite the overwhelming evidence:
A crow bent over a dead squirrel in the road,
The lilac bushes flowering in some yard,
And the sight of a dog free from his chain
Searching through a neighbor’s trash can.

 


Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2018 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Robert W. Service, Roddy Doyle, Thomas Pynchon, Pat Barker, Gary Snyder, Rocko Schamoni, Gerrit Kamphuis

 

Dolce far niente

 

Old man door Mark Liptrott, z. j.

 

My Rocking-Chair

When I am old and worse for wear
I want to buy a rocking-chair,
And set it on a porch where shine
The stars of morning-glory vine;
With just beyond, a gleam of grass,
A shady street where people pass;
And some who come with time to spare,
To yarn beside my rocking-chair.

Then I will light my corn-cob pipe
And dose and dream and rarely gripe.
My morning paper on my knee
I won’t allow to worry me.
For if I know the latest news
Is bad,–to read it I’ll refuse,
Since I have always tried to see
The side of life that clicks with glee.

And looking back with days nigh done,
I feel I’ve had a heap of fun.
Of course I guess that more or less
It’s you yourself make happiness
And if your needs are small and few,
Like me you may be happy too:
And end up with a hope, a prayer,
A chuckle in a rocking-chair.

 


Robert W. Service (16 januari 1874 – 11 september 1958)
St. John’s Minster in Preston, Lancashire, de geboorteplaats van Robert W. Service

 

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit: The Snapper

“–It’s shockin’, said Jimmy Sr again,—so it is. Wha’ do you think o’ this?
He was talking to Veronica.
–I don’t know, said Veronica.
–Is tha’ the best yeh can do, Veronica?
–Well, what do YOU think?
Jimmy Sr creased his face and held it that way for a second.
–I don’t know, he said.—I should give ou’, I suppose. An’ throw a wobbler or somethin’. But—what’s the point?
Veronica nodded. She looked very tired now.
Jimmy Sr continued.
–If she was—
He turned to Sharon.
–You should’ve come to us earlier—before, yeh know—an’ said you were goin’ to get pregnant.
The three of them tried to laugh.
–Then we could’ve done somethin’ abou’ it.—My God, though.
No one said anything. Then Jimmy Sr spoke to Sharon again.
–You’re absolutely sure now? Positive?
–Yeah, I am. I done—
–Did, said Veronica.
–I did the test.
–The test? said Jimmy Sr.—Oh.—Did yeh go in by yourself?
–Yeah, said Sharon.
–Did yeh? Fair play to yeh, said Jimmy Sr.—I’d never’ve thought o’ tha’.
Sharon and Veronica looked at each other, and grinned quickly.
Jimmy Sr got down to business.
–Who was it?
–Wha’?—Oh. I don’t know.
–Ah now, Jaysis—!
–No, I do know.
–Well, then?
–I’m not tellin’.
Jimmy Sr could feel himself getting a bit angry now. That was better.”

 

 
Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon werd op 8 mei 1937 geboren in Glen Cove, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Thomas Pynchon op dit blog.

Uit: V

“Beatrice brought beer. There was a piercing yelp from one of the back tables, she flinched, beer slopped over the edge of the glass. “God,” she said, “it’s Ploy again.” Ploy was now an engine-man on the mine sweeper Impulsive and a scandal the length of East Main. He stood five feet nothing in sea boots and was always picking fights with the biggest people on the ship, knowing they would never take him seriously. Ten months ago (just before he’d transferred off the Scaffold) the Navy had decided to remove all of Ploy’s teeth. Incensed, Ploy managed to punch his way through a chief corpsman and two dental officers before it was decided he was in earnest about keeping his teeth. “But think,” the officers shouted, trying not to laugh, fending off his tiny fists: “root canal work, gum abscesses….” “No,” screamed Ploy.
They finally had to hit him in the bicep with a Pentothal injection. On waking up, Ploy saw apocalypse, screamed lengthy obscenities. For two months he roamed ghastly around the Scaffold, leaping without warning to swing from the overhead like an orangutan, trying to kick officers in the teeth. He would stand on the fantail and harangue whoever would listen, flannelmouthed through aching gums. When his mouth had healed he was presented with a gleaming, regulation set of upper and lower plates. “Oh God,” he bawled, and tried to jump over the side. But was restrained by a gargantuan Negro named Dahoud. “Hey there, little fellow,” said Dahoud, picking Ploy up by the head and scrutinizing this convulsion of dungarees and despair whose feet thrashed a yard above the deck. “What do you want to go and do that for?” “Man, I want to die, is all,” cried Ploy. “Don’t you know,” said Dahoud, “that life is the most precious possession you have?” “Ho, ho,” said Ploy through his tears. “Why?” “Because,” said Dahoud, “without it, you’d be dead.” “Oh,” said Ploy. He thought about this for a week. He calmed down, started to go on liberty again. His transfer to the Impulsive became reality. Soon, after Lights Out, the other snipes began to hear strange grating sounds from the direction of Ploy’s rack. This went on for a couple-three weeks until one morning around two somebody turned on the lights in the compartment and there was Ploy, sitting crosslegged on his rack, sharpening his teeth with a small bastard file. Next payday night, Ploy sat at a table in the Sailor’s Grave with a bunch of other snipes, quieter than usual. Around eleven, Beatrice swayed by, carrying a tray full of beers. Gleeful, Ploy stuck his head out, opened his jaws wide, and sank his newly filed dentures into the barmaid’s right buttock. Beatrice screamed, glasses flew parabolic and glittering, spraying the Sailor’s Grave with watery beer. It became Ploy’s favorite amusement.”

 

 
Thomas Pynchon (Glen Cove, 8 mei 1937)

 

De Engelse schrijfster Pat Barker werd geboren in Thornaby-on-Tees op 8 mei 1943. Zie ook alle tags voor Pat Barker op dit blog.

Uit: Noonday

“Closing the front door quietly behind her, Elinor took a moment to absorb the silence. Facing her, directly opposite the front door, where nobody could possibly miss it, was a portrait of her brother, Toby, in uniform. It had been painted, from photographs, several years after his death and was frankly not very good. Everybody else seemed to like it, or at least tolerate it, but Elinor thought it was a complete travesty. Item: one standard-issue gallant young officer, Grim Reaper for the use of. There was nothing of Toby there at all. Nigel Featherstone was the artist: and he was very well regarded; you saw his portraits of judges, masters of colleges, politicians and generals everywhere, but she’d never liked his work. Her own portrait of Toby was stronger – not good, she didn’t claim that – but certainly better than this. She resented not having been asked to paint this family portrait: his own sister, after all. And every visit to her sister’s house began with her standing in front of it. When he was alive, Toby’s presence had been the only thing that made weekends with the rest of her family bearable. Now, this portrait – that blank, lifeless face – was a reminder that she was going to have to face them alone.
She caught the creak of a leather armchair from the open door on her left. Oh, well, better get it over with. She went into the room and found Tim, her brother-in-law, sitting by the open window. As soon as he saw her he stood up and let his newspaper slide, sighing, to the floor. `Elinor.’ He pecked her proffered cheek. ‘Too early for a whisky?’ Evidently it wasn’t: there was a half-empty glass by his side. She opened her mouth to refuse but he’d already started to pour. ‘How was the train?’ `Crowded. Late.’ ‘Aren’t they all?’ When she’d first met Tim he might’ve been a neutered tomcat for all the interest he aroused in her. She’d thought him a nonentity, perhaps influenced in that – as in so much else – by Toby, who hadn’t liked Tim, or perhaps hadn’t found much in him to either like or dislike. And yet Tim had gone on to be a successful man; powerful, even. Something in Whitehall, in the War Office. Which was strange, because he’d never actually seen active service.”

 


Pat Barker (Thornaby-on-Tees, 8 mei 1943)
Cover

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

Night Song of the Los Angeles Basin

Owl
calls,
pollen dust blows
Swirl of light strokes writhing
knot-tying light paths,

calligraphy of cars.

Los Angeles basin and hill slopes
Checkered with streetways. Floral loops
Of the freeway express and exchange.

Dragons of light in the dark
sweep going both ways
in the night city belly.
The passage of light end to end and rebound,
—ride drivers all heading somewhere—
etch in their traces to night’s eye-mind

calligraphy of cars.

Vole paths. Mouse trails worn in
On meadow grass;
Winding pocket-gopher tunnels,
Marmot lookout rocks.
Houses with green watered gardens
Slip under the ghost of the dry chaparral,

Ghost
shrine to the L. A. River
The jinja that never was there
is there.
Where the river debouches
the place of the moment
of trembling and gathering and giving
so that lizards clap hands there
—just lizards
come pray, saying
“please give us health and long life.”

A hawk,
a mouse.

Slash of calligraphy of freeways of cars.

Into the pools of the channelized river
the Goddess in tall rain dress
tosses a handful of meal.

Gold bellies roil
mouth-bubbles, frenzy of feeding,
the common ones, the bright-colored rare ones
show up, they tangle and tumble,
godlings ride by in Rolls Royce
wide-eyed in brokers’ halls
lifted in hotels
being presented to, platters
of tidbit and wine,
snatch of fame,

churn and roil,

meal gone the water subsides.

A mouse,
a hawk.

The calligraphy of lights on the night
freeways of Los Angeles

will long be remembered.

Owl
calls;
late-rising moon.

 

Changing Diapers

How intelligent he looks!
on his back
both feet caught in my one hand
his glance set sideways,
on a giant poster of Geronimo
with a Sharp’s repeating rifle by his knee.

I open, wipe, he doesn’t even notice
nor do I.
Baby legs and knees
toes like little peas
little wrinkles, good-to-eat,
eyes bright, shiny ears
chest swelling drawing air,

No trouble, friend,
you and me and Geronimo
are men.

 

 
Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

De Duitse schrijver, entertainer, muzikant, acteur en clubeigenaar Rocko Schamoni (pseudoniem van Tobias Albrecht) werd geboren op 8 mei 1966 in Lütjenburg. Zie ook alle tags voor Rocko Schamoni op dit blog.

Uit: Fünf Löcher Im Himmel

„Ab und zu blieb er stehen, um die Hand am Koffergriff zu wechseln. Er bog in eine Seitengasse ein, lief sie hinunter, beobachtete schweigend die Häuser und Wohnungen, an denen er vorbeikam, die Kneipen und Läden und die überall geparkten Autos. Sein Gesichtsausdruck blieb regungslos. Straße für Straße lief er hinunter und Viertel für Viertel, manchmal setzte er sich für einen Moment auf eine Bank oder eine Mauer, rauchte eine Zigarette und starrte dabei in das Nichts zwischen den Sternen.
Schließlich, nach Stunden, erreichte er den Stadtrand. Die Häuser wurden flacher, es gab kaum noch Geschäfte und Kneipen, nur noch endlose Wohnsiedlungen, von kleinen Straßen und Wegen durchzogen, ab und zu einen Zeitungskiosk, die Außenhaut eines gigantischen Organismus.
Paul kam zu einer Schrebergartensiedlung. Die Nacht war halb vorüber, und es hatte zu nieseln begonnen, langsam zog die feuchte Kälte in seine Kleidung. Er fand eine Hütte, die verlassen aussah, die Parzelle war verwildert, die Gartenpforte hing schief in den Angeln. Vorsichtig betrat er das Grundstück, das von einer hohen Buchsbaumhecke umgeben war, und arbeitete sich zur Eingangstür der Hütte vor. Sie war verschlossen. Paul lehnte sich langsam, aber mit dem ganzen Gewicht seines Körpers dagegen und hielt den Griff gedrückt, irgendwann hörte er ein knackendes Geräusch, das morsche Holz des Türrahmens gab nach, und Paul trat ein. Er leuchtete mit dem Feuerzeug in den Raum. Vor ihm lag ein ziemlich verwahrlostes, kleines, aber komplett eingerichtetes Zimmer. Er schloss die Tür hinter sich und zündete die Kerze an, die auf einem Campingtisch in der Mitte des Raumes stand. Er setzte sich auf das Sofa dahinter und atmete tief durch. Eine Weile beobachtete er den Dunst, den seine Atemluft in der Kälte bildete, dann schlief er ein, und sein Kopf sank auf die Brust.
Ein Knurren weckte Paul. Er schlug die Augen auf. Ein paar Sonnenstrahlen schienen ihm durch das verstaubte Wohnzimmerfenster ins Gesicht. Es knurrte wieder, hell und unangenehm rasselnd. Langsam griff Paul nach dem Messer in seiner Manteltasche, er öffnete die Klinge mit dem Daumen und zog es vorsichtig heraus. Dann beugte er sich vor, um den Raum überblicken zu können. In der Ecke neben dem Kühlschrank hockte ein Tier, er konnte es im Schatten kaum erkennen, vielleicht ein Marder. Langsam erhob sich Paul und griff dabei mit der anderen Hand nach einem schweren gläsernen Aschenbecher vor ihm auf dem Tisch. Der Marder knurrte, bewegte seinen Kopf drohend vor und zurück. Je näher Paul kam, desto nervöser wurde das Tier, langsam hob er die Hand mit dem Aschenbecher, doch plötzlich brach der Marder fauchend aus der Ecke hervor, sprang blitzschnell an ihm hinauf, biss wütend in den Mantel und stürzte quiekend durch den Raum und unter das Sofa. Nervöses Geraschel war zu hören, dann herrschte für einige Sekun-den absolute Ruhe. Vorsichtig hob Paul mit der linken Hand das Sofa an, in der anderen hielt er den Aschenbecher. Aber der Marder war verschwunden. Paul durchsuchte die Schränke nach etwas Essbarem, er fand ein paar alte Teebeutel und zwei abgelaufene Konservendosen mit Erbsensuppe, die er sich auf dem Herd aufwärmte. Er sah sich ein bisschen um, entdeckte eine elektrische Heizung und drehte sie auf.“

 


Rocko Schamoni (Lütjenburg, 8 mei 1966)

 

De Nederlandse dichter en essayist Gerrit Kamphuis werd geboren in Zwolle op 8 mei 1906. Zie ook alle tags voor Gerrit Kamphuis op dit blog.

 

Veronica’s Doek

Dit hoofd. bloedrig bezweet en vuil,
de starend-groote schrik der oogen
en stekels scheurend in het hooge
Voorhoofd, verminkt door schram en buil.
Geen deernis en geen mededoogen,
afschuw van zooveel walglijk leed
Is in het neerslaan onzer oogen.

Maar God, waarom voor hem zoo wreed,
terwijl met ons Gij waart bewogen?

Doch geen, die uw geheimen weet
dan dat: Gij zijt met ons bewogen.

 

Twee vrienden

Het luide licht zweeg tot een schaduw grijs
En loom. De avond hief de donkre hulling
Van zijn mantel. En traag werd de vervulling
Der dingen stil, en ’t zong een zachte wijs.

Wij gingen eenzaam langs het duistre water
En dachten ieder aan het leven om ons heen
En in ons hart; en elk wist zich alleen –
Toen hebben wij gesproken over nu en later.

Maar ’t was vergeefs; het somberdreigend duister
Kon nimmer aan ons moede hart ontgaan –
Later, in een spiegel, zag elk ’t ontdaan
Gelaat en hoorde zijn vervreemd gefluister.

 

 
Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 – 25 april 1998)
Midden jaren 1920

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2019 en ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 3.

Marjolijn van Heemstra, Willem Elsschot, Almudena Grandes, Peter Carey, Robert Browning

 

Dolce far niente

 

 
Slaaploze nacht door Nikolaj Romadin, z.j.

 

Slaapdagboek

Slaapadvies 1 tot en met 5:
Verwijder wekkers.
Maak de avond rond en elke handeling een bocht op weg naar slaap.
Creëer gewoontes, simpel als een glas water.
Draag een pyjama om het lijf te overtuigen van de nacht.
Denk als je wakker ligt niet: ik lig wakker. Denk: ik lig en dat is het begin van slapen.

Maar dit begin ligt gekanteld, vier poten en de blik omhoog, als een schaap niet in staat zichzelf te draaien. De nacht heeft in- en uitgeademd, op de wekker die ik wegdeed hebben de wijzers zestiggraden afgelegd, gradaties donker trokken door de kamer tot nu, de meest doorlaatbare, nautische schemer: al urenlang verandert alles, maar niet dit begin — of hoe moet ik het noemen? Een zeef tussen binnen en buiten. Het wiegen van een tak in en uit de schaduw. Dit schommelend in tweeën liggen: half verdwenen, half aanwezig.

Slaapadvies 6: De pijnappelklier, de pit in de hersens die donker meet en doet versuffen kan gebaat zijn met een dosis extra melatonine.

In afwachting van de werking google ik de klier, de pit. De zetel van de ziel, schrijft Descartes, ter grootte van een erwt. Een kogelrond vissenoog dat open en glazig mijn brein verkent; schaamte, klein conflict, wie te bellen, wat te zeggen, wat recht moet, ongedaan gemaakt, het overzichtelijk leed dat leven heet en zich ’s nachts tot rozenkrans rijgt. Het oog schiet erlangs, kraal voor kraal, razendsnel, een waanzinnige erwt, een neurotische non in gebed. Als dit een zetel is, dan een wankele, mijn ziel tot wandelen gedoemd.

Slaapadvies 7: Een bed is groter dan een bed. Het is het hele huis dat je toedekt, inclusief zijn mensen. Ken het ritme van wie naast je ligt.

Maar ik vind geen ritme of het moet het ritme zijn van een ruïne, een langzaam overwoekerd worden. Van zijn lichaam losgeknoopt ligt wie naast mij ligt geduldig te vergaan tot open plek. Wie weet waar hij nu wakker is, met wie zijn geest versmelt. In zijn adem hoor ik geroezemoes van nachtelijk bezoek terwijl ik gesloten op de veren lig.

Slaapadvies 8 tot en met 31:
Vermijd licht. Verduister. Oefen.
Eet bananen. Eet geen fruit.
Zoek het licht op. Drink warme melk.
Kies een houding waarin slaap je overvalt.
Sta op. Val af. Open ramen.
Trek sokken aan. Sokken uit. Vermijd melk. Adem. Handen naast je.
Pieker niet. Lees. Wandel. Lig stil.
Praat. Tel. Vergeet.
Onthaal de slaap.

Achter me een trage voetstap, een paard, in het laatste donker opgedoemd, dat mij volgt, het hoofd een zware engel in mijn nek. Ik verberg me in de manen, val uit mijn wervels, gered. Ik aai, klop, juich maar vergeet het paard te voeren, het loopt doodkalm van mij weg.

Slaapadvies 32:
Becijfer, om grip te krijgen, je slaap van een tot tien.
De laatste tram.
Een dronken galm.
De hese stem van het meisje bij de buren op tv.
Negen, acht.
Het rolluik van de avondwinkel. Zeven.
Laag voor laag afgepeld. Zes, vijf vier, tot dit bangste dier

 

 
Marjolijn van Heemstra (Amsterdam, 10 februari 1981)
Amsterdam bij nacht

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

‘Pension de famille de premier ord re’ was wel een beetje overdreven. Wat het ‘confort moderne’ betreft, dat bestond voornamelijk hierin, dat men dadelijk een huissleutel kreeg en dus ook bij nacht vrij gaan en komen kon zonder iemand te moeten opbellen. Elektrische verlichting en een badgelegenheid daarentegen, hield men er niet op na. Werd er al eens naar gevraagd door een nieuweling die zich na een week of zo onrein begon te gevoelen, of door een die er alles van weten wilde voor hij begon, dan maakte madame Brulot hem duidelijk dat zij van beide nieuwigheden afgezien had wegens het daaraan verbonden gevaar. Het afbranden van de Bazar de la Charité, waarbij een paar honderd mensen het leven verloren, was volgens madame Brulot veroorzaakt door kortsluiting in de elektrische geleiding, en schuin over de Villa was er eens een deurwaarder van nog geen veertig jaar in zijn bad gestikt, zonder dat de buren ook maar één kreet vernomen hadden. Door `déjeuners et diners au cachet’ werd bedoeld dat men ook ’s middags of ’s avonds kon komen eten zonder dat men in de Villa zijn intrek behoefde te nemen, waardoor het aantal monden nogal afwisselde. Het ‘English spoken’ dagtekende uit een tijd toen er onder de kostgangers der Villa een heer was, die in Londen had gewoond en daarom opsneed met zijn Engels. Nog steeds kende madame Brulot een woord of vijf zoals yes, no, money, room en dinner. Laat ons Caesar geven wat hem toekomt. Het dient ter ere van madame Brulot gezegd dat het eten, een paar artikelen van ondergeschikt belang en dan die eieren terzijde gelaten. heus zo slecht niet was. De grondstoffen kocht zij in eigen persoon en het toebereiden ervan werd overgelaten aan de zorgen van een keukenmeid. bijgestaan door een kamermeisje, dat gewoonlijk ook net iets van koken afwist. De spijzen. althans die welke genuttigd werden op de twee grote gemeenschappelijke maaltijden. welke respectievelijk ’s middags om twaalf en ’s avoinds om zeven uur aanvingen, waren voor alle kostgangers dezelfde. Maar toch werden zeer uiteenlopende prijzen betaald. Hierop hadden verscheidene factoren een meer of minder overwegende invloed, en wel in de eerste plaats de grootte, ligging en meubilering der kamer welke men betrok, de hoeveelheid voedsel welke men gebruikte, de financiele reputatie van het land waar men vandaan kwam (Amerikanen bijvoorbeeld betaalden in de regel meer dan Polen of Armeniers) eindelijk de gezondheid en de ouderdom der kostgangers in verband met de meer of mindere last door ieder van hen veroorzaakt. Men werd dan ook nooit anders dan op proef aangenomen, hetzij voor een week, hetzij voor een maand, al naar gelang van de indruk die men hij het eerste onderhoud op madame Brulot maakte, waarbij ook rekening gehouden werd met het gewicht en de kubiekinhoud van het meegebrachte reisgoed. Dit laatste was echter hij de beoordeling gaandeweg minder overwegend geworden, sedert madame Brulot allertreurigste ondervindingen opgedaan had met een paar reusachtige koffers. Madame Brulot beoordeelde haar nieuwelingen nog dikwijls zeer verkeerd, al had zij tijd genoeg gehad om zich in de loop der jaren te volmaken in een studie, welke toch rechtstreeks tot haar vak behoorde. Zo kon zij zich niet geheel losmaken an het vooroordeel, dat dikke mensen altijd veel en magere gewoonlijk weinig spijs en drank gebruiken, zonder te bedenken dat zwaarlijvigen dikwijls matigheid moeten betrachten, terwijl magere kerels vaak met een lintworm rondlopen, wat natuurlijk een ramp is voor een kosthuis.”

 


Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)
Cover DVD

 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Dat was waar, maar ook niet waar. Ze was geboren aan zee, in een buurtschapje van vissers, zo dicht bij Almería dat het haast een buitenwijk van de stad leek. Daar was het nooit koud. Dat wist ik omdat haar jongste zus begin maart was getrouwd en ons had uitgenodigd voor de trouwerij. Aanvankelijk had het bericht weinig indruk op mij gemaakt, want we hadden wel vaker dergelijke uitnodigingen gekregen en daar was nooit iets mee gebeurd, maar die keer was anders dan anders. Ten eerste omdat mijn moeder had besloten ernaartoe te gaan, om weer terug te gaan naar haar dorp waar ze meer dan tien jaar niet was geweest. En ook omdat ze had besloten ons mee te nemen. In 1947 was die reis een enorme gebeurtenis voor elke familie in de Sierra Sur.
‘En waarom gaat papa niet mee?’ durfde ik te vragen toen we al in de streekbus zaten die ons van Fuensanta naar Martos zou brengen, terwijl ik door het raampje naar hem keek en zag hoe hij ons op de stoep stond uit te zwaaien.
‘Daarom niet.’
‘Maar waarom niet?’
‘Omdat hij niet kan.’
‘Moet hij werken?’
‘Ja, natuurlijk.’
Die ochtend was mijn dorp ontwaakt onder een dun laagje sneeuw. In Martos was de sneeuw niet blijven liggen, maar het was er wel heel koud. Dat weet ik nog, omdat de bus ons met ruim twintig minuten vertraging afzette bij het station en we naar de trein moesten rennen, maar ondanks het geren, het gezweet en het gedoe met de koffers met de cadeaus voor de bruid en haar familie kregen we het maar niet warm.
Moeder dreef ons voort als een stel schapen, terwijl ze met een getypt vel papier in haar hand door de gangpaden liep, op zoek naar de twee leden van de Guardia Civil die meereisden in de trein. Ik zat voor het eerst zonder mijn vader in een trein, en hoewel ik probeerde net te doen of alles heel gewoon was omdat ik, doordat hij niet meeging, de enige man van de familie was, was ik voor alles bang. Als hij erbij was, was het anders. Als hij vooropging in zijn uniform, met zijn driekante steek en zijn dienstwapen, gingen de reizigers voor ons opzij, en in plaats van ons naar onze kaartjes te vragen, haastten de conducteurs zich om zo nodig iemand op te laten staan zodat we allemaal bij elkaar konden zitten, maar deze keer ging mijn vader niet mee, en ik vertrouwde niet helemaal op de twee getypte vellen papier die hij ons in een envelop had meegegeven toen hij bij het portier van de streekbus afscheid van ons nam.”

 


Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren op 7 mei 1943 in Bacchus Marsh (Victoria). Zie ook alle tags voor Peter Carey dit blog.

Uit: Amnesia

“It was a spring evening in Washington DC; a chilly autumn morning in Melbourne; it was exactly 22:00 Greenwich Mean Time when a worm entered the computerised control systems of countless Australian prisons and released the locks in many other places of incarceration, some of which the hacker could not have known existed. Because Australian prison security was, in the year 2010, mostly designed and sold by American corporations the worm immediately infected 117 US federal correctional facil­ities, 1700 prisons, and over 3000 county jails. Wherever it went, it travelled underground, in darkness, like a bushfire burning in the roots of trees. Reaching its destinations it announced itself: THE CORPORATION IS UNDER OUR CONTROL. THE ANGEL DECLARES YOU FREE.
This message and others more elaborate were read, in English, by warders in Texas, contractors in Afghanistan, Kurdistan, in immigrant detention camps in Australia, in Woomera, black sites in the Kimberley, secret centres of rendition at the American “signals facility” near Alice Springs. Sometimes prisoners escaped. Some­times they were shot and killed. Bewildered Afghans and Filipinos, an Indonesian teenager wounded by gunfire, a British Muslim dying of dehydration, all these previously unknown individuals were seen on public television, wandering on outback roads.
The security monitors in Sydney’s Villawood facility read: THE ANGEL OF THE LORD BY NIGHT OPENED THE PRISON DOORS, AND BROUGHT THEM FORTH. My former colleagues asked, what does this language tell us about the perpetrator?
I didn’t give a toss. I was grateful for a story big enough to push me off the front pages where I had already suffered PANTS ON FIRE. I was spending my days in the Supreme Court of New South Wales paying Nigel Willis QC $500 an hour so I could be sued for defamation. Nigel’s “billable hours” continued to accrue well past the stage when it became clear that he was a fuckwit and I didn’t have a chance in hell, but cheer up mate: he was betting 3:2 on a successful appeal. That my barrister also owned a racehorse was not the point.”

 

Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 mei 1943)

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

VIII
So, quiet as despair, I turn’d from him,
That hateful cripple, out of his highway
Into the path the pointed. All the day
Had been a dreary one at best, and dim
Was settling to its close, yet shot one grim
Red leer to see the plain catch its estray.

IX
For mark! no sooner was I fairly found
Pledged to the plain, after a pace or two,
Than, pausing to throw backward a last view
O’er the safe road, ’t was gone; gray plain all round:
Nothing but plain to the horizon’s bound.
I might go on; nought else remain’d to do.

X
So, on I went. I think I never saw
Such starv’d ignoble nature; nothing throve:
For flowers—as well expect a cedar grove!
But cockle, spurge, according to their law
Might propagate their kind, with none to awe,
You ’d think; a burr had been a treasure trove.

XI
No! penury, inertness and grimace,
In the strange sort, were the land’s portion. “See
Or shut your eyes,” said Nature peevishly,
“It nothing skills: I cannot help my case:
’T is the Last Judgment’s fire must cure this place,
Calcine its clods and set my prisoners free.”

 

 
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)
Portret door Pen Browning, 1882

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

 De Nederlandse schrijver Rob van Essen heeft de Libris Literatuur Prijs 2019 gewonnen. Dat werd gisteravond bekendgemaakt in Nieuwsuur, traditioneel vanuit het Amstel Hotel in Amsterdam. Van Essen won met zijn autobiografische roman “De goede zoon”. Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.
En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer!”

 

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Toon Tellegen, Willem Kloos, Hélène Gelèns

 

Dolce far niente

 


Schlafender Mann door Adolph Menzel, 1855

 

Slaap

Er is slaap in overvloed,
tot in de benauwdste ogenblikken toe,
maar niet genoeg voor iedereen

een enkeling blijft wakker,
ziet de hemel rood worden,
elke ochtend opnieuw

hij wacht tot er honger komt
en er komt honger, dor en stoffig
en van heel ver weg,
maar niet genoeg voor iedereen

hij is de eerste nu,
hij begint haastig te lijden,
grijpt zijn pen en beschrijft zijn honger met genadeloze
onbeholpenheid

de zon komt op
en tussen potvissen roggebrood hemelsblauw
slapen de laatsten,
spreken hun laatste dromen aan.

 


Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)
De Zusterhof in Brielle

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij

Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel,
Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen
Dat niets dan Gij mij nog iets liefs kan wezen
En alles òm u – zonder u – zoo koel,

Zo leeg, zo vreemd dat ik mij-zelf niet voel,
Wen ver van u – en ‘k wens om weg te wezen,
Weg van mij-zelf, in ’t land des doods, doods vrezen
Vergetend om de vrees voor ’t donker koel

En doods gewoel des levens, dat in kringen
Rond-draait geduriglijk, en Ik draai mee,
Ach, ik, een klein arm ding in duizend dingen,
Met u geslingerd in één-zelfde dringen,
Wijl onze klare stemmen kalm als twee
Koralen uit het duister hoog-op zingen.

 

Geglimlach

De mensen doen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte’ in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
’t Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, —

Hopen en haken of er niet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.. .
Maar áls ’t wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn bleutjes…
’t Leven zegt: „zo! ..” en neemt het weer weerom.

0, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendlijke peutjes,
0, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

 

Mijn stemming is als van een stilstaand water

Mijn stemming is als van een stilstaand water
Vlak uitgemeten in een wijde kom.
Wat anders daalde en rees in luid geklater,
Is thans als een mooi avondweder stom.

O, ik gevoel zo innig, dat ik kom
Door droef geschrei en helderblij geschater
Op tot mijns levens hoogtepunt en ‘k som
Mijn smart van altijd op, mijn heil van later.

Ik ben een mens, die veel heeft liefgehad,
Die veel bemind was en die altijd wist,
Dat minnen zalig maakt en liefde deugd is.

Maar nu ik sta op ’t kruispunt van mijn pad,
Weet ik zo klaar, dat ‘k zeer mij heb vergist
En dat der Muze wil mijn eenge vreugd is.

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Portret door Willem Witsen, 1893

 

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Mij nieuw

eind juli. in de boemel terug van de prinsentuin
naar amsterdam almaar dichter de mist almaar kouder

mijn mannen de deur uit en nieuwe laat ik aangeroerd staan
kans na kans voorbij zonder spijt maar nu trekt de kou bij mij in

de ik die ik ben denkt de ik die ik was ver van zich af
zonder spijt maar nu ik zo traag reis mis ik het minzieke

dan lees ik bij dichter W geen hoop geen zin geen bedvriendin
hoe weet ik niet maar zijn veertig en geen bed werkt over wrikt
mij open: de mist is maar mist de kou staat weer buiten
de helende kracht van poëzie? dit is mij nieuw

zomer en mannen laat ik staan – geen moed geen moed
en ook al geen moed – het voelt goed voor vandaag
maar veel langer? ach veertig ik weet hoe dat gaat
morgen of volgende maand vonk! ik weer

 

Halt

I
halt houden? hoe vaak al niet?
gister nog letterlijk halt: teruggepiept
naar een grutto op een niet brommen bord
vandaag nog in kwart tempo: geslingerfietst
door de tunnel die tinkelt reutelt plonkt
zo vaak halt! op een rechte weg naar huis een zijweg inslaan
want daar heuvelt het kronkelt het zindert het zomers
de dag beginnen met vrijen blijven vrijen eindeloos
vrijen terwijl je weet je moet weg aan het werk iemand wacht
zo vaak al
je legt je adem in wat zwiepzwaait wat vonkt wat klinkt
er is altijd een plek voor je hand om te rusten
maar je steigert als iemand klaagt
houd nou toch eindelijk eens halt

 

 
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn blog van 6 mei 2018 deel 3 en eveneens deel 4.

Als je niet oplet (Remco Campert)

 

Bij 5 mei

 

 
Het Bevrijdingsmonument Irene in Den Haag

 

Als je niet oplet

Deze muziek mag je niet spelen
dat boek zou ik maar niet lezen
die foto zou ik maar verscheuren

met hem kun je beter niet gezien worden
daar krijg je misschien last mee
ik zou mijn mond maar houden

wat je straks alleen nog mag
is in een donker hol verborgen

verlangen naar het licht van de vrijheid

die je verspeeld hebt
omdat je even de andere kant uitkeek
toen je buren werden weggehaald

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag.