De Nederlandse dichteres en schrijfster Mischa de Vreede werd geboren in Batavia, in het voormalige Nederlands-Indië, op 17 september 1936. Zij was het middelste kind en enige dochter van een dominee en een onderwijzeres. Zij werd Henny gedoopt, naar de op Ambon overleden eerste vrouw van haar vader. In 1957 debuteerde zij als dichteres in het driemansbundeltje “Morgen mooi weer maken”, In 1959 ontving zij de Herman Gorterprijs (voorheen Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam) voor het gedicht “Een jong meisje droomt” uit de bundel “Met huid en hand” (poëziereeks De Windroos). Zij had toen al een kort verhaal in het toonaangevende literaire tijdschrift Podium gepubliceerd. Vanaf 1969 was zij genoodzaakt ‘van de pen te leven’; ze schreef onder meer columns voor de VARA radio, recenseerde kinderliteratuur voor NRC Handelsblad en hield voor het toenmalige bureau SSS lezingen door het hele land. Ook maakte zij (reis)verslagen voor onder anderen Vrij Nederland, Intermagazine en Elégance. Zie ook alle tags voor Mischa de Vreede op dit blog.
Thuiskomen
zullen ze wat zeggen
en wat zullen ze zeggen
als ik de deur door kom
wat zie je er uit
je bent ver weg geweest
of zullen ze niets zeggen
en alleen maar kijken
of niets zeggen zelfs niet kijken
maar doorgaan met doen
net of er niets gebeurd is
hier ben ik dan
hun vriendelijke vreemdeling
ik spreek de taal der mensen
hoe is het weer
het is weer ja
het is weer nee
het is weer mooi weer
buiten
Dit jaar november
de zomer gezeefd tot een heldere herfst die droog en ritselend winter wordt
in het holle van dit huis heb ik een wankele warmte gebouwd zorgvuldig mijn eenzaamheid versierd hier woon ik hier leef ik hier speel ik val ik sta op en speel verder
kijk onder mijn handen groeit een vrouw ik ben de vrouw kijk onder mijn handen groeit een kind ik krijg het kind kijk onder mijn handen groeit de dood ik ben het die dood gaat
verwond en verwonderd heb ik gewonnen ga slapen met open mijn handen [de maan is een gat in de nacht]
Liefste: als ik dit zeg
liefste: als ik dit zeg is er een lichaam aan het woord is er veel water waar dorst was is er een hemels bloot huis moedertaal voertaal wordt voelbaar ik ruik je gezicht ik zie je genieten vaderlands zingen je handen mij open oh hoor toch hoor nou toch hier een wereld wentelt zich zwijgend een boom groeit waaiend naar boven stromende stil staat de tijd als een zee
zijn wij elkaar zeer bewoonbaa
Mischa de Vreede (Batavia, 17 september 1936)
In 1986
The stillness that doth wait on change is here, Some pause of expectation owns the hour; And faint and far I hear the sea complain Where gray and answerless the headlands tower.
Slow fails the evening of the dying year, Misty and dim the waiting forests lie, Chill ocean winds the wasted woodland grieve, And earthward loitering the leaves go by.
Behold how nature answers death! O’erhead The memoried splendor of her summer eves Lavished and lost, her wealth of sun and sky, Scarlet and gold, are in her drifting leaves.
Vain pageantry! for this, alas, is death, Nor may the seasons’ ripe fulfilment cheat My thronging memories of those who died With life’s young summer promise incomplete.
The dead leaves rustle ‘neath my lingering tread. Low murmuring ever to the spirit ear: We were, and yet again shall be once more, In the sure circuits of the rolling year.
Trust thou the craft of nature. Lo! for thee A comrade wise she moves, serenely sweet, With wilful prescience mocking sense of loss For us who mourn love’s unreturning feet.
Trust thou her wisdom, she will reconcile The faltering spirit to eternal change When, in her fading woodways, thou shalt touch Dear hands long dead and know them not as strange.
For thee a golden parable she breathes? Where in the mystery of this repose, While death is dreaming life, the waning wood With far-caught light of heaven divinely glows.
Thou, when the final loneliness draws near, And earth to earth recalls her tired child, In the sweet constancy of nature strong Shalt dream again—how dying nature smiled.
Silas Weir Mitchell (15 februari 1829 – 4 januari 1914) Philadelphia, de geboorteplaats van Silas Weir Mitchell
Uit: Een seizoen in het paradijs (Vertaald door Adriaan van Dis)
“30 december Halfzeven. Nog enkele uren, minuten bijna. De overgang tussen winter en zomer, leven en dood, Europa en Afrika, zijn een vervreemding, kastratie – balling-schap – en integratie. Buiten is geen geluid, geen vogel, geen wind of melkkar of auto. Niets. Doods. Alleen een klein stukje halve maan, dat als een schurftige koe op haar post, over haar kalf moet waken. Buiten is de dood. Het is tijd om te vertrekken. Hij heeft niet geslapen, en de nacht van gisteren evenmin, en de nacht daarvoor nog minder. Je moet dood zijn voordat je kunt herrijzen. En met de vermoeienis wordt de opwinding in bedwang gehouden. Vermoeienis wordt in de aderen gespoten om het hart te kalmeren. Tegen de vroege morgen heeft hij zich verkleed, keek naar zijn naakte lichaam, naar de ribben en de knieën. Een oude monnik zit al rechtop, stil in meditatie. Als je niets wil worden moet je vroeg uit de veren. Een meditatie waar komen en gaan geen verschil maakt. Een stilte. Noch winter, noch zomer. Maar tussen geboorte en dood trappen we wat lol. Neem me niet kwalijk, meester, maar dit is een avontuur waarin je jezelf met heel’t hart en nieren en darmen moet storten. Je kunt hier niet afzijdig tegenover staan. Daar ginds moet een oude ik gehaald worden opdat hij finaal tot rust kan komen. Alles is in orde; alles is opgeruimd. Hij heeft de pantoffels waarop hij al jaren rondsloft als aandenken aan zijn land – fetisjist – uiteindelijk ook in de vuilnisbak gegooid. De dag zal grijs over de stad komen, over de winter; zal net genoeg licht maken om je weg uit dit koude hol te kunnen zien. ‘Kom lief Vlekje, word wakker! Sta op! We moeten gaan!’ Wanneer je erg moe bent is het alsof je je in zee bevindt. (Misschien is de zee wel de moeheid om jou.) Het ene ogenblik ben je zo paniekerig als kippevel, ervan overtuigd dat je iets essentieels hebt achtergelaten, dat je te laat zult aankomen enz. Dan ontspan je weer even argeloos, alles speelt over en om je heen alsof het jou niet aangaat, alsof je lichaam niet ter zake is. De avond voor ons vertrek geven we de laatste instrukties en raad aan de sprieterige Amerikaanse die tijdens onze afwezigheid op het huis zal passen. We hebben alle mogelijke voorzorgsmaatregelen tegen burgeroorlog, de pest, staking, en zondvloed proberen te treffen en hopen stil (ík tenminste) dat, terwijl we weg zijn, een stier van een vent zijn opwachting en inbraak zal maken om onze loge van haar verbeten kuisheid, die aanleiding geeft tot een onooglijke staroogigheid, te genezen. Ons huis is een huis van de liefde. Ons vertrek – en vooral ons doel – hebben we voor al onze vrienden en kennissen geheim proberen te houden. Zij die wel de lont zagen smeulen, kwamen in de laatste nacht afscheid nemen met zachte glimlachen en warme handpalmen; geamuseerd door onze holderdebolder opwinding. Een journalist, van het journalistige Zuid-Afrikaanse soort dat hun werk ziet als strips zonder plaatjes, is ons vanuit Londen op het spoor gekomen en we konden zijn snuivende snor in de kier tussen voordeur en vloertegels angstig op en neer zien gaan.”
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)
Heeft u gewonnen? Loop dan even mee naar achteren,
hier komt een willekeurig einde aan. Waar zijn uw adviseurs,
of bent u voorbereid? ‘Je komt er tegenwoordig
niet meer aan te pas.’ Een paleis voor uw gedachten.
Nu u zo weinig heeft te zeggen, laat ik vast verklappen waar wij u niet op hebben gewezen: het tegenlicht, het prijzengeld, de voorgeschreven zinnen, de herhaling tot vervelens toe en de gevolgen desondanks.
Zoveel woordkeus komt er aan te pas als u bevatten kunt. Wij schrappen niets, u bent van onschatbare waarde. Wij kunnen u zelfs onmogelijk met droge ogen aanschouwen.
Blijft u hier maar even staan. Zo mist u alle hoogtepunten. Fraai is dat: is het buitenaards genoeg, blijkt er altijd weer een markt voor te vinden. Blij dat dit eruit is?
Land zo ver je kijken kunt
En dan gaat het doek op, het rode woordje exit stelt ons gerust.
Je concentreert je weer op de verkeerde dingen, in de verte doe je me
zelfs denken aan iemand anders. Zo met die sigaret in je mondhoek,
een reisgids in je linkerhand, je wapen in je rechter. Verdacht veel
aandacht voor het detail. Is deze verering wel terecht? Hoe ver draagt je echo? Onze kijkzucht overtreft de stoutste verwachtingen, maar het is niets om je zorgen over te maken, jouw schuld is het niet, zoals je daar staat, de afstand ontmaskerd: het beeld is nauwelijks weg te denken.
Er stond iets te gebeuren? Of is het al voorbij, de vingers aan de trekker, de kringelende rook – dat kan ik niet hebben gedaan denk je nog, dat kán ik niet hebben gedaan. Al die achterdocht om niets, gekneed uit het soort stof waar, in een uiterst verleden, dromen werden gemaakt.
“Hier staan wij dan, in de striemende regen aan de rand van Medemblik, een handvol oude, verdrietige mannen die ooit avond aan avond barstensvolle zalen wisten te verbijsteren en door de kunstkritiek uit die dagen eenstemmig tot – ik citeer – ‘de paladijnen van een nieuw tijdperk’ werden uitgeroepen. Nieuw tijdperk, jawel! Nog geen drieënhalve maand duurde het of het hooggeëerde publiek gaf als vanouds overal weer de voorkeur aan het gladde vertoon en de gemakzucht van het tweede garnituur dat alleen per abuis misgrijpt, al doende moppen tapt en het liefst bovendien nog om het geslachtsdeel een hoepeltje of wat zou laten cirkelen, als het fatsoen dat toestond. En niet lang daarna zagen ook de kenners hun vergissing in en lazen wij over – ik citeer opnieuw – ‘behaagzieke dilettanten die door niemand serieus genomen zullen worden, aangezien het wezen van de behendigheidskunst hun ten enen male ontgaat’. Nee, leuk was dat allemaal niet, om van hetgeen wij sedertdien te verduren hebben gekregen nog te zwijgen, maar het heeft ons in ieder geval niet verhinderd te blijven jongleren, zoals er volgens ons gejongleerd moet worden. En als het nieuwe tijdperk niet aan de wereld besteed blijkt te zijn, zo verzekerden wij elkaar onderwijl op onze zolders en in onze achtertuintjes tussen de waslijnen, dan moet de wereld het zelf maar weten. Zo verstreken de jaren en op zekere dag kwamen wij tot de ontdekking dat het tweede garnituur van vroeger vergeleken bij de ellendelingen die naderhand de podia veroverden gerust een stelletje onvervaarde avonturiers genoemd mocht worden. En die lamstralen waren weer een verademing, als je zag wat een volgende lichting ervan terechtbracht… Het zou van weinig smaak getuigen om uitgerekend hier verder nog een woord vuil te maken aan de wijze waarop er tegenwoordig met de kostbaarheden van de zwaartekracht wordt omgesprongen. Wat ik alleen maar wilde zeggen is dat men ons van alles en nog wat voor de voeten kan werpen, behalve dat wij ons met laf effectbejag hebben ingelaten, een enkele schnabbel wellicht niet meegerekend. En met gegoochel, ballet en lolbroekerij gelukkig evenmin. Wij zijn er, kortom, in geslaagd de weg van de minste weerstand te vermijden. En in nog heviger mate – van die intensiteit is dit einde het bewijs – geldt dit voor degene van wie wij vandaag afscheid nemen en die ons op zijn beurt keer op keer van virtuositeit heeft beschuldigd – jullie herinneren je hoe hij bij het uitspreken van dat woord de punt van zijn karakteristieke neus tussen de toppen van duim en wijsvinger placht te vatten, wat hij in de vele, veel te vele nadagen van zijn loopbaan als een prestatie van formaat aangemerkt wenste te zien-, eens ons voorbeeld, onze inspiratiebron en ons idool, Daan Dativo, God hebbe zijn ziel, als het Hem tenminste lukt daarop de nodige vat te krijgen!”
Frans Kusters (16 september 1949 – 20 november 2012) Op de achterkant van de verhalenbundel “Paarse dingen”
“Everyone in the Public Defender’s office had to take the jail rotation. Unlike my colleagues, I didn’t mind it. If, as my law school teachers had insisted, the law was a temple, it was a temple built on human misery and jails were the cornerstones. It was salutary to have to encounter the misery on a regular basis because otherwise it became too easy to believe that trials were a contest between lawyers to see who was the craftiest. It was good to be reminded that when I lost a case someone paid a price beyond my wounded pride. Not that I was in particular need of that memo at the moment. A few months earlier, I’d lost a death penalty case where, rara avis, my client was innocent. Not generally innocent, of course—he had been in an out of juvie hall, jails and prison since he was 15—but innocent of the murder charge. After the jury returned its guilty verdict, I snapped. When the judge asked the usual, “Would you like to have the jury polled, Mr. Rios?” I jumped to my feet and shouted, “This isn’t a jury, it’s a lynch mob.” He warned me, “Sit down, counsel, or I’ll find you in contempt.” I unloaded on him. “You could never hold me in more contempt than I hold you, you reactionary hack. You’ve been biased against my client from day one . . .” I continued in that vein until the bailiff dragged me out of the courtroom and into the holding cell. Eventually, I was released, lectured, held in contempt, fined a thousand dollars, and relieved as my client’s lawyer. When word got around the criminal defense bar about my rampage, I received congratulatory calls but not from my boss, the Public Defender himself. A death penalty trial is really two trials, the guilt phase where the jury decides whether the defendant committed the charged murder, and the penalty phase where the same jury decides whether to sentence him to death or life without parole. My outburst came at the end of the guilt phase. This meant another deputy public defender would have to be appointed to the case, get up to speed, and argue for my client’s life in front of the same jury I’d called a lynch mob. “I should just fucking fire you,” Mike Burton told me, savagely rubbing his temples. The PD was a big man, an ex-cop in fact who had his own awakening about the criminal law system after he watched his partner beat a confession out of a suspect in the days before Miranda. “The only reason I’m not is that if Eloy does get death, at least you’ve handed us grounds for appeal.” He glared at me. “Ineffective assistance of counsel.“
“THOMAS BROWN STOPPED going to church at twelve after one Sunday morning when he had been caught playing behind the minister’s pul-pit by several deacons who had come up into the room early to count the money they had collected from the other chil-dren in the Sunday school downstairs. Thomas had seen them putting some of the change in their pockets and they had seen him trying to hide behind the big worn brown pul-pit with the several black Bibles and the pitcher of ice water and the glass used by the minister in the more passionate parts of his sermons. It was a Southern Baptist Church. “Come on down off of that, little Brother Brown,” one of the fat, black-suited deacons had told hint. “We see you tryin’ to hide. Ain’t no use tryin’ to hide in God’s House.” Thomas had stood up and looked at them; all three of them, big-bellied, severe and religiously righteous. “I wasn’t tryin’ to hide,” he said in a low voice. “Then what was you done behind Reverend Stone’s pulpit?” “I was praying,” Thomas had said coolly After that he did not like to go to church. Still, his mother would make him go every Sunday morning; and since he was only thirteen and very obedient. he could find no excuse not to leave the house. But after leaving with his brother Edward, he would not go all the way to church again. He would make Edward, who was a year younger, leave him at a certain corner a few blocks away from the church where Saturday-night drunks were sleeping or wait-ing in misery for the bars to open on Monday morning. His own father had been that way and Thomas knew that the waiting was very hard. He felt good toward the men, being almost one of them, and liked to listen to them curse and threaten each other lazily in the hot Georgia sun. He liked to look into their faces and wonder what was in their minds that made them not care about anything except the bars opening on Monday morning. He liked to try to dis-tinguish the different shades of black in their hands and arms and faces. And he liked the smell of them. But most of all he liked it when they talked to hint and gave him an excuse for not walking down the street two blocks to the Baptist church. “Don’ you ever get married, boy,” Arthur, one of the meaner drunks with a missing eye, told him on several oc-casions. The first time he had said it the boy had asked: “Why nor?”
James Alan McPherson (Savannah, 16 september 1943) Cover
Het sacrament van de wijding
(Christus presenteert de sleutels aan de heilige Petrus) door Nicolas Poussin, ca. 1630
Saint Peter
Now I think there is a likeness ‘Twixt St. Peter’s life and mine, For he did a lot of trampin’ Long ago in Palestine. He was ‘union’ when the workers First began to organise, And — I’m glad that old St. Peter Keeps the gate of Paradise.
When the ancient agitator And his brothers carried swags, I’ve no doubt he very often Tramped with empty tucker-bags; And I’m glad he’s Heaven’s picket, For I hate explainin’ things, And he’ll think a union ticket Just as good as Whitely King’s.
He denied the Saviour’s union, Which was weak of him, no doubt; But perhaps his feet was blistered And his boots had given out. And the bitter storm was rushin’ On the bark and on the slabs, And a cheerful fire was blazin’, And the hut was full of ‘scabs.’
*****
When I reach the great head-station — Which is somewhere ‘off the track’ — I won’t want to talk with angels Who have never been out back; They might bother me with offers Of a banjo — meanin’ well — And a pair of wings to fly with, When I only want a spell.
I’ll just ask for old St. Peter, And I think, when he appears, I will only have to tell him That I carried swag for years. ‘I’ve been on the track,’ I’ll tell him, ‘An’ I done the best I could,’ And he’ll understand me better Than the other angels would.
He won’t try to get a chorus Out of lungs that’s worn to rags, Or to graft the wings on shoulders That is stiff with humpin’ swags. But I’ll rest about the station Where the work-bell never rings, Till they blow the final trumpet And the Great Judge sees to thin
Henry Lawson (17 juni 1867 – 2 september 1922)
De katholieke St Joseph’s Church in Grenfell, New South Wales, de geboorteplaats van Henry Lawson
De Duitse dichteres en schrijfster Ursula Wölfel werd geboren op 16 september 1922 in Hamborn / Duisburg. Haar vader was de dirigent Karl Koethke en Wölfel groeide op in het Ruhrgebied als de jongste van vier broers en zussen. Zij studeerde aan de universiteit van Heidelberg Duits, geschiedenis, filosofie en psychologie. In 1943 trouwde ze met de architect Heinrich Wölfel, een jaar later werd haar dochter Bettina geboren. Haar man stierf in 1945 in krijgsgevangenschap. Na de oorlog werkte Wölfel als schoolassistente. Vervolgens volgde zij een opleiding tot lerares in het basisonderwijs en was zij assistente aan het Pedagogisch Instituut Jugenheim an der Bergstrasse. Van 1951 tot 1954 studeerde zij Duitse literatuur, kunstgeschiedenis en pedagogiek aan de universiteit van Frankfurt. Van 1955 tot 1958 werkte zij als lerares in het bijzonder onderwijs in Darmstadt en aan het begin van de jaren zestig was ze academisch assistente van Klaus Doderer tijdens de ontwikkelingsfase van het Institut für Jugendbuchforschung. In 1959 verscheen haar eerste kinderboek. Ze leefde vanaf 1961 als schrijfster in het Odenwald en was sinds 1972 lid van het PEN-centrum Duitsland.
Die Geschichte von der Maus im Laden
Einmal ist eine Maus nachts in den Laden gelaufen. Sie hat all die gut en Sachen gerochen: Butter und Speck und Wurst und Käse und Brot und Kuchen und Schokolade und Äpfel und Nüsse und frische Möhren. Sie hat sich auf die Hinterbeine gesetzt und das Schnäuzchen in die Luft ge-streckt und vor Freude gepfiffen. Aber womit sollte sie jetzt anfangen? Sie wollte gerade an einem Butterpaket knabbern, da hat es von der einen Seite so gut nach Speck gerochen und von der anderen Seite hat es so gut nach Käse gerochen! Sie wollte gerade am Käse knabbern, da hat es von der einen Seite so gut nach Wurst gerochen und von der anderen Seite hat es so gut nach Schokolade gerochen! Sie wollte gerade an der Schokolade knabbern, da hat es von der einen Seite so gut nach Kuchen gerochen und von der anderen Seite hat es wieder so gut nach Butter gerochen! Die arme Maus ist immer hin und her gerannt. Sie wusste und wusste und wusste nicht, was sie zu erst fressen sollte. Und auf einmal war es hell und die Leute sind in den Laden gekommen. Sie haben die Maus nach draußen gejagt. Die hat zu den anderen Mäusen gesagt: »Nie mehr gehe ich in den La-den! Wenn man gerade anfangen will zu fressen, wird man weggejagt!«
Das Miststück
Als der Vater noch bei ihnen wohnte, hatte die Mutter in der Fabrik gearbeitet. Dann war der Vater immer öfter zu einer anderen Frau gegangen, und schließlich blieb er ganz bei ihr und heiratete sie. Seitdem war die Mutter immer zu Hause. Sie sagte zu Peter und Wilma: „Ich bin krank. Ich kann nicht mehr arbeiten gehen.“ Aber am Abend ging sie oft in die Wirtschaft oder zu den Nachbarn, und wenn sie dann nach Hause kam, machte sie Lärm im treppenhaus. Sie redete laut mit sich selbst, sie schimpfte auf den Vater, weil er nicht genug Geld schickte und weil er die andere Frau geheiratet hatte. Die Leute im Haus wurden wach davon. Sie rissen die türen auf und riefen: „Bist du schon wieder besoffen, du Miststück? Halt die Klappe! Wir wollen schlafen!“ Und es gab jedes Mal Streit. Davon wurde Peter oft wach. Er hörte zu, bis die Mutter die Wohnungstür zuknallte, er zog sich die Decke über den Kopf und weinte. Wilma schlief immer so fest, sie hörte nichts, Peter war froh darüber. Wilma brauchte das alles nicht zu wissen, sie war doch erst sechs Jahre alt. Manchmal kam die Mutter nachts noch zu ihnen ins Zimmer. Dann merkte sie, dass Peter weinte, und sie setzte sich auf sein Bett und weinte auch. „Ich tu’s nicht mehr“, flüsterte sie dann. „Warum kann ich denn nicht aufhören damit? Aber ich tu’s nicht mehr, nie mehr, das verspreche ich dir!“
De Amerikaanse schrijfster Elizabeth McCracken werd geboren op 16 september 1966 in Boston. Zij bezocht de Newton North High School in Newton, Massachusetts en behaalde een B.A. en M.A. in Engels aan Boston University, een M.F.A. aan de Universiteit van Iowa, en een M.S. in Library Science aan Drexel University. In 2008 en 2009 woonde McCracken in Cambridge, MA, waar ze fellow was aan het Radcliffe Institute for Advanced Study. Ze is getrouwd met de schrijver Edward Carey. Ze hebben een zoon en een dochter; een eerder kind stierf voor de geboorte, een ervaring die de basis vormde van McCracken’s memoires “An Exact Replica of a Figment of My Imagination”. McCracken bekleedt de James Michener Chair of Fiction van het Michener Center for Writers aan de Universiteit van Texas in Austin”. Zij en haar man waren eerder verbonden aan de faculteit van de Iowa Writers ‘Workshop. In 1996 werd ze genomineerd voor de National Book Award en zij won in 2002 met “Niagara Falls All Over Again” de L.L. Winship / PEN New England Award. In 2014 publiceerde ze haar eerste verhalenbundel in 20 jaar: “Thunderstruck & Other Stories”.
Uit:Niagra Falls All Over Again
“It’s like this: Rocky has just been hired at a cheese factory. He’s in charge of making the holes in the Swiss, but he doesn’t know how. I’m the foreman, I say, A hole is nothing! You’re bothering me now about nothing? (Maybe it doesn’t sound funny on the page, but Beethoven on the page is just black dots.) Rocky gets nervous, and more nervous, and downright panicked about the holes, the nothing.
Onstage with Rocky, I was handsomer, funnier. If anyone in the audience recognized the Dutch comic made over into the fierce foreman, they forgave me. The crowd was no longer a squawk box worked by a crank — turn that crank harder! — but what they were: a bunch of gorgeous people who happened to find us very, very funny. Then suddenly Rocky ad-libbed in a big way: he jumped into my arms, all the way off the floor, so I was cradling him. Oof. Like a lady scared of a mouse, and so I said, “What are you, a man or a mouse?”
“Mouse,” he said in his squeakiest voice.
“You’re a mouse in a cheese factory,” I told him. “You’re living the life of Reilly.” I didn’t put him down. I was twenty years old, I could lift anything if an audience was involved.
“I’m scared,” he said.
“Oh, Rocky,” I said dotingly. “Poor Rocky. Shall I sing you a song?”
“Uh-huh,” he said.
So I started Brahms’s lullaby.
“Not that one,” he said.
“Okay.” I tried Rockabye Baby.
“No!” He thumped me on the chest.Rockabye Your Baby with a Dixie Melody? No. Beautiful Dreamer? Worse. You Made Me Love You? Out of the question. Abba-Dabba Honeymoon?
A sly nod, a settling in.
It’s almost impossible to hold on to 180 pounds of snuggling comic, but I managed. “You better sing with me, folks,” I told the audience, “or we’ll be here all night.” So they joined in, and that night five hundred people sang Rocky Carter to sleep for the first time. That’s the bit we became famous for: Why Don’t You Sleep? We did it a million times, in the movies, on radio, on TV. Veronica Lake sang Rocky to sleep, and Dan Dailey, and Bing Crosby. Always a different ridiculous song. Rocky said it was our funniest bit. Rock was educated — Harvard, he said sometimes, Princeton others, School of the Street, he told reporters. Anyhow, he studied things. What made Chaplin great? Keaton? A kind of tenderness and need, he said, not like these jokers everywhere. Why Don’t You Sleep would be how people remembered us, he said. It would be our signature.”
De Engelse dichter Alfred Noyes werd geboren op 16 september 1880 in Wolverhampton. Hij bezocht het Exeter College in Oxford, maar studeerde daar niet af. Op 21-jarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste poëziebundel, “The Loom Years”. In de periode 1903-1908 volgden vijf dichtbundels, waaronder “The Forest of Wild Thyme” en “The Flower of Old Japan and Other Poems”. In 1907 trouwde hij met Garnett Daniels. Van 1914 tot 1923 doceerde hij Engelse literatuur aan de universiteit van Princeton. Na de dood van zijn vrouw bekeerde Noyes zich in 1926 tot de rooms-katholieke kerk. Deze verandering van geloof behandelde Noyes ook in zijn in 1934 gepubliceerde boek “The Unknown God”. Later trouwde hij met Mary Angela Mayne Weld-Blundell, dochter uit een oude Anglicaanse familie die de kerk te verwierp.. Samen hadden ze drie kinderen: Henry, Veronica en Magaret. Vanwege toenemende blindheid naarmate hij ouder werd, werd Noyes gedwongen om zijn werken te dicteren. In 1953 verscheen zijn autobiografie “Two Worlds for Memory”. Noyes stierf op 77-jarige leeftijd en werd begraven op het Isle of Wight. Zijn levenswerk omvat ongeveer 60 boeken, waaronder dichtbundels, romans en korte verhalen. Zijn beroemde ballade “The Highwayman” werd voor het eerst op muziek gezet door de Amerikaanse singer-songwriter Phil Ochs en gepubliceerd op diens in 1965 verschenen album “I Ain’t Marching Anymore”. Commercieel succesvoller werd de ballade later opnieuw uitgebracht door de Canadese Loreena McKennitt op haar album “The Book Of Secrets” uit 1997.
The Highwayman
Part one
I The wind was a torrent of darkness among the gusty trees, The moon was a ghostly galleon tossed upon cloudy seas, The road was a ribbon of moonlight over the purple moor, And the highwayman came riding— Riding—riding— The highwayman came riding, up to the old inn-door.
II He’d a French cocked-hat on his forehead, a bunch of lace at his chin, A coat of the claret velvet, and breeches of brown doe-skin; They fitted with never a wrinkle: his boots were up to the thigh! And he rode with a jewelled twinkle, His pistol butts a-twinkle, His rapier hilt a-twinkle, under the jewelled sky.
III Over the cobbles he clattered and clashed in the dark inn-yard, And he tapped with his whip on the shutters, but all was locked and barred; He whistled a tune to the window, and who should be waiting there But the landlord’s black-eyed daughter, Bess, the landlord’s daughter, Plaiting a dark red love-knot into her long black hair.
IV And dark in the dark old inn-yard a stable-wicket creaked Where Tim the ostler listened; his face was white and peaked; His eyes were hollows of madness, his hair like mouldy hay, But he loved the landlord’s daughter, The landlord’s red-lipped daughter, Dumb as a dog he listened, and he heard the robber say—
V “One kiss, my bonny sweetheart, I’m after a prize to-night, But I shall be back with the yellow gold before the morning light; Yet, if they press me sharply, and harry me through the day, Then look for me by moonlight, Watch for me by moonlight, I’ll come to thee by moonlight, though Hell should bar the way.”
VI He rose upright in the stirrups; he scarce could reach her hand, But she loosened her hair i’ the casement! His face burnt like a brand As the black cascade of perfume came tumbling over his breast; And he kissed its waves in the moonlight, (Oh, sweet, black waves in the moonlight!) Then he tugged at his rein in the moonlight, and galloped away to the West.
De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook alle tags voor Lucebert op dit blog.
Wambos
Van rozenhout en snijkunst nog geuren en kraken de treurige tuinen de tijd een teng van molm en zweet beeft murmelt en prevelt
nu leeft en nu zaait sneltastend stenen vuur met al zijn hoornen vrouwelijk en manlijk opwaarts wankelende goed en kwaad gewillig gaat hij tussen onverschillig alle wateren der rust
zeggen kunnen vanuit hun nesten de poppen ik heb dorst & honger vorstelijk verschijnt de vader van zijn arbeidsveld nog stoffig er is bidden en beginnen en amen en opstaan maar niet gaan samen ja en nee en niet de honger baart het lam een lamzak
zo zie toe hoe vroom vogels de lucht versnijden een vlees van geest van zout ook dat ootmoedig en onmachtig het hart aan huilen hangt als een trap aan een dak
Stereographie
Naar stad en land van geluk Zullen wij samen gaan Niet hier en naast elkaar Maar hier en daar En ieder afzonderlijk
Op vuil water voetstappen Zijn onze handelingen En onze vrolijkheid is Een gevangenis vlammende
Maar ver van elkaar in de ruimte Is de ruimte een tweesnijdend mes Zijn rechterdaad is sterven Zijn linkerdaad is de dood.
Teken en tijd
Streng en eenvoudig spreken met de streng gelovige aarde de zwaarte voedt het zwevende in de danser die eens het vallen aanvaardde
en wat is gegeven als teken de berg de rivier en de afgrond zorg dat de adem dit opvat en het bloed in het lichaam het afrondt
ook al dragen zonen uw naam naar het steeds betere land gij wijst de weg waar te gaan want gij zijt Absoloms hand
Dichten doe ik nog, maar als in droom,
In een droom waarover ’t voorgevoel
Van te ontwaken in een werklijkheid
Die geladen is met ramp op ramp
Hangt als een zwaar onontkoombaar onweer
Dat in laatste stilt zijn donder uitbroedt
Over ’n lieflijk maar al rottend landschap.
Tussen zwammenwoekring bloeien bloemen,
Pluimen rijzen uit vergrauwde grassen,
Maar de meren spieglen vuile wolken
En het bos kromt al zijn volle kronen.
En ikzelf loop in mijn droom, dat landschap,
Eerst nog vergezeld, dan plotseling eenzaam,
Tegelijk loer ik van achter stammen
Om mijzelf van schrik te doen ontwaken
Maar ik ben verlamd – ik wil gaan roepen
Dat het onweer komt en de verwoesting
En daarna de doodlijke verdorring!
En ik roep, maar angst versmoort mijn kreet.
Ook ’t geluid is hier gestorven?
Hoor
Als een beek, onder toelopend rotsdak,
Die zo snel stroomt dat zij niet kan spieglen
De bedreiging die erboven hangt,
Ruist het dwars door ’t droomland, van verbazing,
Dat ik dood voorzie en door moet dichten
En de beek, ontsprongen uit die bron,
Roept met stroomversnelling, stemverheffing,
Maar zo diep dat ‘k niet kan onderscheiden
Of ’t is van verontwaardiging of toejuiching:
‘Dichten doe je nog?’
Ultra Mare
Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.
Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en asgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?
Outcast
’t Breed grauw gelaat van de Afrikaanse kust,
Na eeuwen van een ondoorgrondelijk wee
Gekomen tot een onaantastbre rust,
Staart steil terneer op de gekwelde zee.
Ons blijft ’t verneedrend smachten naar de ree.
Geen oceaan heeft onze drift geblust,
En niets op aard, ook zwerven niet, geeft rust,
En de enige toevlucht de prostituee.
Bij haar die achter iedre haven wacht
– Altijd een andre en toch steeds dezelfde –
Wordt ons heimwee tijdlijk ter dood gebracht.
En ook de sterrenheemlen die zich welfden
Over ons trekken, andre iedre nacht,
Zijn eindlijk saamgeschrompeld tot één zelfde.
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)
Borstbeeld in Leeuwarden
For that daring
to love your way,
they cursed you,
they condemned your body,
they spit on you,
believing that they could
spin your essence,
but nothing accomplished
to overcome your genius:
not the cold
that blushed your skin
and hurt your bones;
nor the superhuman days
who surrendered your eyelids
and sealed your breath;
nor dishonor
that punched your ego;
nor loneliness,
that caused your depression;
the pseudo-spiritual anathemas
they could not either
nor the contempt of those who liked
the supraexcellence
of your verb.
Now not even,
fearing sacrilege,
I could pronounce
your name,
Do not repeat your verses.
Your mind knew the truth
and it was more free
that the atrophied consciences,
of masked corruption
of the deaf sheep,
and the naive illogicals,
that were
outside.
And it flourished
with more momentum
your greatness,
and your soul grew
towards the unfading
eternal
dimension
Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)
Portret door Carlos Ribero, 2010
“Ugwu, sah.””Ugwu. And you’ve come from Obukpa?””From Opi, sah.””You could be anything from twelve to thirty.” Master narrowed his eyes. “Probably thirteen.” He said thirteen in English.”Yes, sah.”Master turned back to his book. Ugwu stood there. Master flipped past some pages and looked up. “Ngwa, go to the kitchen; there should be something you can eat in the fridge.””Yes, sah.”Ugwu entered the kitchen cautiously, placing one foot slowly after the other. When he saw the white thing, almost as tall as he was, he knew it was the fridge. His aunty had told him about it. A cold barn, she had said, that kept food from going bad. He opened it and gasped as the cool air rushed into his face. Oranges, bread, beer, soft drinks: many things in packets and cans were arranged on different levels and, and on the topmost, a roasted shimmering chicken, whole but for a leg. Ugwu reached out and touched the chicken. The fridge breathed heavily in his ears. He touched the chicken again and licked his finger before he yanked the other leg off, eating it until he had only the cracked, sucked pieces of bones left in his hand. Next, he broke off some bread, a chunk that he would have been excited to share with his siblings if a relative had visited and brought it as a gift. He ate quickly, before Master could come in and change his mind. He had finished eating and was standing by the sink, trying to remember what his aunty had told him about opening it to have water gush out like a spring, when Master walked in. He had put on a print shirt and a pair of trousers. His toes, which peeked through leather slippers, seemed feminine, perhaps because they were so clean; they belonged to feet that always wore shoes.”What is it?” Master asked.”Sah?” Ugwu gestured to the sink.Master came over and turned the metal tap. “You should look around the house and put your bag in the first room on the corridor. I’m going for a walk, to clear my head, i nugo?””Yes, sah.” Ugwu watched him leave through the back door. He was not tall. His walk was brisk, energetic, and he looked like Ezeagu, the man who held the wrestling record in Ugwu’s village.Ugwu turned off the tap, turned it on again, then off. On and off and on and off until he was laughing at the magic of the running water and the chicken and bread that lay balmy in his stomach. He went past the living room and into the corridor. There were books piled on the shelves and tables in the three bedrooms, on the sink and cabinets in the bathroom, stacked from floor to ceiling in the study, and in the store, old journals were stacked next to crates of Coke and cartons of Premier beer. Some of the books were placed face down, open, as though Master had not yet finished reading them but had hastily gone on to another.”
Chimamanda Ngozi Adichie (Enugu, 15 september 1977)
“Dubosc had overheard part of a conversation between him and the stranger. “You have saved us, mon cher,” said the General emotionally, his great white moustache trembling as he spoke. “You have saved the honour of the French Army – you have averted much bloodshed! How can I thank you for acceding to my request? To have come so far–”
To which the stranger (by name M. Hercule Poirot) had made a fitting reply including the phrase – “But indeed, do I not remember that once you saved my life?” And then the General had made another fitting reply to that, disclaiming any merit for that past service; and with more mention of France, of Belgium, of glory, of honour and of such kindred things they had embraced each other heartily and the conversation had ended.
As to what it had all been about, Lieutenant Dubosc was still in the dark, but to him had been delegated the duty of seeing off M. Poirot by the Taurus Express, and he was carrying it out with all the zeal and ardour befitting a young officer with a promising career ahead of him.
“To-day is Sunday,” said Lieutenant Dubosc. “Tomorrow, Monday evening, you will be in Stamboul.”
It was not the first time he had made this observation. Conversations on the platform, before the departure of a train, are apt to be somewhat repetitive in character.
“That is so,” agreed M. Poirot.
“And you intend to remain there a few days, I think?”
“Mais oui. Stamboul, it is a city I have never visited. It would be a pity to pass through – comme a.” He snapped his fingers descriptively. “Nothing presses – I shall remain there as a tourist for a few days.”
“La Sainte Sophie, it is very fine,” said Lieutenant Dubosc, who had never seen it.
A cold wind came whistling down the platform. Both men shivered. Lieutenant Dubosc managed to cast a surreptitious glance at his watch. Five minutes to five – only five minutes more!”
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)
Scene uit de gelijknamige film uit 2017
De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Zie ook alle tags voor Orhan Kemal op dit blog.
Uit: The Idle Years (Vertaald door Cengiz Lugal)
We saw Hasan Hüseyin the night we got back to Adana. We found out that my girlfriend had gone off with a sailor. Gazi’s had got engaged to her cousin who worked as a farmhand in a nearby village, and the Cretan café owner had been busted for dealing hashish and was doing time.
‘How about that?’ mused Gazi. ‘Would you believe it?’
As for me… ‘What are you thinking?’ Hasan asked me.
‘Don’t mind him,’ said Gazi. ‘He just can’t let things go. I don’t know what it is with him – you can’t dwell on these things.’
It was nearly midnight by the time I left them. I went over to the old sycamore tree, where we used to light matches and signal our girlfriends. It seemed to be waiting patiently, resigned to whatever fate might bring.
I leaned against its trunk. In the distance I saw the two brightly lit windows. It all looked exactly the way we had left it. I gave a loud whistle. I noticed two shadows pause at one of the windows. My second whistle created more of a stir. One of the shadows seemed to climb on the sofa. A lamp signalled ‘Coming!’ My face began to twitch, and my left ear started to hum. I thought of how she would break down and apologize… How on earth was she going to explain what she had done to me? How, I wondered? Just how?
She came and stood in front of me without even saying ‘Welcome back.’ We stood silently for a while.
‘Is it true?’ I asked eventually.
She remained quiet.
‘So it is true?’
Still nothing.
‘How did you meet him?’ I asked.
She still didn’t say a word.
‘So,’ I said, ‘I don’t have a chance.’
She raised her head and looked up to the stars, then folded her arms in front of her chest.
‘There’s no way he could love you the way I do,’ I said. ‘You’re going to regret this, believe me. You’re really going to regret it.’
She shrugged.
I flicked away the last of my cigarette and left.”
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)
Hier met echtgenote en kinderen
It happens sometimes when I lie sleepless on the bed with bronze paws, under the silent lamp: I hear the slaves rustling and whispering nearby — didn’t the heavy, shadowlike curtain stir just now? Are they deciding if they dare enter this room if they dare approach me? I am a stranger here while they belong to the household. But perhaps they don’t dare because I am one of the living, because the Oecus the master’s chamber, is forbidden to them and holy? Maybe it’s the major-domo whispering out there: The raised whisper—someone in the crowd is contentious is calmed down, reassured. —Dragging steps and silence I wrap myself in the blankets which disintegrated long ago and wait. Is that the curtain stirring again? Or did the lamp flicker? What draft can exist in this house, close as it is? I am here simply as a person in need of shelter. Did someone lift the curtain? Or want something of me? Sometimes when I wake from my sleep or torpor I feel as if someone had just touched me as if someone had awkwardly tried to stroke my hand.
Heard in a dream in the year 63, on the x sth of the harvest month at night: “You lie asleep in a sarcophagus with no bottom”— Half-wakened by these words, neither asleep nor wholly awake the marble-coffin comes to my mind more distinctly its shadows, its shimmering whiteness, a few clear details
first the rough-hewn inner sides, two long, two short: The stonecutter has not gone to much trouble here everywhere chisel-marks show, the corners are round He seems to have bestowed all his skill on the outside with its fruits flowers birds dolphins bucrania its fragments of myths: two figures sailing in scallops, holding veils filled with wind over their heads I am searching for my name—then with the clear logic of the dream it strikes me: since the coffin has no bottom it must also lack a lid. And he who rests there lies with his back against Nothing and his face toward Nothing. Only the force field of the four walls holds the sleeper floating between the bare interior’s demand to forgo and the power of the exterior, ornate with myths, to desire— Virgin, 0 Atokos, when this force field will be broken let me, in the dream, be neither reborn nor begotten What came before this has no scars from chisels. What is to come has no fruits or flowers.
Vertaald door Rika Lesser
Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)
Cover
“A wide frontier had been laid naked by this unexpected disaster, and more substantial evils were preceded by a thousand fanciful and imaginary dangers. The alarmed colonists believed that the yells of the savages mingled with every fitful gust of wind that issued from the interminable forests of the west. The terrific character of their merciless enemies increased immeasurably the natural horrors of warfare. Numberless recent massacres were still vivid in their recollections; nor was there any ear in the provinces so deaf as not to have drunk in with avidity the narrative of some fearful tale of midnight murder, in which the natives of the forests were the principal and barbarous actors. As the credulous and excited traveler related the hazardous chances of the wilderness, the blood of the timid curdled with terror, and mothers cast anxious glances even at those children which slumbered within the security of the largest towns. In short, the magnifying influence of fear began to set at naught the calculations of reason, and to render those who should have remembered their manhood, the slaves of the basest passions. Even the most confident and the stoutest hearts began to think the issue of the contest was becoming doubtful; and that abject class was hourly increasing in numbers, who thought they foresaw all the possessions of the English crown in America subdued by their Christian foes, or laid waste by the inroads of their relentless allies.
When, therefore, intelligence was received at the fort which covered the southern termination of the portage between the Hudson and the lakes, that Montcalm had been seen moving up the Champlain, with an army “numerous as the leaves on the trees,” its truth was admitted with more of the craven reluctance of fear than with the stern joy that a warrior should feel, in finding an enemy within reach of his blow. The news had been brought, toward the decline of a day in midsummer, by an Indian runner, who also bore an urgent request from Munro, the commander of a work on the shore of the “holy lake,” for a speedy and powerful reinforcement. It has already been mentioned that the distance between these two posts was less than five leagues. The rude path, which originally formed their line of communication, had been widened for the passage of wagons; so that the distance which had been traveled by the son of the forest in two hours, might easily be effected by a detachment of troops, with their necessary baggage, between the rising and setting of a summer sun. The loyal servants of the British crown had given to one of these forest-fastnesses the name of William Henry, and to the other that of Fort Edward, calling each after a favorite prince of the reigning family.”
James Fenimore Cooper (15 september 1789 – 14 september 1851)
Cover luisterboek
Bow down my soul in worship very low
And in the holy silences be lost.
Bow down before the marble man of woe,
Bow down before the singing angel host.
What jewelled glory fills my spirit’s eye,
What golden grandeur moves the depths of me!
The soaring arches lift me up on high
Taking my breath with their rare symmetry.
Bow down my soul and let the wondrous light Of beauty bathe thee from her lofty throne, Bow down before the wonder of man’s might. Bow down in worship, humble and alone; Bow lowly down before the sacred sight Of man’s divinity alive in stone.
Jasmines
Your scent is in the room. Swiftly it overwhelms and conquers me! Jasmines, night jasmines, perfect of perfume, Heavy with dew before the dawn of day! Your face was in the mirror. I could see You smile and vanish suddenly away, Leaving behind the vestige of a tear. Sad suffering face, from parting grown so dear! Night jasmines cannot bloom in this cold place; Without the street is wet and weird with snow; The cold nude trees are tossing to and fro; Too stormy is the night for your fond face; For your low voice too loud the wind’s mad roar. But, oh, your scent is here–jasmines that grow Luxuriant, clustered round your cottage door!
Claude McKay (15 september 1890 – 22 mei 1948)
Gefotografeerd door Carl Van Vechten in 1941
Uit:Reisen eines Deutschen in England im Jahre 1782
„Auf der Themse den 31sten Mai.
Endlich, liebster G…, befinde ich mich zwischen den glücklichen Ufern des Landes, das zu sehen, schon Jahre lang mein sehnlichster Wunsch war, und wohin ich mich so oft in Gedanken geträumt habe. Vor einigen Stunden dämmerten noch die grünen Hügel von England vor uns in blauer Ferne, jetzt entfalten sie sich von beiden Seiten, wie ein doppeltes Amphytheater.
Die Sonne bricht durch das Gewölk, und vergoldet wechselsweise mit ihrem Schein Gebüsche und Wiesen am entfernten Ufer. Zwei Masten ragen mit ihren Spitzen aus der Tiefe empor: fürchterliche Warnungszeichen! Wir segeln hart an der Sandbank vorbei, wo so viel Unglückliche ihr Grab fanden.
Immer enger ziehen sich die Ufer zusammen: die Gefahr der Reise ist vorbei, und der sorgenfreie Genuß hebt an. Wie ist doch dem Menschen nach der Ausbreitung die Einschränkung so lieb! Wie wohl und sicher ists dem Wandrer in der kleinen Herberge, dem Seefahrer in dem gewünschten Hafen! Und doch bleibt der Mensch immer im Engen, er mag noch so sehr im Weiten sein; selbst das ungeheure Meer zieht sich um ihn zusammen, als ob es ihn in seinen Busen einschließen wollte; um ihn ist beständig nur ein Stück aus dem Ganzen herausgeschnitten.
Aber das ist ein herrlicher Ausschnitt aus dem Ganzen der schönen Natur, den ich jetzt um mich her erblicke. Die Themse voll hin und her zerstreuter großer und kleiner Schiffe und Böte, die entweder mit uns fortsegeln oder vor Anker liegen; die Hügel an beiden Seiten mit einem so milden sanften Grün bekleidet, wie ich noch nirgends sahe. Die reizenden Ufer der Elbe, die ich verließ, werden von diesen Ufern übertroffen, wie der Herbst vom Frühlinge! Allenthalben seh ich nichts, als fruchtbares und bebautes Land, und die lebendigen Hecken, womit die grünen Weizenfelder eingezäunt sind, geben der ganzen weiten Flur das Ansehen eines großen majestätischen Gartens. Die netten Dörfer und Städtchen und prächtigen Landsitze dazwischen, gewähren einen Anblick von Wohlstand und Überfluß, der über alle Beschreibung ist.
Insbesondre schön ist die Aussicht nach Gravesand, einem artigen Städtchen; das einen der Hügel hinangebaut ist, und um welches Berg und Tal, Wiesen und Äcker mit untermischten Lustwäldchen und Landsitzen sich auf die angenehmste Art durchkreuzen. Auf einem der höchsten Hügel bei Gravesand steht eine Windmühle, die einen guten Gesichtspunkt gibt, weil man sie, nebst einem Teile der Gegend, noch weit hin auf den Krümmungen der Themse sieht. Aber wie denn kein Vergnügen leicht vollkommen ist, so sind wir bei Betrachtung aller dieser Schönheiten auf dem Verdeck noch einem sehr kalten und stürmischen Wetter ausgesetzt. Ein anhaltender Regenguß hat mich genötiget, in die Kajüte zu gehen, wo ich mir eine trübe Stunde dadurch aufheitre, daß ich Ihnen die Geschichte einer angenehmen beschreibe.“
Karl Philipp Moritz (15 september 1756 – 26 juni 1793)
Cover
De Amerikaanse schrijver Jim Curtiss werd geboren op 15 september 1969 in Beaver Falls, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Jim Curtiss op dit blog.
Uit:Change me
“Ten euros,” he said. I had thought double that, and right then I decided to buy two.
“Ok,” I said, “I’ll take two.” The guy gave me a big smile and took two of the stationary, plastic-bagged cows from the back row and handed them to me.
“Batteries included,” he said.
“What service,” I responded, and smiled. I took the 50 euros from my pocket and handed it over. His face sort of changed as I held out the money, and he fished around in his pockets before asking if I had something smaller. I didn’t. He looked around for a second and then suggested that I go into a bar — he pointed at one behind me — and ask for change. I turned around and looked. There was a side street that led off of the main shopping avenue, and maybe 50 feet down was a busy pub. The plastic garden furniture placed out in front was completely occupied and surrounded by napkins and other trash lying on the ground. I nodded and told him I’d be right back.
As I walked, I felt the weight of apprehension settle upon me — I wasn’t sure how to ask for change. I racked my brain for the phrase and found an approximation before walking into the bar. Everyone noticed me coming in. The whole pub quieted down to check out the stranger. At least 30 sets of eyes rested on me. But the most important set — the barman’s — came nowhere close to mine. He studiously avoided eye contact for a full minute before I spoke up, asking him in Spanish to change me. “Puede cambiar me?”
He didn’t lift his head from his task, but responded, “Into what?” The people around me laughed, but I didn’t understand the joke.
“Two 20s and a 10,” I said. He again said something I didn’t catch — more laughter. “I’m sorry,” I responded. “I don’t understand.”
Seltsam wirkt der Sterne Walten
Über unsern dunklen Wegen,
Ihren schweigenden Gewalten
Mußt du still ans Herz dich legen.
Mußt getrost im Schatten wandern,
Wenn dein Glück sich stumm verschleiert
Und die Welt das Fest der andern
Unbekümmert weiter feiert.
Nach dem Takt der ew’gen Runde
Wandelt das Geschick im Tanze.
Unbewußt ist dir die Stunde:
Plötzlich liegt die Welt im Glanze.
Unsterblicher Lindenduft
Unsterblich duften die Linden Was bangst du nur? Du wirst vergehn, und deiner Füße Spur wird bald kein Auge mehr im Staube finden.
Doch blau und leuchtend wird der Sommer stehn und wird mit seinem süßen Atemwehn gelind die arme Menschenbrust entbinden.
Wo kommst du her? Wie lang bist du noch hier? Was liegt an dir? Unsterblich duften die Linden
Ina Seidel (15 september 1885 – 2 oktober 1974)
Portret door Heinrich Wolff, 1931
The old grey year is near his term in sooth, And now with backward eye and soft-laid palm Awakens to a golden dream of youth, A second childhood lovely and most calm, And the smooth hour about his misty head An awning of enchanted splendour weaves, Of maples, amber, purple and rose-red, And droop-limbed elms down-dropping golden leaves. With still half-fallen lids he sits and dreams Far in a hollow of the sunlit wood, Lulled by the murmur of thin-threading streams, Nor sees the polar armies overflood The darkening barriers of the hills, nor hears The north-wind ringing with a thousand spears
Archibald Lampman (17 november 1861 – 10 februari 1899) Rondeau Provincial Park bij Morpeth, Ontario, de geboorteplaats van Archibald Lampman
Hoe zij recht staat; dat ik zie hoe zij dit doet door zo te staan zoals zij gewoon is: haar voeten iets uit elkaar, haar armen
neerhangend, haar kin iets omhoog; zo snel denkend, dat haar stem eerst liever wacht of het de moeite loont om het te zeggen. Juist zij is het
die afkomstig is uit zichzelf. Al wie haar nadering heeft herkend, al wie haar stem heeft doordroomd: die zal zich nooit kunnen vergeten.
Hoe onmooi is haar schoonheid. En hoe welluidend op haar handpalm alles zal kunnen verstuiven tot het nooit heeft willen bestaan.
Als ik een knipmes had
Als ik een knipmes had, kon ik tenminste mijn knip- mes open en dicht doen.
Met een schaar had ik knipbewegingen kunnen maken. Als ik aan haar denk zie ik haar het liefst in bloemetjesjurken; maar ik kan haar niet zien, degene zijnde
die ik ben. Dezelfde veerman; dezelfde
rivier; dezelfde obscene gebaren tijdens dat niet-roeien van hem.
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990) In 1989. Foto: Lela Zěckovič
“Even in early spring, Mure is pretty dark. Flora didn’t care; she loved waking up in the morning, curled up close, together in the pitch black. Joel was a very light sleeper (Flora didn’t know that before he had met her, he barely slept at all) and was generally awake by the time she rubbed her eyes, his normally tense, watchful face softening as he saw her, and she would smile, once again surprised and overwhelmed and scared by the depth of how she felt; how she trembled at the rhythm of his heartbeat. She even loved the frostiest mornings, when she had to pull herself up to get everything going. It was different when you didn’t have an hour-long commute pressed up against millions of other commuters breathing germs and pushing against you and making your life more uncomfortable than it had to be. Instead, she would rake up the damped peat in the woodburner in the beautiful guest cottage Joel was staying in while working for Colton Rogers, the billionaire who owned half the island. She would set the flames into life—and the room became even cozier in an instant, the flickering light from the fire throwing shadows on the whitewashed walls. The one thing Joel had insisted on in the room was a highly expensive state-of-the-art coffee machine, and she would let him fiddle with that while he logged on to the day’s work and made his customary remark about the many and varied failures of the island’s Internet reliability. Flora would take her coffee, pull on an old sweater, and wander to the window of the cottage, where she could sit on the top of the old oil-fired radiator, the type you get in schools but had cost Colton a fortune. Here she would stare out at the dark sea; sometimes with its white tips showing if it was going to be a breezy day; sometimes astonishingly clear, in which case, even in the morning, you could raise your eyes and see the brilliant cold stars overhead. There was no light pollution on Mure. They were bigger than Flora remembered from being a child. She wrapped her hands round her mug and smiled. The shower started up. “Where are you off to today?” she shouted. Joel popped his head out the door. “Hartford for starters,” he said. “Via Reykjavík.” “Can I come?” Joel gave her a look. Work wasn’t funny. “Come on. We can make out on the plane.”
„Als Victor beschleunigte, erzeugten die Wirbelschleppen hinter seinem elektrischen Porsche ein schauriges Pfeifen. Die Geschwindigkeit, der Wald, der sich als Dach über der Straße schloss, die perfekte Passform seines orthopädischen Schalensitzes – oft fühlte er sich auf dem Weg zur Arbeit, als würde er sterben. Dabei sah er sich von oben, seine graue Maschine wie ein U-Boot in einem tiefgrünen Meer, ein Schiff der Klasse 212A der ThyssenKrupp Marine Systems zum Beispiel, an der er gerade einen Anteil von 33 % bei der Staatsholding von Katar platziert hatte. Natürlich war ihm der Porsche peinlich, aber Victor war eine flexible Persönlichkeit. Es handelte sich um einen Firmenwagen, einen Anachronismus im Grunde, auf dem er bei seinem letzten Bankwechsel aber aus Prinzip bestanden hatte – aus Prinzip im umgangssprachlichen Sinne, also nicht einer Überzeugung Folge leistend, sondern da er spontan Lust gehabt hatte, nach einem Porsche zu verlangen, und da in Anbetracht des großen Interesses der Birken Bank an seiner Verpflichtung nur halbherzige Einwände zu erwarten gewesen waren. Mal abgesehen davon, dass es sich bei seinem Shere Khan, so die Modellbezeichnung, wie bei jedem Porsche mittlerweile, um einen auf Porsche getrimmten Audi handelte, der im Kern wiederum nicht mehr als ein getunter Volkswagen war. Als einer seiner Kunden, der Chef der Daimler AG, ihm vor kurzem bei einem Lunch die Zielsetzung anvertraut hatte, »Menschen davon träumen zu lassen, sich mit ihrem Auto ausdrücken und ihre Persönlichkeit darstellen zu können«, wäre ihm beinahe ein Bissen Branzino im Hals stecken geblieben. Denn etwas zu wollenmit seinem Auto, erschien Victor als armselig und deprimierend. Natürlich hätte man ihm seine Wahl der elektrischen Variante als Resultat des Bedürfnisses auslegen können, einen uniformen Individualismus auszuleben – ein Risiko, das Victor durch den Wegfall der schauerlichen Motorsport-Assoziation, den das Fehlen eines brüllenden Triebwerks garantierte, allerdings mehr als aufgewogen sah. Der Shere Khan war in seinen Augen ganz einfach ein Standardprodukt seiner sozioökonomischen Gruppe, das außer seiner Zugehörigkeit zu dieser, die sich ohnehin kaum leugnen ließ, rein gar nichts über ihn aussagte.“
Alexander Schimmelbusch (Frankfurt am Main, 14 september 1975)
„Der Untenstehende schlich sich leise unter den Baum, und gewahrte nun endlich auch den Jungen wie eine große schwarze Raupe um den Stamm herumhängen. Ob er ein Jäger war, ist seines kleinen Schnurrbartes und seines ausgeschweiften Jagdrocks unerachtet schwer zu sagen; in diesem Augenblicke aber mußte ihn so etwas wie ein Jagdfieber überkommen; denn atemlos, als habe er die halbe Nacht hier nur gewartet, um die Jungen in den Apfelbäumen zu fangen, griff er durch die Zweige und legte leise, aber fest, seine Hand um den Stiefel, welcher wehrlos an dem Stamme herunterhing. Der Stiefel zuckte, das Apfelpflücken droben hörte auf; aber kein Wort wurde gewechselt. Der Junge zog, der Jäger faßte nach; so ging es eine ganze Weile; endlich legte der Junge sich aufs Bitten. »Lieber Herr!« »Spitzbube!« »Den ganzen Sommer haben sie über den Zaun geguckt!« »Wart nur, ich werde dir einen Denkzettel machen!« Und dabei griff er in die Höhe und packte den Jungen in den Hosenspiegel. »Was das für derbes Zeug ist!« sagte er. »Manchester, lieber Herr!« Der Jäger zog ein Messer aus der Tasche und suchte mit der freien Hand die Klinge aufzumachen. Als der Junge das Einschnappen der Feder hörte, machte er Anstalten, hinabzuklettern. Allein der andere wehrte ihm. »Bleib nur!« sagte er, »du hängst mir eben recht!« Der Junge schien gänzlich wie verlesen. »Herrjemine!« sagte er. »Es sind des Meisters seine! – Haben Sie denn gar kein Stöckchen, lieber Herr? Sie könnten es mit mir alleine abmachen! Es ist mehr Pläsier dabei; es ist eine Motion; der Meister sagt, es ist so gut wie Spazierenreiten!« Allein – der Jäger schnitt. Der Junge, als er das kalte Messer so dicht an seinem Fleisch heruntergleiten fühlte, ließ den vollen Sack zur Erde fallen; der andere aber steckte den ausgeschnittenen Flecken sorgfältig in die Westentasche. »Nun kannst du allenfalls herunterkommen!« sagte er. Er erhielt keine Antwort. Ein Augenblick nach dem andern verging; aber der Junge kam nicht. Von seiner Höhe aus hatte er plötzlich, während ihm von unten her das Leid geschah, im Hause drüben das schmale Fensterchen sich öffnen sehen. Ein kleiner Fuß streckte sich heraus – der Junge sah den weißen Strumpf im Mondschein leuchten – und bald stand ein vollständiges Mädchen draußen auf dem Steinhof. Ein Weilchen hielt sie mit der Hand den offenen Fensterflügel; dann ging sie langsam an das Pförtchen des Staketenzaunes und lehnte sich mit halbem Leibe in den dunklen Garten hinaus.“
Theodor Storm (14 september 1817 – 4 juli 1888) Cover
“Leonsberg, 15 april 1973 Hoop van harte dat jullie allen het uitstekend maken. Denk a.u.b. niet dat het steeds te laat opsturen van het één en ander bij mij maar een vorm van nonchalance is. Hoegenaamd niet! Ik geloof dat ik gek ben. Heus, daar kan beslist niet langer aan getwijfeld worden. Over de staking wens ik nu niet te spreken. Die groep die nu maar wil blijven doorstaken, demonstreert wel wat ik eerder als juist vermoedde. Al werd en wordt dat me door anderen tegengesproken. Het niet willen toegeven van de Creool dat wat hij verloren heeft, door de Hindostaan gewonnen is. Deze benauwende toestand van het maar volhouden van een ontkenning, een eindfase hoop, ergo getransponeerde wanhoop, is tenslotte een met de kop tegen de blinde muur loperij. Het straks van de ontnuchtering zal dan ook nog fataler om zich heen grijpen. Overgeëmotioneerd om kwesties wat reëler te doorzien. De alles remmende werking door de ontkenning van het feit dat de Creoolse groep een verschuiving doormaakt, die inhoudt een minderheid te worden terwijl zij de meerderheid in haar aanwezigheid meer dan zelf was. Totale onzekerheid. Ook voor de Hindostaanse groep, die zich in de maatschappelijke realiteit haar groeiende positie als meerderheid ziet openbaren. Een dwangsituatie voor allen, Creool en Hindostaan. De Surinamer zal zich de onontkoombare ambivalentie voor het wel en niet aanvaarden hiervan, in juist zo’n kritiek stadium van onze gezamenlijke ontwikkeling nu, tot het volk van morgen, beter moeten beseffen. Dit laatste vooral, is toch zo nodig. En we kunnen het niet zonder elkaar. Enfin! Ik deug nergens voor. Ben aldoor depressief en dan weer agressief. Die ellendelingen hebben de vorige week alweer ingebroken. Ik kan er niet meer tegen. Dit is al de achtste inbraak! Alle koperen antiek gestolen, die ik van mijn grootvader gekregen heb. Hij is 85. De afgelopen vijf weken was er iedere keer een deur of raam geforceerd. Nu hebben ze weer hun slag geslagen. En dan te weten dat alle kamers apart op slot zijn! Al dat gezeur met die sleutels. Ook iets om een zenuwinzinking van te krijgen. Ze zijn gewoon door zo’n spleet boven een deur weet je, wel van 20 cm. muskietengaas gekropen. De rest van alle ellende. Ik kán het niet! Ik kan niet schrijven. Nergens deug ik voor. De hele werkkast ligt nu vol met tiksels voor drie nieuwe boeken. Ik heb nog nooit zoveel geschreven. Toch zou ik die hele rotzooi de rivier in willen smijten. Ik ben een strontzak! Ik kan er niet eens één, laat staan drie behoorlijke boeken van maken. Bijna twee jaar terug in Suriname. Niemand! Niets!! Geen vrienden. Steeds erger ervaar ik mijn alleen zijn als een hinderlijke eenzaamheid, die ik niet langer wens te aanvaarden. Waarom heb ik niemand? Gewoon een ander, die voor mij een ‘iemand’ is. Maar ja, je weet wel hoe het met dit soort verlangens gaat.”
Ik heb alle wetenschap die mij verbindt aan marx pasteur mozart en dostojewski grif prijsgegeven voor de eenvoud van het kind
zo doodoprecht speurt het naar elke zin die ons verdriet maar hebben kan onwetend van eigen leed sedert zijn oerbegin
en heel de rijke wereld is zijn symfonie van mateloos beleven herbeleven en onvergankelijk groeien in een wereldlied
en als vergrijsd de lente mij eens achterlaat jubelt het kind nog om het pril mysterie dat elk jong leven in zichzelve draagt.
Mijn geheim
Dit is dan mijn geheim als helderziende voor de verdrukten een pleidooi te houden als dichter van de moderne tijd weigeren te sterven aan het kruis der stilte.
De Nederland criticus, dichter en vertaler Edward Bernard Koster werd geboren in Londen op 14 september 1861, maar hij groeide op in Nederland waar hij door zijn ouders tweetalig werd opgevoed. Koster studeerde klassieke talen in Leiden, waar hij in 1891 promoveerde op het proefschrift Studia tragico-homerica. Koster had eerder al de bundel “Gedichten” gepubliceerd (1888). Zijn “Liefde’s dageraad en andere gedichten”(1890) werd bij verschijnen door Lodewijk van Deyssel vernietigend besproken, ondanks het feit dat Koster zelf schreef dat hij veel te danken had aan De Nieuwe Gidsen aan Jacques Perk. Koster werkte als leraar Grieks en Latijn in Den Haag. Hij schreef ook kritieken en essays, o.a. “Over navolging en overeenkomst in de literatuur“ (1904), waarin hij de invloed van Shelley op het werk van Kloos en Verwey liet zien. Koster signaleerde in zijn kritieken en essays diverse Engelse schrijvers en dichters voor een Nederlands publiek, o.a. William Blake. Verder vertaalde hij van Shakepeare een drietal toneelstukken: Antonius en Cleopatra (1904), Macbeth (1908) en Julius Caesar (1910). Van Lessing vertaalde Koster “Nathan de wijze” (1915).
Lente I
De plassen liggen rustig om mij heen,
En vloeien uit in beekjes, die gezwind
Door zandige aarde vlieten; luwe wind
Suist uit den lichten hemel naar beneên.
Mijn voeten op jong mos onhoorbaar treên, Maar ’t vogeltje dat dennetoppen mint Zingt hoog zijn liedjen uit, gelijk een kind, Dat blij gemaakt werd na veel droef geween.
Nieuw leven stijgt weer uit den donk’ren grond, En uit de boomen stuwen frissche sappen, Hel straalt de zon in glorierijke pracht.
Het dode hout ligt nog verspreid in ’t rond; Eén zacht gekraak van Lente’s lichte stappen, En bruin wordt groen, en al wat droef was lacht.
Natura Magna Mater
Ik drink den zang der dennen in mijne ooren, Maar anders is er stilte in ’t verre rond; Ik lig, te droomen op den zachten grond, En zie het zonlicht door de takken gloren.
Niets komt mijn rust op deze plek verstoren, Hier voel ik mij gelukkig en gezond, Ik leef er ’t leven van de bloemen bont En van de booroen meê en ’t ruischend koren.
Natuur, ik bid tot U met groot verlangen, Gij zijt mijn helpster en mijn troost in lijden, Verzachtend mijne lijf s- en zielepijn.
Gij houdt mij in uw milden arm omvangen, O Groote Moeder, bron van mijn verblijden, Uw naam zal immer mij geprezen zijn!
Edward B. Koster (14 september 1861 – 3 juli 1937)
Portret door Jacques Zon, 1905