Den Haag (Paul Rodenko)

Dolce far niente

 

 
Den Haag – Het Mauritshuis in 1825, geschilderd door Bartholomeus Johannes van Hove

 

Den Haag

Den Haag: stad van aluinen winden en pleinen.
Winden als pleinen zo wijd.
Pleinen rustig als de grote handpalm
van de grote openheid.
Reigerlijk zijn er de vrouwen, lang en toch lieflijk;

kuis staan zij aan parken , karyatiden van zonlicht
en lieflijk gaan zij desmiddags; antiektakkend uurwerk.
Zuidelijker later en lynxer; heupruisender; bemerk nu haar ogen:
een klein ballet, speelkaarten vuurwerk.

Trager de mannen,
Meer ingetogen. Hun handen zijn blauw als water,
hun handen zijn als strakke blauwe winden.
Zo vinden zij daaglijks de verte uit, als een
voorwerp waarmee men wijs worden kan, sterven, regeren.
Toch kennen zij deernis, houden van dieren, van honing
en vallende sterren.
Zij staan als uitkijktorens open.
Zij sluiten zich lang en onvermoeid, als bloemen.

Ruim zijn de dagen en toch menselijk, gedempt rumoerig.
Maar de nachten zijn stil en oplettend;
hoe zuiver schaakt de maan in het plantsoen!

 

 
Paul Rodenko (26 november 1920 – 9 juni 1976)
Lente in Den Haag, de geboorteplaats van Paul Rodenko

 

Zie voor enkele schrijvers van de 7e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Juliana Spahr, William Wordsworth, Özcan Akyol, Gabriela Mistral

De Amerikaanse dichteres, critica en uitgeefster Juliana Spahr werd geboren op 7 april 1966 in Chillicothe, Ohio. Zie ook alle tags voor Juliana Spahr op dit blog.

 

Dynamic Positioning (Fragment)

It is a blowout preventer, a series of valves
That seal off the excessive pressure should

The wellhead kick then blowout. There are all
These variables. Various valves. Pressures.

Buoyancies. Mixes of cements. Currents. Claims.
Humans. Bow spring. Top plug. Shoe track. Floatshoe.

I could go on and on here calling the
New muses of innovation, common

Vocabulary, that covers over the
Elaborate simplicity of this,

This well, Macondo well, was drilled by
Deepwater Horizon and it went through

Five thousand feet, through the abyssal zones,
The epipelagic with its sunlight

The mesopelagic with its twilight
The bathypelagic with its midnight

Then where the sea meets floor, the deep ocean,
A blowout preventer there with the fish,

The darker fish, the large detritevars
That feed on the drizzle of the moulted

Exoskeletons, the carnivores, snipe eels
Big lantern fish, and zooplankton, corals.

This well then went on reaching for the oil
Another thirteen thousand feet. When it hits

The pay zone, down through it, down deeper, deep.
This well, Macondo well, was exploratory.

This story then begins with other wells,
But I will tell the story of This Well:

In April twenty ten, the setting south
And east of Louisiana’s long coast.

 

 
Juliana Spahr (Chillicothe, 7 april 1966)

Lees verder “Juliana Spahr, William Wordsworth, Özcan Akyol, Gabriela Mistral”

Kazim Ali, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Annejet van der Zijl, Julien Torma, Nicolas Chamfort

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

 

Dear J.

It should be a letter
To the man inside
I could not become
Dressed in yellow
And green, the colors of spring
So I could leave death
In its chamber veined
With deep ore
I’ve no more to tell you
Last winter I climbed
The mountains of Musoorie
To hear frozen peals of bell and wire
A silver thread of sound
Sky to navel
Draws me
like the black strip
in a flower’s throat
meant to guide you in
I lie now in the winter
open-petaled beneath Sirius
I cereus bloom

 

Bright Felon Dvd Extra/Alternate Ending

In the convicted evening I am a victor struck loose and restless,
creeping for the unlocked window.
The family inside at the dinner table is mine.
Listening to the escape story on the radio, my mother’s hand freezes
in the air halfway to her mouth.
She realizes it’s me they’re talking about.
Lightning by lightning the minute before thunder.
Streets as empty as a beach before rain.
My hand on the cold glass.
Car alarm, tornado warning, catastrophe.
Who remembers the criminal son, free of the labyrinth and still
unsought, unthought of.
Oh when will the streetlamps blink out so my father can appear furtive
at the door and beckon me furiously in.

 

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)
Foto: Tanya Rosen-Jones 

Lees verder “Kazim Ali, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Annejet van der Zijl, Julien Torma, Nicolas Chamfort”

Iulian Ciocan

De Roemeense schrijver, journalist en literair criticus Iulian Ciocan werd geboren op 6 april 1968 in Chisinau, in de toenmalige Sovjet Socialistische Republiek Moldavië. Hij studeerde in 1995 af met een graad in Roemeense taal en letterkunde aan de Universiteit Transilvania in Brașov, Roemenië. Zijn roman “Înainte să moară Brejnev” (“Voordat Brezjnev stierf”) werd in 2007 uitgegeven en vertaald in het Tsjechisch. Zijn roman “Tărâmul lui Saşa Kozak” (“Het rijk van Saşa Kozak”) werd in 2011 uitgegeven en is vertaald in het Slowaaks en het Frans. Een hoofdstuk uit zijn tweede roman werd opgenomen in de bloemlezing Best European Fiction 2011, uitgegeven door Aleksandar Hemon. In april 2011 werd hij uitgenodigd om deel te nemen aan het PEN World Voices-festival in New York. Sinds 1998 werkt hij als radio-commentator voor Free Europe in Chisinau. Zijn proza ​​is gepubliceerd in literaire tijdschriften in de Verenigde Staten, België, Duitsland en Brazilië. Hij schreef ook twee boeken met literaire kritieken en publiceerde acht boeken met journalistiek werk. Hij is lid van PEN Club, Republic of Moldova. In 2015 verscheen de roman „Iar dimineata vor veni rusii“ („En in de ochtend zullen de Russen komen”).

Uit: And in the Morning the Russians Will Arrive (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“On the morning of 25 June 2020, Latin teacher Nicanor Turturica awoke later than usual. Not just because it was a Saturday, but because he had played online chess until after midnight, against an obstinate Australian, who flatly refused to admit defeat at the hands of a representative of some Lilliputian country. Nicanor Turturica idled in bed for a while, wondering at the much too dark cloud he could see through the window, and realised with alarm that his deep sleep had not banished his weariness. Yes, although he was still a man in the prime of his life, at the age of sixty, with increasing frequency he was bothered by a state of extreme tiredness, his eyes ached, and he suffered cramps. To blame, an obtuse physician had told him, was supposedly the Internet, and to be more precise, online chess, in which he had found solace after the sudden death of his wife. But how could he live without any refuge, after an accursed breast cancer had stolen away his younger wife? This was why, for a few weeks after the funeral, Nicanor Turturica had succumbed to alcoholism, and then, after a heated discussion on Skype with his daughter, who lived in the United States, the teacher discovered online chess, giving up vodka and wine. And after a while he met the mild and gentle Raya, a widow of sixty-two, who sold pies at the faculty canteen and whom he started to visit at weekends. The insatiable window would have liked to have sex every night, but what with his Latin lessons and online chess, that would have done him in altogether. And so he persuaded her that they should meet just once a week. Absence makes the heart grow fonder, as they say. But when it came to chess, he could not tolerate any absence. He would sit in front of the computer for hours on end, doing battle with opponents from every continent, accumulating victories with a grim determination worthy of a better cause and losing his temper after every defeat, which, of course, seemed to him stupid and unfair. But on the morning of 25 June Nicanor Turturica felt so exhausted that he abandoned any thought of turning on his laptop or the television set. Perhaps that opaque physician had been right when he claimed that his tiredness was caused by his sedentariness, by sitting in front of the computer and the television. “Life means movement!” the physician kept reminding him, a truth that only now revealed itself to him in all its grandeur. He had to get into shape as a matter of urgency; apart from anything else, that evening he was due to cast himself into the burly arms of Raia from the canteen, who made up for lost time with great ardour, draining him of strength. »

 
Iulian Ciocan (Chisinau, 6 april 1968)

Alfred Hegenscheidt

De Belgische dichter, schrijver en geoloog Alfred Fréderic Hegenscheidt werd geboren in Sint-Jans-Molenbeek op 6 april 1866. Hegenscheidt was de zoon van een ingenieur uit Westfalen, die in het midden van de negentiende eeuw naar Brussel was verhuisd; zijn moeder kwam uit het Saarland. De jonge Alfred, die streng protestants werd opgevoed, ging in Brussel naar de normaalschool, en werd in 1885 onderwijzer. Vervolgens studeerde hij er aan de universiteit natuurwetenschappen: hij promoveerde in 1893. Al snel werd hij overtuigd vrijzinnig. Ondertussen was hij poëzie beginnen te schrijven, en een jaar later publiceerde hij, dankzij tussenkomst van Prosper Van Langendonck, zijn eerste gedichten uit de cyclus “Muziek en leven” in het vermaarde tijdschrift Van Nu en Straks, samen met het essay “Rythmus”. De literaire productie van Hegenscheidt is zeer beperkt gebleven: in die jaren na zijn doctoraat publiceerde hij enkele gedichten in Van Nu en Straks, en in 1897 zijn toneelstuk “Starkadd”. Toen hij in 1903 docent aan de normaalschool werd, namen zijn letterkundige activiteiten af. Hij schreef omstreeks de eeuwwisseling nog enkele besprekingen van opgang makende schrijvers, onder wie Stijn Streuvels en Cyriel Buysse. In 1913 werd hij in Brussel hoogleraar in de geografie, en hij wijdde zijn verdere leven aan wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de aardrijkskunde.

Onmacht

I
Ik weet het niet wat van mij worden moet
Na al dit rustloos pogen, nimmer slagen;
‘k Heb vruchteloos een beeld in mij gedragen,
Ik heb den adem niet die ’t leven doet.

En geest en hart, zij waaien droeve vlagen
Van kille leegheid in ’t verdord gemoed;
En de aarde kwijnt; met haar gij, ’t laatste goed
Waaraan ‘k mij klamp, gedenkend vroeger dagen.

Waarom moest gij dan komen in den nood,
Ik riep u niet; wat dood moest zijn, wás dood,
En voor de rest, – ik had het ook gedragen, –

Gij hielpt toen goddelijk dit leven schragen;
Maar ziet gij niet, nu gij mij wilt verlaten,
Dat ik het weer, maar meer dan ooit, moet haten?

 

Schumann

Zie, moederlief, ‘k lig weer eens aan uw voeten
Als in den tijd toen ‘k gansch nog was ùw kind.
Laat vloeien ’t hemnwee naar mijn jeugd met zoeten
Zang, die zich gouden door ’t verleden windt.

Ik ging de wereld in, opdat ontgind
Wierd, wijze toekomst, die, in wording, wroette
Diep in mijn ziel; door wetenswaan verblind
Glimlachte ik dan wel eens bij uwe groeten.

Vergeef me, moeder, indien ik u griefde,
Uitbundig blaakte ’t leven toen in mij,
In hooger schoonheid werd mijn ziel eerst vrij;
Wat hare wijsheid mij in ’t harte giet,
Hoor ik ook wellen in uw innig lied,
De oerbron van ’t leven-in-schoonheid, de liefde.

 
Alfred Hegenscheidt (6 april 1866 — 9 februari 1964)

Hugo Claus, Martin Reints, Mieke van Zonneveld, Vítězslav Hálek, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Georg Conrad, Marente de Moor

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

Uit: Het verdriet van België

“Zonder adem te halen, brulde hij: ‘Ma-ri-a!’
Een graatmager wezen, een honderdjarig weeskind in een krakerig wit schort, verscheen en keek Louis aan met een blik vol haat.
‘Maria, schenk die jonge gasten een portootje in! Het is wel niet van hun jaren, maar wij kunnen ze niet vroeg genoeg losbandigheid leren, wie weet wat de dag van morgen brengt, nietwaar, heren?’ Zij schonk in. De port was mierzoet en lauw.
‘En?’
‘Een beetje te warm,’ zei Maurice.
De Puydt nipte. ‘’t Is godverdomme nog waar ook. Maria, zet die fles direct in de kelder. Nee, laat maar. Hoeveel staan er nog in de kelder?’
‘Vier.’
‘Er is hier iemand die achter mijn rug…’ Met een dreun die de Vlaamse Koppen aan de muur deed trillen sloeg zij de deur dicht.
‘Zij drinkt,’ fluisterde Marnix de Puydt. ‘Van mij mag ze, maar niet van deze porto. Want ik heb er twaalf flessen van gekregen na mijn recital bij mijnheer Groothuis.’
‘Mijn grootvader heeft er mij over gesproken,’ zei Louis, ‘hij vond het prachtig.’
‘Ja, onze Seynaeve heeft een zwak voor Debussy.’
De Puydt schonk zijn glaasje weer vol en dronk het in één slok leeg.
‘Mijn vriend Joris Diels van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen heeft mijn Dood van Descartes uiteraard als eerste in het manuscript doorgenomen en heeft er mij oprecht mee gecomplimenteerd.’
‘Is het in vijf bedrijven?’ vroeg Louis, want hij moest toch iets zeggen, zeker in aanwezigheid van Maurice-de-stille.
De Puydt knikte lang. Hij dronk van de fles. ‘Ik zie u denken, jongeman, is dat niet al te klassiek? En dan antwoord ik u, ja, het is klassiek, de tijd van het experiment is achter de rug, thans breekt de tijd aan van de re-con-struc-tie, niet alleen van onze gemeenschap, maar ook van zijn vormen. Ik heb recht van spreken, want ik kom uit het kamp van de durvers, van hen die de grenzen van de taal hebben verlegd, in het spoor van mijn betreurde kompaan Van Ostaijen.”

 

 
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)
Scene uit de gelijknamige film uit 1994

Lees verder “Hugo Claus, Martin Reints, Mieke van Zonneveld, Vítězslav Hálek, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Georg Conrad, Marente de Moor”

Richard Eberhart

De Amerikaanse dichter Richard Ghormley Eberhart werd geboren op 5 april 1904 in Austin, Minnesota. Hij groeide op op een landgoed van 16 hectare, genaamd Burr Oaks. Eberhart begon te studeren aan de Universiteit van Minnesota, maar nadat zijn moeder in 1921 aan kanker was overleden – de gebeurtenis die hem ertoe aanzette om gedichten te schrijven – stapte hij over naar Dartmouth College en vervolgens studeerde hij aan St. John’s College, Cambridge, waar I.A. Richards hem aanmoedigde om verder te gaan met het schrijven van poëzie. Nadat hij in 1931-1932 privéleraar was van de zoon van koning Prajadhipok van Siam, vervolgde Eberhart een jaar lang zijn studie aan de universiteit van Harvard. Tijdens zijn tijd op Harvard, ontmoette hij T. S. Eliot. Zijn eerste gedichtenbundel, “A Bravery of Earth”, werd in 1930 in Londen uitgegeven. “Reading the Spirit”, gepubliceerd in 1937, bevat een van zijn bekendste gedichten, “The Groundhog”. Eberhart gaf acht jaar lang les aan de St. Mark’s School (1933-1941), waar Robert Lowell een van zijn studenten was. In 1941 trouwde hij met Helen Butcher. Ze kregen twee kinderen. Tijdens WO II bekleedde hij de rang van Lieutenant Commander en diende hij in de US Naval Reserve; deze ervaring leidde ertoe dat hij een van zijn meest gevierde gedichten schreef: “The Fury of Aerial Bombardment”. In 1945 publiceerde Eberhart “Poems: New and Selected’. Hij bewerkte ook “War and the Poet: An Anthology of Poetry”, die de eerste bundel gedichten heet te zijn, die gebaseerd is op oorlog. Na de oorlog werkte Eberhart zes jaar lang voor het vloerwasbedrijf van zijn vrouw, de Butcher Polish Company. “Burr Oaks” was zijn eerste gepubliceerde werk na de oorlog in 1947, gevolgd door “Brotherhood of Men” in 1949. In 1950 was hij de oprichter van het Poets’ Theatre in Cambridge, Massachusetts. Vanaf de vroege jaren 1950 tot zijn pensioen wijdde hij zich aan het schrijven van gedichten en het lesgeven aan instellingen voor hoger onderwijs. Hij doceerde 30 jaar in Dartmouth als hoogleraar Engels en dichter-in-residence, waar hij bekend stond om zijn aanmoediging van jonge dichters. Eberhart werd door The New York Times naar San Francisco gestuurd om verslag uit te brengen over de scene rondomde beat poets. Hij schreef een stuk dat de nationale aandacht vestigde op de Beat-generatie en vooral op Allen Ginsberg als de auteur van “Howl”, Eberhart kreeg de Pulitzer-prijs voor poëzie voor “Selected Poems, 1930-1965” en de National Book Award van 1977 voor “Collected Poems, 1930–1976”.

 

The Fury of Aerial Bombardment

You would think the fury of aerial bombardment
Would rouse God to relent; the infinite spaces
Are still silent. He looks on shock-pried faces.
History, even, does not know what is meant.

You would feel that after so many centuries
God would give man to repent; yet he can kill
As Cain could, but with multitudinous will,
No farther advanced than in his ancient furies

Was man made stupid to see his own stupidity?
Is God by definition indifferent, beyond us all?
Is the eternal truth man’s fighting soul
Wherein the Beast ravens in its own avidity?

Of Van Wettering I speak, and Averill,
Names on a list, whose faces I do not recall
But they are gone to early death, who late in school
Distinguished the belt feed lever from the belt holding pawl.

 

The Groundhog

In June, amid the golden fields,
I saw a groundhog lying dead.
Dead lay he; my senses shook,
And mind outshot our naked frailty.

There lowly in the vigorous summer
His form began its senseless change,
And made my senses waver dim
Seeing nature ferocious in him.

Inspecting close maggots’ might
And seething cauldron of his being,
Half with loathing, half with a strange love,
I poked him with an angry stick.

The fever arose, became a flame
And Vigour circumscribed the skies,
Immense energy in the sun,
And through my frame a sunless trembling.

My stick had done nor good nor harm.
Then stood I silent in the day
Watching the object, as before;
And kept my reverence for knowledge

Trying for control, to be still,
To quell the passion of the blood;
Until I had bent down on my knees
Praying for joy in the sight of decay.

And so I left; and I returned
In Autumn strict of eye, to see
The sap gone out of the groundhog,
But the bony sodden hulk remained

But the year had lost its meaning,
And in intellectual chains
I lost both love and loathing,
Mured up in the wall of wisdom.

Another summer took the fields again
Massive and burning, full of life,
But when I chanced upon the spot
There was only a little hair left,

And bones bleaching in the sunlight
Beautiful as architecture;
I watched them like a geometer,
And cut a walking stick from a birch.

It has been three years, now.
There is no sign of the groundhog.
I stood there in the whirling summer,
My hand capped a withered heart,

And thought of China and of Greece,
Of Alexander in his tent;
Of Montaigne in his tower,
Of Saint Theresa in her wild lament.

 
Richard Eberhart (5 april 1904 – 9 juni 2005)

Maya Angelou, Hanneke Hendrix, Marko Klomp, Marcel Vaarmeijer, E. L. James, Marguerite Duras, Robert Schindel, Michiel van Kempen, Bettina von Arnim

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

 

Glory Falls

Glory falls around us
as we sob
a dirge of
desolation on the Cross
and hatred is the ballast of
the rock
which his upon our necks
and underfoot.
We have woven
robes of silk
and clothed our nakedness
with tapestry.
From crawling on this
murky planet’s floor
we soar beyond the
birds and
through the clouds
and edge our waays from hate
and blind despair and
bring horror
to our brothers, and to our sisters cheer.
We grow despite the
horror that we feed
upon our own
tomorrow.
We grow.

 

Son to Mother

I start no
wars, raining poison
on cathedrals,
melting Stars of David
into golden faucets
to be lighted by lamps
shaded by human skin.

I set no
store on the strange lands,
send no
missionaries beyond my
borders,
to plunder secrets
and barter souls.

They
say you took my manhood,
Momma.
Come sit on my lap
and tell me,
what do you want me to say
to them, just
before I annihilate
their ignorance ?

 

 
Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

Lees verder “Maya Angelou, Hanneke Hendrix, Marko Klomp, Marcel Vaarmeijer, E. L. James, Marguerite Duras, Robert Schindel, Michiel van Kempen, Bettina von Arnim”

Charles Ducal, Adriaan Jaeggi, Frederik van Eeden, Bert Bakker, Peter Huchel, Arlette Cousture, Pieter Aspe, Karel N.L. Grazell, Washington Irving

De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ook alle tags voor Charles Ducal op dit blog.

 

Geluk

Omdat ik geen honger, geen dorst lijd,
een huis heb, een baan, een voorbeeldig gezin,
duizend boeken, van Sade tot Grimm,
gezondheid, een trouwe maîtresse, veel tijd
voor kunst en liefde of wat daarop lijkt,
de wereld kan zien, mijn tuin cultiveren,
duizend gedichten opnieuw kan proberen
een God te zijn in het diepste geheim,

daarom is het dat ik mijn nagels bijt
in een kamer die niet wordt gelucht,
weerloos geworpen in zo veel geluk
dat ik slechts aan mijzelf nog lijd.

 

Onvindbaar
(voor het jarige konijn)

Omdat het liegt en dus kan veranderen
omdat het maar zichtbaar is tussen de lijnen
omdat het ontdekt wat al lang is ontdekt
maar nooit op deze onmogelijke wijze

omdat het zich aanpast, ook aan het zeer grijze
omdat het de jager zelf heeft gewekt
omdat het elk schot tot een spat kan verkleinen
omdat het gestroopt en verhandeld

nog nooit is gevat.

 

Ouders

I
Hij viel in de put. Het kwam zo uit,
een rottende plank onder dansende schoentjes.
Hij gleed zomaar de werkelijkheid uit,
het leek haast bedacht. De tuin bloeide,
de zon scheen, ik dronk een kop koffie.
Icarus viel op een oud schilderij.
Zij lag aan de rand, wachtte, een dier
op de loer. Zij gaf de seconden niet prijs.
Toen kwam hij en strekte de armpjes.
Zij trok zijn dood voorgoed aan haar lijf.
Hij vult haar stem, haar ogen, haar handen.
’s Nachts roept zij. Ik kan er niet bij.

 
Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952)

Lees verder “Charles Ducal, Adriaan Jaeggi, Frederik van Eeden, Bert Bakker, Peter Huchel, Arlette Cousture, Pieter Aspe, Karel N.L. Grazell, Washington Irving”

Die Sonne geht im Osten auf (Christian Morgenstern)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
Vintage Duitse Paaskaart uit een serie van Arthur Thiele, 1905 – 1915

 

Die Sonne geht im Osten auf

Die Sonne geht im Osten auf,
der Osterhas´ beginnt den Lauf.
Um seinen Korb voll Eier sitzen
drei Häslein, die die Ohren spitzen.

Der Osterhas´ bringt just ein Ei –
da fliegt ein Schmetterling herbei.
Dahinter strahlt das blaue Meer
mit Sandstrand vorne und umher.

Der Osterhas´ ist eben fertig –
das Kurtchen auch schon gegenwärtig!
Nesthäkchen findet – eins , zwei , drei,
ein rot, ein blau, ein lila Ei.

Ein Ei in jedem Blumenkelche!
Seht, seht selbst hier, selbst dort sind welche!
Ermüdet leicht im Morgenschein
schlief Kurtchen auf der Wiese ein.

Die Glocken läuten bim, bam, baum,
und Kurtchen lächelt zart im Traum.
Di di didl dum dei,
wir tanzen mit unsern Hasen

umgefaßt, zwei und zwei,
auf schönen, grünen Rasen.

 

 
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)
Pasen in München, de geboortestad van Christian Morgenstern

 

Zie voor de schrijvers van de 2e april ook mijn drie vorige blogs van vandaag.