Marc Tritsmans

De Vlaamse dichter Marc Tritsmans werd geboren in Antwerpen op 11 april 1959. Hij studeerde tandheelkunde en werkt als milieuambtenaar. Na publicatie van een aantal losse gedichten in diverse literaire tijdschriften debuteerde hij in 1992 met de bundel ‘De wetten van de zwaartekracht’. Er volgden nog 10 dichtbundels, waaronder “Onder bomen” (1994), “Oog van de tijd” (1997), “Van aarde” (1999) en “Sterk water” (2000). In 1991 won hij de P.-G. Buckinxprijs met ‘Cyclus Alpen’, en in 1995 opnieuw met het gedicht ‘Blad’. In 2010 werd hij bekroond met de poëzieprijs Melopee van de gemeente Laarne voor het gedicht ‘Geen aanleg’. In 2011 kreeg hij de Herman de Coninckprijs voor ‘Studie van de schaduw’, en tevens de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’. Tritsmans publiceert regelmatig in De Gids , Hollands Maandblad , Het Liegend Konijn en Poëziekrant .

Zeezicht

Dit uitzicht heeft zich dus honderd jaar eerder
ook voor mijn overgrootvaders ogen ontvouwd.
Toen hij in zijn zondagse pak met strohoed,
vrouw in zwierige jurk aan de arm, op net
zo’n warme julidag de dijk beklom en

haar daar zag liggen. Bij deze zee van
millennia kan ik even weer naast hem op die
bruinige foto. Hij knikt verstrooid als ik me
voorstel en neuriet verder een liedje dat ik
later nog wel van zijn kleindochter leer.

 

Rechtzetting

Die me naar school bracht
onder de kastanjebomen, die
me nog als laatste bloedstollend

kon vertellen over Duitsers en
onder kleren gesmokkelde
boter. Die me steevast redde

als de wereld te groot werd.
Haar nu, ondanks het late
uur, nog even bellen en

zeggen dat het me spijt. Dat
ik er had moeten zijn die nacht
toen ze voorgoed vertrok.

 

Koeien

Het lijkt wel of ze staan te wachten
maar ze wachten helemaal op niets. Voor
hen volstaat het om te blijven waar ze
grazen hun wereld moet niet groter dan

tot waar de ogen reiken: dit weiland
dat gewoonweg ophoudt bij de bosrand
het huis daar in de verte met de man
die hen komt melken of hen meevoert

als het koud wordt ze kreunen snuiven
het regent zon schijnt op hun vachten
het wordt donker alles laat hen onbewogen
nergens zit een einde aan de tijd

 

 
Marc Tritsmans (Antwerpen, 11 april 1959)

Patrick Cornillie

De Vlaamse dichter en schrijver Patrick Cornillie werd geboren in Roeselare op 11 april 1961. Cornillie was leraar in het buitengewoon secundair onderwijs, daarna redacteur bij de Krant van West-Vlaanderen. In 1995 schreef hij over zijn ervaringen in het buitengewoon onderwijs een jeugdroman met de titel ‘Buitengewoon’. In Lichtervelde staat aan de bibliotheek een bronzen beeld van een accordeonspeler, gegoten door Ron Deblaere met daaronder het gedicht “De Liedjeszanger” van Cornillie. Sedert 1998 is hij freelance journalist en auteur en leverde bijdragen aan diverse kranten en (wieler)tijdschriften.Van Cornillie verschenen gedichten en verhalen in ‘De Muur’, ‘Deus Ex Machina’, ‘Dietsche Warande & Belfort’, ‘Dighter’, ‘Kreatief’, ‘Van Mensen en Dingen’, ‘Poëziekrant’ en ‘Vlaanderen’. Samen met Frank Pollet stond hij aan de wieg van de drukbezochte Tourblog GeelZucht (2010-2014). Eind 2016 verbleef Cornillie als writer in residence in het Streuvelshuis in Ingooigem. Het resulteerde in ‘De zeer schone uren van Stijn Streuvels, cyclotoerist’. In 2017 verscheen zijn gedicht ‘Ode aan de jonge flandriens’ op 40.000 flesjes Kwaremont-bier. Ook leverde hij het script voor virtual reality-projecten in het Centrum Ronde van Vlaanderen in Oudenaarde en het Abdijmuseum Ter Duinen in Koksijde. Cornillie won diverse prijzen, waaronder de poëzieprijs van de stad Harelbeke in 1988, de Yang Poëzieprijs (1989), de Guido Wulmsprijs voor Poëzie in Sint-Truiden (2003), de poëzieprijs van de stad Halle (2006), de prozaprijs van de Universitaire Werkgroep Literatuur, WeL, Leuven in 2008, de poëzieprijs van de gemeente Keerbergen (2010) en de driejaarlijkse Hilarion Thans Poëzieprijs (Lanaken, 2014)

Een boom

Een boom heeft het recht te dromen.
In de takken van zijn verleden
laat hij onverstoord de seizoenen komen.
En de draagwijdte van het heden

slaat hij op onder zijn huid.
In zijn kruin plooit het licht
met een zacht ruisend geluid.
Van de aarde kent hij het evenwicht.

Geworteld, in handel
en wandel
– hoe een landschap zich naar hem richt

bepaalt hij elk vergezicht.
Bewaart hij de tijd
door zijn aanwezigheid.

 

Een huis

Muren met een teken aan de wand.
Binnen de huid van deze ruimte gehuld
en een raam dat verten verbant.
Hoe aanwezigheid daar zichzelve invult.

Een huis lijkt eeuwig in evenwicht.
Zoals de tijd binnenskamers blijft, opgehangen
in een foto, een stilleven, een ansicht.
Gezichten in een kader gevangen.

Een huis waakt in zijn voegen.
Over het heden
en het verleden

dat als een walm sigaretterook beslaat
en vlekken op het behang achterlaat.
Blanke foto’s op vergeeld ongenoegen.

 


Patrick Cornillie (Roeselare, 11 april 1961)

Stefan Chwin

De Poolse schrijver en literair historicus Stefan Chwin werd geboren op 11 april 1949 in Gdansk. Chwin is een afstammeling van Litouwse Polen, die na de Tweede Wereldoorlog uit Litouwen werden verdreven. Zijn vader werd geboren in Vilnius en kwam in 1945 in een volledig verwoest Gdańsk terecht. Chwin volgde een opleiding aan de kunstacademie in Gdynia en studeerde Poolse taal- en letterkunde aan de universiteit van Gdańsk. Later promoveerde hij in de Poolse taal en letterkunde en sinds 1998 is hij hoogleraar in dit vak. Zijn voornaamste interesse als literatuuronderzoeker is de Poolse romantiek en de invloed ervan op moderne schrijvers. Hij heeft verschillende boeken gepubliceerd met literaire studies over auteurschap en tendensen in de Poolse literatuur. Chwin zat ook in de redactie van verschillende Poolse literaire tijdschriften. Chvin’s werken zijn vertaald in twaalf verschillende talen. In de jaren tachtig deed Stefan Chwin zijn eerste poging als schrijver van fictie. Hij debuteerde met twee avonturenboeken voor kinderen onder het pseudoniem Max Lars.Zijn doorbraak als schrijver voor volwassenen was de verschijning van de roman “Hanemann” in 1995, waarvoor hij de Paszport Polityki, een Poolse cultuurprijs, ontving.In 1999 verscheen de roman “Esther”, gevolgd in 2003 door “Złoty pelikan“ (De gouden pelikaan). Verschillende romans spelen in de geboorteplaats van de auteur, Gdańsk, en thematiseren op verschillende manieren de multiculturele geschiedenis van die stad. Gdańsk was tot 1945 vooral Duitstalig onder de naam Danzig, toen de Duitse bevolking werd verdreven en vervangen door Polen, die werden verdreven uit de oostelijke grensregio’s van Polen. De belangstelling voor de Duits-Poolse geschiedenis van de stad deelt hij met een andere vooraanstaande schrijver uit Gdańsk, Paweł Huelle.

Uit: Death in Danzig (Hanenemann, Vertaald door Philip Boehm)

“When Hanemann reached the gate in front of his house, he thought he saw a light flickering at Lessingstrasse 14, the house owned by the Bierensteins. He walked past the arborvitae and turned and crossed the street. He pushed open the heavy doors and stepped into the entrance hall, automatically scraping the snow off his feet on the iron grate. He struck a match and held it up until it singed his fingers. The little yellow flame wavered in the chilly darkness and went out. Hanemann wondered why he had come, if he was merely trying to assuage his heart—but what difference did it make now? Still, he had seen that light … He wanted to go back to Number 17, through the double row of arborvitae to his own door, and he would have done so if he could have stopped thinking about the landing in Neufahrwasser, that white space between the warehouse and the brick wall round the yard. The scraps of paper, the black smudges in the snow, the landing, the suitcases, the crowd, the piles of clothing, the shouts, the gentle voice of Mrs Walmann. That was what kept him from leaving, what stopped him there, on the stairs, in the dark entry hall under the oval window, where the coloured panes muted the glare over Langfuhr into a feeble glow. Here, on the right—the Schultzes’ apartment. He dragged another damp match across the edge of the box, there was a sulphurous flash, and he held the match high against the brown panelling, his palm cupped pink around the tiny flame. The darkly varnished door, with the floral ornamentation on its oak frame, glinted and glistened in the flickering light. Above it, a stucco relief emerged from the shadows that slanted across the wall—a Madonna and Child, nestled within a wreath of olive branches. But what he saw next … deep gashes and gouges on the Schultzes’ door, right along the jamb. Flashing bits of broken metal round the latch housing.
Fresh yellow scratches, black dents and bruises, as if someone had tried to pierce the brass with a knife. So they’re already here, they’ve already been here; while he waited by the waterfront at Neufahrwasser, they had been breaking into an apartment on Lessingstrassc, cursing under their breath as they grappled with the brass reinforcement, as they pried at the metal escutcheon beneath the latch before finally ramming the door with their shoulders and bursting inside, struggling to keep their balance on the slick linoleum with the white and yellow checkerboard pattern. He wanted to go back home, to avoid the sight of the ransacked wardrobes, the huge heaps of linens dragged off the shelves, the drawers ripped out of the chest and tossed into the middle of the room, the rug trampled by muddy boots and stained with clods of melting snow. But the thought of the Schultzes … They had left at noon; he’d watched them turning onto Kronprinzenallee, just beyond the chestnut trees. Otthter with a little rucksack. A stroller. A wooden suitcase. Mrs Schultz’s red hat. She had turned round. A brief glance at the building…. Hanemann grabbed the handle; the door yielded softly to his hand. Dark-red door curtains in the entry room. Tea-coloured wallpaper. Shadows. The match went out, he groped his way towards the kitchen, something crunched beneath his soles. When he could see the window—its rectangle glowing dimly in the dark, the thin cross of its frame—he again reached for a match.”


Stefan Chwin (Gdansk, 11 april 1949)

Leo Vroman, Jan van Mersbergen, Paul Theroux, Claudio Magris, Bella Akhmadulina, Stefan Heym, Richard Wagner, Marcel van Maele, Eric Knight

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Veelheden hoe

Een half petje kip,
een popotamus hip,
twee muisjes vleer
vier hanen weer,
acht beelden voor,
zestien kijkjes door,
tweeëndertig vliegjes vuur,
vierenzestig kastjes muur,
honderd achtentwintig fouten druk,
een kippetje tuk?
tweehonderd zesenvijftig stokken tover,
vijfhonderd twaalf tochten over,
en ongeveer,
duizend minnen meer.

 

Nacht

Dieper naar voren kan ik mij niet buigen
over de wereldrand, spaarzaam verlicht.
Met het gelaat op blinde duisternis gericht
kan ik mij van Gods glans niet overtuigen.

De verste nadering betracht ik in de vele
gedachten die ik naar dat hol gebied
uitzend; talrijke keren niet,
doch ik verlies mij in dit koppig spelen

en in de pijn die tot een lust verdooft
om hun verminkte wederkomst waaraan
‘k een wreed en zeker teken hecht van Gods bestaan:
dat ginds een wand is waar wat in hem gelooft
en tot zijn licht vliegt blindelings op stuit.

Doch wellicht hoort hij in de stilste nachten
het zieke ritselen van mijn gedachten
die zich te pletter fladderen buiten op zijn ruit.

 

Een psalm voor het smelten

Nu ik weet dat ijs-hoge
torens die het menselijk woelen
in al die kantoren
van bazen en bazinnen
liefde en onvermogen
van binnen niet voelen of horen,
dat die kunnen smelten
in luttele seconden
de pratende omzetten
in pruttelend vlees
en de haatvolle hitte
die hele lieve bevolking
om kan zetten tot een
dikke witte wolk
die na dagen zout en zacht
vredig neerzinkt als een grijze vacht
zodat de nu overtollige
tafels en stoelen, kopjes en borden
binnen verre huizen
mollige wezentjes worden,
en ver buiten de stad
op het gras, het verlaten speelgoed,
het poeder blijft praten
over wie het zopas nog,
al pratende, was,
nu ik dat weet, Systeem,
nu weet ik niets meer

 

 
Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)
Beeld van Leo Vroman op het dak van de stadsbibliotheek Gouda.

Lees verder “Leo Vroman, Jan van Mersbergen, Paul Theroux, Claudio Magris, Bella Akhmadulina, Stefan Heym, Richard Wagner, Marcel van Maele, Eric Knight”

Charles Baudelaire, Jelle Brandt Corstius, Karel Jonckheere, Joolz Denby, Albert von Schirnding, Johannes Bobrowski, Bernard-Marie Koltès, Arnold Stadler, Yaël Vinckx

De Franse dichter Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook alle tags voor Charles Baudelaire op dit blog.

 

Le rebelle

Un ange furieux fond du ciel comme un aigle,
Du mécréant saisit à plein poing les cheveux,
Et dit, le secouant : ” Tu connaîtras la règle !
(Car je suis ton bon Ange, entends-tu ?) Je le veux !

Sache qu’il faut aimer, sans faire la grimace,
Le pauvre, le méchant, le tortu, l’hébété,
Pour que tu puisses faire, à Jésus, quand il passe,
Un tapis triomphal avec ta charité.

Tel est l’Amour ! Avant que ton coeur ne se blase,
A la gloire de Dieu rallume ton extase ;
C’est la Volupté vraie aux durables appas !”

Et l’Ange, châtiant autant, ma foi ! qu’il aime,
De ses poings de géant torture l’anathème ;
Mais le damné répond toujours : ” Je ne veux pas !”

 

Mens en zee

U, vrije mens, vereert de zee het allermeest.
Zij is uw spiegelbeeld: u kunt uw ziel ontwaren
In het oneindig deinen van haar zilte baren,
Al even bitter als de afgrond van uw geest.

U duikt diep in uw evenbeeld vol zelfbehagen;
Uw oog en arm omvademen het, en uw hart
Vergeet soms het gejammer van zijn eigen smart
In het geluid van haar ontembaar woeste klagen.

Steeds zult u beiden even duister en gesloten zijn:
Mens, niemand kan de diepten van uw geest doorgronden;
Zee, niemand heeft de schatten in uw schoot gevonden,
Zo angstvallig bewaart u beiden uw geheim.

En desondanks gaat sedert onheuglijke tijden
Uw tweekamp ongenadig en verbeten voort,
Zozeer bent u verknocht aan slachting en aan moord,
Die onverbiddelijk als broers elkaar bestrijden.

 

Vertaald door Paul Claes

 

Der Mensch und das Meer

Du freier Mensch, du liebst das Meer voll Kraft,
Dein Spiegel ist’s. In seiner Wellen Mauer,
Die hoch sich türmt, wogt deiner Seele Schauer,
In dir und ihm der gleiche Abgrund klafft.

Du liebst es, zu versinken in dein Bild,
Mit Aug’ und Armen willst du es umfassen,
Der eignen Seele Sturm verrinnen lassen
In seinem Klageschrei, unzähmbar wild.

Ihr beide seid von heimlich finstrer Art.
Wer taucht, o Mensch, in deine letzten Tiefen,
Wer kennt die Perlen, die verborgen schliefen,
Die Schätze, die das neidische Meer bewahrt?

Und doch bekämpft ihr euch ohn’ Unterlass
Jahrtausende in mitleidlosem Streiten,
Denn ihr liebt Blut und Tod und Grausamkeiten,
O wilde Ringer, ewiger Bruderhass!

 

Vertaald door Stefan George

 

 
Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)
Foto door Nadar

Lees verder “Charles Baudelaire, Jelle Brandt Corstius, Karel Jonckheere, Joolz Denby, Albert von Schirnding, Johannes Bobrowski, Bernard-Marie Koltès, Arnold Stadler, Yaël Vinckx”

Eva Gerlach

De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Haar vader was schrijver en scenarist van beeldverhalen. Hij verliet het gezin toen Gerlach vier was; zij werd verder opgevoed door haar moeder, een lerares Nederlands, en haar stiefvader, een geoloog. Van 1953 tot 1966 verbleef Gerlach met haar ouders in Paramaribo in Suriname waar zij haar middelbareschooldiploma haalde. Terug in Nederland volgde ze verschillende studies: Spaans, culturele antropologie en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze had vele banen en bijbanen: van zweminstructeur tot magazijnhulp. Ook vertaalde ze gebruiksaanwijzingen, assisteerde ze bij het maken van catalogi en hielp ze toneelgezelschappen. Gerlach debuteerde in 1977 met gedichten in Hollands Maandblad en daarna verscheen poëzie in Raster, Tirade en het Nieuw Wereld Tijdschrift. Haar debuutbundel “Verder geen leed” verscheen in 1979 en werd goed ontvangen. Hij werd meteen maar liefst twee keer bekroond: met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de J.B. Charlesprijs. Behalve voor volwassenen schrijft Eva Gerlach incidenteel ook voor kinderen. In 1983 verscheen de bundel “Een kopstaand beeld” en in 1984 “Dochter”. Haar werk werd diverse keren bekroond. In 1988 ontving zij de A. Roland Holst-Penning voor haar gehele oeuvre en in 1995 de Jan Campert-prijs “voor Wat zoekraakt”.Voor haar bundel jeugdpoëzie “Hee meneer Eland” (1998) kreeg ze de Zilveren Griffel en de Nienke van Hichtumprijs. In 2000 werd haar gehele oeuvre bekroond met de P.C. Hooftprijs. Vanaf 2001 schrijft Gerlach ook columns voor De Morgen, waarvan ze er een aantal bundelde in “Losse bedrading” (2003).

Dubbelganger

Een man die fietste zo hard dat wij hem bijna niet zagen
kwam langs en riep met schorre stem pas op
maar voor wij iets konden doen was hij al weer voorbij
en voor wij hem na konden kijken was hij al zowat weg.

Het moet een beroeps zijn geweest als je zag hoe hij onder
het viaduct verdween, bijna doorzichtig, een wolkje
stof, niet dat dat opwoei van het asfalt maar hijzelf
dunner en dunner van steeds zichzelf in te halen.

 

Gelukkig gedicht

Ze kwam bij me in de gedaante van een hond van
onduidelijk ras, er was niemand thuis in dat dorp.
Ze kwam zo sloom als honden eigenlijk niet
kunnen naast me lopen, raakte me met geen
haar aan, keek niet omhoog. Bij het korenveld zei ik

ga weg en ze antwoordde niet maar
liet haar tanden zien. Ik zal je niet zal je
nooit verlaten. Bofkont die ik was. Nam haar
mee naar mijn huis bij de zee met water en brood,
steekmuggen, leerde haar koken,

schoonmaken, zingen. En nu met de zwaluwen, die ze
sinds ze terug zijn nazwemt tot achter de zon
is ze wanneer ze haar klittenvacht buiten hangt en
denkt dat ik niet kijk een vrouw uit dat dorp,
glad als een rots in zee, ze worden niet ouder,

verbazend dunne benen, zware enkels.

 

Drukte

Het is raar gesteld met de doden,
schuiven in je aan, zitten met hun
holtes in je knieën, hun kootjes
in je vingers een brief te schrijven,
even sloom als jezelf, even beperkt op de hoogte
van weerbericht en genade, twijfel en kostprijs

en als het etenstijd, bedtijd,
tijd is om de honden uit te laten,
tijd om een kind te krijgen, een man te begraven,
altijd lopen zij, meegaand,
volgzaam, met hun kammen en doornen hun schaambeen
boven je geslacht hun schedelpan rond je
zinnen hun graat om je merg

in je door, tiktiktik, alleen
je vel dempt hun drukte een beetje.

 
Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)

Thomas (Jan Willem Schulte Nordholt)

Bij Beloken Pasen

 

 
De ongelovige Thomas door Peter Paul Ruben, 1613 – 1615

 

Thomas

Als God bestond dan viel hij met ons samen
hier op aarde waar wij mensen zijn,
was hij het brood van ons, was hij de wijn
was hij de stem waarvoor we ons zouden schamen.

Was hij de groene ziel bij ons van binnen,
de vleugel die ons hart had aangeraakt,
het licht waarin ons leven was ontwaakt,
en onze pijn en wildernis van zinnen.

Hij is een glans die langs de sterren gaat,
een adem in een ontoegankelijk licht.
Hij is zo heilig dat hij niet bestaat.

Als ik hem niet aanraak met deze hand,
hem kus met deze mond, met dit gezicht
hem in mij opneem, en hij mij verbrandt.

 

 
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995)
De Grote Kerk in Zwolle, de geboorteplaats van Jan Willem Schulte Nordholt

 

Zie voor de schrijvers van de 8e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Thomas (Jan Willem Schulte Nordholt)

 

Bij Beloken Pasen

 

 
De ongelovige Thomas door Peter Paul Ruben, 1613 – 1615

 

Thomas

Als God bestond dan viel hij met ons samen
hier op aarde waar wij mensen zijn,
was hij het brood van ons, was hij de wijn
was hij de stem waarvoor we ons zouden schamen.

Was hij de groene ziel bij ons van binnen,
de vleugel die ons hart had aangeraakt,
het licht waarin ons leven was ontwaakt,
en onze pijn en wildernis van zinnen.

Hij is een glans die langs de sterren gaat,
een adem in een ontoegankelijk licht.
Hij is zo heilig dat hij niet bestaat.

Als ik hem niet aanraak met deze hand,
hem kus met deze mond, met dit gezicht
hem in mij opneem, en hij mij verbrandt.

 

 
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995)
De Grote Kerk in Zwolle, de geboorteplaats van Jan Willem Schulte Nordholt

 

Zie voor de schrijvers van de 8e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Herinnering aan Gerard Reve, Hanz Mirck, Christoph Hein, Judith Koelemeijer, Nnedi Okorafor, Barbara Kingsolver

Herinnering aan Gerard Reve

Vandaag is het precies 12 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

 

Herkenning

Nu weet ik, wie gij zijt,
de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg.
Ik hoor mijn Moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.

 

 
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)
Reve met Woelrat en Knorretje

Lees verder “Herinnering aan Gerard Reve, Hanz Mirck, Christoph Hein, Judith Koelemeijer, Nnedi Okorafor, Barbara Kingsolver”

John Fante, Johann Christian Günther, Glendon Swarthout, Martin Grzimek, Hégésippe Moreau, Robert Askins

De Amerikaanse schrijver John Fante werd geboren in Colorado op 8 april 1909. Zie ook alle tags voor John Fante op dit blog.

Uit: Ask the Dust

“Los Angeles, give me some of you! Los Angeles come to me the way I came to you, my feet over your streets, you pretty town I loved you so much, you sad flower in the sand, you pretty town. A day and another day and the day before, and the library with the big boys in the shelves, old Dreiser, old Mencken, all the boys down there, and I went to see them, Hya Dreiser, Hya Mencken, Hya, hya: there’s a place for me, too, and it begins with B, in the B shelf, Arturo Bandini, make way for Arturo Bandini, his slot for his book, and I sat at the table and just looked at the place where my book would be, right there close to Arnold Bennett; not much that Arnold Bennett, but I’d be there to sort of bolster up the B’s, old Arturo Bandini, one of the boys, until some girl came along, some scent of perfume through the fiction room, some dick of high heels to break up the monotony of my fame. Gala day, gala dream! But the landlady, the white-haired landlady kept writing those notes: she was from Bridgeport, Connecticut, her husband had died and she was all alone in the world and she didn’t trust anybody, she couldn’t afford to, she told me so, and she told me I’d have to pay. It was mounting like the national debt, I’d have to pay or leave, every cent of it — five weeks overdue, twenty dollars, and if I didn’t she’d hold my trunks; only I didn’t have any trunks, I only had a suitcase and it was cardboard without even a strap, because the strap was around my belly holding up my pants, and that wasn’t much of a job, because there wasn’t much left of my pants. ‘I just got a letter from my agent,’ I told her. ‘My agent in New York. He says I sold another one; he doesn’t say where, but he says he’s got one sold. So don’t worry Mrs Hargraves, don’t you fret, I’ll have it in a day or so.’ But she couldn’t believe a liar like me. It wasn’t really a lie; it was a wish, not a lie and maybe it wasn’t even a wish, maybe it was a fact, and the only way to find out was watch the mailman, watch him closely, check his mail as he laid it on the desk in the lobby, ask him point blank if he had anything for Bandini. But I didn’t have to ask after six months at that hotel.”

 

 
John Fante (8 april 1909 – 8 mei 1983)
Scene uit de film uit 2006 met o.a. Colin Farrell (Arturo) en Salma Hayek (Camilla)

Lees verder “John Fante, Johann Christian Günther, Glendon Swarthout, Martin Grzimek, Hégésippe Moreau, Robert Askins”