C. Buddingh’-Prijs voor Vicky Francken

C. Buddingh’-Prijs voor Vicky Francken

Het beste Nederlandstalige poëziedebuut van het afgelopen jaar is geschreven door de Nederlandse dichteres Vicky Francken.Voor haar bundel “Röntgenfotomodel” kreeg ze donderdag de C. Buddingh’-Prijs. Vicky Francken werd geboren op 18 maart 1989 in Boxmeer. Sinds 1988 wordt tijdens het Poetry International Festival de C. Buddingh’-prijs uitgereikt aan de schrijver van het beste Nederlandstalige poëziedebuut. Uit de dertig inzendingen van dit jaar nomineerde de jury: “Binnenplaats” van Joost Baars; “Röntgenfotomodel” van Vicky Francken; “De geluiden” van Paul Meeuws en “Anagrammen van een blote keizer” van Tijl Nuyts. De prijs is genoemd naar de dichter en dagboekschrijver C. (Kees) Buddingh’ (1918-1985). Zie ook alle tags voor Vicky Francken op dit blog.

 

Weekendtas voor langer dan een weekend

De condens op een raam van ademhalen kijkt uit
op een tuin waarvan ik weet dat je me erin zult zien
staan, je kunt niet naast me kijken. Ik schreef in sneeuw en kou
de letters van een werkwoordsvorm en
de letters van je naam.

In het steenwit van een kleermakerszit, mag je de brieven lezen
die ik je schrijven ga als ik weg ben en dat is waarschijnlijk
morgen. Niet mee neem ik

de deur waardoor ik wegloop voor eeuwiger dan even,
de vaas van je moeder die je lelijk vond en kapot wilde gooien
maar ik hield je tegen en

de hond. Verder bij benadering zo bijna alles.

 

 
Vicky Francken (Boxmeer, 18 maart 1989)

Jim Knipfel, Marcel Reich-Ranicki, Sibylle Berg, Carol Shields, Jean Nelissen, Thomas Hardy, Markies De Sade, Dorothy West, Max Aub

De Amerikaanse schrijver Jim Knipfel werd geboren op 2 juni 1965 in Green Bay, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Jim Knipfel op dit blog.

Uit: These Children Who Come at You with Knives

“As if that wasn’t bad enough, the entire sidewalk in both directions had become a river of bodily fluids. Snot and puke and pus and bile and piss all flowed together in a thick noxious stream dotted with islands of shit. Great clouds of fat blackflies hung low over the flood, and even in the chill autumn air the unimaginable stench made Milton’s own gorge rise. Confronted with such a nightmarish landscape, most men would have screamed or called the police or written a strong let-ter of complaint to the EPA. Not Milton, who had almost ex-pected this. He didn’t simply want to identify the culprit anymore. He wanted revenge. This was a malicious premeditated attack aimed at him personally. He knew that. And whoever was responsible would pay. That night, instead of waiting by the window, Milton stepped outside, crossed the street, and hid in a darkened, recessed door-way. From that vantage point he could see a good stretch of side-walk in either direction. He would hide in that doorway as long as it took. The streets were silent. Even the cars were asleep. At the stroke of four, as Milton’s eyelids began to grow quite heavy, he caught a quick movement across the street to his left. A shadow dashed beneath a streetlamp. He strained his eyes but could see nothing. There was another dark flash to his right. In the pool of light he definitely saw a small leg. Another figure came dancing around the corner, fully visible, and Milton nearly let loose with a yelp of surprise. It was a tiny man, no more than three feet tall. He looked human, apart from the pointed ears, the stupid haircut, the peaked red cap, and a pair of strange curly-toed boots. Aside from the hat and the boots, the little man was naked as a jaybird. Not just naked, Milton noted with revulsion, but pissing as well. Dancing in circles and pissing. In his hands he held a crystal bucket. Milton couldn’t tell what was contained in the bucket, but whatever it was the little man was splashing it on the sidewalk as he danced and pissed. The bucket, though tiny, seemed to hold a bottomless supply of something thick and green. A second little man, equally naked apart from the hat and boots, came dancing down the block, snorting and spitting an endless stream of phlegm in every direction. Soon there was a third and a fourth and a fifth.

 

 
Jim Knipfel (Green Bay, 2 juni 1965)

Lees verder “Jim Knipfel, Marcel Reich-Ranicki, Sibylle Berg, Carol Shields, Jean Nelissen, Thomas Hardy, Markies De Sade, Dorothy West, Max Aub”

Patrick Besson, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn, Colleen McCullough, Macedonio Fernández, Elena Ferrante

 

De Franse schrijver en journalist Patrick Besson werd geboren op 1 juni 1956 in Montreuil. Zie ook mijn blog van 1 juni 2009 en alle tags voor Patrick Besson op dit blog.

Uit:La mémoire de Clara

„La lumière d’automne l’a toujours rendue, rendue, rendue quoi? Elle ne sait plus. Elle regarde la rue Alphonse Karr. Il y a de l’eau qui tombe du ciel comme hier. Comment s’appelle l’eau qui tombe du ciel ? Elle sait : la pluie. Elle sourit. Il y a des choses qui lui reviennent de temps en temps, ça fait plaisir. C’est comme pour l’ascenseur. Une fois sur deux, elle sonne chez un copropriétaire, croyant appeler l’ascenseur. L’autre ouvre la porte. Un homme petit et chauve. Il sourit. À moins qu’il ne soupire. C’est un peu les deux. Il la ramène doucement devant la cabine d’ascenseur. Elle s’excuse : « Ah oui, pardon. » Il dit : « De rien, Mademoiselle Bruti. » Il lui donne son nom de jeune fille, celui sous lequel elle était connue et restera dans les livres d’Histoire de la cinquième République française. Personne ne l’a jamais appelée Madame Brancusi, sauf elle-même quand elle se regardait, il y a cinquante-trois ans, dans les miroirs de l’Élysée, ancienne demeure des présidents français avant que le Palais ne soit préempté par l’émir du Qatar et ne devienne le musée national du football français, le bureau du général De Gaulle et de Georges Pompidou étant consacré aux coupes gagnées par le PSG avant son rachat par l’émirat en 2011. Mais il y a aussi des jours, de moins en moins nombreux il est vrai, où Clara, pour l’ascenseur de la rue Alphonse Karr, ne se trompe pas. Les deux portes s’ouvrent comme la caverne d’Ali Baba. Elle est aussi heureuse que si elle recevait, une nouvelle fois, une Victoire de la musique. Quant à la lumière d’automne, elle se souvient maintenant de ce que ça la rendait : heureuse. C’est le soleil qui l’attriste. Pourquoi, alors, s’est-elle installée dans cette ville du sud dont le nom va lui revenir ? Pas Cannes, car elle n’a vu personne qu’elle  connaît  monter des marches. Mais connaît-elle encore les gens qu’elle connaît ? C’est un mot anglais. Une glace. Ice. Avec une lettre devant, mais quelle lettre ? Il faudrait qu’elle se concentre mais elle préfère regarder la, la, elle le savait tout à l’heure : la pluie, voilà.
Nice. Elle est à Nice. Elle est contente, elle s’est souvenue de deux choses : Nice et … Zut, elle a oublié la première. Il faut qu’elle écrive ses mémoires avant de perdre ses souvenirs. Non: ses souvenirs avant de perdre la mémoire. Elle doit appeler Aurélia, elles sont amies depuis si longtemps. Clara lui a piqué plusieurs mecs, ça crée des liens entre filles. »

 
Patrick Besson (Montreuil, 1 juni 1956)

Lees verder “Patrick Besson, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn, Colleen McCullough, Macedonio Fernández, Elena Ferrante”

Wilfred Campbell

De Canadese dichter en schrijver William Wilfred Campbell werd geboren rond 1 juni 1858 in Berlin, Ontario, tegenwoordig Kitchener. De zoon van dominee Thomas Swainston Campbell groeide op in verschillende kleine steden in Ontario. Hij ging van 1877 tot 1879 naar de Highschool in Owen Sound en behaalde een leraarscertificaat. Vanaf 1882 studeerde hij aan University College van de Universiteit van Toronto, en vervolgens theologie aan Wycliffe College en de Episcopal Theological School iin Cambridge. In 1885 werkte Campbell als diaken in West Claremont / New Hampshire; In 1886 werd hij benoemd tot pastor. In 1888 werd hij rector van Trinity Church in St. Stephen / New Brunswick, 1890 rector van St. Paul’s Church in Southampton / Ontario. In 1891 kreeg hij een baan bij het ministerie van Spoorwegen en Kanalen in Ottawa, in 1892, trad hij toe tot het departement van Buitenlandse Zaken, in het volgende jaar tot het Ministerie van Militie en Defensie en in 1897 tot het Privy Council Office. In 1908 kreeg hij een functie in het archief van het ministerie van Landbouw, die hij tot zijn dood bekleedde. Campbell’s eerste dichtbundel “Poems” verscheen tijdens zijn studententijd in 1881. Tussen 1881 en 1888 werden verscheidene gedichten gepubliceerd in het tijdschrift Varsity. Zijn eerste publicatie in een groot tijdschrift (Atlantic Monthly) was “Canadian Folk Song” (1885). In 1888 verscheen de bundel “Snowflakes and sunbeams”, met o.a. het gedicht “Indian Summer” – een van de populairste Canadees gedichten tot op heden. Een jaar later volgde de bundel “Lake lyrics and other poems”. 1893 verscheen “The dread voyage”. In 1894 werd Campbell toegelaten tot de Royal Society of Canada, waarin hij tot 1911 verschillende functies bekleedde.. Vanaf 1895 schreef hij zeven vers drama’s. De eerste twee verschenen in 1895 onder de titel “Mordred and Hildebrand: a book of tragedies”: Na 1900 ontstonden zijn drie romans “Ian of the Orcades (1906), “A beautiful rebel” (1909) en “Richard Frizzell”.

 

How One Winter Came In The Lake Region

For weeks and weeks the autumn world stood still,
Clothed in the shadow of a smoky haze;
The fields were dead, the wind had lost its will,
And all the lands were hushed by wood and hill,
In those grey, withered days.

Behind a mist the blear sun rose and set,
At night the moon would nestle in a cloud;
The fisherman, a ghost, did cast his net;
The lake its shores forgot to chafe and fret,
And hushed its caverns loud.

Far in the smoky woods the birds were mute,
Save that from blackened tree a jay would scream,
Or far in swamps the lizard’s lonesome lute
Would pipe in thirst, or by some gnarlèd root
The tree-toad trilled his dream.

From day to day still hushed the season’s mood,
The streams stayed in their runnels shrunk and dry;
Suns rose aghast by wave and shore and wood,
And all the world, with ominous silence, stood
In weird expectancy:

When one strange night the sun like blood went down,
Flooding the heavens in a ruddy hue;
Red grew the lake, the sere fields parched and brown,
Red grew the marshes where the creeks stole down,
But never a wind-breath blew.

That night I felt the winter in my veins,
A joyous tremor of the icy glow;
And woke to hear the north’s wild vibrant strains,
While far and wide, by withered woods and plains,
Fast fell the driving snow.

 

In My Study

Out over my study,
All ashen and ruddy,
Sinks the December sun;
And high up over
The chimney’s soot cove,
The winter night wind has begun.

Here in the red embers
I dream old Decembers,
Until the low moan of the blast,
Like a voice out of Ghost-land,

Or memory’s lost-land,
Seems to conjure up wraiths of the past.

Then into the room
Through the firelight and gloom,
Some one steals,—let the night-wind grow bleak,

And ever so coldly,—
Two white arms enfold me,
And a sweet face is close to my cheek.

 
Wilfred Campbell (1 juni 1858 – 1 januari 1918)

Petra Morsbach

 

De Duitse schrijfster Petra Morsbach werd geboren op 1 juni 1956 in Zürich als dochter van een ingenieur en een arts. Na haar eindexamen gymnasium in Starnberg in 1975 studeerde zij tot 1981 aan de Ludwig Maximilian Universiteit van München theater, psychologie en Slavische talen en 1981-1982 in Leningrad aan het Theater Instituut regie. In 1983 promoveerde zij in München met een proefschrift over Isaac Babel tot doctor in de wijsbegeerte. Na 10 jaar als dramaturge en regisseur gewerkt te hebben publiceerde zij in 1995 haar eerste roman “Plötzlich ist es Abend”. Sindsdien woont en werkt zij als freelance schrijfster aan de Starnberger See. Veel aandacht trok haar in 2004 verschenen roman “Gottesdiener” over een Beierse priester. Morsbach is eveneens een eigenzinnige essayiste. Haar essaybundel „Warum Fräulein Laura freundlich war. Über die Wahrheit des Erzählens” gaat over het verschijsel dat onze taal meer lijkt te weten dan de mens, en trekt de canonieke lezing van drie beroemde boeken van Alfred Andersch, Marcel Reich-Ranicki en Günter Grass in twijfel. Morsbach is sinds 2004 lid van de Beierse Academie voor Schone Kunsten. In 2013 werd haar gehele literaire werk bekroond met de Beierse literatuurprijs.

Uit: Gottesdiener

“Heute, ausgerechnet am letzten Adventssonntag, hat er einen dummen Fehler gemacht; zumindest sieht es so aus. Nachfragen darf er nicht, also hadert er. Was ist passiert? Er hat nach der Abendmesse Frau Danninger beleidigt, weil er gereizt und müde war. Zwar hat sie ihn herausgefordert, aber er hätte sich nicht herausfordern lassen dürfen. Frau Danninger ist eine emsige Christin, nichts Schlechtes über sie!, aber sie hat ein unheimliches Gespür für alle Empfindlichkeiten ihrer Mitmenschen, da muß sie einfach losbohren, sie kann nicht anders, und dann saugt sie sich fest. Mittags auf der Straße hatte sie ihn auf die nächste Osterwallfahrt angesprochen, geh, fahr ma doch nächstes Jahr nach Konnersreuth! Er, angespannt vor dem Marathon der Weihnachtswoche, wollte erstens überhaupt nicht mit ihr über Ostern sprechen, zweitens nicht von einer Wallfahrt und drittens schon gar nicht von Konnersreuth. Er sagte knapp: »Hier in Bodering kann man genausogut beten!« und ließ sie stehen. Mehrere Adventstermine standen an: Seniorenweihnacht der Freiwilligen Feuerwehr, ein Ministrantengespräch, Stallweihnacht in Zwam mit Ansprache, Abendgottesdienst. Nach dem Abendgottesdienst aber, als er aus der Seitentür der Kirche auf den verschnei- ten Friedhof trat, ist Frau Danninger ihn richtig angesprungen: Warum er nicht zur heiligen Resl will? Ob er was gegen die hätte? Den Raucherkrebs von ihrem Schwager hätt die geheilt, wär das nicht zu ihrer aller Bestem? Er hätte wissen müssen, daß sie nicht locker läßt. Er war nicht geistesgegenwärtig. Er hatte Hunger und wußte, wenn Frau Danninger das Diskutieren anfängt, hört sie nicht wieder auf, also hat er ihr das Wort abgeschnitten: Sie könne jederzeit nach Konnersreuth fahren, er müsse ja nicht mit. Sie sagte, sie wollten aber alle zusammen … »Bei uns ist die Kirch leer!«, schnauzte er. »Wenn Ihr hier keine Gemeinschaft findet, findets in Konnersreuth auch keine!«, und das war der schwerste Fehler: daß er »Ihr« gesagt hat. Auf einmal merkte er nämlich, daß sie Zuhörer hatten. Leute waren stehengeblieben, einige, die schon am Tor gewesen waren, drehten wieder um: Sie lassen sich von Frau Danninger ganz gern unterhalten. Nun standen sie also da in der dunklen, feuchten Kälte, bliesen Atemwolken in die Luft und stampften mit den Füßen. Er musterte die Gruppe rasch: Tatsächlich waren einige notorische Wallfahrer darunter; die schauten verletzt drein. Die anderen hatten sich noch nicht entschlossen, ob sie nur neugierig oder auch vorwurfsvoll sein sollten. Ihm war unbehaglich. Seine Autorität besteht darin, daß sie glauben, er wisse Dinge, die sie nicht wissen und auch nicht wissen wollen; trotzdem oder gerade deshalb aber darf er sie nicht erniedrigen, sonst setzen sie sich zur Wehr, und das ist auch richtig so.“

 

 
Petra Morsbach (Zürich, 1 juni 1956)

In Memoriam Tankred Dorst

In Memoriam Tankred Dorst

De Duitse schrijver Tankred Dorst is op 91-jarige leeftijd overleden. Tankred Dorst werd geboren op 19 december 1925 in Oberlind bei Sonneberg. Zie ook alle tags voor Tanked Dorst op dit blog.

Uit: Glück ist ein vorübergehender Schwächezustand

„Eckernförde. Poldi neigt ohnehin dazu, die Sprechweise oder die Dialektfärbung eines Gesprächspartners anzunehmen.
Als sie letztes Jahr mit irgendeinem österreichischen Nachwuchsgenie drehte, sprach sie nach  drei Drehtagen Tirolerisch, Kehllaute, dankche, dankche … Ihre Affäre mit dem Zahnarzt Dr. Dr.  Kurt, der auch mein Zahnarzt war – und noch ist –, entdeckte ich nur, weil mir ihre plötzlich  veränderte Sprechweise auffiel: diese verschleppten Endungen, die kenne ich doch, die erinnern  mich doch an jemanden!? So kam es heraus. Ihre Telefongespräche mit Mama Lilly dauern nie unter einer Stunde. Un jedesmal ärgere ich mich über die Kosten. Ich sage ihr das nie, ich möchte nicht kniepig erscheinen, zumal ich ihr häufig einen Hang zu Geiz und Kleinlichkeit vorwerfe.
Sie ging also nach Hause, ich hockte noch eine halbe Stunde mit den Leuten von der Technik in  der Kantine zusammen, spendierte einen Kasten Bier. Die schwärzlich knotigen Bouletten, an denen kaltes Fett klebte, rührte ich nicht an.
Eigentlich hätte ich jetzt nach Hause gehen können, aber der edanke, daß dort Poldi saß und stundenlang telefonierte, hielt mich davon ab. Auch zu den feiernden Kollegen wollte ich nicht: Das Gefühl, daß es nun wieder mal vorbei war, daß alles im Leben vorbeigeht und mit einem »kleinen Tod« endet, wie mein alter Schauspiellehrer sagte – die Trauer und Enttäuschung darüber macht mir jedesmal schlechte Laune.
Wahrscheinlich ist das ein psychologischer Mechanismus, um mir wirklichen Schmerz zu ersparen. Unser »Pygmalion« war kommerzielle Durchschnittsware – sich einmal mehr zufrieden gegeben mit einer mittelmäßigen Sache. Keine Lust zu feiern. Hundertsechs Vorstellungen, runtergespielt, glatt, alles ging glatt, eben glatt, erfolgreich. Eliza hat nur den smarten Assi im Kopf, und eigentlich mag ich sie alle nicht mehr sehen, hasse sie alle, warum also soll ich mit ihnen Champagner trinken.“

 
Tankred Dorst (19 december 1925 – 1 juni 2017)

Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Konstantin Paustovski, Svetlana Alexievich, Ludwig Tieck, Gerd Hergen Lübben, Saint-John Perse, Georg Herwegh

De Amerikaanse dichter Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Whalt Whitman op dit blog.

 

Zang van de open weg

2

Jij, weg die ik opga en afkijk, ik geloof dat je niet alles bent dat hier is,
Ik geloof dat hier ook veel ongeziens is.

Hier de wijze les van het onthaal dat voorkeur noch verwerping is,
De zwarte met zijn kroeskop, de boef, de zieke, de ongeletterde worden niet verworpen;
De geboorte, het snellen naar de arts, de bedelaarstred, het strompelen van de dronkaard, de
lachende troep werklui,
De ontsnapte knaap, het rijtuig van de rijke, de dandy, het ontvluchtende paar,
De vroege marktman, de lijkkoets, het verhuizen van meubels naar de stad, de terugkeer uit
de stad,
Ze komen voorbij, ook ik kom voorbij, alles komt voorbij, niemand kan worden uitgesloten,
Geen mens die niet wordt aanvaard, geen mens die me niet lief zal zijn.

 

Vertaald door Jabik Veenbaas

 

“Are you the new person drawn toward me?”

Are you the new person drawn toward me?
To begin with, take warning, I am surely far different from what you suppose;
Do you suppose you will find in me your ideal?
Do you think it so easy to have me become your lover?
Do you think the friendship of me would be unalloy’d satisfaction?
Do you think I am trusty and faithful?
Do you see no further than this façade, this smooth and tolerant manner of me?
Do you suppose yourself advancing on real ground toward a real heroic man?
Have you no thought, O dreamer, that it may be all maya, illusion?

 

Uit: Calamus Poems (Fragment)

2
Through me shall the words be said to make death
exhilarating,
Give me your tone therefore, O Death, that I may
accord with it,
Give me yourself—for I see that you belong to me
now above all, and are folded together above all
—you Love and Death are,
Nor will I allow you to balk me any more with what
I was calling life,
For now it is conveyed to me that you are the pur-
ports essential,
That you hide in these shifting forms of life, for
reasons—and that they are mainly for you,
That you, beyond them, come forth, to remain, the
real reality,
That behind the mask of materials you patiently
wait, no matter how long,
That you will one day, perhaps, take control of all,
That you will perhaps dissipate this entire show of
appearance,
That may be you are what it is all for—but it does
not last so very long,
But you will last very long.

 

 
Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Portret door Lawrence C. Earle, ca. 1890

Lees verder “Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Konstantin Paustovski, Svetlana Alexievich, Ludwig Tieck, Gerd Hergen Lübben, Saint-John Perse, Georg Herwegh”

T. T. Cloete

 

De Zuid-Afrikaanse dichter, vertaler en wetenschapper Theunis Theodorus Cloete werd geboren in Vredefort op 31 mei 1924, in de toenmalige Oranje Vrijstaat. Hij doorliep de lagere school in Vredefort en de middelbare school in Krugersdorp, alvorens in 1941 een studie aan de Universiteit van Pretoria te beginnen. Een ernstige ziekte (polio) maakte dat hij zijn studie moest onderbreken. Pas in 1945 vervolgde hij zijn studie, aan de Potchefstroomse Universiteit, waar hij in 1949 zijn Masters deed. In dat jaar werkte hij tijdelijk op het Departement Afrikaans-Nederlands aan dezelfde universiteit. Eind 1949 ging hij naar Nederland voor verdere studie aan de (gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1953 promoveerde onder NP van Wyk Louw, die daar van 1949 tot 1958 Zuid-Afrikaanse letterkunde, geschiedenis en cultuur doceerde. In 1953 werd hij docent Afrikaans-Nederlands aan die Potchefstroomse Universiteit en in 1962 hoogleraar. In 1963 was hij voor studie in Amsterdam en Oxford. Vervolgens werd hij in 1965 hoogleraar aan de Universiteit van Port Elizabeth waar hij van 1967 tot 1970 rector was. In januari 1970 keerde Cloete terug naar het departement Afrikaans-Nederlands en Algemene Taal- en Literatuurwetenschappen van de Potchefstroomse Universiteit, waar hij in 1983 om gezondheidsredenen aftrad. Hoewel hij al op jonge leeftijd was begonnen met gedichten schrijven debuteerde hij pas in 1980, op 56-jarige leeftijd. Hij schreef veel wetenschappelijke artikelen en enkele monografieën. Ook vertaalde hij verhalen en gedichten uit het Frans. In 1990 werd Cloete door de NG Kerk gevraagd om 150 psalmen om te dichten. Deze zijn vervolgens opgenomen in het nieuwe Liedboek van de Kerk, dat in 2001 verscheen. Ook in 2001 verscheen een bundel met zijn gedichten, “Die baie ryk ure: 100 uitgesoekte gedigte”, samengesteld door Heilna du Plooy en Joan Hambidge. Al eerder verscheen, in 1984, “In teen die groot vergeet : ’n bundel opstelle opgedra aan T.T. Cloete by geleentheid van sy sestigste verjaarsdag op 31 Mei 1984”, samengesteld door Hein Viljoen.

 

schering en inslag

het begon heel gewoontjes: volle maan, een boerderij

nu hou ik jouw voelloze hand vast
terwijl je in jouw diep ingeslapen gebed
“Here, help” roept “Here, hoor mij”

ik ben bestemd om mijn geprevel aan te passen
en “Here, wordt wakker” daartussenin te lassen

om drie uur in de nacht help ik je naar het toilet,
heb ik jouw slappe lichaam rechtop gezet

ik voel hoe je terugdenkt aan je dikke bos haar
hoe je die glanzend los liet met één handgebaar

diep in de nacht
vol onvruchtbaar terugverlangen
naar al jouw meisjesachtige springveergangen
je kleine ferme champignons, als suikerspek zo zacht

veeg ik jouw natte ogen
af in die van mij, pak jou hoge
heupen en ik interpoleer
mijn gebeden en verlangens met die van jou heen en weer
zigzag
schering en inslag

ik zie je nog zwevend over de hordes glijden
met je schoot open en je dijen

zweet verschijnt op je voorhoofd als een waas
eens was jij iedereen de baas
toen er nog kalk was in jou botten
ik hou
je vast en dans met jou
je schoot is nu een teer gesloten vouw
liefdevol steriel

jij hebt het allerzachtste velletje
een fijn klassiek profiel

ik proef je oorlelletje

‘s nachts als ik je zacht hoor snikken
en mijn handen jouw natte wrongen om je wangen schikken

 

Vertaald door Carina van der Walt & Geno Spoormans

 

 
T. T. Cloete (31 mei 1924 – 29 juli 2015)

Elizabeth Alexander, Countee Cullen, Emmanuel Hiel, Martin Jankowski, Alfred Austin, Michail Bakoenin, Eddy Bruma, Henri François Rikken, Jan Geerts

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Alexander werd geboren op 30 mei 1962 in New York. Zie ook alle tags voor Elizabeth Alexander op dit blog.

Boston Year

My first week in Cambridge a car full of white boys
tried to run me off the road, and spit through the window,
open to ask directions. I was always asking directions
and always driving: to an Armenian market
in Watertown to buy figs and string cheese, apricots,
dark spices and olives from barrels, tubes of paste
with unreadable Arabic labels. I ate
stuffed grape leaves and watched my lips swell in the mirror.
The floors of my apartment would never come clean.
Whenever I saw other colored people
in bookshops, or museums, or cafeterias, I’d gasp,
smile shyly, but they’d disappear before I spoke.
What would I have said to them? Come with me? Take
me home? Are you my mother? No. I sat alone
in countless Chinese restaurants eating almond
cookies, sipping tea with spoons and spoons of sugar.
Popcorn and coffee was dinner. When I fainted
from migraine in the grocery store, a Portuguese
man above me mouthed: “No breakfast.” He gave me
orange juice and chocolate bars. The color red
sprang into relief singing Wagner’s Walküre.
Entire tribes gyrated and drummed in my head.
I learned the samba from a Brazilian man
so tiny, so festooned with glitter I was certain
that he slept inside a filigreed, Fabergé egg.
No one at the door: no salesmen, Mormons, meter
readers, exterminators, no Harriet Tubman,
no one. Red notes sounding in a grey trolley town.

Equinox

Now is the time of year when bees are wild
and eccentric. They fly fast and in cramped
loop-de-loops, dive-bomb clusters of conversants
in the bright, late-September out-of-doors.
I have found their dried husks in my clothes.

They are dervishes because they are dying,
one last sting, a warm place to squeeze
a drop of venom or of honey.
After the stroke we thought would be her last
my grandmother came back, reared back and slapped

a nurse across the face. Then she stood up,
walked outside, and lay down in the snow.
Two years later there is no other way
to say, we are waiting. She is silent, light
as an empty hive, and she is breathing.

 
Elizabeth Alexander (New York, 30 mei 1962)

Lees verder “Elizabeth Alexander, Countee Cullen, Emmanuel Hiel, Martin Jankowski, Alfred Austin, Michail Bakoenin, Eddy Bruma, Henri François Rikken, Jan Geerts”

Oscar van den Boogaard

De Nederlandse schrijver Oscar van den Boogaard werd geboren in Harderwijk op 30 mei 1964. Van den Boogaard groeide verder op in Suriname en in Nederland. Hij werkte korte tijd op een advocatenkantoor alvorens zich fulltime aan het schrijven te wijden. Onder zijn eigen naam publiceerde hij romans bij Querido, De Arbeiderspers, De Prom en De Bezige Bij. Onder het pseudoniem Emmanuel Lipp schreef hij, samen met zijn partner Steven Van Watermeulen, de roman “Chinchilla Song”. Met Van Watermeulen schreef hij tevens de roman “Zeeduivel voor Amalia”, onder het pseudoniem Pearl Sweetlife. Reeds vele jaren verschijnt er elke vrijdag een column van zijn hand in de Vlaamse krant De Standaard. Voorheen publiceerde hij deze column op maandag, onder de titel De man op maandag. Van den Boogaard was van 2011 tot 2016 artistiek directeur van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten (HISK) te Gent.

Uit: Tropisch fruit

“Bakabana helde, Bakabana kantelde, Bakabana plofte naast de kolonel op het bed. Haar gezicht verdween onder de jurk die hij als een bananenschil omhoog trok. O heerlijke Bakabana, mompelde hij, kokkin der kokkinnen, en daarna kok-in, kok-uit, kok-in, kok-uit, kok-in, kok-uit, kok-in, kok-uit, kok-in, kok-uit…
Count your blessings, las de vrouw van de kolonel hardop om haar fantasieën te overstemmen. Ze leunde over haar bureau in haar kamer, in haar huis, trok aan haar sigaret, staarde naar de geborduurde spreuk. Aanmatigend was het. Ze telde de paperclips, de elastiekjes, de punaises, de zegeltjes van Albert Heijn. Later in de keuken telde ze de lege spuitwaterflessen in het krat. Nog even en Henny zou om de hoek van de schuur tevoorschijn komen. Met Four Roses en Victoria. Henny de drankman, de kwanselman. Een borrel om het af te leren. En nog een, de allerlaatste. Dag lieve Henny, schuif een beetje op, laat je eenzame vriendin haar armen om je heen slaan en je stevige nek kussen, ieder zijn pleziertje, de kolonel verschanst zich in zijn tropische santenkraam, fruitstal, snoepstal, vleesstal, kok-in, kok-uit, kok-in, kok-uit, Bakabana heeft jaren zijn mond gevoed, nu zal hij haar een wederdienst bewijzen en haar mond voeden, hij zal zijn kokossappen in haar storten, haar oerwoud overspoelen, als een zondvloed haar flora en fauna verzwelgen.
Count your blessings. De vrouw van de kolonel ontrukte zich aan haar waan, vestigde haar blik op de schuur. Lieve Henny, die mij iedere vrijdagmiddag komt bevoorraden, luister goed, deze klant is koningin, volg haar wenken, stroom mee in haar zinnen, eet straks gerust een hapje mee, maar leg eerst je hand even op mijn knie, op mijn dij, nee zoonlief laat zijn gezicht niet zien, zoonlief houdt zijn gezicht voor zichzelf, zoonlief verschuilt zich in de nok, als een bange vogel, een kolonel die jarenlang heldendaden heeft verricht in den vreemde komt pas morgen terug, hij denkt naar huis, maar dit is zijn huis niet meer, dat moet hij eerst maar eens goed begrijpen, of niet Henny Honey, eerst jarenlang wegblijven en dan opeens thuiskomen omdat een bosneger de macht heeft gegrepen.
Count your blessings. De kolonel zal met zijn koffers de trap oplopen en de slaapkamer binnengaan, maar wat hij ziet is niet wat hij verwacht, zijn matras is uit het tweepersoonsbed getild, waar hij eens zijn lichaam uitrekte, waar hij eens zijn rug.”

           
Oscar van den Boogaard (Harderwijk, 30 mei 1964)