Der Weihnachtsbaum (Heinrich Seidel)

Bij de vierde zondag van de Advent

 

 
Decoration du sapin de Noël door Marcel Rieder, 1898

 

Der Weihnachtsbaum

Schön ist im Frühling die blühende Linde,
bienendurchsummt und rauschend im Winde,
hold von lieblichen Düften umweht.

Schön ist im Sommer die ragende Eiche,
die riesenhafte, titanengleiche,
die da in Wettern und Stürmen besteht.

Schön ist im Herbste des Apfelbaums Krone,
die sich dem fleißigen Pfleger zum Lohne
beugt von goldener Früchte Pracht.

Aber noch schöner weiß ich ein Bäumchen,
das gar so lieblich ins ärmlichste Räumchen
strahlt in der eisigen Winternacht.

Keiner kann mir ein schöneres zeigen:
Lichter blinken in seinen Zweigen,
goldene Äpfel in seinem Geist,

und mit schimmernden Sternen und Kränzen
sieht man ihn leuchten, sieht man ihn glänzen
anmutsvoll zum lieblichsten Fest.

Von seinen Zweigen ein träumerisch Düften
weihrauchwolkig weht in den Lüften,
füllet mit süßer Ahnung den Raum!

Dieser will uns am besten gefallen,
ihn verehren wir jauchzend vor allen,
ihn, den herrlichen Weihnachtsbaum!

 

 
Heinrich Seidel (25. Juni 1842 – 7. November 1906)
Dorpskerk van Perlin, waar Heinrich Seidel werd geboren.

 

Zie voor de schrijvers van de 20e december ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

 

Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros, J. van Oudshoorn

De Nederlandse dichter, schrijver en journalist Hans van Willigenburg werd geboren in Utrecht op 20 december 1963. Zie ook alle tags voor Hans van Willigenburg op dit blog.

 

Huiselijk welvaren

Mijn rijkdom is dat ik me afvraag
wat ik vandaag ga doen.

Dat ik het antwoord niet weet
vanwege de vele mogelijkheden.

Dat ik bij gebrek aan besluitvaardigheid
achter het raam ga zitten en kijk
naar de stroom auto’s op de openbare weg.

Dat ik onachterhaalbaar
aan één bepaald boek begin te denken
dat ik lang geleden las en waarvan één detail op de kaft
– de glimlach van een snoezig geïllustreerde kikker –
mij soms lijkt op een gedachtespoor te zetten
en het volgende moment weer niet.

Dat ik na enige tijd
– geen idee hoe lang precies –
opsta en volledig niet verontrust naar de ijskast loop
en na die met mijn krachtige arm te hebben geopend
naar een fles frisdrank grijp.

Dat er na de eerste slok frisdrank een áááááh! aan mijn keel ontsnapt
waaromheen ironietekens volstrekt maar dan ook volstrekt
misplaatst zouden zijn.

 

CV

Mijn taak van vandaag is niet beter te leren nadenken.
De feiten eerlijker op een rijtje te zetten.
Mijn geduld verder tot bloei te laten komen.
Of de omgeving met nog scherpere ogen waar te nemen.

Al tijden heb ik mijn honger naar taken verloren,
en zeker naar het soort taken dat beloften vooruit stuurt
over vermeende inzichten en gedragingen van een hogere orde.

Mijn taak van vandaag (en morgen en overmorgen)
is dergelijke taken van me af te laten glijden.

Als ik geluk heb zijn er een paar momenten op een dag
waarop ik kan zeggen dat die taak (dat af laten glijden, dus)
voor even is geslaagd.

Tijdens het boeren, gapen, niezen, scheten laten, masturberen,
bouw ik mijn mooiste CV op.

 

 
Hans van Willigenburg (Utrecht, 20 december 1963)

Lees verder “Hans van Willigenburg, Sky Gilbert, Friederike Mayröcker, Sandra Cisneros, J. van Oudshoorn”

Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May

De Zwitserse schrijver en filosoof Alain de Botton werd geboren in Zürich op 20 december 1969. Zie ook alle tags voor Alain de Botton op dit blog.

Uit: On Love

“Every fall into love involves the triumph of hope over self-knowledge. We fall in love hoping we won’t find in another what we know is in ourselves, all the cowardice, weakness, laziness, dishonesty, compromise, and stupidity. We throw a cordon of love around the chosen one and decide that everything within it will somehow be free of our faults. We locate inside another a perfection that eludes us within ourselves, and through our union with the beloved hope to maintain (against the evidence of all self-knowledge) a precarious faith in our species.”
(…)

“To be loved by someone is to realize how much they share the same needs that lie at the heart of our own attraction to them. Albert Camus suggested that we fall in love with people because, from the outside, they look so whole, physically whole and emotionally ’together’ – when subjectively we feel dispersed and confused. We would not love if there were no lack within us, but we are offended by the discovery of a similar lack in the other. Expecting to find the answer, we find only the duplicate of our own problem.”
(…)

“Perhaps the easiest people to fall in love with are those about whom we know nothing. Romances are never as pure as those we imagine during long train journeys, as we secretly contemplate a beautiful person who is gazing out of the window – a perfect love story interrupted only when the beloved looks back into the carriage and starts up a dull conversation about the excessive price of the on-board sandwiches with a neighbour or blows her nose aggressively into a handkerchief.”

 

 
Alain de Botton (Zürich, 20 december 1969)

Lees verder “Alain de Botton, Ramon Stoppelenburg, Aziz Nesin, Hortense Calisher, Jürg Laederach, Peter May”

Ferdinand Avenarius, Gernot Wolfgruber, Vaino Linna, John Fletcher, Mendele Mojcher Sforim

De Duitse dichter en activist Ferdinand Avenarius werd geboren in Berlijn op 20 december 1856. Zie ook alle tags voor Ferdinand Avenarius op dit blog.

 

Vorfrühling

Verloren im Raume
ein erster Vogelruf.

Doch schwer hinschnaubend
durchs dampfende Marschland
mit dem Eisen durchwühlt’s
der gewaltige Stier.

Und festen Tritts hinter ihm
schreitet der Mensch,
die Körner schleudernd,
wo auseinander
mit schwarzroten Wellen
schäumt der Grund.

Regenschwanger
der Himmel darüber
breit lagernd
in schlafender Kraft.

 

Herbstgold

Wie war’s im Walde
heut wunderhold –
die Wipfel alle
von rotem Gold!

Goldender Boden,
golden der Duft,
fallende Blätter
von Gold aus der Luft.

Und es leuchtet
aus Tod und Vergeh’n
golden die Hoffnung
aufs Aufersteh’n.

 

 
Ferdinand Avenarius (20 december 1856 – 22 september 1923)
Vuurtoren bij Kampen op Sylt. In de zomer verbleef Avenarius meestal in Kampen
en hij is er ook gestorven en begraven.

Lees verder “Ferdinand Avenarius, Gernot Wolfgruber, Vaino Linna, John Fletcher, Mendele Mojcher Sforim”

Paolo Giordano, Jean Genet, Michelangelo Signorile, Tristan Egolf, Jens Fink-Jensen, Alexander Gumz, Hanny Michaelis, Italo Svevo

De Italiaanse schrijver Paolo Giordano werd geboren in Turijn op 19 december 1982. Zie ook alle tags voor Paolo Giordano op dit blog.

Uit: Het zwart en het zilver (Vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd)

“Op mijn vijfendertigste verjaardag liet Signora A. plotseling de onverzettelijkheid varen die haar in mijn ogen meer dan elke andere karaktereigenschap kenmerkte, en verliet, reeds opgebaard in een bed dat veel te groot leek voor haar lichaam, de wereld die wij kennen.
Die ochtend was ik naar het vliegveld gereden om Nora op te halen, die even was weg geweest voor haar werk. Hoewel het al laat in december was, liet de winter nog op zich wachten, en over de eentonige velden aan weerszijden van de autoweg lag een witte mistsluier, bijna een imitatie van de sneeuw die nog steeds niet viel. Nora nam haar telefoon op en zei daarna niet veel, ze luisterde vooral. Ze zei goh, oké, dinsdag dus, en daarna zei ze een van die zinnetjes die we paraat hebben voor als we iets moeten zeggen maar niet de juiste woorden kunnen vinden: ‘Misschien is het beter zo.’
Ik ben bij het eerste tankstation afgeslagen om haar de gelegenheid te geven uit te stappen en in haar eentje naar een plek ergens op de parkeerplaats te lopen. Ze huilde zachtjes, haar rechterhand in een kommetje over haar neus en mond. Een van de ontelbare dingen die ik in tien jaar huwelijk over mijn vrouw heb geleerd, is dat ze de hebbelijkheid heeft om zich op momenten van verdriet af te sluiten. Ze is dan opeens onbenaderbaar, niemand mag haar troosten, ze dwingt me op afstand te blijven en machteloos toe te zien hoe verdrietig ze is – ik heb die terughoudendheid wel eens verward met het onvermogen om te delen.
De rest van de weg heb ik een lagere snelheid aangehouden, dat leek me een rationele manier om respect te betuigen. We praatten over Signora A., haalden een paar anekdotes op, al waren de meeste geen echte anekdotes – die hadden we niet over haar – het waren eerder gewoontes, gewoontes die zo bij ons gezinsleven waren gaan horen dat ze voor ons bijna traditie waren geworden: hoe ze ons elke ochtend verslag deed van de horoscoop die ze op de radio had gehoord terwijl wij nog lagen te slapen; hoe ze zich sommige delen van het huis, vooral de keuken, zo toe-eigende dat we zelfs toestemming vroegen om onze eigen koelkast open te doen; de gevleugelde uitspraken waarmee ze ons tot de orde riep als wij, jongelui, de dingen onnodig ingewikkeld maakten volgens haar; haar mannelijke, krijgshaftige pas, en ook haar onverbeterlijke krenterigheid – weet je nog die keer dat we vergeten waren geld voor haar klaar te leggen voor de boodschappen? Ze haalde de pot met kleingeld leeg, tot de laatste cent aan toe.”

 

 
Paolo Giordano (Turijn, 19 december 1982)

Lees verder “Paolo Giordano, Jean Genet, Michelangelo Signorile, Tristan Egolf, Jens Fink-Jensen, Alexander Gumz, Hanny Michaelis, Italo Svevo”

José Lezama Lima, Paul Nizon, Michel Tournier, Tankred Dorst, Peter Stephan Jungk, Jügen Fuchs, Anne Golon, Johannes Kirschweng

De Cubaanse dichter en schrijver José Lezama Lima werd geboren op 19 december 1910 in Havanna. Zie ook alle tags voor José Lezama Lima op dit blog.

 

Old Surrealist Ballad

When the rivulet swells with lashing
snaketails and the piano with its backside turned
displays its shoes shining like the night when it sinks, a sagging armchair whose old wicker
strands are still a plaything for the boy with a big head
Taking shelter from a slice of violin melon
the dancers bump their heads and perspire sawdust
and midnight is as bored
as a chessboard leaned against a blackboard
I had no plan to go, but my keychain was missing
the enormous lock the dog that always follows me
until it goes off licking the back of its leg
The violin like an arm covered with frogs
began releasing drops of evaporated honey
The chief’s canoe crossed the crystal lake
at the stroke of two in the morning
and those who woke up danced with those who were sleeping
The woman we waited for is here and I hid
like a hypocrite behind a child’s box of pencils
which lent me their yellow fingers
and scraps of the accordion like a grapefruit packed in syrup
I used to save tears like bread crumbs
to throw into the pool of sissified alligators
When the doughnut began to puff
the patent leather definitely squealed
and the chiefs canoe was filled with crystal shards.

​Vertaald door Roberto Tejada.

 

 
José Lezama Lima (19 december 1910 – 9 augustus 1976) 

Lees verder “José Lezama Lima, Paul Nizon, Michel Tournier, Tankred Dorst, Peter Stephan Jungk, Jügen Fuchs, Anne Golon, Johannes Kirschweng”

A. M. Homes, Mazarine Pingeot, Viktor Rydberg, Thomas Strittmatter, Miles Marshall Lewis, Saki

De Amerikaanse schrijfster Amy Michael Homes werd geboren op 18 december 1961 in Washington DC. Zie ook alle tags voor A. M. Homes op dit blog.

Uit:This Book Will Save Your Life

“Did you notice the hole?” Richard asks Cecelia, the housekeeper, as he is eating breakfast.
“What hole?”
“Look out the window, there’s a big dent like the kind of place a UFO might have landed if you believe in that kind of thing.”
“The only things I believe in are God and a clean house. Are you going to put your headphones on or do I have to talk to you all day.” Cecelia takes her can of Endust to the window and looks out. “Not only is there a hole,” Cecelia says. “There’s a horse in the hole.”
He stops eating and goes to the glass.
There is a horse in the center of the hole, eating grass. Again, he thinks of the signs on the telephone poles at the bottom of the hill. “UFO? You Are Not Alone.”
“Don’t just stare at it,” Cecelia says.
Richard goes outside, stands with his feet on the edge of the hole—it is definitely deeper than it was two hours ago. The horse looks up.
“Are you stuck?” Richard asks the horse. “Can you climb out? Come out, while it’s not so deep.”
The horse doesn’t move. Richard goes back into the house “He doesn’t want to come out,” Richard says to Cecelia.
“A horse in a hole is like a salt shaker in a coffee cup,” Cecelia says. “It makes no sense.”
“The horse got into the hole, he must know how to get out of the hole.” Richard goes to the window. Now there’s a coyote standing at the edge of the hole, or at least he thinks it’s a coyote. It’s standing at the edge of the hole menacing the horse, and the horse is frightened.
Richard looks around for Cecelia—she’s vacuuming in the living room. He picks up his noise-canceling headphones, takes two metal pot lids from the kitchen and goes back outside, banging the lids together like cymbals, yelling, “Scram. Go away and be gone.” The coyote runs.
The horse sighs, flares his lips, blinks at Richard.”

 

 
A. M. Homes (Washington DC,16 december 1961)

Lees verder “A. M. Homes, Mazarine Pingeot, Viktor Rydberg, Thomas Strittmatter, Miles Marshall Lewis, Saki”

Ronald Giphart, Yvonne Keuls, Jón Kalman Stefánsson, Frank Martinus Arion, Paul Snoek, Hans Henny Jahnn, Jules de Goncourt

De Nederlandse schrijver Ronald Giphart werd geboren op 17 december 1965 in Dordrecht. Zie ook alle tags voor Ronald Giphart op dit blog.

Uit: Dahag, lieve vrienden!

“Tussen die Amsterdamse geniaaltjes zat ik er maar een beetje zwijgend bij. Ik luisterde naar hun felle debatten, ik glimlachte onzichtbaar om hun aandoenlijk principiële meningen, ik grinnikte onhoorbaar om de stroom literaire monstruositeiten, terwijl ik ondertussen dacht: Waar is bij mij dat Ware Vuur gebleven? Ik stel me deze vraag wel vaker, meestal als ik in een stadsbus zit tussen de trouwe belastingbetalers op weg naar mijn ‘schrijfateliertje’ in de binnenstad, of als ik mij door een regenbui en een windhoos naar het ziekenhuis wring om mijn gezondheid te verpesten met een wurgende dienst van zeven aaneengesloten nachten. Hallo Dostojevsky, hoor ik een stem dan zeggen, waar zijn wij nu helemaal mee bezig?
Tom Lanoye schrijft in zijn gedicht ‘Het vuurpeleton’ uit de bundel Hanestaart (wanneer schrijft een van jullie aankomende wetenschappers dáár eens een afstudeerscriptie over?): ‘Waarom heb ik mijzelf tot schrijven geprogrammeerd, terwijl ik weet dat het me afleert om te leven? Ik kan mij niet meer geven […] of ik zit mezelf over mijn eigen schouder te observeren, op zoek naar een groot literair verband.’
Zoals ik al zei ben ik tijdens de ascetische stemming waarin ik mijzelf de afgelopen maanden gebracht heb tot de conclusie gekomen dat ik alle vreselijke moedwillige ontberingen (dat slopende nachtritme, die minimale verdiensten, die voortdurende beschimpingen, dat voortdurende opgehemel waarmee ik me geen raad weet, die liefdesbrieven, dat ‘afgeleerde leven’) natuurlijk niet onderga om gratis voor Vooys en andere ‘Ware Vuur’-loze blaadjes te schrijven ten koste van eventuele prachtige romans. Met andere woorden: dit is mijn laatste column, want ik ga weer aan het werk.
‘Wij moeten 100.000 boeken schrijven, met z’n allen, en om ter dunst.’ schrijft Lanoye in ‘Het vuurpeleton’, waarna hij besluit met: ‘Ik wou dat ik kon geloven in kunst.’ Ik wou dat ik dat ook kon. Doei, lieve mensen.”

 

 
Ronald Giphart (Dordrecht, 17 december 1965)

Lees verder “Ronald Giphart, Yvonne Keuls, Jón Kalman Stefánsson, Frank Martinus Arion, Paul Snoek, Hans Henny Jahnn, Jules de Goncourt”

Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg

De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.

Uit: Ik kom terug

“… Ik moest mij goed gedragen, onze toekomst stond op het spel. Hun geld zou ons bevrijden van zuinigheid en oorlogsangst. Speciaal voor het bezoek droeg ik een grijsfluwelen lange broek met omslag. Hij jeukte van nieuwigheid. Tante Elise en tante Desiree koesterden hun afkomst, generaties geleden waren hun voorvaderen voor de roomsen uit het zuiden van Frankrijk naar het noorden gevlucht.‘Vaudois’ noemden ze zich, maar wij zeiden thuis gewoon waldenzen. De tantes hingen nog altijd aan een familiewapen uit die tijd, al hadden ze zich vermengd met Brabantse boeren en deelden we dezelfde achternaam. Vroom zijn was hun hobby en ik zat nog niet of de tantes lazen me de les. Of ik wel wist hoe de Vaudois geleden hadden? Opgejaagd waren ze, door de inquisitie vervolgd om hun sober geloof. Waar ze in Frankrijk ook heen vluchtten, tot aan de Alpengrotten toe, keer op keer werden hun kale kerken verbrand en hun nederzettingen vernietigd. Vrouwen hadden moeten toezien hoe de roomsen hun baby’s tegen de rotsen smakten, jonge zonen werden in stukken gesneden en hun lichaamsdelen in de velden omgeploegd en de mannen de hersenen uitgesneden. De roomsen kookten die en aten ze op. De tantes lieten me een oude Franse bijbel zien, met roestig bloed op de band. Ik kneep van angst in de tafelrand, mijn moeder keek naar buiten en begon over het weer. ‘Wij zijn de joden van de christenen,’ zei tante Desiree. En ik mocht daarbij horen? …”.
(…)

“… Een vreemde taal was in haar strot gekropen, een mannenstem. Mōshiwake gozaimasen! Tennõheika no meirei deshita! Mōshiwake gozaimasen! De stem zong en snauwde tegelijk. Mijn moeder boog voorover tot haar voorhoofd de tafel raakte. De dames hesen haar op. Maar ze sloeg ze van zich af. De Russin peuterde de banderol van de dop van de wodkafles. Ik sloop beschaamd weg. De vreemde stem vulde de gang, de trap, mijn kamer, tot een hoge gil hem overtrof. Ik werd naar beneden geroepen. Mijn moeder lag half onder de tafel, ze was in trance van haar stoel gegleden. De handoplegster zat geknield naast haar en jammerde met haar mee. De stem had Japans gesproken…”.

 

 
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

Lees verder “Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg”

Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Ingo Schulze, Simone van der Vlugt, Edna O’Brien, Hans Carossa, Nicolas Gilbert

De Deense dichter en schrijver Klaus Rifbjerg werd geboren op 15 december 1931 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Klaus Rifbjerg op dit blog.

 

The hovering tree

Most trees
grow in the ground
but my tree
grows at third floor height
and recently my neighbour said
that it ought to be cut down.

Perhaps it grows in the ground
further down
but for me it
mostly grows out there
in front of the window
at third floor height.

Too long far too long
it stood there bare
and I thought that
perhaps it would never
come into leaf but one day
it was green.

Green leaves and bursting buds
a kind of shimmering
erective giddiness
hovering
outside my window.
The airborne tree!

My lungs opened out
a sprouting sap-taut branching system
aerial mycelium and oxygen
unfolded everywhere
I was breathing!

The neighbour felt
the tree took too much light.
When he looked at it
he didn’t see
that it gleamed!

The axe has been laid at the foot
of the tree
on the asphalt
the few places trees grow
in their humble holes
in the city.

Hovering out there my
breath
and at third floor height
my green soul
immortal and ready for battle
defying all natural laws
in the holy name of nature and
growth.

Let there be light!

 

Translated by Joh Irons

 

 
Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)

Lees verder “Klaus Rifbjerg, Jan Greshoff, Ingo Schulze, Simone van der Vlugt, Edna O’Brien, Hans Carossa, Nicolas Gilbert”