Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

 

Sonnet

ik had je bloemen willen zenden
een soort bloemen dat je zou doen begrijpen
hoe ik wandel
onder welke luchten ik wandel
over welke bodem ik wandel

ik had je bloemen willen zenden
een soort van winterbloemen
met de bruine kleuren van de laatste roos
en de geur van nachten lopen
in gevaarlijk terrein
door verwaarloosde heggen omgrensd
waarachter men narcissen kon vermoeden
van de maanden die achter ons liggen
narcissen van een geur die ik waarschijnlijk te liefelijk schat

dat soort bloemen had ik je willen zenden
niet per post en onverpakt
neen ze zouden je worden gebracht
door een zwarte jongen met een Grieks profiel
die Duits studeert aan de universiteit
die zichzelf een choreografie heeft geschreven
op muziek van Mozart

dat soort bloemen
door zo’n soort jongen

maar ik vernam
dat je op reis bent
en wel niet meer terug zult keren

 

Elke dag nog
Remco Campert aan Cees Nooteboom

Elke dag nog
praat ze met zijn grafsteen
op het kleine kerkhof aan de overkant
uitzicht over het dal
met het dunne riviertje
glinsterend als een spinnedraad
in het Noord-Franse licht

sinds hij dood is
doet ze minder aan de tuin
eens haar trots

kreeg er nog een prijs voor
de sénateur kwam er nog voor over
uit het verre Parijs
waar hij een appartement had
en een vriendin
het was vlak voor de verkiezingen
die hij won

de koeien zijn verkocht
de tractor staat te roesten in het hoge gras
het erf is netjes aan kant
en er is nog hout voor één winter

 

Licht

We wilden licht meer licht
we kapten de boom die in zijn eigen reiken
ons verlangen in de weg stond
de boom kreunde kermde kraakte
zijn laatste vezel scheurde
en met een razend suizen van zijn blaadjes
sleurde hij zijn leven neer
de wind die hem bespeelde
week geschrokken uit

eindelijk hadden we licht in de kamer
in dat licht keken we elkaar aan
en zagen klaar
ons onherstelbare gezicht

 

Remco Campert (28 juli 1929 – 4 juli 2022)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Het was het typische open-your-mouth-a-little-bit-ding
(alleen niet te ver, je weet wel). Als mensen
lachen, als ze zich identificeren. Dus als ze zich
infecteren. Met het verlangen om weer eens als aap de weg op
te gaan. De voeten een keer naar buiten te draaien, zoals het
comfortabel was. Dus het plaatje hoe je een keer door
de eindeloze velden van het leven zou moeten slenteren,
een kleine krater op de grond die men met een
slim sprongetje achter zich liet (easy access!).

Met een teint die nooit in rood overging.
Die de huid strakker maakte als ademloze folies aan het been.
En hoe elegant ze hun tenen optilden bij de volgende stap.
Hoe elegant ze de gel in hun haar smeerden, dat zich
pluizig over geselecteerde delen van hun lichaam had gelegd.

(Eigenlijk wilde ik de aandacht vestigen op een vleesschandaal,
maar ik kleedde me daarbij per ongeluk uit. Zeker, echt bont was taboe,
maar we hadden niets tegen het draaien van de heup.)

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Joseph Mitchell

De Amerikaanse schrijver en journalist Joseph Mitchell werd geboren op 27 juli 1908 in Fairmont, North Carolina, op de boerderij van zijn grootouders van moederskant als zoon van Averette Nance en Elisabeth A. Parker Mitchell. Het familiebedrijf, dat actief was in de katoen- en tabakshandel, stelde de familie in staat Mitchell zijn hele leven te onderhouden. Mitchells eerste werk, “Joe Gould’s Secret” (1964), profeteerde ook de laatste decennia van zijn eigen leven. Van 1964 tot aan zijn dood in 1996 ging Mitchell elke dag naar zijn kantoor, maar publiceerde nooit meer iets dat zo succesvol was. Mitchell werd bekend door zijn zorgvuldig geschreven portretten van iedereen, van excentriekelingen tot mensen aan de rand van de samenleving, vooral in en rond New York City. In 1970 werd hij verkozen tot lid van de American Academy of Arts and Letters. Hij stierf op 87-jarige leeftijd aan kanker in het Columbia Presbyterian Medical Center in Manhattan. In 2008 selecteerde de Library of America zijn verhaal “Execution” voor opname in haar twee eeuwen durende retrospectief van de Amerikaanse ware misdaad.

Uit: Up in the Old Hotel

“MCSORLEY’S OCCUPIES the ground floor of a red-brick tenement at 1s Seventh Street, just off Cooper Square, where the Bowery ends. It was opened in 1854 and is the oldest saloon in New York City. In eighty-eight years it has had four owners—an Irish immigrant, his son, a retired policeman, and his daughter—and all of them have been opposed to change. It is equipped with electricity, but the bar is stubbornly illuminated with a pair of gas lamps, which flicker fitfully and throw shadows on the low, cobwebby ceiling each time someone opens the street door. There is no cash register. Coins are dropped in soup bowls—one for nickels, one for dimes, one for quarters, and one for halves—and bills are kept in a rose-wood cashbox. It is a drowsy place; the bartenders never make a needless move, the customers nurse their mugs of ale, and the three clocks on the walls have not been in agreement for many years. The clientele is motley. It includes mechanics from the many garages in the neighborhood, salesmen from the restaurant-supply houses on Cooper Square, truck-drivers from Wanamaker’s, internes from Bellevue, students from Cooper Union, and clerks from the row of second-hand bookshops just north of Astor Place. The backbone of the clientele, however, is a rapidly thinning group of crusty old men, predominantly Irish, who have been drinking there since they were youths and now have a proprietary feeling about the place. Some of them have tiny pensions, and are alone in the world; they sleep in Bowery hotels and spend practically all their waking hours in McSorley’s. A few of these veterans clearly remember John McSorley, the founder, who died in 1910 at the age of eighty-seven. They refer to him as Old John, and they like to sit in rickety armchairs around the big belly stove which heats the place, gnaw on the stems of their pipes, and talk about him. Old John was quirky. He was normally affable but was subject to spells of unaccountable surliness during which he would refuse to answer when spoken to. He went bald in early manhood and began wearing scraggly, patriarchal sideburns before he was forty. Many photographs of him are in existence, and it is obvious that he had a lot of unassumed dignity. He patterned his saloon after a public house he had known in his hometown in Ireland—Omagh, in County Tyrone—and originally called it the Old House at Home; around 1908 the signboard blew down, and when he ordered a new one he changed the name to McSorley’s Old Ale House. That is still the official name; customers never have called it anything but McSorley’s. Old John believed it impossible for men to drink with tranquillity in the presence of women; there is a fine back room in the saloon, but for many years a sign was nailed on the street door, saying, “NOTICE. NO BACK ROOM IN HERE FOR LADIES.” In McSorley’s entire history, in fact, the only woman customer ever willingly admitted was an addled old peddler called Mother Fresh-Roasted, who claimed her husband died from the bite of a lizard in Cuba during the Spanish-American War and who went from saloon to saloon on the lower East Side for a couple of generations hawking peanuts, which she carried in her apron. On warm days, Old John would sell her an ale, and her esteem for him was such that she embroidered him a little American flag and gave it to him one Fourth of July; he had it framed and placed it on the wall above his brass-bound ale pump, and it is still there.”

 

Joseph Mitchell (27 juli 1908 – 24 mei 1996)

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Absence

Dear old brother-in-law, I’ve flown home
Across the Atlantic. I’m far away, but you
Forget. So, yes, I’ve just gone shopping.
I’ll reappear soon at the French window.

 

Bog cotton

Let me make room for bog cotton, a desert flower –
Keith Douglas, I nearly repeat what you were saying
When you apostrophised the poppies of Flanders
And the death of poetry there: that was in Egypt
Among the sandy soldiers of another war.

(It hangs on by a thread, denser than thistledown,
Reluctant to fly, a weather vane that traces
The flow of cloud shadow over monotonous bog –
And useless too, though it might well bring to mind
The plumpness of pillows, the staunching of wounds,

Rags torn from a petticoat and soaked in water
And tied to the bushes around some holy well
As though to make a hospital of the landscape –
Cures and medicines as far as the horizon
Which nobody harvests except with the eye.)

You saw that beyond the thirstier desert flowers
There fell hundreds of thousands of poppy petals
Magnified to blood stains by the middle distance
Or through the still unfocused sights of a rifle —
And Isaac Rosenberg wore one behind his ear.

 

Gorse Fires

Cattle out of their byres are dungy still, lambs
Have stepped from last year as from an enclosure.
Five or six men stand gazing at a rusty tractor
Before carrying implements to separate fields.

I am travelling from one April to another.
It is the same train between the same embankments.
Gorse fires are smoking, but primroses burn
And celandines and white may and gorse flowers.

 

PIPISTRELLUS

In warm water hielden ze hem jaren in leven,
de soldaat die zijn huid had verloren.
                                                                     ’s Nachts
werd hij bezocht door de gewonde vleermuis
die hij na Passchendaele had ontdooid,

de hielen onder zijn wijsvinger gehaakt
en fluisterend in de muizenvacht.

Voordat hij de dwergvleermuis fladderen liet
boven zijn zomerse zwembad en een slokje liet nemen,

spreidde hij de vleugelhand, elleboog tot duim.
Het vlies voelde aan als een klaprozenblaadje.

 

Vertaald door Ko Kooman

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2020 en eveneens mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Philip Gross

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Honden voor het leven

“Dit laatste is typisch zoiets wat ik van Trip heb geleerd. Trip was mijn tweede hond. Wanneer ik zulke dingen zeg, dat je beter je hart kunt volgen dan je hoofd, dan hoor je eigenlijk hém praten.
Ook daarom wil ik het graag over mijn honden hebben, om zelf eens op een rijtje te krijgen wat ik allemaal van ze heb opgestoken. Ik heb daar namelijk in de rest van mijn leven zoveel aan gehad, meer dan aan bepaalde dingen die mij van school zijn bijgebleven.
Ik ga wel eerlijk zijn. Dat betekent dat het soms ook even verdrietig zal worden. Vooral het verhaal van Unie, mijn eerste hondje. Zijn verhaal is heel kort, maar ik wil hem niet overslaan. Daarna komt gelukkig Trips verhaal. Dat is soms wel even eng, maar dat zijn sprookjes ook en Trips leven heeft alles van een sprookje. Hij werd namelijk als een prins wakker gekust uit zijn betovering. Ik heb dat met eigen ogen gezien. Daarna volgde nog gevaar en er kwam redding, maar uiteindelijk leefden wij lang en vaak gelukkig. En ten slotte is er ook nog Basso, en nou ja, dat weet je al, dat is alleen maar vrolijkheid en dartelen en hoop. Kortom, het verhaal van mijn honden biedt alles wat het leven ook te bieden heeft.
Sommige mensen willen het liever alleen over leuke dingen hebben. Akelige onderwerpen omzeilen ze. Waarom precies, dat weet ik niet. Zelf hoor ik liever maar meteen de hele waarheid, het verdrietige en het vrolijke tegelijk. Dan valt het later niet zo tegen. Daarom stel ik je om te beginnen voor aan… (hier graag tromgeroffel) Kellie!
Ik vond Kellie een moeilijke naam. Mijn vader had hem bedacht. Hij schreef hem op een briefje en hing dat bij mijn bed. Ik had net leren lezen en kon Kellies naam dus alvast oefenen voordat hij kwam. Het was een Schotse naam, want Kellie was een Schotse collie.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Engelse dichter, schrijver en academicus Philip Gross werd op 27 februari 1952 geboren in Delabole in het noorden van Cornwall. Zie ook alle tags voor Philip Gross op dit blog.

 

Geleend licht

Zon op in het financiële kwartaal, louter
spiegelgladde rijken verlicht elk door elkaars licht

weerspiegeld. Koele maanhelderheid, elke
transactie stroopt wat warmte af door haar door te geven:

waarde afgetrokken: dat blauw-zilveren gezicht
nu naar mijn noordwesten, te fel bleek om naar te kijken –

een sneeuwverblindende verblinding, zoals de schittering
waarvan een klimmer als de sneeuwstorm afneemt, zou kunnen denken

dat die gestuurd is om hem te laten zien waar hij heen moet…

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Gross (Delabole, 27 februari 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2020 en eveneens mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Claudia Gabler

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Alsof je een groot brood bent eet ik je weg

Witte pluizen van deeg plakken tegen mijn wangen
en tanden, die in een droom één voor één uitvielen en niet
onder mijn kussen kwamen te liggen, waar mijn moeder
er een gulden voor zal leggen. Ik haal de tijden door elkaar
alsof dit Latijn was. Hier ben ik de barbaar,

die maar half begrijpt wat je zegt over cijfers, nog maar half
zo oud als op de dag waarop ik dingen ga weten. Voorlopig
snap ik niets van belangrijke getallen, het abc van de wiskunde
bevindt zich voor mij nog in het woordje abacus. Maar vertel
alvast over dat getal – zwel nog eens aan.

Het is de laatste dag en in gele lichten word ik wakker
naast een bed van bloemen, alsof ik vier ben, uit bed gevallen,
naast mijn tanden lig. De stukken luchtig deeg vliegen
door de ruimte als waren ze van rijst. Ik trouw met hem
op de dag die het einde der tijden is, dus gebruik ik de infinitief

om als een balein met mijn vingers zijn haren te filteren.
Wanneer ik geen walvis meer ben, schud ik het zeewier
van mijn lichaam, waarna ik dansend op de rotsen verschijn.
Ik gil het hard, sirene in nacht. Het is een mooi refrein:

Wat wil je horen ik zeg het je
Wat wil je zien ik plak het voor je ogen
Wil je dat ik een spreekwoord gebruik ik ken ze
Wil je dat ik naakt ben ik moet iets zijn

Was ik een belangrijk getal dan zou ik
mee gerekend worden
.

 

Wat ik er aan kan doen

Je tegen het oude in mijn hart aanleggen en het vertellende in je stem
tot rust brengen. Je tegen me aandrukken zodat het jonge in mijn hart
op je schouder klopt. Het kloppende uit een boek begrijpen
en het zo lang mogelijk niet begrijpen om de kaften,
die hartkleppen zijn, niet dicht te slaan. Met geluk strooien.
Wat in een avond wortel schiet laat zich niet in een dag plukken.

Als ik mezelf ervan beschuldig paradoxaal te zijn,
zou ik mezelf logischerwijs tegelijkertijd moeten vergeven.
Als ik gebroken was, kon ik ergens de helft van zijn.

Zei ik ooit dat ik van winter hield, ik loog.

 

De eerste letter

5

Als het woord angst met de eerste letter van het alfabet begon, in iedere taal
Als ik wakker dacht dat ik uit het niets wakker zou worden
Als ik keer op keer zag dat er iets bewoog in mijn ooghoek, maar het was
altijd een bestaande boom
Als ik bang was dat ik opeens zou gaan denken dat alles op mij
betrekking had
Als alles op mij betrekking had
Als ik wachtte tot mijn ademhaling weer vanzelf zou gaan omdat ik
vergat dat hij dat al deed, zoals een kind dat dacht dat het geen zuurstof
meer kreeg tijdens haar slaap
Als ik dat kind weer was
Als ik bang was dat de tijd vanaf nu niet meer voorbij zou gaan,
waardoor ik voor altijd in dit moment moest blijven
Als ik mezelf ervan beschuldig paradoxaal te zijn, zou ik mezelf
logischerwijs tegelijkertijd moeten vergeven
Als ik dacht dat de wereld opeens open zou splijten in de vorm van een
kattenoog of een vaginamond:

Hier,
sta op, open een raam
met een hand die je voelt, in het zicht
van iemand die je wil voelen, in de weerspiegeling
van het ongeopende raam

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Hoe de luchtbellen zichzelf uit de oliën stieten

Hoe de luchtbellen zichzelf uit de oliën stieten en niemand
wist waar deze geile hand te laten. We wilden slechts

toeschouwers zijn, maar spraken over de hitte. Hoe koket
om gewoon op de verfrissing in de tuin te wijzen

of de Duitse heggen (het was nu eenmaal de tuin van de buren).
Hoe we op slippers het terras opstapten.

De knalrode kersen waar de merels naar pikten
in de schaduw van de eiken, dat hield geen ogenblik stand.

Dus hoeveel plastic moest er nog smelten voor het gebied
eindelijk werd afgesloten? In hoeveel talen

kon je tellen wat hier tegen de zon in liep? Wij zochten
toen in de verborgen hoeken van de gevaarlijk dichtbij

gelegen ateliers alle mappen en glazen als bescherming
tegen hun tongen. Dat je talent hebt, hebben we altijd

geweten, maar of het mensen waren die in deze buurt
de weg kwijt raakten? De paniek van de buurtbewoners bleek

uit hun sigarettenconsumptie (het was maar een pakhuis,
dat hier in brand stond). Zij vergaten de jassen

en petten in hun woningen, de zakjes met
de pigmenten dansten in de lucht als hadden ze geen gewicht.

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Verpleeghuis (Inge Boulonois), Robert Graves, Dolce far niente

 

Dolce far niente

 

Verpleeghuis in Arnprior, Ontario, Canada door Kevin Dodds, 2020

 

Verpleeghuis

Zo’n plaats waar je liever niet, maar
als het thuis niet meer
omdat er door je hoofd te veel verleden
slingert, dan liever hier dan elders.
 
Dit huis slaat zijn armen veilig
om je heen. Je mag er tijd verliezen,
door bezoekers wakker worden gekust
en beesten strelen in de patio.
 
Terwijl je woorden moe van het bedoelen
worden, zinnen zich vergeten
en je lippen een geheimtaal vinden,
waait in je al meer stilte aan, totdat –
 
En tot die tijd, ook als je dat niet meer beseft,
hangen in je eigen kamer boven het bed
de foto’s van alle dierbaren, je kleinkinderen
lachend. Aan jou, hoe dan ook, gehecht –

 

Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)
Woonzorgcentrum De Rekerhof in Alkmaar

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

 

Noem het een goed huwelijk

Noem het een goed huwelijk –
Want niemand twijfelde ooit aan
Haar warmte, zijn mannelijkheid,
Hun in elkaar grijpende opvattingen;
Behalve één verdwaalde grafoloog
Die al speculerend fronste
Bij haar h’s en haar s’s,
Zijn p’s en w’s.

Hoewel weinigen nog steeds
Het monogame axioma zouden onderschrijven
Hoeft die strijd onder de heupbeenderen
Het hart niet te vervreemden.
Noem het een goed huwelijk:
Meer bracht die twee samen,
Ondanks een gebrek aan kinderen,
Dan ze uit elkaar trok.

Noem het een goed huwelijk:
Ze hebben nooit in het openbaar gevochten,
Ze hebben omzichtig gehandeld
En traden trots de wereld tegemoet;
Aldus waren de gevaren van hun liefdesbed
Onze verdomde zaken niet –
Tot we als juryleden bleven zitten met
Twee doden door zelfdoding.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Claudia Gabler

De Amerikaanse schrijfster Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: Florida

“Babe, when Satan tempted Adam and Eve, there’s a pretty good reason he didn’t transform into a talking clam.
It was my husband who said this to me.
This statement of his has begun to seem both ludicrous and dangerous, like the three-foot rat snake my younger son almost stepped on in the street yesterday, thinking it was a stick.
Poster, Text, Font, Book cover, Buy on Amazon
Riverhead Books
Walk outside in Florida, and a snake will be watching you: snakes in mulch, snakes in scrub, snakes waiting from the lawn for you to leave the pool so they can drown themselves in it, snakes gazing at your mousy ankle and wondering what it would feel like to sink their fangs in deep.
All around us, since the fall, from the same time other terrible things happened in the world at large, marriages have been ending, either in a sort of quiet drifting away or in flames. The night my husband explained original sin to me, we were drunk and walking home very early in the morning from a New Year’s Eve party. Our host, Omar Varones, had made a bonfire out of the couch upon which his wife had cuckolded him. It was a vintage midcentury modern, and he could have sold it for thousands, but it’s equally true that the flames were a stunning and unexpected soft green.
I feel like a traitor to my own when I say this, but it’s wonderful to walk beside a man who is so large that nobody would mess with him, toward the bed you share, at a time when everybody is sleeping save for the tree frogs and the sinners. I have missed my walks late at night, my dawn runs. Even though my neighborhood is a gem, there have been three rapes in three months within a few blocks of my house. Nights when I can’t sleep, when my nerves jangle me from one son’s bed to the other’s, then back to my own and then out to the couch, I can even feel in my bloodstream the new venom that has entered the world, a venom that somehow acts only on men, hardening what had once been bad thoughts into new, worse actions.
It is strange to me, an alien in this place, an ambivalent northerner, to see how my Florida sons take snakes for granted. My husband, digging out a peach tree that had died from climate change, brought into the house a shovel full of poisonous baby coral snakes, brightly enameled and writhing. Cool! said my little boys, but I woke from frantic sleep that night, slapping at my sheets, sure their light pressure on my body was the twining of many snakes that had slipped from the shovel and searched until they found my warmth.”

 

Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Deze plek was meer dan het repertoire

Deze plek was meer dan het repertoire
van zijn geschiedenis. Woekerend en plaatsloos tegelijk.
Uit de gang duwden zich ter begroeting
oosterse grassen. Erachter copuleerde bijna
vergeten de zee. Een membraan tussen zwart
en wit manifesteerde de geaggregeerde staat van de bezoekers,
de typische Chanel-kleuren simuleerden hun bloemachtige
middenklasse. Torens van minerale hulpbronnen boorden zich
een weg naar de hemel en weer terug. De gevel reageerde
op zijn innerlijk en passerende voorbijgangers met
snel veranderende kleuren. Een visuele
referentie

aan de bewoners van de strandboxen. Uitgeputte architecten
oscilleerden tussen eb en vloed als
China’s dokters op blote voeten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Das glückliche Geheimnis

„Es fehlt nicht viel, dann sind es drei Jahrzehnte, seit es angefangen hat. Ich war vierundzwanzig Jahre alt, strebte keine Anstellung an, weil ich Schriftsteller werden wollte, und lebte in Wien in einem Haus, das dem Aussehen nach kurz vor dem Abriss stand. In diesem heruntergekommenen Haus bewohnte ich eine heruntergekommene Wohnung, dreißig Quadratmeter, bestehend aus einer engen Küche und einem an die Küche anschließenden Zimmer. Dieses Zimmer hatte die Aufgaben von Wohn-, Arbeits-, Ess- und Schlafraum zu erfüllen. Das Klo auf dem Gang teilte ich mit den Nachbarn.
Für das kärgliche Inventar der Wohnung hatten meine Eltern zwei Jahre zuvor eine beträchtliche Summe an illegaler Ablöse bezahlt, eine gängige Praxis im damaligen, von Wohnungsnot geprägten Wien. Diese Investition sollte wieder hereinkommen durch die außerordentlich niedrige Miete und meinen Willen zur Sparsamkeit. Die Wohnung befand sich nicht weit entfernt von der Oper in zentraler Lage. Hier hatte ich einen Platz, der manchmal von Sonnenlicht und manchmal von Liebe beschienen war. Als weiteren Vorzug empfand ich die unmittelbare Nähe zum Naschmarkt mit seinen billigen Lebensmitteln und dem Flohmarkt am Samstag. Dort bekam ich alles, was ich brauchte, Bücher und Stifte ebenso wie Hausrat und Kleidung.
Die Wohnung wirkte nach außen hin deprimierend mit den von meinen Eltern abgelösten, zweieinhalb Meter hohen Schrankwänden und dem alten Bettüberwurf. Aber ich betrachtete sie als mein Zuhause und schätzte mich glücklich, dass ich diesen Ort hatte und eine Tür, die ich hinter mir schließen konnte. Oft lernte ich für Prüfungen, oft schrieb ich an einem Roman. Ich hatte eine Freundin, M., sie gab sich Mühe, das von mir Geschriebene zu lesen, schlief aber meistens darüber ein. Ich merkte es, wenn ich, am Schreibtisch sitzend, in meinem Rücken kein Blättern mehr hörte.
M. schlief sehr still. Brauchte ich selbst etwas zum Lesen, ging ich auf den Flohmarkt. Dann kehrte ich nicht mit einem, sondern mit zehn Büchern zurück. Mir erschien die Zukunft so ungeheuer groß und weit, dass ich bedenkenlos auf Vorrat kaufte. Dabei war ich eigensinnig genug, das Ausgefallene dem Gängigen vorzuziehen.
Im Rückblick, in der Sturzflut der Tage, ich muss sagen: M. und ich waren Kinder der Provinz, unsicher und fleißig. Schmusen und Herumhängen fanden wir schön, hielten es aber nicht lange durch. Wir praktizierten auch das Schmusen und Herumhängen mit Konzentration, nicht, wie andere, mit Ausdauer. Wir waren ständig in Bewegung, neugierig, auf unser Weiterkommen bedacht.“

 

Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Bergbraambessen

Je geeft me bergbraambessenjam uit Lapland,
Moeras-barnsteen, lekkernijen uit de sneeuw, verrukkelijke
Bergbraambessen langzaam gezoet door de kou,
En duur genoeg voor bergbraambessenoorlogen
(Diplomatieke oorlogen, mijn liefste).
……………………………………………………..Stel je ons voor
Tussen de oogstmachines, afstand houdend
Tot veenmosvelden op de langste dag
Wanneer zonsopgang en zonsondergang als gefrustreerde minnaars,
Volgens de legende, één keer per jaar, kunnen zoenen. Ah,
Kusjes op onze leeftijd, kusjes met bergbraambessen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2020 en eveneens mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Hans van de Waarsenburg, Ernest Farrés

De Nederlandse dichter en literatuurcriticus Johannes (Hans) Paul Richard Theodorus van de Waarsenburg werd geboren in Helmond op 21 juli 1943. Zie ook alle tags voor Hans van de Waarsenburg op dit blog.

 

Bahía Blanca (Argentinië)

Je danst om de dorst te behoeden
Het golvend haar en geur die vergaat
Een horizon voor het grijpen
Een hut die kantelt in het hoofd
Ademloos herhaal ik de namen
Van de havensteden als gebeden
Kijk ik over je schouder mee
Het orkest dat speelt, je ogen:
Mijn vader danst een tango

Het was in Bahía op een terras
– een tango danst men niet in Wenen –
De bandoneón, de zon, je werd als was
Het bijschrift is vervaagd, verdwenen

Het ongeluk in je hand, het glas
Dat je hief, je oog dat het poeder
Zag breken, sigarettenrook en lipstick
De voile van het geheugen schudt de muziek:
Mijn vader danst een tango.

 

ik zie haar nog wel eens

ik zie haar nog wel eens
blond en aangepaste lippenstift
verkreukeld perkament van dichtbij

een vrouw met bontjas in een bus
tas dichtbij haar
lippen dicht op elkaar want je weet
nooit wat er kan gebeuren

de ogen vosachtig wantrouwend
achter de kooi van een modieuze bril

dan zit ze op de bank en praat
ratelend uit een oud plakboek
en kijkt me aan

haar buik is leeg
de eierstokken reeds lang verwijderd

een koude oorlog heb ik daar vertoefd
en moet toen reeds, in ’43, afscheid
hebben genomen.

 

Rimpel

Hij pakt zijn oude handen vast. Een rimpel naar de dood.
Nooit meer wordt hij groot. Nooit meer wacht zij om de hoek.
Ieder woord raakt zoek. Alles was, is waar gebleven? Wend
De steven nu voorgoed en paai de gondelier. Drink wijnen.
Slurp het gistend bier. Stil de honger in de maag. Want
Op de
kaaien liggen rood, de taaie haken van de dood.

 

Hans van de Waarsenburg (21 juli 1943 – 15 juni 2015)

 

De Catalaanse dichter Ernest Farrés i Junyent werd in Igualada geboren op 21 juli 1967. Zie ook alle tags voor Ernest Farrés op dit blog.

 

Positieve aspecten aan het verstrijken van de tijd

Door haat hebben we de waardering
geleerd. Door de klappen
leerden we de dialoog.

Door de fouten die we hebben gemaakt
bereikten wij de trefzekerheid, door de onttovering
de vrolijkheid.
De afstand
heeft ons dichter bij elkaar gebracht en de regen
heeft ons in onverschrokken
voetgangers veranderd.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ernest Farrés (Igualada, 21 juli 1967)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juli ook mijn blog van 21 juli 2022 en ook mijn blog van 21 juli 2020 en eveneens mijn blog van 21 juli 2019 en ook mijn blog van 21 juli 2018 deel 2.

Tess Gallagher

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Tess Gallagher werd geboren op 21 juli geboren in 1943 in Port Angeles, Washington als dochter van houthakker en havenarbeider Leslie Bond en tuinvrouw-moeder Georgia Bond. Ze studeerde bij dichter-intellectueel Theodore Roethke aan de Universiteit van Washington en behaalde zowel een bachelor- als een masterdiploma in Engels. Ze deed ook mee aan de Iowa Writers’ Workshop, waarbij ze films maakte. In november 1977 ontmoette Gallagher schrijver Raymond Carver op een schrijversconferentie in Dallas, Texas, en hun relatie had een grote invloed op haar literaire werk, waaronder het helpen bij het redigeren en publiceren van zijn geschriften. Vanaf januari 1979 woonden Carver en Gallagher samen in El Paso, Texas, in een geleende hut nabij Port Angeles, Washington, en in Tucson, Arizona. In 1980 verhuisden de twee naar Syracuse, New York, waar Gallagher was benoemd tot coördinator van het creatief schrijven programma aan de Syracuse University; Carver gaf les als professor op de afdeling Engels. Ze kochten gezamenlijk een huis in Syracuse. In de daaropvolgende jaren werd het huis zo populair dat het echtpaar buiten een bord moest ophangen met de tekst “Writers At Work” om met rust gelaten te worden. In 1988, zes weken voor zijn dood, trouwden Carver en Gallagher in Reno, Nevada. Tot Gallaghers vele onderscheidingen behoren een beurs van de Guggenheim Foundation, de National Endowment for the Arts Award en de Maxine Cushing Gray Foundation Award.

 

Red Poppy

That linkage of warnings sent a tremor through June
as if to prepare October in the hardest apples.
One week in late July we held hands
through the bars of his hospital bed. Our sleep
made a canopy over us and it seemed I heard
its durable roaring in the companion sleep
of what must have been our Bedouin god, and now
when the poppy lets go I know it is to lay bare
his thickly seeded black coach
at the pinnacle of dying.

My shaggy ponies heard the shallow snapping of silk
but grazed on down the hillside, their prayer flags
tearing at the void-what we
stared into, its cool flux
of blue and white. How just shaking at flies
they sprinkled the air with the soft unconscious praise
of bells braided into their manes. My life

simplified to “for him” and his thinned like an injection
wearing off so the real gave way to
the more-than-real, each moment’s carmine
abundance, furl of reddest petals
lifted from the stalk and no hint of the black
hussar’s hat at the center. By then his breathing stopped
so gradually I had to brush lips to know
an ending. Tasting then that plush of scarlet
which is the last of warmth, kissless kiss
he would have given. Mine to extend a lover’s right past its radius,
to give and also most needfully, my gallant hussar,
to bend and take.

 

Choices

I go to the mountain side
of the house to cut saplings,
and clear a view to snow
on the mountain. But when I look up,
saw in hand, I see a nest clutched in
the uppermost branches.
I don’t cut that one.
I don’t cut the others either.
Suddenly, in every tree,
an unseen nest
where a mountain
would be.

 

Refusing Silence

Heartbeat trembling
your kingdom
of leaves
near the ceremony
of water, I never
insisted on you. I admit
I delayed. I was the Empress
of Delay. But it can’t be
put off now. On the sacred branch
of my only voice – I insist.
Insist for us all,
which is the job
of the voice, and especially
of the poet. Else
what am I for, what use
am I if I don’t
insist?
There are messages to send.
Gatherings and songs.
Because we need
to insist. Else what are we
for? What use
are we?

 

Tess Gallagher (Port Angeles, 21 juli 1943)