Zadie Smith, Sylvia Plath

De Engelse schrijfster Zadie Smith werd geboren op 27 oktober 1975 in Londen. Zie ook alle tags voor Zadie Smith op dit blog.

Uit: On the Road: American Writers and Their Hair

Aleksandar Hemon is a young Bosnian writer who left his homeland to visit a friend in Chicago six years ago. Two weeks later a war started and he never returned. Instead he made a home in downtown Chicago, learnt English, and then wrote a book called The Question of Bruno which is alright I suppose if you appreciate multi-lingual genius types who learn the language in six months, write with great humour and style and then get compared to Nabokov in the New York Times. If you’re into that sort of thing. Personally, talent is not what I look for in my writers. I look for hair. And Aleksander Hemon is as bald as the day is long. But bald in a strong, big-guy way . Or, as he might put it, bald like the insolent back of a dolphin breaking the foamy surf, unashamed. But that’s talent for you. Always trying to shove its self in everybody’s face.
Aleksander, who is called Sascha by his friends, is a big, bald, handsome, mountain of a man with a passion for Soccer. In my opinion, he is one of the best of the new European writers, shaving his head out of choice, a tribute to his great talent that requires no adornment. For no reason that I can figure, Aleksander Hemon doesn’t sell that many books, and so does not make so much money, and so, as, he speeds through Chicago in his little red car – he drives like a guy in a war zone – the two of us try and think of things he could do to get a little more cash. Now, when you talk to most writers about extending their horizons, moving into new ventures and media – writing a movie, maybe, or teaching, or getting involved in theatre – they will hum and haw. Fretting about what effect any change might have on their aesthetic integrity, public image, yada yada yada – all that stuff. Sascha doesn’t give a shit for that stuff. There’s a larger obstacle in his path. Soccer. Sascha fits his writing around his soccer. Sascha got into writing because he considers it a soccer-friendly profession. Three times a week, irrespective of weather, Sascha pours himself into some long shorts, laces up his boots, and charges through midfield knocking defenders over like skittles. He plays with a mixture of Chicago bankers and Hispanic bus-boys. He knocks them all down. His is the hardcore, Bosnian, Eastern-block, full-contact version of the game.
“You talk to me of these various opportunities,” he says, yanking the steering wheel, taking a sharp bend like a Duke-of-freaking-Hazard,“ – and certainly, I could use some more money – but I say this to you: can I still play football three times a week? Can I still play football three times a week? You look at me with your monk’s face, full of an infinite pity, yes, but without understanding, loosened from the realities of this life like a boat that has slipped its rig and floats in the bay. Because you know the truth as I know it. The aesthetic, political, journalistic, academic opportunities afforded a writer in these Unites States of America – all of them are sadly incompatible with playing a game of football, three times a week.”

 

Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

 

De aankomst van de bijenkist

Ik bestelde hem ooit, deze keurige houten kist
Hoekig als een stoel en te zwaar haast om te tillen.
Een doodkist voor een dwerg, zou ik zeggen,
Of een hoekige baby,
Als er niet zo’n geraas uit opklonk.

De kist zit op slot: gevaar.
Ik moet ermee leven vannacht,
Er afblijven kan ik niet.
Geen raampjes zijn er, naar binnen kan ik niet kijken.
Niets dan een klein rooster, geen uitgang zelfs.

Ik breng mijn oog aan het rooster.
Donker, donker is het er,
Krioelend tasten er Afrikaanse handjes,
Minuscuul, voor de export gekrompen,
Zwart tegen zwart, hun woedend geklauter.

Hoe kan ik ze vrijlaten?
Het geluid, dat ontzet me het meest.
Het onduidbaar geroezemoes
Als van een Romeinse menigte,
Stuk voor stuk gering, maar tezamen, o god!

Ik leen het oor aan een woedend Latijn.
Ik ben geen Caesar.
Ik heb een kist bezetenen besteld, niet anders.
Ze zijn nog terug te sturen.
Ze kunnen sterven, voeren hoef ik ze niet, ze zijn van mij.

Ik vraag me af hoe hongerig ze zijn.
Ik vraag me af of ze mij zouden vergeten
Als ik de sloten verbrak, me terugtrok, een boom werd.
Daar staat de goudenregen met haar zuilen geel,
Daar de schuimige rokken van de kers.

Ze zouden me zonder meer links laten liggen misschien
In mijn maankleed en rouwsluier.
Ik breng geen honing voort
Dus hoe zouden ze mij genaken?
Morgen ben ik de goede God, dan zal ik ze laten vliegen.

De kist is maar tijdelijk.

 

Vertaald door Anneke Brassinga

 

Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)

 

 Zie voor nog meer schrijvers van de 27e oktober ook mijn blog van 27 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Jan Wolkers, Andrew Motion

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook alle tags voor Jan Wolkers op dit blog.

Uit: Dagboek 1970

“DONDERDAG 15 JANUARI 1970
Eén celestone. Eibergen Hotel De Klok Grotestraat 84. Acht uur. Autobaan tot Beek. Ruimen ’s ochtends alle kattenstront op. Vloer schoongewreven met natte doeken. Jeroen blijft tussen de middag op school. Na de douche haal ik een lekker maaltje voor hem. Ham en asperges en tonijn. Dan gaan we weg naar Eibergen. Eerst nog even tanken. Bij de benzinepomp zegt de bediende stom: ‘Ik wist niet dat je geld te veel had.’ Er schijnt iets in Het Vrije Volk te staan over de duizend gulden die ik aan de academie heb gegeven voor het fonds ter ondersteuning van de onkosten door processen-verbaal en ontslag leraar. We rijden eerst naar Arnhem om Jans jak terug te brengen en de vier kisten sigaartjes voor Anna af te leveren. We zijn er om half zeven. Blijven maar een half uur. Jan zegt dat het op zijn academie ook roerig is en dat er wat adhesiebetuigingen zijn. Als we van Arnhem naar Eibergen rijden zijn er veel mistbanken, zodat je van honderd kilometer ineens af moet remmen tot twintig omdat het zicht niet meer dan vijf meter is. We komen vijf minuten te laat. Naar mannetje, cultureel ambtenaar. Verwijt ons bijna dat we vijf minuten te laat zijn. Staat ons op te wachten maar herkent me niet. Zeker door kleren. ‘Komt u voor de lezing?’ Ja.’ Hoe is uw naam?’ Jan Wolkers. ‘Komt u dan maar mee’. Dat was al een afgang. In zaal applaus. Hij zegt dat we geen koffie meer kunnen drinken omdat het al te laat is. Lees Tifienbeese, ‘Ezau’s handen’, laatste stuk Horrible Tango en ‘De vleugels van Hermes’ voor. Bij de discussie veel politieke vragen. Ik: ‘Als we zwart of bruin waren en nog niet zo lang een nationale eenheid, waren de Groningers die op de gasbel wonen de Biafranen van Nederland.’ De voorzitter lullig verweer. Gaat steeds af. Zegt later: ‘Ik ben als de conservatief afgegaan.’ (Als hij het niet meer wist zei hij: ‘Dat zegt u nu wel, maar kunt u dat staven?’) Toen ik gezegd had dat alle kranten op De Waarheid na verkocht zijn aan grote concerns. Dat geen krant met grote kop had geschreven: ‘Shell vermoordt twee miljoen Biafranen’: enorm applaus. Er is ook iemand van de geestelijke verzorging van Rekken. Zegt tegen mij over ‘Kunstfruit’: Die hond is er nog steeds’ (die de stroop van de kutjes van de meisjes likte).”

 

Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)   

 

De Engelse dichter, schrijver en biograaf Andrew Motion werd geboren op 26 oktober 1952 in Braintree in Essex. Zie ook alle tags voor Andrew Motion op dit blog.

 

Heilig Eiland

Ik sta achter je op het vasteland, leunend
op je schouder en wijs met één arm
voor je gezicht naar gewichtloze sintels,
wat raven zijn die bulderen boven het eiland.

Keileem op de aardlagen en stranden
bespat en bezaaid met kolengruis. Zeekoeten
die de rotswand wit kleuren. Kleine orchideeën ontwikkelen
zich stellig nog in een stortbui van Arctisch zonlicht.

Hoeveel jaar zijn er nog om over te steken?
en je de dingen zelf laten zien, niet mijn idee
van de dingen? Dertig, als ik de leeftijd van mijn vader haal.
Ik kan niet verklaren waarom ik er zo laat mee ben.

Je zwarte haar waait in mijn ogen, maar ik kan zien
hoe snel alles nu gaat. Het weer polijst
de zilveren velden verderop; de raven duiken naar beneden
en strijken neer tussen de prachtige pagina’s van de evangeliën.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andrew Motion (Braintree, 26 oktober 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e oktober ook mijn blog van 26 oktober 2018 en ook mijn blog van 26 oktober 2014 deel 2.

Willem Wilmink, Peter Rühmkorf

De Nederlandse dichter, schrijver en zanger Willem Andries Wilmink werd geboren in Enschede op 25 oktober 1936. Zie ook alle tags voor Willem Wilmink op dit blog.

 

Een jongen krijgt een meisjesbrief

Ik wist al wat voor brief het was
voordat ik maar een woordje las
van wat er stond:
een jongenshandschrift is altijd
zo hoekig als de puberteit,
meisjes zijn rond.

Handschrift met meer betekenis
dan alles wat de inhoud is
van deze brief:
de letters, krullerig en fijn,
ze zeggen: ‘k Wil je meisje zijn,
ik heb je lief.’

Ik heb vandaag een brief gehad
die maakt dat ik in deze stad
de koning ben.
In mijn paleis, voor ’t hoogste raam,
lees ik steeds weer die ronde naam:
Eva Cohen.

 

Niet meer wachten

Niet meer op iemand wachten,
niet meer denken:
waar zou ze zijn,
wie ontmoet ze,
wanneer komt ze.

Niet meer op iemand wachten,
zelfs naar dat wachten
terugverlangen.

 

’s Avonds laat

Moeder je kwam om elf uur thuis.
Niet later zei je zelf.
Ik zit nog steeds alleen in huis.
Het is kwart over elf.

Ik kwam uit bed om negen uur,
ik hield het niet meer uit:
geroezemoes achter de muur,
figuren langs de ruit.

Straks komen dieven om de hoek
en klimmen door het raam.
Naar geld en klokken zijn ze op zoek,
ze fluisteren mijn naam.

Ze vinden onze klok nog wel:
hij tikt vannacht zo bang.
Als ik mijn Oma nou eens bel?
Maar nee, die slaapt allang.

O, moeder, moeder kwam je maar.
Of ben je soms op reis?
Ik zit te woelen in mijn haar.
Het wordt al grijs.

 

Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)

 

De Duitse dichter en schrijver Peter Rühmkorf werd geboren op 25 oktober 1929 in Dortmund. Zie ook alle tags voor Peter Rühmkorf op dit blog.

 

Behalve de liefde niets

Vluchtig gekelderd hier in mijn tuinkwartier,
waar de avond nog niet uit het oog verdwijnt,
mooi is het
hier nog te kunnen zeggen: mooi,
hoe hier de hemel verschiet en de liefde naar het hoofd stijgt,
na zoveel onzin en doling
bij een honkvast hart aan te kloppen, je voelt
een messteek, diep in je leren borst
DE VREUGDE.

Waar nu mijn esprit dit land niet verandert,
mijn mond pas op de plaats spreekt
– gaat mijn hand omhoog en zakt zomaar mijn ooglid –
maar zolang ik nog adem-en-rokender ben,
zolang mijn verdriet me nog aangrijpt
en mijn geluk me nog raakt
wil ik
datgene waar onze aura op gloeit
met lange tong prijzen!

Nutteloos maar bevallig,
waar de nacht al het doek werpt
over je ongevormde vlees, alle dingen
richten zich tot hun eindige kant,
en uit het vruchtbare duister vloeit
sombere vrolijkheid…
Ik echter noem binnen en buiten het voorhoofd
behalve de liefde niets,
wat me vasthoudt en me bekoort.

 

Vertaald door Ard Posthuma

 

Peter Rühmkorf (25 oktober 1929 – 8 juni 2008)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e oktober ook mijn blog van 25 oktober 2018 en ook  mijn blog van 25 oktober 2016 en eveneens mijn blog van 25 oktober 2015 deel 2.

Onno Kosters, August Graf von Platen

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Aphrodite

Het is oorlog, liefde
Bijna alles mag

Wees naakt en ontvang de genadeslag

Mobiliseer
een falanx van hoplieten en vaardige peltasten

Balts
hun aanvallen ontkrachtend
met zich vals voordoende legioenen

Lach
om de testudo, het schildpad
pak de loopgraaf haar wapening af
dring drang- en planloos aan
tot de stadswal valt

Zie met oude ogen
de nieuwe wereld tegemoet
onderhandel voor de vorm
met generaals uit eigen staf
geef over sluit vrede laat alle hoop vieren zwaai af:
smeed ten minste een etmaal smeed een leven lang
koudwatervuur tot vlam

Wees naakt en ontvang de genadeslag
de punchline die de aanval start

 

Wachtruimte

onbesmaakt weefsel dat zweeft tussen nimmer geweest
zijn en van start gaan, onvast huizend waar het halfduister
klinkt, een geluidsopname blinkt: in het midden het tastbare licht

je onderweg weten en dat nog even blijven, rondreizend,
reikhalzend zonder het te weten naar de aanloop, naar
je luidruchtige en eenmalige buiteling: daar bolt het licht

en zodra je zelf in staat bent tot het schrijven van een schaduw
vallen de zinnen op hun plaats, laaf je je lichaam aan de lucht,
komt in het licht er leven: komt er leven aan het licht

 

De val

Voorjaarszonnetje, niks aan de hand, sluiers bewolken de zon op half zeven.
Neem je gordel en wandel, Robinson, in het eerst van de dag, neem de wijk.
Pet op je achterhoofd, eelt op je ziel, je handen marshmallow, je wezen van schaduw.

Zet je getekende zinnen beslist op een huis in de delta, een nieuw huis met luiken.
Hou je uitzicht geslepen, je binnenoor achteloos scherp, je kauworgaan bezig.
Je jaren voor je en het tumult in de wolken en je jaren achter je en buiten adem je.

Nog een enkele glaspartij voor het betrekt, een emmer vers sop, een raam aan de hemel.
Een kwikzilveren spons, als een merel omhoog, gesponnen je lichtgevend lichaam.
Aan je top, deze inktzwarte lucht, je zakdoek, je onvast gemoed, de rek uit de ladder.

De uittocht, ze valt je zo zwaar, brokkenpiloot, deze eindstreep, je grote finale, je stop.
Of nou blikschade of hoofdbrekens je nekken, lappen bij regen is gevaarlijk en zinloos.
Het giet, hij ligt in een plas aan de voet van zijn staanders, schrijvende pers erbij, nu.nl.

Zo vang ik je val in het diepst van je Werdegang op, met andere woorden, in hoogsteigen werk.
Zo buig ik me over je, fluister juist jou mijn ontstane bedoelingen in en ga op in je komst.
Tuimelaar, beeldhouwer, vinder en vondst vond je vrede in een hoopje loodkleurig stof.

 

Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen–Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

O lieve dood, wien alle menschen vreezen

O lieve dood, wien alle menschen vreezen,
Van mij zult ge enkel lof en hulde ontvangen.
Hoe vaak onstuimig streefde mijn verlangen
Naar slaap, waaruit ‘k nooit meer gewekt zou wezen.

In slaap gewiegd door eeuw’ge vredezangen,
Gedekt door de aard, die elk leed wil genezen,
Hebt gij den levensbeker blij geprezen,
Die mij alleen galbitter bleef doorwrangen?

De wereld, vrees ik, heeft ook u bedrogen.
Verijdeld werden de edelste uwer daden,
Vernield, uw liefste koop, uw heerlijkst pogen.

Dies roem ik zalig wie om sterven baden.
Hun heimwee werd gestild, hun doel voltogen
Want ieder hart doorhakt ten lest een spade.

 

Vertaald door Hélène Swarth

 

August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Lithografie door Otto Schoff, 1921

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2018 en ook mijn blog van 24 oktober 2015 deel 2.

Michel van der Plas, Masiela Lusha

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

Uit: Uit het rijke Roomsche leven

“Waar trof men een dergelijk missionair élan aan, een zo schitterende beoefening der weldadigheid? (Iedere katholiek kent, vanaf zijn vroegste jeugd, de truc van iedere liefdadigheidspredikant, de liefdadigheid te verheerlijken van de parochie waarin hij bedelt.) Waar kon men zulk een sterke katholieke partij laten zien, een zo hecht georganiseerde jeugdbeweging? Waar een zo schitterende katholieke pers, een eigen katholieke radio-omroep? Voortdurend werd de Nederlandse katholiek als het ware met zijn ‘rechtvaardigheid’, zijn ‘stipte navolging’ der voorschriften en zijn ‘hechte organisaties’ om de oren geslagen. De paus, zo meldden de kranten dan ook te pas en te onpas, prijst katholiek Nederland voortdurend.
De organisatie in het ‘eigen huis’ scheen voortreffelijk. Er heerste een strenge discipline. In het kerkelijk en wereldlijk leven deed zich een sterk hiërarchisch gezag gelden, dat geen twijfel duldde. Men krijgt de indruk dat er aan het bouwwerk niets mis kon zijn. Openbare katholieke personen of lichamen konden het niet mis hebben. De kerk had altijd gelijk, de clerus had altijd gelijk, de zuster op school had gelijk, vader en moeder hadden gelijk, maar ook de R.K. Staatspartij, De Maasbode en pater Borromaeus hadden gelijk. Betwijfelde iemand dat gelijk, dan was de verontwaardiging over zijn optreden algemeen, dan wilde hij kennelijk ‘onze prachtige eenheid’ verstoren. De volgzaamheid der Nederlandse katholieken moest welhaast dat slaafse karakter krijgen waar een Rogier ver na de tweede wereldoorlog eerst de staf over kon breken. Interessant en tekenend zijn de rubrieken Ingezonden en Brieven van Lezers in de katholieke dagbladen van deze periode, in vergelijking met diezelfde rubrieken van onze dagen. Om te beginnen waren zij veel kleiner van omvang. Dan was het woord er op de eerste plaats aan H.H. Geestelijken. De leken die er aan het woord kwamen bevestigden het officiële gelijk; een woord van kritiek of protest was een hoge zeldzaamheid. Men krijgt de indruk dat de ‘katholieke jongeren’, die hun onbehagen over de heersende levensstijl in eigen organen onder woorden brachten, daar min of meer ‘onschadelijk’, want ‘onder elkaar’ werden geacht; in de rubrieken Ingezonden vindt men praktisch geen weerspiegeling van hun denkbeelden. De hiërarchische verhoudingen, niet slechts van leken ten opzichte van clerus (een dialoog op basis van wederzijdse achting en vertrouwen werd niet of nauwelijks gevoerd), maar evenzeer van ‘gewone man’ ten opzichte van politieke leiders of hoofdredacties werden nauwgezet geëerbiedigd.
Maar het opvallendste aspect van deze zelfverheerlijking in de gevestigde en onaantastbaar geachte orde is dat zij ging ten koste van ‘de wereld’. In de begrijpelijke verdediging van het grote gezin tegen Neo-Malthusiaanse tendensen, worden ‘de twee kinderen’ die ‘de anderen’ wensen, in de ogen van een predikant als H. de Greeve dan ook meteen ‘verwende dwingelanden’, ‘lastige karakters’ en ‘verwende naturen’, ja, ‘vroeg rijp, dikwijls ook vroeg rot’. Hoe hij zich het karakter voorstelde van het enig gebleven katholieke kind, wiens ouders tegen het eigen verlangen in niet méér kinderen hadden mogen krijgen, liet de gewijde spreker voor het gemak buiten beschouwing.”

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)

 

De Albanees-Amerikaanse schrijfster en actrice Masiela Lusha werd geboren op 23 oktober 1985 in Tirana. Zie ook alle tags voor Masiela Lusha op dit blog.

 

Kameleon

Patronen van overeenkomst,
Goud. Amber. Ivoor. Inkt.
Optreden. Meegaand.
De donkerste waarheid in omber,
Dan briljant turkoois,
Oud wit. De kameleon,
Een sociaal dier, aangenaam.
Verdwenen onder de bordeauxrode kleur van
Meningen, beleefde politici,
Lachende ego’s. Hoogheid.
De lachende kameleon,
De zuster van de vrede. Tussen de glinsterende
Beleefdheid van natuurlijke juweeltjes
Uitgedost voor haar sprekers,
Rust zij op hun kunst, glimlachend,
Onzichtbaar, onoverwinnelijk. imiteert
De wisselende opalen van hun conversatie.
Imiteert een weerschijn van hun respect.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Masiela Lusha (Tirana, 23 oktober 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e oktober ook mijn blog van 23 oktober 2018 en ook mijn blog van 23 oktober 2017.

Arjen Lubach, Jan Wagner

De Nederlandse schrijver, cabaretier en televisiepresentator Arjen Lubach werd geboren in Lutjegast op 22 oktober 1979. Zie ook alle tags voor Arjen Lubach op dit blog.

Uit: Stoorzender

“LOS ANGELES
Out where the skies are a wille bluer, Out where the friendship’s a little truer, Thors where the West begins; Arthur Chapman
Het duurt acht minuten voor een straal zonlicht aankomt op aarde. Met een snelheid van bijna driehonderdduizend kilometer per seconde flitst het licht door de ruimte en breekt vlak voor het mijn ogen bereikt in verschillende golven uiteen in de atmosfeer. Wat overblijft is de kleur die mijn hersenen nu een naam geven. Een blauwviolette hemel. En een soort paars dat ik alleen hier heb gezien, in de luchten boven de uitgestrekte heuvels vol walnoot- en laurierbomen, tussen een grid van kronkelwegen en bovengrondse telefoonlijnen. Ik neurie een lied zonder titel van een artiest zonder gezicht. Mijn ogen voelen zwaar en ik leun met mijn rug tegen de gestucte muur van het huis. Ik weet niet meer hoe laat het is. Zo moe als nu ben ik in tijden niet geweest. Voor de duizendste keer vertel ik mijzelf dat het goed is dat ik dit doe, al is het maar omdat alles wat hetzelfde blijft uiteindelijk vast gaat zitten. De jetlag duwt deuken in mijn dag. Soms val ik op de bank in slaap en schrik weer wakker van de vogels die hier anders zingen dan thuis of van de Amerikaanse sirenes die van Hollywood naar de Valley echoën. ‘Is dit wel slim? had een van de medewerkers van mijn televisieprogramma gevraagd. ‘Wat? ‘Dat je uit het ritme stapt? Zo midden in het seizoen? De behoefte om wee te traan werd daardoor alleen maar sterker. Als er chaos zodat deze stad niet voor altijd een schaduwplek op mijn wereldkaart zal blijven. Mijn telefoon trilt. Voor de honderdste keer wrijf ik de slaap uit mijn ogen en lees het bericht van een vriendin. ‘Shit. Mies Bouwman is overleden.’ Het klinkt meer als een waarschuwing dan als een mededeling. Alsof ik persoonlijk iets met de dood van Mies Bouwman te maken heb en gevlucht ben naar IA, met een koffer geld, haar juwelen en een vals paspoort. ‘Shit. Ze hebben Mies gevonden’ — zo klinkt het. Omdat er een WK schaatsen wordt verreden, heeft mijn programma plaats moeten maken voor een liveverslag vanuit Thialf. Nu ik hier in de ochtendzon tegen de muur van het huurhuis sta, weet ik ineens niet meer waarom ik niet heb geluisterd naar mijn redacteur. Sacha en ik hebben al vaker de wereld over gevlogen, maar meestal ging het dan om een optreden in een club of op een festival. Een show van een uur is, hoe ernstig de jetlag ook is, met voldoende wodka of red buil nog wel op te brengen, maar iets nieuws maken in studiosessies die de hele dag duren is een heel ander verhaal. Niet alleen ben ik bang dat ik mijn focus op het televisieprogramma zal verliezen, ook lijkt het me sterk dat ik in deze staat muziek kan maken waar een ander plezier aan zal beleven, laat staan iets wat de tand des tijds zal doorstaan — en het zijn toch dat soort bescheiden ambities waarvoor ik mijn studie niet heb afgemaakt. Sacha stapt vanuit de woonkamer de patio op. ‘Ik word zo opgehaald,’ zegt hij. ‘Ik slaap vannacht bij Sophie.’ Hij is hier niet alleen voor de muziek, maar ook voor zijn vriendin. Ze woont nog hoger op de heuvels, met het uitzicht dat ik ken uit films: de zee van lichten, city of light, zoals Jim zong. ‘Mies Bouwman is overleden,’ zeg ik Hij graaft in zijn geheugen, houdt zijn hand boven zijn ogen tegen de zon. ‘Wie?”

 

Arjen Lubach (Lutjegast, 22 oktober 1979)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

LAKENS

grootvader werd gebalsemd
in zijn laken en uitgedragen,
en een jaar later ontdekte ik hem
toen we de bedden verschoonden,
tot wesp verschrompeld, een minuscule
farao van een lang voorbije zomer.

zo vouwde je lakens: je armen wijd
zodat je elkaar ging spiegelen
over het strakgespannen vlak;
en dan de lakenfoxtrot totdat stap
voor stap de ene rechthoek verdween
in de kleinere die erop volgde,
tot de neuzen elkaar bijna raakten.

alles kon verborgen zijn
in hun sneeuwige binnenste: een lege
flacon met een vleugje parfum, een paar
blaadjes lavendel of weidebloemen,
een muntje of zo nu en dan een worp
van mottenballen in zijn nest.

maar voorlopig rustten ze, zwijgend
en wit in hun kast, hele stapels,
in geuren gebed, gemangeld,
gestreken, gesteven, zorgvuldig
opgevouwen als parachutes
voor een sprong van onvermoede hoogte.

 

Vertaald door Ria van Hengel

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e oktober ook mijn blog van 22 oktober 2018.

Martin Bril, Samuel T. Coleridge

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Laatste trein

“De trein gleed het station uit. Evelien van Brakem probeerde naar buiten te kijken, maar het enige dat ze zag was haar eigen, bleke gezicht. Ze zat in de laatste trein van Groningen naar Amsterdam. De bijbehorende melancholie stak al snel de kop op. Het was zaterdagavond.
Evelien was bij haar zus Sylvia op bezoek geweest. Eigenlijk zou Sylvia bij haar in Amsterdam komen, dat was makkelijker, Sylvia had tenslotte geen kinderen, maar op het laatste moment had Evelien zichzelf door haar oppas laten overtuigen dat het goed was er eens een dagje tussenuit te gaan. Voor de kinderen was het ook leuk, een hele dag met hun favoriete oppas. Het was nog donker toen ze haar vanochtend hadden uitgezwaaid. Het beeld had Evelien de hele dag niet losgelaten. Haar kleine dochters in hun pyjama voor het enige verlichte raam in hun lange straat. Ze zou straks eens bellen om te vragen of ze sliepen. Ze opende haar tas en legde haar mobiele telefoon op het tafeltje bij het raam. Ze staarde naar buiten. Ze legde haar zere voeten op de stoel tegenover haar. Ze was de enige reiziger in de eerste klas. Ze dacht aan haar zus.

Sylvia had een paar rake dingen tegen haar gezegd. Evelien had zware tijden achter de rug. Ze kon beter eerlijk zijn trouwens. Ze zat midden in zware tijden. Haar man Harko had haar na jaren huwelijk verlaten. Een goeie reden had hij eigenlijk niet gehad, maar dat hij er een tijd lang een andere vrouw op na had gehouden, had zeker een rol gespeeld. ‘Ik kan niet zijn wie ik wil zijn,’ had hij haar op het laatst voortdurend voorgehouden. ‘Het ligt niet aan jou, maar ik heb het gevoel dat ik niet meer leef.’ Ze had dit herkend. Zelf had ze een tijd lang een minnaar gehad. Pas toen haar huwelijk in een crisis kwam, begreep ze waarom ze af en toe bij Theo wilde zijn. Hij vond haar tenminste bijzonder. Ze kon bij hem een ander zijn. Of ze bij hem meer zichzelf was, wist ze niet. In ieder geval hoefde ze niet zichzelf te zijn. Dat was al heel wat. Toen Harko na veel soebatten eindelijk het huis had verlaten, was ze opgelucht geweest. Ze was er niet vrolijk onder, maar ook niet somber. Haar zus had dat gevoel vandaag onderuit gehaald.
‘Je bent belazerd, daar begint het mee,’ zei Sylvia. Ze hadden net besteld in een klein Thais restaurant. Ze waren naar het Groninger Museum geweest, ze hadden thee gedronken, wat gewinkeld, in een kroeg gezeten en nu moest er gegeten worden. Daarna moest Evelien op de trein. ‘En als je belazerd bent, moet je kwaad zijn.’
‘Ik ben niet kwaad,’ antwoordde Evelien. Ze nipte van haar thee. Ze was wél kwaad, maar meer op zichzelf dan op Harko. ‘Ik ben wel eens verdrietig,’ voegde ze eraan toe. Ze moest er zelf om lachen.
‘Je kan beter kwaad zijn,’ zei Sylvia, ‘je moet eens wat beter voor jezelf opkomen, schat. Die man heeft je ontwikkeling jarenlang geblokkeerd.’ Sylvia kon flink uit de hoek komen als het om mannen ging. ‘Jij zit met de zorg van twee kinderen. Je hebt geen carrière meer. Je bent een bang vogeltje. En je kón ook een bang vogeltje zijn, want Harko zorgde wel voor je.’

 

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook alle tags voor Samuel T. Coleridge op dit blog.

 

Werk zonder hoop

Regels geschreven op 21 februari 1825

Alom werkt de Natuur. Tuinslakken gaan op pad –
De bijen zoemen – vogels vliegen op en neer –
De Winter draagt een glimlach op ’t gelaat, omdat
Hij soezend op het veld droomt van het lenteweer.
Maar ik, de enige die men nu ledig ziet,
Vergaar geen honing, paar niet, bouw niet, zing geen lied.

Toch ken ik de oevers goed waar amaranten groeien,
En heb de bron ontdekt waar stromen nectar vloeien.
Bloesemt, gij amaranten! Bloesemt voor elkeen,
Voor mij bloesemt gij niet! Glijdt, rijke stromen, heen!
Ik dool met fletse lip en met een kransloos hoofd:
Kent gij de incantatie die mijn ziel verdooft?
Werk zonder hoop giet nectar in een zeef,
Hoop zonder doel verhindert dat ik leef.

 

Vertaald door W. Hogendoorn

 

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)
Portret door Pieter van Dyke, 1795

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hans Warren, Monika Rinck

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1949 – 1951 (Deel 3)

“7 september 1950
19 uur, in ’t hotel. Wat me overkwam toen ik een paar dagen geleden op een regenachtige avond door de Rue de Bièvre liep, heb ik nog niet genoteerd. Dat is een wat lugubere straat op de linkeroever, in een wijk die met zijn zwarte muren en in natte keien weerspiegelende schaarse gaslantarens zó dienen kan als décor voor een griezelfilm.
Het was een uur of tien. Opeens hoorde ik een meeslepend rythme, oosterse muziek. Ik zag een klein café, zinken toogje, wat zitplaatsen random. De smalle deur stond open, er waren enkel Noordafrikanen, tot op de stoep. ‘Cela vous plaît, la musique orientale?’ vraagt er een met blinkende ogen. Ik knik. ‘Ga dan toch naar binnen!’ Wat aarzelend ga ik aan het toogje staan. De patron is een Algerijn, in kennelijke staat. Er zijn drie muzikanten, een met een ‘oud’, een soort luit, een met een trom die half uit een hoes je steekt, en een jongen met een tamboerijn. Een paar dozijn fonkelende ogen kijken me aan, sommige fluwelig, vriendelijk, andere lachend, weer andere verwonderd of wat achterdochtig. Ik ben de enige Europeaan in het gezelschap. Ik kan mijn ogen niet van de luitspeler afhouden. Hij heeft een expressieve bruine kop met vlammende, blikkerende ogen, en sterk gebogen neus, en onder de donkere snor lacht zijn mond met te grote, flitsende tanden. Hij buigt zijn zwarte krullebol verliefd over zijn instrument, en hij voert het rythme op, woest, hartstochtelijk. Trom en tamboerijn moeten mee. Hij lacht me met zijn ogen toe, met die diepe glimlach die een noorderling niet ‘zomaar’ geven kan, en dan knapt de muziek abrupt af.
De patron schenkt zich voor mijn rekening een ‘fine’ in, en ik loop naar de muzikanten. ‘Had ik maar beter materiaal’ zegt de speler, wijzend op de drie of vier gesprongen snaren van zijn luit. Het is een instrument met een mooie warme klank, en hij is er een virtuoos op, maar er is met het ding geleefd. Het hout is bekrast en uitgebeten door drankvlekken. De man moet achter in de twintig zijn, de tromspeler, die een mager, benig gezicht heeft waarin veruiteenstaande reeënogen, schat ik op dertig, en de jongen met de tamboerijn op zestien. De luitist draagt een donkerrood jasje boven een khakibroek. ‘U zult nu iets moois horen’, hij begint te preludiëren.
‘Maar ga toch zitten’. De tamboerijnjongen haalt een stoel voor me, schuift die aan hun tafeltje. Ik haal m’n glas van de toog. ‘Mon ami hollandais, hóllandais!’ wordt er al geroepen, alsof ik er van door wou gaan. Daar zit ik dan.
De luitist gaat zingen, zijn stem domineert het instrument. En als bij de meeste oosterse liederen zoekt de zangstem andere wegen in een rythme dat toch ook weer past bij het strakkere rythme van de begeleiding. Zijn mond lacht als hij zingt, en zijn rose tong klapt telkens omhoog tussen die flikkerende tanden. Zijn ogen sproeien vuur, hij wiegt, buigt over zijn instrument, hij geeft de trommelspeler, wiens vingers en hand nu zó vlug gaan dat ik ze als schimmen zie waaieren, kopjes als een poes, liefkozingen, en hij plukt met meesterlijke zekerheid de fantastische melodie uit de snaren.”

 

Milieuvervuiling

Gore plastic zakken, fladderend, vastgehaakt
aan stokken in een tochtsloot ergens op Schouwen
zo’n lichtloze middag tussen Sint en Kerst:
Chileense flamingo’s.

Ooit fantaseerde ik een zwoel moeraswoud
vol orchideeën, roepen, slingers baardmos
en spiegelend onder smaragden waaierkruinen
Chileense flamingo’s.

 

De zwartkoptuinfluiter

Eigenlijk al van mijn kindertijd af
denk ik al aan mijn uitvaart.
Ik zou willen dat iedereen dan
gelukkig was, dat vreemde geluk
om iets wat te mooi is, wat pijn doet.
Ik heb mij daarbij muziek voorgesteld,
een klagende hobo van Albinoni,
of dat ik op een bandje voor jullie
een stoïsch, dankbaar gedicht voorlas;
maar eigenlijk hoop ik dat het mei zal zijn
onder hoge beuken, en heel stil,
en dat dan opeens twee zwartkopjes gaan zingen
tegen elkaar in. Laat dan niemand spreken,
want iets mooiers, iets ontroerenders
bestaat er niet op aarde.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

HEMELSE HARDHEID

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen. Een halve wereld uit blauw licht.
Is dat lucht of wand? Stomme vogels, mereldummy’s, ja mussen,
In kunsthars en verharder geband, in doorzichtige kubussen gegoten.
Je zou bijna huilen. Of in plaats van vogels tjilpen en springen.
Maar nog ligt er een zware slaap op jou en alleen je droom
weet van de anderen. Hij denkt voor je, bv.: Wat is een schap?
Er doelgericht iets inleggen, met één hand die zeker is en vakkundig.
Omdat het daar thuishoort, een inbreuk, zo precies passend, je huivert.
Nu lig je wakker in je tent uit geld en wil je alles betalen.
Blijf hier, wacht op het einde van de wand. Versier de randen van de dag
met sluimer, nee, erger nog, vlecht de kitsch in je haar.
Maar kijk, het kwetsbare leven ‘s morgens is niet niks!
Geen verkeerd woord, sta op, kijk uit het raam, hoe een halve wereld
uit blauw licht ontluikt, daar! Een oranjetipje landt, beeft, explodeert.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Deutscher Buchpreis 2021 voor Antje Rávic Strubel

Deutscher Buchpreis 2021 voor Antje Rávic Strubel

De winnares van de Deutscher Buchpreis 2021 is Antje Rávic Strubel. Zij krijgt deze prijs voor haar roman “Blaue Frau”, het verhaal van een vrouw die na een verkrachting haar weg terug moet vinden in het denken en in de taal. De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Blaue Frau

„Jede Nacht sind die Autos zu hören. Das Rauschen der Autos auf den dreispurigen Straßen und das Rascheln der Blätter am Vogelbeerbaum.
Das sind die Geräusche.
Sie dringen durch das Fenster herein, das einen Spaltbreit geöffnet ist. Das Meer hört man nicht. Die Ostsee, die im Süden liegt, jenseits der Plattenbauten, in einer Bucht mit verschilften Ufern, die im Winter schnell zufrieren wird.
Peitschenlampen säumen die Wege. Nachts fällt ihr bleiches Licht auf den Bordstein und auf den Balkon der kleinen Wohnung, der zur Straße zeigt. Die metallenen Lampenschirme schwanken im Wind. Das Schlafzimmer zeigt zum Hof, wo es einen Spielplatz gibt, einen Verschlag für die Fahrräder und den Vogelbeerbaum.
Die Wände der Wohnung sind weiß und leer bis auf den Spiegel im Flur. In der Küche hängen zwei Postkarten über der Spüle. Auf der einen Karte fahren gelbe Taxis durch eine Straßenschlucht in New York. Auf der anderen, einer Schwarzweißaufnahme, sitzen zwei Frauen in einem Pariser Straßencafé.
Sie tragen Glockenhüte aus den zwanziger Jahren des letzten Jahrhunderts und elegante Röcke.
Das sind die Bilder.
Die Blumentöpfe im Metallregal auf dem Balkon sind unbenutzt. Spinnweben haben sich dort verbreitet. Die Spinnen leben noch. Es ist September.
Am Horizont, wo Lagerhallen und ein riesiger Sendemast die Reihen der Plattenbauten begrenzen, türmen sich Wolkenberge auf. Der Sendemast ist der einzige Orientierungspunkt in den identischen Straßen.
Niemand weiß, wo sie ist.
Die Wanduhr zeigt halb drei. Das silberne Zifferblatt stellt den Weltatlas dar. Einen Sekundenzeiger gibt es nicht, nur ein kleines rotes Flugzeug, das die silberne Welt umrundet. Jede Weltumrundung dauert bloß eine Minute, und doch sieht es langsam, fast gemächlich aus. Ein Schatten fliegt unter dem Flugzeug mit und ist ihm manchmal ein kleines Stück voraus, je nachdem, wie der Lichteinfall ihn auf die glänzende Erde wirft.
Sie könnte überall sein.“

 

Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

David Vann, Jan Wagner, Shehan Karunatilaka

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island, Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

Uit: Goat Mountain (Vertaald door Thijs van Nimwegen)

“Poederachtig stof vulde de lucht, kleurde de dag rood. Geur van dat stof en geur van dennen, geur van wolfsmelk. De truck een geleed wezen, de kop draaide los van het lichaam.
Een scherpe bocht en ik viel er bijna vanaf.
Ik knielde op een matras dat op de laadbak van de truck gebonden zat, alle kampeerspullen eronder. Het noorden van Californië, 1978. Hield me vast als we slingerden en draaiden, zelfs in de ochtend was het metaal heet. Haarspeldbochten de berg op. Ik had een schoenendoos vol stenen, en op de rechte stukken weg pakte ik een steen en smeet die naar een langskomende boom. De worp, de draai, de steen opzij gesmeten, een ronkend geluid, hij wentelde en sneed door de zware lucht maar werd door de vaart van de wagen naar voren geduwd. Uit koers geduwd, in een boog, onbedoeld ver naar voren gevlogen. Die boog kon ik al aanvoelen, ik anticipeerde erop, mikte een eind achter het doel. Steeds als er een steen in vlees hakte stompte ik met een vuist in de lucht. De harde klap boven het gegrom van de motor uit, misschien zelfs een glimp van losgerukte bast.
De hemel zakte verder omlaag, de dag werd warmer, de lucht werd twee keer zo dik, vier keer zo dik, stuwde de geur uit alle dingen op. Metaal, uitlaatgas, olie, stof, onkruid, dennen, en nu een lang stuk droog, geel gras, een vallei met suikerdennen, een vallei die betekende dat we op nieuw terrein
waren, weg van het meer. Iedere herfst weer deze jacht, iedere herfst deze terugkeer.
We stopten in Bartlett Hot Springs. Aan de kant van de weg, in de kortstondige schemering van ons eigen stof, wachtte mijn vader niet tot de lucht klaarde, hij deed zijn portier meteen open, stapte uit, een lange magere schaduw; hing zijn geweer om zijn schouder. Mijn vader scherp afgetekend, lichtend, zelfs in de schaduw, een ding apart van de rest van de aarde, meer dan aanwezig. Nu liep hij weg, het pad op naar de bronnen.
Aan de andere kant van de cabine stapte eerst mijn grootvader uit, die de citroenen droeg, en daarna Tom, de beste vriend van mijn vader, die in het midden geperst had gezeten, al in mijn vroegste herinnering was hij erbij, hij was zo goed als familie. Hij droeg een bril die spiegelde toen hij opkeek, zelfs in deze stoffige vergetelheid. We zijn er, zei hij.
Ik sprong aan de kant van mijn vader van de truck. Ik stak een arm in de cabine, achter de stoel, om mijn eigen geweer te pakken, een .30-.30 Winston hefboom-karabijn met korrel, koud metaal, nog niet opgewarmd door de dag. Geen schouderriem, dus droeg ik hem in mijn hand terwijl ik naar
de bronnen liep. Zo was het altijd geweest en zou het altijd zijn, dacht ik, op stap met dit geweer laag in mijn rechterhand, de loop een beetje naar beneden. Een wijzer die uitsloeg, dat geweer, op het kantelen van de planeet, hij duwde me voort.”

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

VENKEL

knollen voor een groentewinkel in de winter –
als bleke harten, zei jij, opeengedrongen
in een kist, warmte zoekend – zodat wij

hen met ons meenamen en naar huis droegen,
waar vuur in de haard aangestoken was,
waar kaarsen op de tafel aangestoken waren,

en hen hielpen uit hun dunne huid,
de stronken kapten, de trillende bladeren wegnamen
en hen tot fijne witte vlokken hakten,

wachtend, tot het water kookte,
de ruit blind was door damp.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Sri Lankaanse schrijver Shehan Karunatilaka werd geboren in 1975 inGalle in Zuid-Sri Lanka. Zijn debuutroman uit 2010 “Chinaman: The Legend of Pradeep Mathew” won de Commonwealth Prize, de DSC Prize, de Gratiaen Prize en werd door Wisden uitgeroepen tot het op één na beste cricketboek aller tijden. Karunatilaka groeide op in Colombo, studeerde in Nieuw-Zeeland en woonde en werkte in Londen, Amsterdam en Singapore. Voordat hij in 2010 zijn debuutroman publiceerde, werkte hij in de reclamewereld bij McCann, Iris en BBDO, en schreef hij ook films voor The Guardian, Newsweek, Rolling Stone, GQ, National Geographic, Conde Nast, Wisden, The Cricketer en de Economic Times. Hij speelde bas met Sri Lankaanse rockbands Independent Square en Powercut Circus en de Brass Monkey Band. Hij werd opgeleid bij S. Thomas’ Preparatory School, Kollupitiya, Sri Lanka, Whanganui Collegiate School en Massey University, Palmerston North (waar hij Engelse literatuur studeerde, evenals bedrijfskunde). Zijn tweede roman “The Seven Moons of Maali Almeida” (Sort of Books, 2022) werd op 17 oktober 2022 uitgeroepen tot winnaar van de Booker Prize 2022.

Uit: Chats with the Dead

“This started ages ago, a thousand centuries ago, but let’s start with last Tuesday. It’s a day you wake up hungover and empty of thought. Isn’t that most days? Funny. You wake up in an endless waiting room. You look around and it’s a dream and, for once, you know it’s a dream and you’re happy to wait it out. All things pass, especially dreams. You are in a queue, shouting at a woman behind a mahogany counter, which is not unusual. You’ve been furious at women behind counters before, who hasn’t? Most Lankans are silent seethers, but you are one loud complainer.
‘Not saying your fault. Not saying my fault. But mistakes happen, no? Especially in government offices. What to do?’
‘This is not a government office.’
‘I don’t care, aunty. I’m just saying, I can’t be here, I have photos to take. I have friends to look after.’
‘I am not your aunty.’
The woman behind the counter looks upon you with neither interest nor scorn. She wears what looks like a chef’s jacket, though this corridor looks more like a hospital than a kitchen. If you were a betting man, which you are, you’d take 5/8 on this being a railway station.
‘I have two babas,’ cries a young girl. ‘How can they be without their amma?’
You realize you’re not the only one complaining. You are surrounded by a swarm of people, each shouting at the woman in white. Most are old, a few look your age, many are younger. You try again.
‘This is a big mistake. I don’t eat meat. I smoke less than five a day.’
The woman is familiar to you, as perhaps your lies are to her. For a moment, it feels like you are all there is. Especially when she speaks.
‘Aiyo, listen please. Every excuse we have heard. No one wants to go, not even the suicides. I was shot in the throat. My daughters were eight and ten. What to do? Please be patient and wait your
turn. We are serving as fast as we can.’
You understand nought of what she is saying. So, you try again.
‘Up north, Tigers are killing army, civilians, even their own people. Indian peacekeepers are starting wars. Down south, JVP Commies are killing rich and poor. Government is murdering the murderers, and killing non-murderers as well. Must be busy these days. I fully understand.’

 

Shehan Karunatilaka (Galle, 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn blog van 19 oktober 2018 en ook mijn blog van 19 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.