“Toen de Airbus de daling inzette naar Genève werd Nick, of wat er van hem over was, nog kunstmatig in coma gehouden. En hierboven in de bergen knalde het onweer. Hierboven, één grote turbulentienachtmerrie in onstabiele lucht. De Airbus cirkelde eindeloos en blind in de wolkenmassa en dook plotseling door een gat, waardoor ik zag dat we al geruime tijd lager zaten dan de omringende bergruggen. Het horror vacui bij het totale gebrek aan oriëntatie verruilde zich onmiddellijk voor een onverbloemde claustrofobie. Buiten de wolkenkrabbers van Manhattan was dit de eerste keer in zestien jaar dat ik met bergen werd geconfronteerd. Het liet geen ruimte voor illusies: ik háátte de bergen. Ik haatte ze nog steeds. Ik haatte hoe ze ons insloten. Hoe ze zich over het vliegtuig heen leken te buigen. Hoe ze dwars door het noodweer rezen. Grillig als de tanden van een roofdier. De bergen hadden Nicks gezicht eraf gebeten. Al die tijd had ik me afgevraagd wat die vent aan de telefoon had bedoeld toen-ie het steeds over Nicks gezicht had gehad. Die vent die vertegenwoordiger was van de Police Cantonale. Dat er iets mis was met zijn gezicht, had-ie gezegd. Dat gezicht, ik kende het door en door. Mannelijke lijnen maar zachte trekken, een oersymmetrie die hem het voorkomen gaf van een wezen rechtstreeks afkomstig uit de natuur. Wat ik er het meest in aanbad was de volledige afwezigheid van schaamte. Ik was er nog altijd niet uit of de kalme zelfverzekerdheid waarmee Nick de wereld in keek voortkwam uit het feit dat hij andermans blikken eenvoudig niet gewaarwerd, of dat hij er juist zo aan was gewend dat ze hem koud lieten.”
Thomas Olde Heuvelt (Nijmegen, 16 april 1983)
De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Vanuit mijn huis Ik zeg: jij bent de grote wind jij blaast verdriet in mijn gezicht Jij zegt: het is geen storm gewoon een klein warm briesje
Maar ik zie vanuit mijn huis het dak zeilen als een kokend grijze rook de boeken proberen hun vleugels uit niets wordt gespaard, pianoconcerten haasten zich op zwarte borden weg vensters sluiten nooit meer. Waar moet ik verder leven?
Ik zeg: alles is van me weggevlogen Jij zegt: er is geen storm Ik zeg: de wind is zo groot dat sigaretten zijn opgebrand voordat ze de mond bereiken En hou je een vulpen in je hand dan boort die zich in de tafel.
De storm zet zijn mond aan het huis en blaast een toon te voorschijn. Ik slaap onrustig en lees de tekst van de storm met gesloten ogen.
Maar kinderogen zijn groot in het donker en de storm die blaast voor het kind. Ze houden beiden van zwaaiende lampen, zijn beiden op weg naar de taal.
De storm heeft kinderhanden en -vleugels. De karavaan slaat naar Lapland op hol. En het huis voelt zijn sterrenbeeld van spijkers die de muren samenhouden.
De nacht is zwijgzaam boven onze vloer (waar verklonken stappen rusten als gezonken blaren in een meer) maar onstuimig de nacht daar buiten!
Een ernstiger storm trekt over de wereld. Aan onze ziel zet hij zijn mond en blaast een toon te voorschijn. Wij zijn bang dat de storm ons leeg zal blazen.
Vertaald door Rita Verschuur
Mijnstreek
ik loop over rokende wonden (in het ogenblik van de distel) en aan mijn riem draag ik duizend sleutels
(dat wielen hierboven ook hebben gedraaid)
eenzaam de mijntoren een duivelse vinger en gruis zwart van verlangen naar water en de spar zwart van verlangen naar storm
ik loop over rokende wonden als verschrikte paarden snellen verbrande wolken over de boomtoppen de paden zoeken hun doel en het bos draagt duizend sleutels aan zijn riem
Zwemmer
wil men kunnen zwemmen dan moet het water levend zijn moet het water op de vlucht zijn met kiezelstenen in zijn mond
degene die zwemt die het water het instrument van zijn huid laat bespelen is een zacht anker tussen stromen een dobbelsteen lichtend als een toorts eenzaam als een verdronken soldaat
de zwemmer brandt langzaam
hij is een lokaas voor de hongerige steiger als er een steiger is hij veroorzaakt onrust als er een strand is maar zelf trekt hij kalm over eindeloze bergen met vuur in zijn longen
Vertaald door J. Bernlef
Tomas Tranströmer (15 april 1931 – 26 maart 2015)
De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Bij de witte viooltjes Bij de witte viooltjes In het park zoals hij me opdroeg Sta ik onder de wilg Ongekamde oude vrouw bladerloos Zie je, zegt zij, dat hij niet komt
Ach, zeg ik hij heeft zijn voet gebroken Een graad ingeslikt, een straat Werd plotseling verlegd of Hij kan niet aan zijn vrouw ontsnappen Veel dingen hinderen ons mensen
De wilg wiegt en kraakt Kan ook zijn dat hij al dood is Hij zag er bleek uit terwijl hij je kuste onder je jas Kan wel zijn wilg kan wel zijn Dus laten we hopen dat hij niet meer van me houdt
„Die Großmutter lächelt selten. Aus ihrem Kopf kommen keine Strahlen. Im Gegenteil, es ist, als hätte sie das Licht verschluckt, ihre Falten, die haben es verschluckt. Sie kam und ging plötzlich. Auf einmal saß sie dort an meinem Bett und sprach von Gott. Als erzählte sie vom Nachbarn. Oder vom taubstummen Brief-träger, Onkel Gerzson. Ihr Sohn war im Krieg gestorben, der jüngere Bruder meines Vaters. Die Russen hatten ihn erschos-sen. Die Deutschen. Die Partisanen. Er war verschwunden. Lan-ge wollte sie das nicht glauben. Dass ihr Sohn früher gestorben war als sie, das Kind früher als seine Mutter, dass das überhaupt möglich ist. Sie war darauf gekommen, dass der Herrgott dann seinen Sohn getötet haben musste, anders konnte es nicht sein. Schließlich also glaubte sie es. Einen ganzen geschlagenen Tag lang jammerte und schluchzte sie. Keiner wagte etwas zu sagen. Es gab einen Moment, da meinte sie, wenn ihr Sohn tot war, nicht war, dann war auch Gott tot, war Gott nicht, dann jedoch ging dieser Moment vorüber. Als ihre Tränen versiegt waren, ver-ließen sie auch die Kräfte, und sie schlief zwei Tage am Stück. Als sie aufwachte, war Gott taubstumm geworden. So erzählte sie es und malte mir mit ihrem knorrigen Daumen ein Kreuz auf die Stirn. Sie kann auf eine Weise von Gott erzählen, dass es unbe-greiflich wird, dass er nicht sein soll. Noch dazu, dass er tot sein soll. So, dass dies keinen Sinn hat. Ich habe den Nachbarn und den Briefträger erwähnt, weil die immer sind, wir sie sehen. Die Geschichten der Großmutter von Gott – also sie enthielten die-se Sicherheit, dass Gott auch dann ist, wenn niemand mehr ist. Obwohl das, dass niemand ist, schwer vorstellbar ist. Das »nie-mand« und das »alles« sind schwer vorstellbar.“
Da seht aufs Neue, dieses alte Wunder: Der Osterhase kakelt wie ein Huhn und fabriziert dort unter dem Holunder ein Ei und noch ein Ei und hat zu tun.
Und auch der Mensch reckt frohbewegt die Glieder er zählt die Kinderchens: eins, zwei und drei… Ja, was errötet denn die Gattin wieder?
Ei, ei, ei ei, ei ei!
Der fleißige Kaufherr aber packt die Ware ins pappne Ei zum besseren Konsum: Ein seidnes Schupftuch; Nadeln für die Haare, die Glitzerbrosche und das Riechparfum.
Das junge Volk, so Mädchen wie die Knaben, sucht die voll Sinn versteckte Leckerei. Man ruft beglückt, wenn sie´s gefunden haben:
Ei, ei, ei ei, ei ei!
Und Hans und Lene steckens in die Jacke, das liebe Osterei – wen freut das nicht? Glatt, wohlfeil, etwas süßlich im Geschmacke und ohne jedes innre Gleichgewicht.
Die deutsche Politik… Was soll ich sagen? Bei uns zu Lande ist das einerlei und kurz und gut: Verderbt euch nicht den Magen! Vergnügtes Fest! Vergnügtes Osterei!
Kurt Tucholsky (9 januari 1890 – 21 december 1935) St. Marienkirche in Berlijn, de geboorteplaats van Kurt Tucholsky
Een goede blonde een oudere man en huidige minnaar een jongere man en vroegere minnaar (allen gekomen in de auto van de huidige minnaar) een slechte blonde een vriend en zijn vrouw een gastheer die vlees braadt op een open vuur een tweeling met snorren langs de rand van het zwembad
de slechte blonde spreekt zacht met de gastheer de vriend spreekt zacht met zijn vrouw de minnaar schenkt de minnaar een glas wijn in en schenkt zichzelf een glas wijn in de goede blonde ligt in de zon op haar buik
de oudere man en de blonde kleden zich om de jongere man wacht in de woonkamer de slechte blonde stelt drie vragen aan de jongere man de slechte blonde probeert te telefoneren de slechte blonde valt over een stoel de vriend duikt in het zwembad
de goede blonde loopt door de woonkamer zij geeft een spiegel terug aan de jongere man zij zegt: ‘hij is ontevreden met mij en ik ben niet zeker waarom en hij legt het ook niet uit’.
Het einde van het wachten
Een licht in de nacht, antwoord op een ander licht, antwoord op
een ander licht dat zegt: iemand komt terug naar een paleis waarin een vrouw
naast iemand ligt als vermoeid naast vermoeid; in een ander paleis ligt zachtheid die niet
voor vingers vlucht maar vingers laat en zegt: in mij als in lucht en geen dood om dood.
Jezus
Meegesleept naar leeg en stil, klaar om terug te keren als er iets gebeurt.
Alles wat gezegd wordt over Jezus is waar over wie daar is
en groter laat worden wat hij is alsof het plaats maakt voor wat steeds groter is
en voorbij aan wat hij is Jezus laat storen, blij maken, bij hem blijven.
Een lijsterbes als een meisje met lippenstift. Tussen de zijweg en de hoofdweg Elzen op een natte en druipende afstand Houden zich afzijdig tussen de biezen.
Er zijn de modderbloemen van het dialect En de immortellen van een perfecte toonhoogte En dat moment waarop de vogel heel dichtbij zingt Op de muziek van wat er gebeurt.
De opstanding van Christus door Pietro Novelli, ca. 1640
Seven Stanzas at Easter
Make no mistake: if he rose at all It was as His body; If the cell’s dissolution did not reverse, the molecule reknit, The amino acids rekindle, The Church will fall.
It was not as the flowers, Each soft spring recurrent; It was not as His Spirit in the mouths and fuddled eyes of the Eleven apostles; It was as His flesh; ours.
The same hinged thumbs and toes The same valved heart That—pierced—died, withered, paused, and then regathered Out of enduring Might New strength to enclose.
Let us not mock God with metaphor, Analogy, sidestepping, transcendence, Making of the event a parable, a sign painted in the faded Credulity of earlier ages: Let us walk through the door.
The stone is rolled back, not papier-mache, Not a stone in a story, But the vast rock of materiality that in the slow grinding of Time will eclipse for each of us The wide light of day.
And if we have an angel at the tomb, Make it a real angel, Weighty with Max Planck’s quanta, vivid with hair, opaque in The dawn light, robed in real linen Spun on a definite loom.
Let us not seek to make it less monstrous, For our own convenience, our own sense of beauty, Lest, awakened in one unthinkable hour, we are embarrassed By the miracle, And crushed by remonstrance.
Zeven strofen met Pasen
Vergis u niet: als hij überhaupt opstond Was het als Zijn lichaam; Als de ontbinding van de cel niet was omgekeerd, het molecuul herstelt, De aminozuren herleven, Zal de kerk vallen.
Het was niet zoals de bloemen, Die elke zachte lente terugkomen; Het was niet zoals Zijn Geest in de mond en verwarde ogen van de Elf apostelen; Het was als Zijn vlees; het onze.
Dezelfde beweegbare duimen en tenen Hetzelfde hart met klep Dat – doorboord – stierf, verdorde, pauzeerde en weer terugkwam Vanuit de blijvende Macht Nieuwe kracht in te sluiten.
Laten we God niet bespotten met een metafoor, Analogie, zijwegen, transcendentie, Van het evenement een gelijkenis maken, een teken, geschilderd in de verbleekte Goedgelovigheid van eerdere tijdperken: Laten we door de deur lopen.
De steen is teruggerold, geen papier-maché, Geen steen in een verhaal, Maar de enorme rots van materialiteit die bij het langzaam slijpen van Tijd voor ieder van ons verduisteren zal Het wijde daglicht.
En als we een engel bij het graf hebben, Maak er een echte engel van, Zwaar met de kwanta van Max Planck, levendig met haar, ondoorzichtig In de ochtendschemer, bekleed met echt linnen Gesponnen op een blijvend weefgetouw.
Laten we niet proberen het minder monsterlijk te maken, Voor ons eigen gemak, ons eigen gevoel voor schoonheid, Opdat we niet, ontwaakt in een ondenkbaar uur, ons schamen Door het wonder, En verpletterd door verwijten.
Vertaald door Frans Roumen
John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009) St Mary’s Church in Reading, Pennsylvania, de geboorteplaats van John Updike
„Hinterher würden sie mit ihren exotischen Abenteuern protzen und mich fragen, ob ich mich nicht zu Tode gelangweilt hätte da oben im menschenleeren Norden. Ich beneidete sie nicht.Ich war nach Gotland gefahren. Ich war durch die Landschaft gestreift, und die Landschaft mit ihrem Kalkstein, ihrem struppigen Bewuchs, mit ihren verlassen daliegenden Plateaus, den versandeten Tümpeln und Klappersteinfeldern, auf denen es hunderte Millionen Jahre alte Fossilien gab, hatten mich in Trance versetzt. Ich ließ mich treiben.Es war die Zeit nach meinem Aushilfsjob in einem Jugendprojekt; verglichen mit dem Zivildienst im Altenheim war das eine leichte Arbeit gewesen, auch wenn es täglich neun Stunden Lärm bedeutete, Drogen bedeutete, Messerstechereien und täglich entweder die Polizei oder das Jugendamt, täglich Rap oder Techno, täglich die Frage, ob du ein Hopper oder ein Emo bist, denn Emos sind schwarzgekleidete Schwulis, schwule Chorkinder, du Arsch, auch das täglich, täglich ich hab deine Mutter gefickt, überhaupt deine Mudderund willste was aufs Maul, und erst hier, unter Kiefern und Ostseewind, ließ die Erinnerung daran nach. Die Einsamkeit, die langen Tage, die Stille in den kleinen Ortschaften entspannten mich. Am Ende der Woche hatte ich in einem Touristenbüro einen Tagesausflug gebucht; eine geführte Tour auf eine Insel, die der Westküste Gotlands vorgelagert war. Ich hatte Lust, wieder mit jemandem zu reden. Wo es hinging, interessierte mich nicht.Im Hafen von Klintehamn stand ein Kiosk, in dem schon lange nichts mehr verkauft wurde. Die Fenster waren vernagelt, eine verwaschene Preisliste für Lachs und Heringe hing noch am Holz. Der Parkplatz war schattenlos und leer. Am Kai, an dem das Boot zur Insel ablegen sollte, warteten zwei Frauen mit Wanderstöcken und Knickerbocker, Finninen, wie sich herausstellte. Andere Fahrgäste waren nicht zu sehen. Die Finninen verstanden kein Englisch. Sie sprachen schwedisch mit mir. Vielleicht dachten sie, es würde die Verständigung erleichtern, wenn beide Seiten eine ihnen fremde Sprache benutzten. Das war nicht der Fall.”
De avond voor Pasen door Mikhail Germashev, tussen 1904 – 1911
EASTER EVE
As for thee also, by the blood of thy covenant I have sent forth thy prisoners out of the pit wherein is no water. Zech. xi. 11.
AT length the worst is o’er, and Thou art laid Deep in thy darksome bed; All still and cold beneath you dreary stone Thy sacred form is gone; Around those lips where power and mercy hung, The dews of death have clung; The dull earth o’er Thee, and thy foes around, Thou sleep’st a silent corse, in funeral fetters wound.
Sleep’st Thou indeed? or is thy spirit fled, At large among the dead? Whether in Eden bowers thy welcome voice Wake Abraham to rejoice, Or in some drearier scene thine eye controuls The thronging band of souls; That, as thy blood won earth, thine agony Might set the shadowy realm from sin and sorrow free.
Where’er Thou roam’st, one happy soul, we know, Seen at thy side in woe, Waits on thy triumph—even as all the blest With him and thee shall rest. Each on his cross, by Thee we hang a while, Watching thy patient smile, Till we have learn’d to say, “Tis justly done, “Only in glory, LORD, thy sinful servant own.”
Soon wilt Thou take us to thy tranquil bower To rest one little hour, Till thine elect are number’d, and the grave Call Thee to come and save: Then on thy bosom borne shall we descend, Again with earth to blend, Earth all refin’d with bright supernal fires, Tinctur’d with holy blood, and wing’d with pure desires.
Meanwhile with every son and saint of thine Along the glorious line, Sitting by turns beneath thy sacred feet We’ll hold communion sweet, Know them by look and voice, and thank them all For helping us in thrall, For words of hope, and bright examples given To shew through moonless skies that there is light in Heaven.
O come that day, when in this restless heart Earth shall resign her part, When in the grave with Thee my limbs shall rest, My soul with Thee be blest! But stay, presumptuous—CHRIST with thee abides In the rock’s dreary sides: He from the stone will wring celestial dew If but the prisoner’s heart be faithful found and true.
When tears are spent, and Thou art left alone With ghosts of blessings gone, Think thou art taken from the cross, and laid In JESUS’ burial shade; Take Moses’ rod, the rod of prayer, and call Out of the rocky wall The fount of holy blood; and lift on high Thy grovelling soul that feels so desolate and dry.
Prisoner of Hope thou art—look up and sing In hope of promis’d spring. As in the pit his father’s darling lay Beside the desert way, And knew not how, but knew his GOD would save Even from that living grave, So, buried with our LORD, we’ll close our eyes To the decaying world, till Angels bid us rise.
John Keble (25 april 1792 – 29 maart 1866) Kerk en kerkhof in Fairford, Gloucestershire, de geboorteplaats van John Keble
Ik heb je meegenomen naar dit doorgangshuis. De zolder gonst van stemmen als een bijenkorf. Haat en liefde doen er honingraten zwellen Van het vers dat elders wil worden gegeten.
Zo geef ik, gif en tegengif, veranderd weer Wat ik van jou gestolen heb, een klein heelal Met mijn gevang van jouw verborgenheid betaald. Enkel jij krijgt hier de vrijheid zwart op wit.
Dus lees me. Lees me helemaal of lees me niet. Ik wou dit toch, ik zou dit toch niet zo alleen. Ik wou toch spreken, hier, in naam van iedereen. Ben ik een fles in zee, een les in duisternis?
Ik was nog jong, ik droomde dat ik hier verscheen Als een die ginder in de heuvels loopt te zingen. Ik droomde dat ik schreef zoals een dode spreekt Met heel de pinkstertong van zijn afwezigheid.
Afscheid van Missenburg
Voor Elza
Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur Maar heerlijk! Hoog en zwetend riep de zonnewijzer Honderd vijftig jaar de taxus en fazanten Tot de orde, en zacht en dwingend hing de gastvrouw Aan het touw en liet de kleine klokken gaan Over de paden van patrijzen en tuiniers. Ook onkruid boog zich naar die goddeloze mis.
Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen Op doortocht neergestreken in het grachtenwater. En deze pen beluisterde de zonnewijzer Die de eenden wees op brood onder de brug. Ik ben van Missenburg geweest. Ik draag zijn hemel Als een gouden trauma met mij om, een dak Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.
Prijs ons
Liefde, hoe Gierig, hoe bleek, hoe mager Ben je vandaag, ik kijk los Door je heen. Hoe pover, hoe schamel, hoe moe Gevochten liggen je kleren Van ons met elkaar in de knoop Op de vloer. En hoe schraal is je praat Van ons in dat dun en broos bed.
Armtierige, Maak je weer dik. En scherp onze tongen en tanden En nagels, getongd en getand En genageld verstaan wij mekaar Als geroepen van jaren Her, van straten Ver.
Prijs ons, Prijs ons paar. En prijs onze goede gemeenplaats Van langzame seks in de luwte, Prijs die trage paringsdrift. Die draagt ons hoog op handen Door het holste van de nacht. Kom, prijs ons, prijs ons aan Bij jou, Liefde.
Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)
De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.
Poëzie eten
Er komt inkt uit mijn mondhoeken. Er is geen geluk zoals het mijne. Ik heb poëzie gegeten.
De bibliothecaresse gelooft niet wat ze ziet. Haar ogen zijn bedroefd en ze loopt met haar handen in haar jurk.
De gedichten zijn weg. Het licht is zwak. De honden zijn op de keldertrap en komen eraan.
Hun oogballen rollen, hun blonde poten branden als struweel. De arme bibliothecaresse begint met haar voeten te stampen en te huilen.
Ze begrijpt het niet. Als ik op mijn knieën val en haar hand lik, schreeuwt ze.
Ik ben een nieuwe man, Ik grom naar haar en blaf, Ik ravot van vreugde in het boekachtige donker.
Ik zag Hem op zijn kruis, gelaten en verduldig, Met nagelen door zijn hand, en doornen in zijn hoofd; Bloed stroomde langs zijn oog gebroken en verdoofd; Hij stierf voor uwe schuld, en voor de mijne, onschuldig!
Ik heb opnieuw bemind, daar ‘k weder heb geloofd! Ik weet, mijn zonden zijn zo zwaar, zo menigvuldig; Doch, heeft de laatste blik van Deze, die ik huldig, Mij, arme kranke, niet zijn reddend hulp beloofd?
O reiniging door Bloed, gelijk de bloedschuld erflijk; O wonderbare nacht, daar ’t licht zijn oorsprong vindt, O goddelijke dood, daar ’t leven herbegint.
Komt herwaarts, gij die zegt: “Geen liefde is onbederflijk!” Komt herwaarts, gij die treurt, omdat gij hebt bemind: De liefde sterft voor u, en leeft voor u, onsterflijk.
René de Clercq (14 november 1877 – 12 juni 1932) De Sint-Columbakerk in Deerlijk, de geboorteplaats van René de Clercq
Er was een klein moment dat wou zo vreselijk groot, maar bleef geweldig onbekend tot na haar dood.
En haar dochter, ook al zwanger, wou graag mooier en ook langer,
en haar dochter ook al zwanger, wou graag mooier en ook langer,
en haar dochter ook al zwanger, wou graag mooier en ook langer,
en zo meer, en zo meer ongeveer tweeduizend keer.
Het stel werd later teruggevonden en toen moeiteloos erkend als de laatste kwart seconde vóór het Vreselijk Moment.
Moraal: Ook al moet je nog zo klein, je schaduw mag best langer zijn.
De ander
De ander zal huilen in de lege schoenen en ze wat bewegen, de kuil in het andere kussen zoenen zolang die daar nog is te voelen maar geen vaarwel bedoelen,
ze zal nog een hele tijd knechten en kinderen moeten zeggen welke koud geworden kleren met hun menselijkheden kwijt weg te smijten, weer meer en hartverscheurend klemtoon leggen op de volgroeide eenzaamheid,
zal later, als de scherpe hoeken van verlies zijn rond gesleten, in onze nagebleven boeken duimelen en hun doel vergeten en niet meer zoeken,
zal eindelijk, nog onuitgepraat en helemaal onuitgesproken slapen met een arm uitgestoken naar degene die al lang niet meer bestaat.
Scheppinkje
Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen tot een gebaartje op mijn hand en gaf Jou alle kralen, donzen, poesjesmiepsen en hommelgonzen en Jij weefde het verband …
ik zou mijn vingers rond Je sluiten en Jouw gekriebel zó beminnen terwijl Je scheppend was daarbinnen dat ik mijn vuist héél zacht van buiten zou kussen;
en als ik op een teken Jouw werk voorzichtig zou ontbloten nimmermeer zijn uitgekeken op mijn lege handpalm, grote God en nooit meer spreken.
Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014) Leo Vroman en echtgenote Tineke
’s Avonds voordat de boten weg drijven, één voor één, dan hou Ik van je.
Tot aan de ochtend hou Ik van je met het stro in de kamer met de landwind over het dak, met de heg voor je huis, met het hondengeblaf voordat het licht wordt.
Het gezicht vol visdamp, in de dauw zal ik komen: een die van zijn handen de warmte verspilt aan de zilvergedaante van de nacht. Met ’n mond van zout komt hij. Nu springt hij in de laatste boot.
Vertaald door Frans Roumen
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)
Hij nam de beker en Hij brak het brood. Hij sprak het woord dat onvergeetbaar klonk Door de eeuwen heen. En onheilspellend blonk Op Judas’ rosse lokken ’t avondrood.
En elkeen at van ’t brood en elkeen dronk De purpren wijn, die hem Zijn liefde bood. Doch ’t brood was Judas bitter als de dood, In elke wijndrop gloeide een helse vonk.
Kalm stond de god in ’t flikkrend fakkellicht, Toen hij de valse kus voelde – en terstond Viel droef zijn blik op Judas’ aangezicht.
-Ik spijsde en laafde u met mijn liefde, en toch Verraadt gij mij! o snode, rode mond, Uw Judas-kus brandt op mijn lippen nog!
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) De Boomkerk in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.
Rand
Wat je nu zegt verplaatst lucht over een kleine afstand,
kleiner naarmate je zachter, haastiger praat:
‘Tot waar het weer waait’. Een plek opzij van het kijken.
Verwachting loopt naar de rand. Niet te bereiken.
Toba
Ik maak de reis die ik nooit maakte, plan blijf liggen, ik begin hier waar ik ben en nu meteen, wees stil.
Ik zal vinden wat ik wil, het meer en meer, lichaam uitspanselwijd over het volle oppervlak gespreid, opstaan in drie tijden tegelijk,
het meteen vergeten, om halfzeven door de nevel en de spinnenwebben waden, blinden losdoen, hemel lezen als verwoesting als altijd
Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen
Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen, zij blijft op afstand sinds zij uit mij viel. Plastic steekt uit haar afgewend profiel, met apparaten woont zij achter glas die haar weerspannig ademen bewaken.
Als ik tot bloedens toe mijn handen was mag ik een ogenblik haar vel aanraken. Hoe steel ik haar, hoe krijg ik haar ontvreemd.
De prachtige luchtgeest blaast op de schelphoorn, de roodachtige, puntige, hij verdeelt het geluid met zijn hand, dat hier- en daarheen vliegt, zo heel anders dan kustvogels.
Mijn vriend, de luchtgeest, houdt ervan daar in de weilanden te slapen en ik heb dit en dat al geleerd bij hem en nu leer ik niet zoals hij enkel licht te rusten, slechts leunend tegen de rand
van het donker en nog steeds in het licht, en met kinderlijk ronde ogen snel te ontwaken. Hoe moet ik zijn zoals mijn vriend: alleen met mijn lief, zonder slaap, in de regen?
Vertaald door Frans Roumen
Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)
Er zijn twee soorten morgens, de zon komt op, verblindt het donker, en hetzelfde andersom, voorlopig straal ik al maar langer op de hangers en de rekken en gebitten van verkoopsters, kassala: valuta
Er zijn twee soorten wakker, kijk dan: heb ik ooit iets van je aan, moet je voelen aan mijn stof – blijf met je nagels van mijn lijf, ik draag laag o over laag maar pel het licht niet van me af
Er zijn twee soorten benen, kleedt het in zoals je wil niets zo naakt als kleding, probeer me maar to passen – ik blijf een lege spiegel, er zijn twee soorten niets
Help me, laat me, laat me haasten voor de tijd, straks hang ik onversleten ergens en je hebt me – al mijn glans ben ik dan kwijt
‘Weer een inktzwarte dag!’
Wij maken samen woorden met een pen groter dan ons samen Inktzwarte inkt, flonkerend Sterrennacht
De verboden kamer op zolder De punt die naar de hand gaat staan Onze vaders pen, ook woorden die hij niet zou willen Voor het laatst de trap omhoog
De laatste dingen opgeruimd omdat moeder niet meer boven kan komen Wrakke meubeltjes, zijn oude klauwhamer Alleen wat aan de wand hing hangt er nog
Een oud leven – titels, bladspiegels, notitieblokjes: oud papier. De deur doe ik achter me dicht Voor het laatst de trap af naar beneden Heb jij de pen achter je rug?
Het gebruik van de telefoon
Kies het geprogrammeerde nummer zoals je gewend was te doen het nummer dat je met je hart kent Hoor de kiestoon, kies. Hoor het toestel
aan de andere zijde overgaan, hoor dat de verbinding gemaakt wordt, dat je opgenomen wordt Je hoeft je naam niet meer te zeggen,
niet te zeggen waarom je belt, niet dat je hierna niet meer zult bellen, dat je van haar houdt, en dat je –
Noem het welterusten, val ruggelings en alleen het diepe donker in, maar laat de lijn dan open, laat de lijn rustig open
Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.
“Na schooltijd dumpte iedereen zijn rugtassen thuis en speelden we samen op straat, net zo lang tot de eerste ouders begonnen te schreeuwen voor het avondmaal. Tot grote irritatie van de blanke buurtbewoners overigens, die het geroep maar hinderlijk vonden, temeer omdat de batsen het bijna tegelijkertijd deden, alsof ze het van elkaar afkeken. Het populairste spel op straat was BOM BILI BOM – tikkertje met een bal. Mijn beste vriendje Ata had het in de wijk geïntroduceerd, na een lange zomervakantie in Turkije, veel langer dan toegestaan omdat zijn ouders hem in april al hadden ziek gemeld. Deze zomer zou ik voor het eerst ook naar dat vreemde land gaan. Ik vond het allemaal best spannend. Volgens mijn broers was het een andere wereld. Argeloos zaten we op ’n dag te knikkeren op het plein, toen ineens Odin, de valse herdershond van een buurvrouw, in de verte opdoemde. Met lichte tred begaf het dier zich naar het centrale punt van de straat, juist de plek waar wij de meeste tijd doorbrachten. De hond blafte drie keer en raasde op ons af. Hij wilde iemand bijten. Via regenpijpen en raamtralies klommen we allemaal op daken, op de vlucht voor de meest gevreesde inwoner van de hele buurt, het hoofdpersonage van veel kindernachtmerries. Tot mijn geluk richtte het mormel al zijn aandacht op Dilek. Een klein, dikkig meisje dat naast Club Isabelle woonde en nu veel te laat anticipeerde op het gevaar, waardoor ze niet meer weg kon komen. Ze werd in haar arm gebeten. Krijsend probeerde Dilek zich los te wurmen van Odin, terwijl wij vanaf verschillende daken stonden toe te kijken. Een paar kinderen moesten huilen. We schreeuwden om hulp. ‘Godverdomme! Laat die bats met rust, Odin,’ klonk het opeens. Het was buurman Theo. De dorpsgek. Hij had een alcoholistenkop en ondanks zijn gevorderde leeftijd liep-ie nog steeds vijf krantenwijken. Theo greep Odin vast aan zijn nekvel, trok z’n kaken uit elkaar en schopte het beest met de onderkant van zijn voet. Op dat moment kwam het baasje van Odin uit haar tuin sjokken. ‘Is die boef nu weer ontsnapt?’ vroeg ze aan niemand in het bijzonder. “
Özcan Akyol (Deventer, 7 april 1984)
De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.
Regen
Met dikke inktstreken vult de lucht zich met regen. Doen alsof je dekking zoekt, maar in het geheim bidden voor meer regen.
Boven de echo van het water hoor ik een stem die mijn naam zegt. Niemand in de stad beweegt onder de snelle, onzichtbare regen.
De pagina’s van mijn notitieboek weken en krullen dan om. Ik heb geschreven: ‘Yogi’s openden urenlang hun mond om de regen te drinken.’
De lucht is een kom met donker water die je gezicht uitspoelt. Het raam trilt; vloeibaar glas kan in regen uiteenspatten.
Ik ben een donkere kom, wachtend om gevuld te worden. Als ik nu mijn mond open, zou ik kunnen verdrinken in de regen.
Ik haast me naar huis alsof daar iemand op me wacht. De nacht bezwijkt in je huid . Ik ben de regen.