Ik denk aan dezen die geboren werden in de eenzame uren van dees langen dag, ik denk aan liefden die verloren werden en die geen enkle klacht herinn’ren mag.
En ’t lijkt mij of degeen die ’t leven kregen vandaag, de arme doolaards zullen zijn die moeten gaan met in hun hart: de pijn, en in hun ziel: het droef geruisch van regen.
Kom, sluit het venster, liefste, en laat de vlagen novemberklagend ruischen in den wind! Uw handen zijn zoo vroom als van een kind;
‘Kom, leg ze op ’t voorhoofd van den moeden man die aan die hand een weinig vreugd komt vragen en hoopt nog op ’t geluk dat komen kan…
De dubbelganger
’t Is Jan van Nijlen niet Die zijn gedichten schreef, Ik ben de dichter Van de verzen die hij schreef. Ik was het die, Terwijl van Nijlen sliep, Bij lente- en zomertijd Door bos en weide liep. Die kruiden zocht en bloemen En praatte met de dieren, En die, terwijl hij op een droog kantoor Zijn ziel en zaligheid verloor, In zijn plaats naar de wolken keek. Hij las de boeken die ik kocht, Ik was de analfabeet, hij de geleerde. Ik had het druk, hij liet zich rustig leven, Hij kreeg het geld en werd gedecoreerd. O muthos deloi! ja, De fabel leert Dat hij die het verdient Nooit wordt geëerd. ’t Is nogal vreemd: Van Nijlen had geen wroeging En vond het heel normaal Dat het zo toeging.
Sonnet
Mijn leven is een lange ontgoocheling; en alles wat ik droomde in mijn gedachten, en alles wat ik dacht in droomen-nachten, en al wat ‘k vroeg en al wat ik ontving,
leeft niet langer in mijn herinnering dan gloed van oogen die maar even lachtten en dan zich sloten, wijl ik lang bleef wachten of niet dat oog nog éénmaal openging.
En wijl ‘k niet weet of dat het leven is, dat droomen-sterven en dat droomen-groeien zonder te weten wat vergeven is,
ga ik naar ’t land waar blij de jonge lent’ heur lachende’ oogen opent, want daar bloeien droomen van blijheid die geen ander kent…
Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)
Ter bestrijding van stress, kommer, jaloezie en depressie verdient het aanbeveling naar de wolken te kijken. Met hun roodgouden avondranden overtreffen ze Patinir en Tiepolo. De vluchtigste aller meesterwerken, moeilijker te tellen dan een rendierkudde, belanden in geen museum. Wolkenarcheologie – een wetenschap voor de engelen. Ja, zonder de wolken zou alles wat leeft, sterven. Uitvinders zijn het: zonder hen geen vuur, geen elektrisch licht. Ja, het verdient aanbeveling om bij vermoeidheid, woede en vertwijfeling de ogen ten hemel te wenden.
Vertaald door René Smeets
Hans Magnus Enzensberger(11 november 1929 – 24 november 2022)
De Nederlandstalige dichter, vertaler en sinoloog Lloyd Lewis Haft werd geboren in Sheboygan, Wisconsin, op 9 november 1946. Zie ook alle tags voor Lloyd Haft op dit blog.
Middagje museum
‘De zon is nog altijd niet doorgebroken’ – bij wélke poort wacht Joachim op Anna? Wij kijken naar bulgaarse schilderijen terwijl het weer verslechtert inderdaad.
Engelenboodschappers had je toen, of wat wij nachten noemen. En het blijft de regen ver te boven gaan, zo’n wachten dat wekt en doorverwekt, nog op de middag.
De yoghurtbar gesloten en een rookverbod waar niemand zich aan houdt, enkele buien, zie er maar uit te komen overdag. Het beeld al lang gewend, zelfs de bedoeling –
maar boven het bekende blijft een horen, dat teisteren. Het dak: ze moet van verre.
Moeder
Er is één uur, één weten. Alles in één gezien, niet verhaald, niet vergeten
De rest was een ander – dat waren jaren; woorden die woeien, niet waren.
Maar hier – het uur dat ik groet en rakende weet, warmt mijn hand van nabij en van zegen,
houd ik in mijn handen, hier bij mijn hart, hier in mijn armen verheven.
Onder mijn stem stilte, onder mijn hart de hemel: geen ander weet de naam want hier, hier zijn wij één.
Naar Lucas 1:26-35
Een maagd: een verwachten. Buiten alle banden van schande. Alle verlangen is buiten alle banden. In schaduw wordt een stem gehoord, gevoeld: geen wet. ‘Geef, geef mij door.’ Wij geven een gevoelen door, een horen, een schaduw van verlangen.
Lloyd Haft (Sheboygan, 9 november 1946)
De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Anne Sexton op dit blog.
De sterrennacht
Dat weerhoudt me niet van een vreselijke behoefte aan – zal ik het zeggen – religie. Dan ga ik ’s nachts naar buiten om de sterren te schilderen. Vincent van Gogh in een brief aan zijn broer.
De stad bestaat niet behalve waar een zwartharige boom als een verdronken vrouw de hete hemel inglipt De stad is stil. De nacht kookt met elf sterren. O sterrennacht, sterrennacht! Zo en niet anders wil ik sterven.
Hij beweegt. Alles leeft. Zelfs de maan hangt puilend in oranje beugels om, als een god, kinderen uit zijn oog te persen. De oude ongeziene slang slokt de sterren op. O sterrennacht, sterrennacht! Zo en niet anders wil ik sterven:
het razende beest van de nacht in, opgeslorpt door die grote draak, de pijp uitgaan zonder vlag, zonder buik, zonder kreet.
You forget the lines smells colors and sounds sight weakens hearing fades simple pleasures pass you lift your face and hands toward your soul but to high and unreachable summits it soars
what remains is only the depot the last stop the gray foam of goodbyes lathers and swells already it washes over my naked palms its awful sweet warmth seeps into my mouth love alone remains though better off gone
in a provincial bed I cried till exhausted through the window a scraggly rose-colored lilac spied the train moved on spent lovers stared at the dirty shelf heaving beneath your flesh outside a depot’s spring passed grew quiet
we’ll not die in Paris I know now for sure but in a sweat and tear-stained provincial bed no one will serve us our cognac I know we won’t be saved by kisses under the Pont Mirabeau murky circles won’t fade
too bitter we cried abused nature we loved too fiercely our lovers shamed too many poems we wrote disregarding poets they’ll not let us die in Paris and the alluring water under the Pont Mirabeau will be encircled with barricades
The Letter
You go out for bread and milk in the morning. Returning, you see the mailwoman— she’s walking away from your house. As usual, you imagine her two schoolchildren. It seems you and she are the same age.
Two dozen blue mailboxes. Yours, number 20, is at the bottom on the right. A key on the delicate ring. Newspapers, bills, letters.
You sit with the white envelope for an hour and a half, studying stamps, cancellation marks. And you can neither cut nor tear nor dissect the letters of the return address.
Hide it deep inside your writing desk like wilted flower petals in a volume of verse, like a handful of ashes.
If you could take and burn this body, if you could leave only the spirit, only the X-rays on a spinal image, only the young vertebrae under an invisible surface, under someone’s hands,
stroking from neck to thigh.
We zullen niet sterven in Parijs
Donderdagavond zal ik sterven in Parijs — Cesar Vallejo
De lijnen luchten kleuren klanken worden uitgewist gezicht verslapt gehoor verzwakt – gewone vreugden doven je strekt je armen je gezicht uit naar je ziel maar ze vliegt hoog onbereikbaar over
het enige wat rest: het station met het laatste perron het grauwe afscheidsschuim wervelt en zwelt nu spoelt het mijn weerloze handen al weg dringt met zijn weezoete warmte mijn mond in de liefde is gebleven – was ze er maar niet geweest
in een provinciebed had ik tot uitputtens gehuild walgelijk keek de blozende vlier door het raam de trein reed zacht en een verliefd stel keek lui toe hoe onder jouw lichaam de vuile ligplank hijgde de banale lente stiller en stiller op het station
we sterven niet in Parijs dat weet ik nu zeker maar in een provinciebed nat van tranen zweet niemand zal jou je cognac serveren ik weet door niemand gekust worden wij niet getroost geen kringen van donker onder Pont Mirabeau
te bitter hebben we gehuild – de natuur geschoffeerd te hevig de liefde bedreven – de minnaars beschaamd te vurig geschreven – en de dichters beledigd die ons nooit in Parijs laten sterven – rond het water onder Pont Mirabeau hun dichte ring van bewakers.
Vertaald door Gerard Rasch
Natalka Bilotserkivets (Kuyanivka, 8 november 1954)
De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Anne Sexton op dit blog.
De furie van zonsondergangen
Iets kouds hangt in de lucht, een sfeer van ijs en slijm. De hele dag heb ik mijn tijd van leven opgebouwd en nu daalt de zon en laat er niets van heel. De horizon bloedt en zuigt op zijn duim. De kleine rode duim gaat onder. En ik verwonder me over deze tijd van leven met mezelf, deze droom die ik uitleef. Ik kan de lucht opeten als een appel maar liever vraag ik de eerste ster: wat doe ik hier? wat moet ik in dit huis? wie zit erachter? nou?
Vertaald door Anneke Brassinga
Anne Sexton (9 november 1928 – 4 oktober 1974) Portret door John Springfield, 2017
Uit: Laat me niet vallen (Vertaald door Dirk-Jan Arensman)
“Horace Hopper deed zijn ogen open en keek op de klok: vijf uur ’s morgens. De eerste gedachte die die ochtend in hem opkwam was aan zijn moeder, die hij bijna drie jaar niet had gezien. Daarna bedacht hij dat hij over iets meer dan een week in zijn eentje in een bus naar Tucson zou zitten. Nog geen minuut wakker en nu al lag er een steen op zijn maag. Hij stond op, trok een spijkerbroek, een geruit westernoverhemd met lange mouwen en zijn laarzen aan, en probeerde zichzelf vervolgens wakker te krijgen. Hij dronk een glas water en staarde naar de foto’s van boksers die hij met plakband aan de wand van de caravan had opgehangen. De uitgeknipte foto’s kwamen uit nummers van Ring Magazine en de boksers waren Mexicaans. De grootste foto was van een partij tussen Israel Vázquez en Rafael Márquez. Hij was gemaakt in de derde ronde van hun vierde onderlinge gevecht, op het moment dat Vázquez Márquez raakte met een genadeloze linkse hoek. Rechts van die foto hing de broer van Rafael Márquez, de geweldenaar Juan Manuel Márquez, en links van hem de legendarische Julio César Chávez, met een sombrero op. Daaronder hing een foto van zijn favoriete bokser, Erik Morales. Links van Morales hing Juan Diaz en op die foto had Horace met een zwarte viltstift `De Geleerde’ geschreven. Naast de Geleerde’ hing Antonio Margarito. Een zwarte viltstift had zijn gezicht doorgekrast. ‘De Valsspeler’. Hij griste een versleten en getafeld notitieboekje van een plank naast het bed en sloeg het open. Op de eerste bladzijde stond handgeschreven met blauwe pen ‘logboek van nachtmerries’. Hij bladerde een stuk of vijf, zes pagina’s door, tot hij was aanbeland hij ‘Achtergelaten worden in Tonopahs’. Daaronder stonden tweeëndertig streepjes. Hij voegde er eentje aan toe, waarmee het er drieëndertig waren. Vervolgens bladerde hij door naar de laatste pagina’s en onder aan een bijna volle noteerde hij de datum en schreef hij hetzelfde op dat hij de dag daarvoor en de dag daarvoor ook al had opgeschreven: ‘Ik ga iemand worden”. Hij zette een fluitketel op het propaanfornuis, maakte oploskoffie, roerei van vier eieren en nam alles moe naar buiten om in het diepe. blauw van de dageraad aan een picknicktafeltje te gaan zitten eten. De wit-met-oranje Prowler-caravan uit 1983 waarin hij woonde stond op een heuvel met uitzicht op de tachtig hectare van de Little Reese Ranch, een meter of honderd achter de hoofdgebouwen. Er stond een luifel met een tinnen dak voor de caravan, met daaronder een fiets, de picknicktafel, een barbecue en een tuinstoel. Ernaast stond een aftandse vierdeurs Saturn met een lekke band geparkeerd. Hij was na zijn eindexamen van het grote huis hierheen verhuisd, omdat meneer Reese dacht dat Horace misschien wel zijn eigen stekje wilde hebben waar hij zo laat kon opblijven als hij wilde, zijn muziek zo hard kon draaien als hij wilde en iedereen mee naartoe kon nemen die hij wilde. Een vrijgezellenhok.”
In de cyclus van schaduwen en doorgang; in de cyclus van schaduwrijke doorgangen waarvan de paden gevoelig zijn, met een patroon en rationeel als alsof ze iets wisten;
Toen haar liefde koud aanvoelde, maar deskundig Dat design existent bijna zonder mij, in mijn vrije moment Maar je zult nooit iets over haar weten;
Terwijl ik sliep en invloed had op mijn meest obscure lotlijnen, vanaf het begin, toen ik, zeg je, hem volgde; Overstekend naar iets onbekends noch hij, noch jij konden het raden; vanaf de eerste gevaren van mijn jeugd en nog steeds niet benoemd of bewust;
Ik heb nu voor velen gesproken die tegen mij spraken We hebben veranderd wat we konden; Maar als je niet weet, dat je bent voorbestemd kun je dan weten hoe licht je bent?
„Meine Mutter öffnete die Tür und betrat, energischer als sonst, mein Zimmer. Hatte mein Wecker schon geklingelt? Normalerweise weckte mich meine Mutter nicht mehr. Ich überlegte kurz, ob es mir unangenehm sein sollte, dass sie so unangekündigt hereinkam, war aber zu müde und ließ die Augen geschlossen und meine Gefühle im Dämmerschlaf. Ohne ein Wort lief sie die paar Schritte zum halb geöffneten Fenster und zog die Vorhänge auf. Vogelgezwitscher. Hätte ich gewusst., dass diese Frühlingsatmosphäre, dieser Klang der erwachenden Vögel, gepaart mit den ersten vorsichtigen Sonnenstrahlen des Jahres, bis heute eine Art wiederkehrenden Soundtrack, einen Schlüsselreiz meiner Erinnerung darstellen wird, hätte ich meine Mutter bestimmt gebeten, das Fenster zu schließen und die Vorhänge zuzuziehen, bevor sie sich zu mir ans Bett setzte. Ich tat, als ob ich noch schliefe, ließ sie meinen Rücken streicheln und genoss die paar Sekunden, die ich noch hatte, bevor ich mich anziehen und in die Schule musste. Ich war Ende des vergangenen Jahres dreizehn geworden, Körperlichkeit zwischen meinen Eltern und mir war selten. Der Dämmerschlaf dieser morgendlichen Augenblicke erlaubte es mir, mich nicht gegen die Hand meiner Mutter zu wehren. Langsam kamen die Gedanken. Eine Lateinarbeit, er die ich mit meinem Vater die Tage zuvor noch gelernt hatte, stand an. Latein lernen mit meinem Vater. Er war nicht der Geduldigste, ich nicht der Begabteste und diese Kombination nicht die beste. Ich sog den Geruch des Kissens ein, streckte mich ein wenig, versuchte, mir die Geborgenheit des Betts, die Besonderheit dieses Moments zu bewahren. »Johann, ich muss dir etwas sagen.« Der Klang der Stimme meiner Mutter war nicht wie sonst Ich kannte diesen Eröffnungssatz von früheren Situationen. Er verhieß nichts Gutes. Das war mir schlagartig klar. Behutsam schien meine Mutter den nächsten Satz vorbereiten zu wollen. »Wir müssen jetzt gemeinsam ein Abenteuer bestehen. Jan Philipp ist entführt worden. Die Entführer wollen zwanzig Millionen Mark_ Die Polizei hat einen Krisenstab eingerichtet. Christian Schneider ist auf dem Weg hierher. Ich weiß ganz sicher, dass es gut ausgehen wird, aber bis dahin wird es schwer für uns werden.« Es war der 25. März 1996, es war Frühling, und mein Leben sollte von da an ein anderes sein. Es sollte keinen unbeschwerten Frühling mehr für mich geben, kein Vogelgezwitscher ohne diesen Satz in meinem Kopf ohne meinen ersten Gedanken an die Lateinarbeit, die ich hätte schreiben sollen und die ich, das war mir in diesem rasenden Chaos sofort klar, verpassen würde. Meine Mutter sah mich an, als wolle sie mit ihrem Blick in meinem Kopf die Gewissheit einbrennen, dass wir es schon schaffen würden, dass mein Vater nicht ermordet würde, dass alles — was auch immer das sein mochte — gut ausgehen werde.“
Johann Scheerer (Henstedt-Ulzburg, 6 november 1982)
Nacht, geel van onweersbuien, de huizen zijn leeg, in de koele grond waar de vlierbes standhoudt slapen de slapers zich de wereld uit
Maar de bewaker loopt rusteloos, in een flikkerende droom loopt hij moeizaam, hij roert de trommels van steen en roept met de scheerlingstrompet de verspreide botten
Ze staan op en kauwen op de papaver, ze praten met het rusteloze vee, ze vragen de muizen om brood en trekken ijzeren spijkers uit de dood
Grond, koud van vergeten, daar was ik met Pechmarie, had maggikruid in de mond, in zijn houten pak staat de trommelaar in een verscheurde tijd
“Mijn moeder, ik kijk tegen haar op maar ze lijkt me niet te zien. Mijn twee zusjes Maria en Rata, die zoveel op elkaar lijken dat ik ze moeilijk uit elkaar kan houden en die ouder zijn dan ik. Twee jaar maar, toch kunnen ze dingen die ik niet begrijp, ze delen een boek en slaan pagina’s om. Mijn broertje Antonie, die twee jaar jonger is dan ik; ik moet hem beschermen. Ik ben drie, vier, vijf. Mijn vader, het vuur in zijn werkplaats en het harde geluid van een hamer op roodgloeiend ijzer. ‘Niet te dichtbij komen, “Abeltje,” zegt hij, “vuur is gevaarlijk”.’ Ik kijk naar de vlammen als mijn vader de blaasbalg bedient. “Radmaker”, een woord dat ik met verwondering uitspreek en waarvan ik de delen proef op mijn tong, het klinkt toverachtig en het smaakt. Mijn vader is radmaker, hij maakt wielen voor de boerenkarren.* De woonkamer van ons huis, schaars verlicht, het is alsof ik mijn eerste jaren heb doorgebracht in eeuwige schemering. Ik herinner me uit die tijd geen zon, wel de geuren van een zomerdag. De sneeuw, die samenklontert onder mijn klompen, die me optilt en even groot maakt als mijn zusjes. Ik zit op schoot bij mijn Duitse opa Anton, de vader van mijn moeder, en hij vertelt me verhalen over het légion d’honneur en zijn paard Kaiser, dat hem door een rivier vol ijsschotsen heeft gedragen. De rivier heet Berezina.* Hij draait de punten van rijn snor op en vertelt hoe ze Russische boeren ophingen en hoe die nog even spartelden voor ze stierven. Mijn oma zegt: ‘Je maakt die jongen bang.’ Hij legt mijn hand in de zijne, kijkt me diep in de ogen en zegt: ‘Deze hand heeft de keizer aangeraakt!’ Mijn moeder die de handen vouwt en begint: ‘Onze Vader… De pan met aardappelen op de houten tafel, de jus op ons bord, mijn vader die twee aardappelen aan zijn vork prikt en ze door de jus haalt. Hij staat op en loopt naar de kast waarop de bijbel ligt, een groot boek met bronskleurige sloten, waaruit hij voorleest; ik droom weg bij de woorden, de verhalen vol verschrikkingen. De bijbel Is later meegegaan naar Amerika. Hij is allang opgelost in Lake Michigan, in elke liter van dat eindeloze meer zitten een paar atomen van het woord van God. Elke flard roept nieuwe op – hoeveel herinneringen bewaart een mens? Waar komt de onverklaarbare droefheid vandaan die me soms overvalt?”
————–
* De Achterhoek stond bekend om de goede kwaliteit van zijn wagenwielen. Die werden verkocht tot in Amsterdam en geëxporteerd naar Duitsland. De hoge kwaliteit had te maken met het goede eikenhout in de streek. De productie van één wiel kostte veertig uur. Radrnakers produceerden twee wielen per week. In het Openluchtmuseum in Arnhem staat een negentiende-eeuwse Achterhoekse radmakerswerkplaats. Ik hoopte dat dat misschien de oude werkplaats van Abels vader was geweest. maar dat bleek niet zo te zijn: hij kwam uit het Woold, niet uit Kotten.
• De Slag aan de Berezina (245-29 november 1812). Op de terugweg uit Moskou trokken de restanten van Napoleons Grande Armee. en de keizer zelf, de rivier in Wit-Rusland over. Nederlandse pontonniers hadden in enkele dagen een brug gebouwd van 87 meter lang en 4 meter breed. Maar Abeis opa gaf dus de voorkeur aan de rug van zijn paard.”
Een jonge moeder op een scooter stopte bij een stoplicht, haar zoontje gehurkt op de treeplank tussen haar benen; zij met een glimmende helm, hij met een replica ervan, kleiner, maar dezelfde kleur en net zo glanzend. Zijn vizier is dichtgeklapt, dat van haar is open.
Terwijl ik naast hen op mijn fiets halt hou, leunt de moeder voorover om het kind te omhelzen, terwijl ze iets in zijn oor fluistert, en ik ben geschokt, werkelijk geschokt, door de wens, de noodzaak om die slanke, sterke armen mij te laten omsluiten door hun heiligdom van genegenheid.
Ook al noemen ze dit regressie, ook al impliceert dat een terugkeer naar een andere staat en dit mij nooit verlaten heeft, deze fundamentele pijn van het te vroeg worden losgescheurd van een gelukzaligheid die nog meer geluk belooft, ongeacht of de spatborden van de scooter een deuk hebben, noch dat hij, terwijl hij stationair draait, knalt, zijn keel schraapt en gromt.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Lieg alsjeblieft niet tegen me niet over iets groots niet over iets anders. Liever hoor ik het vernietigendste dan dat je liegt want dat is nog vernietigender.
Lieg niet over liefde, iets dat je voelt of iets dat je zou willen voelen. Liever word ik bedroefd dan dat je liegt want dat is nog bedroevender.
Lieg niet tegen me over gevaar want ik voel toch je angst en wat ik gewaar word is waar of ik ken je niet en dat is nog gevaarlijker.
Lieg niet tegen me over ziekte liever kijk ik die diepte in dan dat ik mij verlies in één van jouw lieve verzinsels want daarmee verlies ik me dieper.
Lieg niet tegen me over sterven want zo lang we er nog zijn vind ik dat toegangsloze niet mededelen wat je denkt erger en zo veel doder.
De vogelverschrikker regeert de spreeuwen
‘Niemand zo bang als ik met hoge hoed en houten poot. Ik houd me groot, maar aan het wapperen van mijn flarden zie je mijn schrik als een spreeuw op mijn schouder landt aan mijn haren pikt.’
Hij houdt zich staande als een oude man die tussen truck en tram de schrik van zijn leven zo weet te keren dat hij zelf, armen wijd, mild maar beslist, het zware verkeer langs zich leidt.
Afwasmachine
aan mijn bestek
Adieu messen en vorken, ik was jullie nooit meer af. Het is uit tussen ons. Geen toegewijd leuteren meer tussen zachte doeken, ik stop jullie als lastige kindertjes in een crêche, ik ben blij dat ik jullie heb, o, ik zou jullie niet willen missen! maar nooit meer zullen jullie als bekenden door mijn handen gaan. Handenbindertjes! voortaan zijn jullie vaat. Hoor eens, we moeten redelijk zijn, het gaat niet aan die conversaties na het ontbijt, hoe was de pap, maakte het ei erg vlekkerig, is er niet al te hard op je gebeten en was de rabarber verfrissend?
En het douwerideine lepeltje mijn deukje mijn klein fijn mongooltje, moet jij ook door de molen?
O grote opscheplepel worden je kinderen nu voortaan zonder aanziens des persoons door het water geslagen?
We moeten niet kinderachtig zijn. Warme sopjes hebben hun tijd gehad. De wereld eist ons op voor gewichtiger zaken. Mijn persoonlijkheid bijvoorbeeld, moet nog ontplooid. Dat kan natuurlijk niet met jullie, of met de kopjes.
Ik sta boven de vallei op de oude weg, Overwoekerd door onkruid en meiappel, de sporen Nog enigszins zichtbaar waar tractoren stenen Omdraaiden onder hun wielen en uitwiepen, Half opgegeten eikels voor jongere generaties Eekhoorns om te herontdekken en mee te nemen Naar voorouderlijke nesten in de oude eiken.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
De Tsjechische, Duitstalige schrijver en vertaler Jan Faktor werd geboren op 3 november 1951 in Praag. Zie ook alle tags voor Jan Faktor op dit blog.
Uit: Trottel
„Die stille Frage meiner Jugend lautete, ob ein Trottel im Leben glücklich werden kann. Und im Grunde war es keine Frage. Um mich herum gab es viele Menschen, die versuchten, mir dies und jenes einzureden — wortlos, versteht sich, einfach durch den Membranendruck ihrer Zuneigung. Sie kannten mich aber nicht, sahen nur meine gesunde Oberfläche. Für mich war meine zukünftige Glücklosigkeit dagegen leicht vorauszusehen. Ich bin als ein Trottel auf die Welt gekommen, bin wie ein Trottel aufgewachsen und musste folgerichtig einer bleiben — zu retten oder gutzureden war da nichts. Gequält bis in die Tiefen meiner auf Dauer erigierten Riechzentralen dachte ich eine ganze Ewigkeit, dass ich die Scham über meine allumfassenden Unzulänglichkeiten nicht überleben werde. Überraschenderweise kam alles anders. Ich habe inzwischen konstant gute Laune, wobei ich mich mitunter unsympathisch finde, wenn ich mich unerwartet in einer Spiegelfläche erwische. Und flüchte gelegentlich vor schlecht gelaunten Individuen, die mein etwas motivloses Innenstrahlen missverstehen könnten. Leider begeben sich viele Menschen Tag für Tag in die Öffentlichkeit, egal wie viele Sorgen um die Gegenwart oder Zukunft (1) sie sich gerade machen. Ich für meinen Teil bin auf den Bürgersteigen unserer Städte eher auf der Suche nach noch mehr Freude, nach dampfendem Optimismus oder einfach spendablem Wohlwollen. Seitdem ich so blendende Laune habe, altere ich nicht. Neulich habe ich beispielsweise wieder mal sechzehn Klimmzüge geschafft. Und ich weiß nicht, wohin das alles noch führen soll. Auch meine Rennradstrecken werden immer länger; was allerdings eher damit zusammenhängt, dass ich mich unterwegs ein bisschen schlauer ernähre. Die Leute essen viel zu viel Käse, fällt mir gerade ein, viel zu fetten Käse und viel zu viel davon — zum Ausklang ihrer sowieso vollsättigenden Mahlzeiten. Manche Erkenntnisse habe ich in meinem Leben spontan im Terrain gewonnen, ohne sie später mühsam aus einem Prostata- oder Nasensekret extrahieren zu müssen. Die gerade angesprochene, seinerzeit ganz und gar ungeplant vorgenommene Feldforschung (2) hängt mit einem Kasein’-starken Erlebnis zusammen. Inzwischen habe ich hier in Deutschland schon mehrere solcher Sättigungsorgien erlebt — mit klarem Kopf und immer noch zystenfreier Leber. Mein ganzes Leben war eine einzige trottelige Feldforschung, habe ich den Eindruck; ein ewig währender Sonderlehrgang. Zum Glück blieb ich naiv genug, um mich immer wieder unter die Menschen zu trauen — wenigstens in einem begrenzten Auslaufradius. Da aß eine intellektuelle Runde viel zu viel von viel zu fettem französischen Käse, fraß sich nach und nach durch alle Sorten — nach einem gehaltvollen Abendbrot, versteht sich — und sinnierte darüber, wie irgendeine humanitäre Katastrophe hätte verhindert werden können und was die Politik dabei wieder falsch gemacht hatte. Wobei die Leute nur das wiederholten, was sie am Vortag in einer einzigen Fernsehsendung gesehen hatten.“
Zelfs als de regen relatief hard neervalt, gaat slechts één blad per keer van de kleine boom die je vorig jaar op het balkon hebt geplant, dan nog een blad op zijn eigen tijd, en nog een, beven door de constante druppels,
maar de regen, de wolken zwermden over de stad, jij aan de piano binnen, je aarzelende muziek, vermengd met het geraas van de stortbui, de stroom van beekjes losgelaten uit de dakrand, de ijzeren balustrades en overstromende goten,
het smelt allemaal met zoveel intensiteit in mij samen dat ik me wel af moet vragen waarom mijn verlangen om eeuwig te leven zo is afgenomen dat het me nauwelijks nog overvalt, en nooit meer zoals het eerder deed, als spijt van wat ik misschien niet zou meemaken in mijn leven,
maar eerder als een gelaagdheid van momenten zoals deze, vergankelijk als de mist die van de daken wordt getrokken, maar toch nadrukkelijk als elke noot van de nocturne, die je oefent, en, terwijl de storm hapert en verdwijnt in zijn eigen stralende overgang, steeds weer oefent.
Vertaald door Frans Roumen
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Onafhankelijk van geboortedata
De Nederlandse schrijver Richard Osinga werd geboren in Haarlem in 1971. Hij studeerde economie en algemene letteren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarna werkte hij, naast zijn schrijverschap, als diplomaat, internetondernemer, online-marketeer en meest recentelijk zorgondernemer. Hij debuteerde in 2003 met “Bor in Afrika”, dat deels gebaseerd is op zijn ervaringen als diplomaat bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarna verschenen “Klare Taal” en “Wembley”. Dit laatste boek verscheen deels als weblog. In 2011 verscheen “Een Duivel met een Ziel”. In 2019 publiceerde Osinga de roman “Wie de Rechtvaardigen zoekt”. In dat boek beschrijft hij onder meer hoe een Nederlandse diplomaat het Wikipedia-artikel over de door hem bedachte islamitische sekte Qibla al-Qudsiyya schrijft. “Wie de Rechtvaardigen zoekt” stond op de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs 2020. In mei 2021 verscheen zijn roman “Arc”, in 2023 gevolgd door de roman “Munt”.
Uit: Wie de Rechtvaardigen zoekt
“Wie een gedicht wil verwezenlijken Xin Ai vraagt zich af of je nog kunt zien dat ze heeft gehuild. Ze draagt meer mascara dan normaal en ze heeft haar lenzen verruild voor een Versace-bril. Ze glimlacht gemaakt naar zichzelf in de spiegel. De kuiltjes waar haar vader zo vrolijk van werd verschijnen. Haar Hello Kitty-blik, zoals Trevor het noemt. Ze laat de glimlach los en begint haar make-up terug op haar plankje te zetten. Trevor en Chaz zitten beneden met hun telefoon te pielen terwijl op de oled-tv een documentaire van National Geographic te zien is. Het geluid staat uit, een ranger leunt tegen een pick-uptruck vol dode vogels. Hij spreidt de vleugels van een van de beesten en houdt hem voor de camera. ‘Hey Xini Hoe gaat-ie met m’n meissie?’ roept Trevor van de bank. Zij lijken niets aan haar te zien, dan zal Vasili zeker niets merken. ‘Prima, met jullie?’ ‘Wat voor vraag is dat? Het is vrijdag!’ Boks, high five, dikke smile. ‘Wat kijken jullie?’ ‘Geen idee eigenlijk,’ zegt Chaz terwijl hij verbaasd naar het scherm kijkt. ‘Het ziet er wel smerig uit: Hij pakt de afstandsbediening en zapt naar MTV. Muziek uit de jaren tachtig. MC Hammer danst geluidloos in een harembroek over het scherm. ‘Jij ziet er strak uit, ga je stappen?’ vraagt Trevor. ‘Ik ga wat eten met Vasili.’ ‘Waar ga je heen?’ vraagt Chaz. “Umami Burger”. “Die burgerjoint op University Avenue? Dat is suf! Kan die gast je niet meenemen naar een of andere chique tent? Als wij tweeën op een date zouden gaan dan liet ik een Uber Black voorrijden en nam ik je mee naar die club op Sand Hill Road.” “Het is geen date, we gaan alleen…” “Als jij het zegt,” zegt Trevor. Vasili staat op de stoep te wachten. Xin vermoedt dat het uit een soort ouderwetse, misschien Oost-Europese beleefdheid is dat hij het restaurant niet binnengaat voor zij er is. Hij draagt een licht kamgaren colbert over een donkerblauwe polo, een nette kaki broek en Nikes. Ze begroet hem met een kus in de lucht net naast zijn wang. Hij heeft een nieuw merk aftershave. Bestellen bij Umami is simpel: een hamburger met parmesan crisp, shiitakes, langzaam geroosterde tomaat, gekaramelliseerde ui en ketchup van het huis. Patat met gekaramelliseerde ui en ketchup van het huis. Patat met truffelaioli, twee IPA’S en je bent klaar. Het gesprek op gang brengen gaat minder eenvoudig. Xin wil het nog niet hebben over wat er vanmiddag is gebeurd, en ze luistert ook maar half naar wat Vasili vertelt over AlphaGo. `Het fascinerende is dat de zetten die AlphaGo doet, door de menselijke go-experts afgedaan werden als verkeerde beslissingen. Ze leverden vreemde stellingen op waaruit geen duidelijk voordeel te halen was, maar uiteindelijk bleken het briljante nieuwe strategische moves die geen mens ooit had kunnen bedenken, omdat alle go-spelers geleerd hebben niet buiten de gebaande paden te treden.’ Waarom raakt het haar zo dat haar project gecanceld is? Ze weet dat dit is zoals het gaat en zoals het moet gaan. Het is eenvoudig om funding te krijgen voor een spannend idee, maar als het niet voldoende oplevert dan gaat de stekker eruit.”
Op het kerkhof in Fløng door Laurits Andersen Ring, 1904
Grabbesuch zu Allerseelen
Steingravur, ein Namenszug, Stern und Kreuz für Lebensspanne, Flamme auf dem Aschenkrug, Blumen in der Marmorwanne.
Keine Trauerträne quillt, fröhlich ist das Angedenken. Schmerz ist lange schon gestillt, innig das Gedankenschwenken.
Allerseelen, Grabbesuch, Plauderstunde mit den Lieben. Große Nähe, nie ein Bruch, nie für immer fern geblieben.
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015) Oberndorf bei Salzburg, de geboorteplaats van Ingo Baumgartner
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Winterantwoord
De wereld is van de stof die vraagt om beschouwing: geen ogen meer om de witte weiden te zien, geen oren om tussen de takken het gefladder van de vogels te horen. Grootmoeder, waar zijn jouw lippen naartoe om al het gras te proeven, en wie reikt ons uiteindelijk de hemel aan, wiens wangen schuren vandaag nog tot bloedens toe langs de muren in het dorp? Is het niet een duister woud waar wij in terechtkwamen? Nee, grootmoeder, het is niet duister, ik kan het weten, ik woonde lang bij de kinderen aan de rand, en het is ook geen woud.
Vertaald door Lucas Hüsgen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Uit:Medelijden, medeleven, bijna: vriendschap. Hans Werkman en Willem de Mérode (Samen met Cees van der Pluijm)
“Ook ik heb een aantal fouten gemaakt, zeker in mijn eerste biografie: daarin was ikzelf te nadrukkelijk aanwezig. Een biograaf moet de feiten geven. De manier waarop hij dat doet, heeft een forse mate van subjectiviteit, maar het gaat toch om controleerbare gegevens. Bovendien was ik te weinig op mijn hoede ten aanzien van briefgetuigenissen. Ik dacht: ‘Als die man aan Jaap Romijn iets in een brief schrijft, dan klopt dat.’ Pas later kwam ik erachter dat hij bij voorbeeld in de zelfde tijd iets heel anders aan Barend de Goede schreef. Dat moet je dan tegen elkaar afwegen. [Jaap Romijn, Barend de Goede en Bert Bakker waren vrienden die De Mérode tijdens de laatste jaren van zijn leven regelmatig bezochten; KvdH/CvdP.] Voor mijn tweede biografie heb ik alle brieven weer doorgelezen en daaruit heb ik dingen opgenomen die ik vroeger als minder belangrijk zag, maar die ik nu goed vond passen. In dat boek ben ik ook minder op de voorgrond getreden. En in De Mérode en de jongens heb ik dingen gepubliceerd die in dat kader weer van belang waren, zoals mijn eigen ervaringen met De Mérodes inmiddels oud geworden vriendjes. Hoe gaan die met zijn nagedachtenis om? Daar zit ook een verhaal in. Ik ben niet van plan nog meer over De Mérode te schrijven, maar als ik ooit weer de geest zou krijgen, zou het een boek worden over 1924, de acht maanden die De Mérode toen in de gevangenis heeft gezeten, met wat daaraan voorafging en wat erop volgde. Hoe is dat voor hem geweest? Ik kan dat enigszins reconstrueren aan de hand van een getuigenis van Ernst Groenevelt [vriend en collega-redacteur van Het Getij; KvdH/CvdP], die in de zelfde periode in de gevangenis zat, en van een aantal gedichten. Ik ben ook in die gevangenis geweest. Maar dat boek kan natuurlijk alleen maar een roman worden en geen biografie, daarvoor zijn er te weinig gegevens beschikbaar.
Waarom heeft u juist over Willem de Mérode een biografie willen schrijven?
Hans Werkman: De Mérode drong zich als het ware aan me op: ik ben geboren in Uithuizermeeden, waar hij als onderwijzer werkzaam is geweest. Als jongen had ik al belangstelling voor literatuur in het algemeen en ik was dus geïnteresseerd in de dichter die in mijn dorp had geleefd. Als ik langs dat huis kwam, wist ik: ‘Daar heeft een redelijk beroemd dichter gewoond.’ Bovendien had mijn vader een schoenmakerij en onder zijn klanten waren mensen die De Mérode gekend hadden. Af en toe werd er over hem gesproken, hoewel het al een hele tijd geleden was dat hij was weggegaan, en dan spitste ik mijn oren. Toen ik op mijn achttiende een tijd ziek was, kreeg ik van mijn oud-klasgenoten het tweede deel van de Gedichten en zo heb ik wat meer van hem leren kennen. Maar de biografie is eigenlijk de invalshoek geweest van waaruit ik zijn poëzie ben gaan lezen.”
Kees van den Heuvel (2 november 1960 – 11 januari 2010)
De glorie van alle heiligen door Guercino, ca. 1645
A Sonnet for All Saints Day
Though Satan breaks our dark glass into shards Each shard still shines with Christ’s reflected light, It glances from the eyes, kindles the words Of all his unknown saints. The dark is bright With quiet lives and steady lights undimmed, The witness of the ones we shunned and shamed. Plain in our sight and far beyond our seeing He weaves them with us in the web of being They stand beside us even as we grieve, The lone and left behind whom no one claimed, Unnumbered multitudes, he lifts above The shadow of the gibbet and the grave, To triumph where all saints are known and named; The gathered glories of His wounded love.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De katholieke Kerk van de Verrijzenis in Ibadan
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Maartwens voor de tuin
Blijf een panter, zwartling, gevlekt en hongerig, naar paasdinsdagen, regenstrengen, rozenkranswetten; ook naar zulke, die verslappen, naar de weggegooide winsten, van kinderloterijen, de inhoud van lieve, betekenisloze epistels, blijf zo, nat en woedend; als je nu bent, klaar om, vanaf de eerste kittens tot de wetsteen en tot de lange grens allen en met alle verschillen te verslinden, blijf zo, blijf hongerig naar ons.
Vertaald door Fans Roumen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)