George Barker, Hermann Lenz

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

True Confession

2
The Church, mediatrix between heaven
And human fallibility
Reminds us that the age of seven
Inaugurates the Reason we
Spend our prolonged seniority
Transgressing. Of that time I wish
I could recount a better story
Than finding a shilling and a fish.
But memory flirts with seven veils
Peekabooing the accidental
And what the devil it all entails
Only Sigmund Freud suspects.
I think my shilling and my fish
Symbolised a hidden wish
To sublimate these two affects:
Money is nice and so is sex.

The Angel of Reason, descending
On my seven year old head
Inscribed this sentence by my bed:
The pleasure of money is unending
But sex satisfied is sex dead.
I tested to see if sex died
But, all my effort notwithstanding,
Have never found it satisfied.

Abacus of Reason, you have been
The instrument of my abuse,
The North Star I have never seen,
The trick for which I have no use:
The Reason, gadget of schoolmasters,
Pimp of the spirit, the smart alec,
Proud engineer of disasters,
I see phallic: you, cephalic.

Happy those early days when I
Attended an elementary school
Where seven hundred infant lives
Flittered like gadflies on the stool
(We discovered that contraceptives
Blown up like balloons, could fly);
We memorised the Golden Rule:
Lie, lie, lie, lie.

For God’s sake, Barker. This is enough
Regurgitated obscenities,
Whimsicalities and such stuff.
Where’s the ineffable mystery,
The affiancing to affinities
Of the young poet? The history
Of an evolving mind’s love
For the miseries and the humanities?

The sulking and son loving Muse
Grabbed me when I was nine. She saw
It was a question of self abuse
Or verses. I tossed off reams before
I cared to recognize their purpose.
While other urchins were blowing up toads
With pipes of straw stuck in the arse,
So was I, but I also wrote odes.

There was a priest, a priest, a priest,
A Reverend of the Oratory
Who taught me history. At least
He taught me the best part of his story.
Fat Father William, have you ceased
To lead boys up the narrow path
Through the doors of the Turkish Bath?
I hope you’re warm in Purgatory.

And in the yard of the tenement
– The Samuel Lewis Trust – I played
While my father, for the rent
(Ten bob a wekk and seldom paid),
Trudged London for a job. I went
Skedaddling up the scanty years,
My learning, like the rent, in arrears,
But sometimes making the grade.

Oh boring kids! In spite of Freud
I find my childhood recollections
Much duller now than when I enjoyed
It. The whistling affections,
All fitting wrong, toy railway sections
Running in circles. Cruel as cats
Even the lower beasts avoid
These inhumanitarian brats.

Since the Age of Reason’s seven
And most of one’s friends over eight,
Therefore they’re reasonable? Even
Sensible Stearns or simpleton Stephen
Wouldn’t claim that. I contemplate
A world which, at crucial instants,
Surrenders to adulterant infants
The adult onus to think straight.

At the bottom of this murky well
My childhood, like a climbing root,
Nursed in dirt the simple cell
That pays itself this sour tribute.
Track any poet to a beginning
And in a dark room you will find
A little boy intent on sinning
With an etymological lover.

I peopled my youth with the pulchritude
Of heterae noun-anatomised;
The literature that I prized
Was anything to do with the nude
Spirit of creative art
Who whispered to me: ‘Don’t be queasy.
Simply write about a tart
And there she is. The rest’s easy.’

And thus, incepted in congenial
Feebleness of moral power
I became a poet. Venial
As a human misdemeanour,
Still, it gave me, prisoner
In my lack of character,
Pig to the Circean Muse’s honour.
Her honour? Why, it’s lying on her.

Dowered, invested and endowed
With every frailty is the poet –
Yielding to wickedness because
How the hell else can he know it?
The tempted poet must be allowed
All ethical latitude. His small flaws
Bring home to him, in sweet breaches,
The moral self indulgence teaches.

Where was I? Running, so to speak,
To the adolescent seed? I
Found my will power rather weak
And my appetite rather greedy
About the year of the General Strike,
So I struck, as it were, myself:
Refused to do anything whatsover, like
Exercise books on a shelf.

Do Youth and Innocence prevail
Over that cloudcuckoo clime
Where the seasons never fail
And the clocks forget the time?
Where the peaks of the sublime
Crown every thought; where every vale
Has its phantasy and phantasm
And every midnight its orgasm?

I mooned into my fourteenth year
Through a world pronouncing harsh
Judgments I could not quite hear
About my verse, my young moustasche
And my bad habits. In Battersea Park
I almost heard strangers gossip
About my poems, almost remark
The bush of knowledge on my lip.

Golden Calf, Golden Calf, where are you now
Who lowed so mournfully in the dense
Arcana of my adolescence?
No later anguish of bull or cow
Could ever be compared with half
The misery of the amorous calf
Moonstruck in moonshine. How could I know
You can’t couple Love with any sense?

Poignant as a swallowed knife,
Abstracted as a mannequin,
Remote as music, touchy as skin,
Apotheosising life
Into an apocalypse,
Young Love, taking Grief to wife,
And tasting the bitterness of her lips
Forgets it comes from swabbing gin.

The veils descend. The unknown figure
Is sheeted in the indecencies
Of shame and boils. The nose gets bigger,
The private parts, haired like a trigger,
Cock at a dream. The infant cries
Abandoned in its discarded larva,
Out of which steps, with bloodshot eyes,
The man, the man, crying Ave, Ave!

 


George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Lieve tijd

Wat was het
In zijn geheel gezien?

Eeuwige wijsheid
Kunnen ze van jou niet verwachten.
Misschien heb je iets gemist.

Liefdesaffaires en reizen?
De gezichten van de landen?
Je hebt tenslotte veel gezien
Tussen Leningrad en San Francisco,
Echter onder ongemakkelijke omstandigheden,
Maar het maakt niet uit.

Ach, lieve tijd.

Je bent gelukkig als je ongehinderd
Ergens loopt of ligt,
Aan de rand van het bos bijvoorbeeld.

Bij heldere hemel, een blik in de verte.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Michiel Stroink, Björn Kuhligk

De Nederlandse schrijver Michiel Stroink werd geboren in Oss op 19 februari 1981. Zie ook alle tags voor Michiel Stroink op dit blog.

Uit: Of ik gek ben

“Na het ontbijt moeten ree aan het werk. Iedere patiënt heeft een werkplek. De Regenboog heeft een professionele houtwerkplaats, er is een metaalwerkplaats en er wordt verf gemengd. Sommige bewoners hebben schoonmaakdienst, volgen een opleiding, werken in do keuken of in de tuin. Ik werk in de tuin en samen met Grover wandel ik zo langzaam mogelijk naar onze werkschuur. De tuin is niet zomaar een tuin. We hebben een grote binnentuin in de zomer als een gezellig, doldwaas speelparadijs fungeert. Compleet met vijver, twee grasheuvels en een tafeltennisgebied prijkt hij als een paradepaardje op de homepage van de website van de kliniek. Center Parel schijnt jaloers te zijn. We onderhouden de sierruin, maar we verbouwen ook groente en Wit. Met onze kas zijn we bijna een zelfvoorzienende gekkenbiotoop. Ongeveer dertig rasidioten beginnen elke ochtend met het verdelen van de taken. Grover en ik bieden aan om het grasveld van de binnentuin in orde te maken. ‘Opkomen voor je groepsgenoten’ heet dat officieel; ‘lummelen met een hark en een sigaretje’ heet dat officieus. Langzaam strompelen we mm een kruiwagen en wat interessant uitziend tuingereedschap door de sneeuw naar het verbrande stukje gras. Grover is een poezelig, oud, tandeloos koekiemonster. Zijn bijnaam is uitstekend gekozen, want hij ie absoluut een bepaalde combinatie van die twee Sesamstraatfiguren en daar lijkt hij ook trots op te zijn. Hij was dertig jaar lang de directeur van een van de grootste koeriersdiensten van Nederland. Het was zijn eigen bedrijf rel hij had het van de grond af opgebouwd. Hij bestuurde bet eerste busje, en uiteindelijk bestuurde hij de bestuurders van ruim vijftig vrachtwagens. Hij hield van hard werken. Nu houdt hij van koffiekoeken en shag. Grover werkte ongeveer negentig uur per week tot er op een dag iets knapte in zijn hoofd. Hij begreep niet meer dat zijn werknemers hun eigen gedachten hadden, of een ander idee van werken, en toen hij op een nacht, tijdens zijn zesenveertigste welverdiende en pikzwarte koffie, geconfronteerd werd met een veeleisende chauffeur, ontstond er een tijdelijke kortsluiting in zijn hersenen. Met eenzelfde soort schop als die hij nu in zijn handen heeft, rende hij op de chauffeur af. Die verdedigde zich en sloeg nog flink wat tanden van Grover aan gruzelementen, maar kon niet voorkomen dat de schop uiteindelijk in zijn maag belandde.”

 


Michiel Stroink (Oss, 19 februari 1981)

 

De Duitse dichter en schrijver Björn Kuhligk werd geboren op 19 februari 1975 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Björn Kuhligk op dit blog.

 

Horizonbeschouwer

Hier is een bos
daar zijn de bomen
daarin zitten de ringen
daarin slaapt de angst

jij slaat toe met de bijl
en drinkt de harssteen mee

en het lievelingsdier
dat is de aap in de dierentuin
die kun je bezoeken
en hij jou niet

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Björn Kuhligk (Berlijn, 19 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e februari ook mijn blog van 19 februari 2019 en eveneens mijn blog van 19 februari 2017 deel 1 en ook deel 2.

Richard Blanco, Stacie Cassarino

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Mexican Almuerzo In New England

for M.G.
Word is praise for Marina, up past 3: 00 a.m. the night before her flight, preparing and packing the platos tradicionales she’s now heating up in the oven while the tortillas steam like full moons on the stovetop. Dish by dish she tries to recreate Mexico in her son’s New England kitchen, taste-testing el mole from the pot, stirring everything: el chorizo-con-papas, el picadillo, el guacamole. The spirals of her stirs match the spirals in her eyes, the scented steam coils around her like incense, suffusing the air with her folklore. She loves Alfredo, as she loves all her sons, as she loves all things: seashells, cacti, plumes, artichokes. Her hand waves us to circle around the kitchen island, where she demonstrates how to fold tacos for the gringo guests, explaining what is hot and what is not, trying to describe tastes with English words she cannot savor. As we eat, she apologizes: not as good as at home, pero bueno… It is the best she can do in this strange kitchen which Sele has tried to disguise with papel picado banners of colored tissue paper displaying our names in piñata pink, maíz yellow, and Guadalupe green- strung across the lintels of the patio filled with talk of an early spring and do you remembers that leave an after-taste even the flan and café negro don’t cleanse. Marina has finished. She sleeps in the guest room while Alfredo’s paintings confess in the living room, while the papier-mâché skeletons giggle on the shelves, and shadows lean on the porch with rain about to fall. Tomorrow our names will be taken down and Marina will leave with her empty clay pots, feeling as she feels all things: velvet, branches, honey, stones. Feeling what we all feel: home is a forgotten recipe, a spice we can find nowhere, a taste we can never reproduce, exactly.

 

We’Re Not Going To Malta

because the winds are too strong, our Captain announces, his voice like an oracle coming through the loudspeakers of every lounge and hall, as if the ship itself were speaking. We’re not going to Malta- an enchanting island country fifty miles from Sicily, according to the brochure of the tour we’re not taking. But what if we did go to Malta? What if, as we are escorted on foot through the walled ‘Silent City’ of Mdina, the walls begin speaking to me; and after we stop a few minutes to admire the impressive architecture, I feel Malta could be the place for me. What if, as we stroll the bastions to admire the panoramic harbor and stunning countryside, I dream of buying a little Maltese farm, raising Maltese horses in the green Maltese hills. What if, after we see the cathedral in Mosta saved by a miracle, I believe that Malta itself is a miracle; and before I’m transported back to the pier with a complimentary beverage, I’m struck with Malta fever, discover I am very Maltese indeed, and decide I must return to Malta, learn to speak Maltese with an English (or Spanish) accent, work as a Maltese professor of English at the University of Malta, and teach a course on The Maltese Falcon. Or, what if when we stop at a factory to shop for famous Malteseware, I discover that making Maltese crosses is my true passion. Yes, I’d get a Maltese cat and a Maltese dog, make Maltese friends, drink Malted milk, join the Knights of Malta, and be happy for the rest of my Maltesian life. But we’re not going to Malta. Malta is drifting past us, or we are drifting past it- an amorphous hump of green and brown bobbing in the portholes with the horizon as the ship heaves over whitecaps wisping into rainbows for a moment, then dissolving back into the sea.

 


Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

De Amerkiaanse dichteres en schrijfster Stacie Cassarino werd geboren op 15 februari 1975 in Hartford, Connecticut. Zie ook alle tags voor Stacie Cassarino op dit blog.

 

In de keuken

Het is net voordat je wegrijdt:
onze ledematen nog warm van de slaap,
koffie die pruttelt, de noordenwind, je heupen die me
hard tegen de tafel drukken. Ik vind hard leuk
omdat ik dit moet onthouden.
Ik wil harder zeggen. Hoe we
moeten kijken naar de weg die verdwenen is,
naar de uitgespreide ochtend van koude
boter en onverbeterlijke hebzucht.
Licht komt en gaat in het veld.
Sinaasappels in een kom, knoflook, radio.
In het verhaal van ons wint niemand.
Isolatie is een nieuw thema
zegt iemand. Inmiddels
heb ik je uitgevonden. De meeste mensen
houden er niet van dode dingen aan te raken.
Dat is wat mijn vriend me vertelt
als ik mijn vis op de grond vind.
Hij moet eruit hebben gewild.
Soms maakt mijn verlangen me bang.
Soms kijk ik naar voetbal
en denk: vier kansen
is genoeg om er te komen. Maar
we hebben geen helmen.
Ik wil harder zeggen,
ik kan er tegen, maar
er is geen bewijs dat ik het kan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Stacie Cassarino (Hartford, 15 februari 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e februari ook mijn blog van 15 februari 2019 en ook mijn blog van 15 februari 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

i carry your heart with me(i carry it in (E. E. Cummings), Richard Blanco

 

Bij Valentijnsdag

 


Reflexión door Dani Torrent, 2024

 

[i carry your heart with me(i carry it in]

i carry your heart with me(i carry it in
my heart)i am never without it(anywhere
i go you go, my dear; and whatever is done
by only me is your doing, my darling)
i fear
no fate(for you are my fate, my sweet)i want
no world(for beautiful you are my world, my true)
and it’s you are whatever a moon has always meant
and whatever a sun will always sing is you

here is the deepest secret nobody knows
(here is the root of the root and the bud of the bud
and the sky of the sky of a tree called life; which grows
higher than soul can hope or mind can hide)
and this is the wonder that’s keeping the stars apart

i carry your heart(i carry it in my heart)

 


E. E. Cummings (14 oktober 1894 – 3 september 1962)
De City Hall in Cambridge, Massachusetts, de geboorteplaats van E. E. Cummings

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

 

Er was eens: Surfside, Miami

Weer en nog een keer ben ik zoals ik mezelf
herinner. Dertig jaar later kan ik nog steeds
genieten van het wuiven van deze palmen die dezelfde
wind in lettergrepen waaien die goedemorgen fluisteren
in mijn ogen, en deze dagen van vandaag bewaren waarop ik
niet langer kan horen hoe ik deze passie moet overleven
om mezelf aldus in gedichten te breken, zoals
deze golven die ooit weer
mijn trouwe liefdes zullen zijn die nog steeds mijn voeten kussen terwijl ik
over deze kust wandel en achterom kijk naar mijn voetafdrukken,
opnieuw weggespoeld. De zoute balsem van deze
briesjes adem ik in, opnieuw levend met al
mijn vreugdevolle spijt om alles wat ik goed of
fout heb gedaan, om alles wat ik nu ben, dat is genoeg, maar
niet genoeg, voor wie ik ooit wilde zijn,
nog steeds deze zee afzoekend, nog steeds kijkend naar dezelfde
stille horizon, vraag ik opnieuw: Wie ben ik? Wat
moet ik doen? Het antwoord, zoals altijd: Alles.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)

 

Zie voor de schrijvers van de 14e februari ook mijn blog van 14 februari 2023 en ook mijn blog van 14 februari 2019 en ook mijn blog van 14 februari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Charles Dickens, Lioba Happel

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Zie ook alle tags voor Charles Dickens op dit blog.

Uit: Barnaby Rudge

“The proprietor of this charming retreat, and owner of the ragged head before mentioned — for he wore an old tie-wig as bare and frowzy as a stunted hearth-broom — had by this time joined them; and stood a little apart, rubbing his hands, wagging his hoary bristled chin, and smiling in silence. His eyes were closed; but had they been wide open, it would have been easy to tell, from the attentive expression of the face he turned towards them — pale and unwholesome as might be expected in one of his underground existence — and from a certain anxious raising and quivering of the lids, that he was blind.
‘Even Stagg hath been asleep,’ said the long comrade, nodding towards this person.
‘Sound, captain, sound!’ cried the blind man; ‘what does my noble captain drink — is it brandy, rum, usquebaugh? Is it soaked gunpowder, or blazing oil? Give it a name, heart of oak, and we’d get it for you, if it was wine from a bishop’s cellar, or melted gold from King George’s mint.’
‘See,’ said Mr Tappertit haughtily, ’that it’s something strong, and comes quick; and so long as you take care of that, you may bring it from the devil’s cellar, if you like.’
‘Boldly said, noble captain!’ rejoined the blind man. ‘Spoken like the ‘Prentices’ Glory. Ha, ha! From the devil’s cellar! A brave joke! The captain joketh. Ha, ha, ha!’
‘I’ll tell you what, my fine feller,’ said Mr Tappertit, eyeing the host over as he walked to a closet, and took out a bottle and glass as carelessly as if he had been in full possession of his sight, ‘if you make that row, you’ll find that the captain’s very far from joking, and so I tell you.’
‘He’s got his eyes on me!’ cried Stagg, stopping short on his way back, and affecting to screen his face with the bottle. ‘I feel ‘em though I can’t see ‘em. Take ‘em off, noble captain. Remove ‘em, for they pierce like gimlets.’
Mr Tappertit smiled grimly at his comrade; and twisting out one more look — a kind of ocular screw — under the influence of which the blind man feigned to undergo great anguish and torture, bade him, in a softened tone, approach, and hold his peace.
‘I obey you, captain,’ cried Stagg, drawing close to him and filling out a bumper without spilling a drop, by reason that he held his little finger at the brim of the glass, and stopped at the instant the liquor touched it, ‘drink, noble governor. Death to all masters, life to all ‘prentices, and love to all fair damsels.”

 


Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)

 

De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.

en trekt haar vinger omhoog tevergeefs
bevochtigt het puntje van haar tong dan

met haar heel speciale sap
in een uitbundigheid van iets

dat vergeten is nu echter
haar hersenen binnen golft als een

bloedige zwarte rivier
uitgegoten kort voor de

uitdoving van overtollige
energieën in haar hersenstam

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Lioba Happel (Aschaffenburg, 7 februari 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e februari ook mijn blog van 7 februari 2019 en eveneens mijn blog van 7 februari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Thomas von Steinaecker, Heinz Kahlau

De Duitse schrijver en journalist Thomas von Steinaecker werd geboren op 6 februari 1977 in Traunstein. Zie ook alle tags voor Thomas von Steinaecker op dit blog.

Uit: Die Privilegierten

„Ein paar Meter entfernt von meiner Fundstelle befand sich der kleine Teich, der im Lauf der Jahre immer weiter ausgetrocknet und inzwischen nicht viel mehr als ein Tümpel war. Das knöchelseichte Wasser am Ufer schwappte auf und ab. Perlen aus Luft stiegen zur Oberfläche. Am trüben Grund wurde gewühlt. Die Amphibien gruben sich in den Schlamm, auf der Suche nach einem
sicheren Platz für ihre Erstarrung. Ich hoffte, wenn ich mein Gesicht wusch, würde es mir besser gehen, was nicht der Fall war.
In der Vergangenheit war ich öfter ins Visier eines Raubtieres geraten, so dass ich auch jetzt merkte, dass mich etwas aus dem Unterholz fixierte. Ich weiß nicht, wie lange ich reglos verharrte, wie oft ich mir in diesen Momenten Vorwürfe machte, viel zu leichtsinnig gewesen zu sein und nicht das verdammte Gewehr mitgenommen zu haben. Irgendwann, so langsam wie bei meinen kaputten Gelenken und den Schmerzen möglich, ging ich in die Hocke und griff nach dem Ast zu meinen Füßen. Er war weder besonders dick noch spitz. Doch vielleicht konnte er als Abschreckung dienen. Ein paar Meter vor mir, hinter einer aus dem Boden gewachsenen Wurzel, knackste es. Ich glaubte, kurz einen hellen Fellrücken ausgemacht zu haben.
Nun war ich im Vorteil. Ich wusste, wo sich das Tier versteckt hielt, das wahrscheinlich darauf lauerte, dass ich unvorsichtig wurde. So kraftvoll wie möglich schleuderte ich den Prügel. Weil Stille
eintrat, machte ich einen Schritt auf die Wurzel zu. Hinter ihr tauchten ein Paar Ohren auf, eines hing herab. Eine graue Katze schlüpfte hervor. Sie hatte einen auffallend weißen Hals, als trüge sie ein Band. Das Laufen bereitete ihr Probleme. Ihre Hinterbeine lahmten.
Sie hoppelte. Ein paar Meter vor mir setzte sie sich auf die Hinterbeine und rückte sich immer wieder mit den Vorderpfoten zurecht, wie um die Balance zu halten. Ich war zu erstaunt, um etwas zu unternehmen. Aus dem verdreckten Fell standen die Rippen hervor. Ihre Augen schimmerten milchig. Sie besaß keine Pupillen. Die Katze war nicht nur alt, sie war auch blind.
Was machte eine Hauskatze hier, mitten in der Wildnis? Wie hatte sie überhaupt von dem einzigen zivilisierten Ort weit und breit, der Wetterstation, bis zu dieser Stelle des Waldes gelangen können, noch dazu in ihrem Zustand? Seit ich hier lebte, war mir nie ein entlaufenes Haustier begegnet. Ich konnte mich auch nicht erinnern, bei meinen früheren Besuchen bei der Station eine Katze gesehen zu haben. Die Natur in dieser Gegend duldete nichts Zahmes.“

 


Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)

 

De Duitse dichter en schrijver Heinz Kahlau werd op 6 februari 1931 geboren in het dorpje Drewitz. Zie ook alle tags voor Heinz Kahlau op dit blog.

 

Bij een afscheid

Laten we niet uit elkaar gaan
als mensen,
die een slechte deal
gemaakt hebben.
Zo innig
zijn we slechts geworden
omdat wij ons anders
niet konden herkennen.
Als je van bedrog wilt spreken,
spreek dan van zelfbedrog.
Als we iets verloren hebben,
zijn het illusies.
Wat we gewonnen hebben
zijn ervaringen.
Teleurgesteld zijn we slechts
in onszelf.
Dat wij uit elkaar gaan
ligt daaraan
dat we eerlijk waren.
Laten we niet uit elkaar gaan,
alsof wij
een slechte deal gemaakt hadden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Heinz Kahlau (6 februari 1931 – 6 april 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e februari ook mijn blog van 6 februari 2023 en ook mijn blog van 6 februari 2019 en ook mijn blog van 6 februari 2011 deel 2.

Geert Buelens, William S. Burroughs, Edzard Mik

De Vlaamse dichter, essayist en columnist Geert Buelens werd geboren in Duffel op 5 februari 1971. Zie ook alle tags voor Geert Buelens op dit blog.

 

Grootstad (Couleur locale)

Beginnen we de dag als hoerenzoon
invectieven uit een kindermond
zo fris

Wijkbewegingen zijn dan nodig
ruimtes die ons naar lucht doen happen
die er is
die er zou moeten zijn
al die uren waarin
we ons wentelen in wee
en ach als van weleer

Voor onze ogen verkleurt dit gebied
wordt het groter en als vanzelf
komen er gaten in
die we niet hoeven te zien
als ze licht doorlaten
wie we vervolgens aantreffen in de tuin

Plat op de buik
terugvallend als vanouds
geven we mee

We komen van ver
zo komen we er

 

Consumptiekansen

Verklaar ik dit
volstrekt ongeschikt
voor nagenoeg iedereen
vergrendelingsangst, verzachtingsvergrijp
polderfossiel
onmatig

zijn de zonden van de markt
geopend voor iedereen
spelen we thuis in op
woonverdunning
verplaatsing

van wat zo nodig is
moet een teken zijn

van onderdrukking
gaat om het inhalen

van wat
om het even is

meeschuifbalancering
opbouwrendement
spelplezier

 

uur vier

steeds neigen we naar kilte
naar het ratelen van de stormwind in de luiken
die we open maken met het oog
op een vers perspectief
van op zeer grote hoogte zwijg jij
mij tegemoet
ook dat is een gebaar
dat m
e pas loslaten zal
bij nieuwe maan
steeds dreigt dan de stilte
die het verband vormt dat wij zijn

 


Geert Buelens (Duffel, 5 februari 1971)

 

De Amerikaanse schrijver William S. Burroughs werd geboren in Saint Louis (Missouri) op 5 februari 1914. Zie ook alle tags voor William S. Burroughs op dit blog.

 

Advies voor jongeren

Mij wordt soms gevraagd of ik een paar woorden van advies heb voor jongeren.
Nou, hier zijn een paar simpele vermaningen voor jong en oud, man en beest.

Bemoei je nooit met een vechtpartij tussen jongens en meisjes.

Pas op voor hoeren die zeggen dat ze geen geld willen. Ammehoela willen ze dat niet.
Wat ze bedoelen is dat ze meer geld willen; sterker nog, dit zijn de duurste hoeren die er zijn.

Als je zaken doet met een religieuze klootzak, laat het dan op papier zetten; zijn woord is geen reet waard, niet met de goede Heer die hem vertelt hoe hij je moet naaien bij de deal.

Als je, nadat je bent blootgesteld aan iemands gezelschap, het gevoel hebt dat je een liter plasma hebt verloren, vermijd dat gezelschap dan. Je hebt dat nodig zoals je pernicieuze anemie nodig hebt.

We horen hier niet graag het woord “vampier”; we proberen ons publieke imago te verbeteren. Een vriendelijk, oomachtig, welwillend imago op te bouwen; “onderlinge afhankelijkheid” is het sleutelwoord — “verlichte onderlinge afhankelijkheid”.

Het leven in al zijn rijke verscheidenheid, neem een beetje, geef een beetje. Echter, door de onverbiddelijke logistiek van het vampierproces nemen ze altijd meer dan ze geven — en waarom zouden ze überhaupt iets nemen?

Vermijd sukkels. Dwazen, noem ik ze. Jullie kennen het type allemaal — hoe goed het ook klinkt, alles waar ze iets mee te maken hebben, loopt uit op een ramp. Problemen voor zichzelf en iedereen die met hen verbonden is.
Een dwaas is slecht nieuws, en dat straalt af — laat het niet op jou afstralen.

Betuig geen medelijden aan de geesteszieken; het is een bodemloze put. Zeg ze resoluut: “Ik word niet betaald om naar dit gezeur te luisteren — jij bent een terminale dwaas!” Anders maken ze je net zo gek als zij zijn.

Vermijd vooral onverbeterlijke criminelen. Zij zijn een speciaal kwaadaardig ras van dwazen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


William S. Burroughs (5 februari 1914 – 2 augustus 1997)
Portret door Richard Day, 2017

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Edzard Mik werd geboren in Groningen in 1960. Mik studeerde rechten aan de Universiteit van Groningen, werkte drie jaar als sociaal advocaat, en schreef over cultuur voor Vrij Nederland en NRC Handelsblad. Hij schreef negen romans, waaronder “De Bouwmeester”(1995), Yak (1996), “Schaduwdagen” (1998), “Laatste adem” (2001), “De wachters” (2004) en “Bleke Hemel” (2007). Zijn voorlaatste romans, “Goede tijden” (2011) en “Mont Blanc” (2013) haalden de longlist van de Libris Literatuur Prijs. Met zijn Grieks-Nederlandse vrouw, de componiste Calliope Tsoupaki, werkte hij samen aan drie muziekvoorstellingen, waaronder “Oidipous”. Naast romans schreef hij korte verhalen, libretto’s, scenario’s en essays.

Uit: Damian

“Het is zondagochtend, geen sterveling op straat, en, niet onverwacht, het is gaan waaien. Rafelige flarden jagen langs de hemel, op de balkons wappert wasgoed, een plastic zak roetsjt over bet trottoir, koprolt enkele keren, warrelt op en raakt verstrikt in een struik, bladeren dansen door de lucht, buitelen over het asfalt en vallen neer, worden opgepord en buitelen weer verder, langs de rij auto’s en het bushokje en die stomme opeenvolging van populieren, die hem met hun soepele stammen en zwaaiende takken ineens tegenstaan. Als Damian zijn moeder ergens mee associeert, dan is het wel met harde wind, gure wind, wind die nooit zal luwen en voor altijd door hem heen zal blijven gieren alsof hij uit niets dan herenen gaten bestaat. 0 ja, ze is er dus eigenlijk al, ze kondigt zichzelf daar buiten aan, ze wordt voorafgegaan door de wind die ze zelf is, maar wat kan hij anders doen dan haar binnenlaten als Tess haar komt afzetter, In de verte één, twee lichtjes, een auto die de straat. draait, geen idee welke kleur die van Tess heef , welke kleur en welk merk, zo lang als hij haar ook niet heeft gezien. Vaart mindert de auto niet en verderop slaat hij af, troosteloos genoeg, maar voor het overige niets aan de hand, de straat is alweer leeg, misschien heeft ze uiteindelijk toch ingezien dat ze dat echt niet kan maken, mama bij hem afleveren en zelf weer afreizen alsof bet de gewoonste zaak van de wereld is. Hij kon zijn ogen niet geloven toen ze hem dat appje stuurde, hij werd er zozeer door overvallen dat hij niet eens wist wat hij ervan moest denken, hij belde haar meteen en liet de wachttoon overgaan tot zijn oor gloeide en belde haar nog eens, en nog eens – was ze helemaal gek geworden? Ze nam niet op en moest al van de andere kant van de stad onderweg zijn, alsof ze de Dakar Rally rijdt, piepend remmend, &Zing optrekkend, ronkend gas gevend, door de bochten gierend, maar hopen dat ze geen fietsen voetganger of duif onder de auto krijgt. liet zou hem ook niet moeten verbazen, typisch Tess om koste wat kost baar zin door te drijven. zich geen moment af te vragen of Bianca en hij dat wel zien zitten, mama in huis nemen. Wat ze zich in het hoofd heeft gehaald moet en zal uitgevoerd worden, ze is dwingend, op het tirannieke af. Als kind had ze dat drammerige al, ze kon jengelen tot je er hoorndol van werd, mama verdroeg dat niet en maakte voortdurend ruzie met haar maar papa had een heimelijk ontzag voor dat redeloze fanatisme.”

 


Edzard Mik (Groningen, 1960)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e februari ook mijn blog van 5 februari 2021 en ook mijn blog van 5 februari 2019.

Paolo Cognetti, Harvey Shapiro

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Het teefje was nog geen twee winters oud en kende nog geen andere wereld dan de garage langs de provinciale weg. Achter de werkplaats speelde ze in haar eentje met een reep van een oude autoband — ze kauwde erop, slingerde hem steeds opnieuw weg en holde er dan achteraan —, toen ze merkte dat ze toeschouwers had. Uit de belendende grindgroeve was een grijze hond aan komen lopen, die haar gadesloeg. Aan die kant stroomde ook een rivier, maar in de herfst stond het water zo laag dat het niet moeilijk was hem over te steken. Ze liet het stuk band vallen om de lucht af te speuren naar de geur van die reu, maar toen ze haar snuit ophief, zag ze er vanachter de schroothoop nog drie tevoorschijn komen. Drie herdershonden met een modderige vacht en een bel aan hun halsband, en die kende ze wél. Overdag hoedden ze de schapen die de stoppels in de velden en het gras rond de schuren afgraasden, en ’s avonds zwierven ze rond op zoek naar iets te snaaien. Maar nu kwamen ze niet voor iets eetbaars, ze kwamen voor haar. En het teefje had wel een vermoeden waarvoor ze precies waren gekomen. De plotselinge belangstelling die de mannetjes voor haar, net een jaar oud, aan de dag legden, maakte deel uit van de dingen die ze razendsnel leerde, opwindende en gevaarlijke dingen, zoals de vuurtjes die de jongens ’s zomers stookten, of de sterke stroom van de rivier die haar op een keer bijna had meegesleurd. Tegen de muur van de garage stond een aftandse autostoel waar ze op wegkroop. Een stoel waarop generaties honden véér haar al hadden gelegen. Een stukje verderop zakte de arm van een graafmachine in de rivierbedding en haalde een grijper vol zand en grind naar boven, en op dat moment bewoog de grijze hond zich in haar richting. De onderlinge rangorde van de drie herders werd meteen duidelijk: de oudste en grootste hoefde alleen maar te grommen en even zijn tanden te laten zien of de tweede gaf het op en droop jankend af, terwijl de derde er al vandoor was gegaan. Vervolgens kwam de leider met kleine stapjes dichterbij, volgens een vast ritueel dat het teefje kende. Dreigen, grommen, de tanden laten zien, dat was de manier waarop de honden in het dal vochten, maar de grijze hond kwam ergens vandaan waar hij anders was opgevoed, door de mens of door liet leven. Toen de herder zijn haren overeind zette en stokstijf bleef staan om de grijze angst aan te jagen, vloog die hem onverhoeds aan. Hij was het magerst van de twee, maar door de botsing belandde de herder op zijn rug; daarna hield hij hem met een poot tegen de grond gedrukt en boorde zijn tanden in zijn keel”

 


Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Nachten

Dronken en huilend. Het is weer een avond
in de live-in opera, en ik denk
dat het slecht voor me gaat aflopen.
De doden van hiernaast accepteren hun groeten,
hun zoute noten, het langgerekte geweeklaag.
Wij, de levenden, moeten dekking zoeken,
ik bedoel mezelf. Sterfelijkheid is het ABC ervan,
en daarna komt wellust en liegen.
En, oh, hoe een leven samen te stellen
uit dit schandaal en deze verwarring, alsof
de goden ons bewonen of met ons
samenleven, alleen voor de muziek.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn blog van 27 januari 2024 en ook mijn blog van 27 januari 2019 en ook mijn blog van 27 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Plaaggeest

Ik was een plaaggeest
Toch mocht ik achttien jaar worden
Ik heb vlechten afgeknipt en
Met diezelfde vlechten hun schootcavia’s gewurgd
Ik heb tanden op grind geprojecteerd en
Er niet om gemaald dat de bisschop toekeek.

Ik heb mijter beklad en kwispedoor gestolen
Gespuwd in de ogen van razende hoenderen
Vruchtbaarheidsmaskers verkocht aan ongelovige slachters en
Vuurtjes gestookt in overbevolkte methadonhuizen
Toch kreeg ik een taart en een ezel
Van een vergevingslustige paap toen ik achttien werd
Maar schilderen heb ik nooit gedaan
Want ik ging dood toen ik het geld op de toonbank legde
Het geld om een canvas te kopen
Een monstrueus doek groter dan een laconieke kermispony
Kleiner dan de piramide van de Bremer stadsmuzikanten.

Ik ging dood zonder poging tot reanimatie
Nochtans stond hij daar: de zwembadopzichter
Met twee tubes olieverf in zijn pollen
Als de handvaten van een drinkbeker van een korsakovpatiënt
Klemde hij ze vast
Ultramarijn en fuchsia
De dopjes vlogen eraf
Een laatste goocheltruc
Een gemoedelijk plaagstootje.

Het kostte me achttien jaren om vriendelijk te sterven
Nu ben ik dood en terug met nieuwe truken:
Ik ben het zuur in de muur van de oude kruisboogschutter
De puisten in de decolleté van de Veurnse femme fatale
De roos op de schouders van de Elvisimitator
De kale plekken op de flanken van de trofeewinnende terriër
De gebitsprothese van de tienjarige musicalster
De kleinzielige Clauspastiche van mijn grootvader
Maar toch vooral, het liefst van al,
Ben ik telkens weer de terpentijn die op je eiland valt.

 

Headphones en hazenlip

Ik was een wit paard
een Mongoolse kuisvrouw
ik voldeed aan de criteria misschien
op de brandladder stond ik te staren
de jonge mannen werkten ongedwongen
een put was oppervlakkig, de andere gevuld.

Mijn tekeningen grillig
letters werden algauw obscene woorden
werden karaktermoorden.

Hazenlip wandelt voorbij
hij zingt uit volle borst
klaaglijk zing ik hem na
de tekst is een uitnodiging
de uitnodiging valt in dovemansoren.

 


Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

bonuszone

de bio-reclame van de valse acacia’s bereikte ons
per geurpost door het keukenraam, de spreeuwen
boven de reislustschotels vermengden de avond
met een kwetterdessert, extra licht, als was
de permanente voorstelling stad haar speelschema moe geweest
straalde zij een plotselinge stilte uit, nauwelijks over te brengen
rammelde wat aan de grensvoorzieningen van de particuliere ontvangers
van zonder-zorg-kaarten, ik heb, zei ik, in mijn zak
een gat, moet dat niet vergeten, ach man
mijn accu is leeg, zei je, van deze leegte
kan ik niet meer genoeg krijgen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

Peter Stamm, Sascha Kokot

De Zwitserse schrijver Peter Stamm werd geboren op 18 januari 1963 in Weinfelden. Zie ook alle tags voor Peter Stamm op dit blog.

Uit: Wenn es dunkel wird (Nahtigal)

„David hatte die Maske mitgenommen, obwohl er sicher war, dass er sie heute noch nicht brauchen würde, eine Eichhörnchenmaske, die den ganzen Kopf bedeckte. Er hatte sie als Kind zum Geburtstag geschenkt bekommen, als er längst keine Lust mehr hatte, sich zu verkleiden, vielleicht, weil er da schon in dem Alter war, in dem es einem vorkommt, als sei man immer verkleidet, auch wenn man es nicht will. Sein Körper war ihm vorgekommen wie ein schlecht sitzendes Kostüm, das seine wirkliche Persönlichkeit, das, was er sein wollte, was er zu sein glaubte, zu etwas Unförmigem verzog. Warum ausgerechnet ein Eichhörnchen, warum nicht ein Wolf oder wenigstens eine Eule? Irgendwann musste er seine Mutter auf die Maske hingewiesen haben, schau mal, das Eichhörnchen, wie süß. Und Jahre später, als sie nicht gewusst hatte, was sie ihm schenken sollte, hatte sie sich daran erinnert und die Maske, ohne viel nachzudenken, gekauft. David hatte sie ein einziges Mal angezogen, an jenem Geburtstag, und seiner Mutter vorgespielt, er freue sich darüber. Danach hatte er sie zu unterst in seinem Schrank verborgen, ein beschämender Beweis dafür, wie wenig sie ihn kannte, wie wenig irgendjemand ihn kannte. Er schielte in die Plastiktüte, die neben seinem Stuhl stand, und musste heimlich lachen, wenn er daran dachte, wofür die Maske nun gut sein sollte. Seine Mutter würde sich wundern, alle würden sich wundern, wozu das Eichhörnchen imstande war. An diesem Morgen, gleich nachdem seine Mutter zur Arbeit gegangen war, hatte David sich im Geschäft krankgemeldet. Sein direkter Vorgesetzter war in den Ferien, und die Sekretärin hatte nicht nachgefragt, als er gesagt hatte, er sei erkältet. jetzt, während der Sommerferien, war ohnehin nichts los, und die Lehrlinge wurden mit allen möglichen sinnlosen Arbeiten beschäftigt. Auf dem Dachboden gab es einen unerschöpflich erscheinenden Vorrat an alten Briefumschlägen und Rechnungsformularen, auf die noch die alte Telefonnummer gedruckt war, und wenn gar nichts anderes mehr zu tun war, versammelten sich die Lehrlinge im Sitzungszimmer unter dem Dach, wo es im Sommer muffig und heiß war, und überklebten die alten Nummern mit kleinen Etiketten in Leuchtfarben, auf denen die neue Nummer stand, die auch schon seit Jahren galt. Die meiste Zeit aber ulkten sie herum, halb träge, halb aufgekratzt, oder trafen sich in der Kaffeeküche oder in einem der Sitzungszimmer, immer auf der Hut, von keinem Vorgesetzten beim Nichtstun erwischt zu werden. David hatte um zehn in der Stadt sein wollen, aber nachdem er im Geschäft angerufen hatte, war er noch einmal ins Bett gekrochen, als sei er tatsächlich krank, und war wieder eingeschlafen.“

 


Peter Stamm (Weinfelden, 18 januari 1963)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

je ziet de dooi op de lagere hoogten grazen
niemand anders ontmantelt de laatste hekken
vreet van de wallen aan de stormkant
de gebarsten leisteen blijft liggen
met een dikke vacht staan de katten op
kauwen hun klauwen scherp en ruiken de kou
de eerste honden beginnen te blaffen
terwijl ze wakker worden
je geur plotseling vreemd voor hen is
je pas aan het eind van het jaar weer
naar de huizen afdalen kunt

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.