De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.
Uit: Naar zachtheid en een warm omhelzen
“MIDDEN IN DE NACHT KRUIPT hij bij mij in bed, een jongen van een Jaar of negen. Ik duw hem weg, maar hij blijft me lastigvallen. Hij roept oude geluiden op, telt terug, laat de gordijnen wiegen. En dan moet ik met hem mee naar een stad die geen naam mag hebben. Keer op keer lopen we daar. We staan stil voor een hoog huls, hij opent de deur, dwingt me in een spiegel te kijken, wijst op een bloedvlek in het marmer en laat een trap kraken – zo helder en zo levensecht, dat ik geschrokken het licht aan moet doen om te weten waar ik ben. Ik ken die jongen. HIJ doet zijn best om op mij te lijken, met dat kuiltje in zijn kin. Of is hij een verzinsel? We gebruiken dezelfde woorden, delen dezelfde angsten, aangewakkerd door berichten over een nieuwe oorlog. Bang, altijd bang geweest. We hebben aan de tijd gewrikt en besloten samen op een doordeweekse dag naar dat hoge huis te gaan. Zou het er nog staan? Een trein bracht ons tot over de grote rivieren. De weg van het station naar de lommerrijke woonwijk konden we dromen, maar we verdwaalden in de straten achter het park waar ooit bommen vielen en kogelhulzen tussen de puinhopen lagen. En die grote brand… was die nu wel of niet om de hoek? We versnelden onze pas. Gevaarlijk terrein. Na een flauwe bocht doemde het huls op waar de Jongen maandenlang logeerde. Het leek te wenken. HIJ wilde ernaartoe rennen, maar ik ben een stijve man, een bezemsteel, en zag ook niet zo goed, er zat een lelijke pleister naast mijn rechteroog: zonschade. Oude sproeten plagen mij. We keken op naar de gevel en maakten een kleine buiging. Ik nam foto’s met mijn mobiele telefoon, ging aan de overkant van de straat zitten en probeerde te kijken met de blik van een negenjarige. Wakker en fel. Het huls groeide. Een bejaarde dame liep voorbij en nam mij onderzoekend op. ‘Ik maak een foto van het huis van mijn grootvader,’ zei Ik. Ze vroeg naar zijn naam. ‘Van Dis, hij was een herenboer…’ ‘0, maar die heb ik nog gekend. Ik ben hiernaast geboren.’ Ze wees me op een litteken uit het verleden: een gebarsten steen In de gevel van de overburen – een afgeketste kogel. Nooit hersteld. Aan die barst kleefde nog een heel verhaal. Ik keek rond, verkende… De oude voordeur glansde nog voornaam, maar zonder de koperen trekbel. Hé, was de muur van de moestuin niet langer? Zeker, haar ouders hadden de helft van de tuin kunnen kopen en lieten er een dubbele garage bouwen. De walnotenboom overleefde het niet. Maar het kelderraam zat er nog.”
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)
„Der Teich war zugefroren. Bevor ich etwas sagen konnte, schlitterte Robert bereits übers Eis und Michaela hinterher. Robert, der stolz ist, im Stimmbruch zu sein, krähte etwas, das ich nicht verstand. Michaela rief, ich sei ein Angsthase. Aber ich wollte nichts riskieren und blieb am Ufer. Der Schnee bedeckte den herumliegenden Müll, aus dem ein Spielzeugpferd ragte. Ich bückte mich schon, da hörte ich meinen Namen, wandte mich um – etwas traf mich ins Auge. Es brannte höllisch. Ich sah nichts mehr. Michaela glaubte, ich spiele Theater. Es sei doch Schnee gewesen, rief sie, nur Schnee, ein Schneeball! Ich brauchte ein paar Sekunden, um zu mir zu kommen. Als mich Robert an der Hand nahm, als er mich führte, war ich glücklich. Erst in diesem Moment schien ich zu begreifen, daß ich nicht mehr nur von diesem Deinem Brief träumte, sondern daß ich ihn tatsächlich erhalten hatte und in der Brusttasche trug. Ja es war, als hätte ich erst jetzt wieder angefangen zu atmen. Michaela, die hinter uns herstiefelte, fand, ich solle mich nicht so haben. Sie meinte wohl, ich würde weinen. Sie hält mich für einen Hypochonder, für einen Simulanten gar, und fürchtete, ich suchte nur einen neuen Vorwand, um mich weiter krank schreiben zu lassen. Mitten auf dem Feld geriet sie in Panik, weil vom Dorf her ein Köter auf uns zuraste. Er kläffte und machte wilde Sprünge, ließ sich aber schnell von mir beruhigen. Ich wurde ihn dann gar nicht mehr los. Das verwahrloste Tier begleitete uns bis zu der Straße, die den Hügel hinab zur Stadt führt. Robert winkte, und prompt hielt ein Wagen. Die Frau, die kerzengerade hinterm Lenkrad saß, nickte mir im Rückspiegel zu. Als schlüge mein Herz im Kopf, pochte der Schmerz im Auge. Aber dieser Schmerz, so kam es mir vor, war etwas Äußerliches, nichts, was mir wirklich etwas anhaben konnte, nichts, was mich beunruhigen mußte, ganz egal, was mit dem Auge werden würde, denn ich habe ja Dich! Am Eingang der Poliklinik lief ich Dr. Weiß, meinem Krankschreibearzt, in die Arme. »So schnell verliert man kein Auge«, sagte er und faßte mich an der Schulter. Freitags würde ich hier um diese Zeit niemanden mehr finden, ich solle also stillhalten, Arzt sei Arzt. »Zeigen Sie her«, befahl er und drehte mich ins Licht. Die Leute schoben sich an uns vorbei hinein und hinaus, ich blinzelte in die Neonröhre. »Nur ein Äderchen«, murmelte er, »nur ein geplatztes Äderchen. Sonst ist da nichts!« Weiß ließ mich auf der Schwelle stehen, als bedauere er, sich überhaupt um mich gekümmert zu haben. Ich solle jetzt nicht zimperlich werden, rief er noch und verschaffte Michaela ihren Triumph. Mittlerweile tut es nicht mal mehr weh. Der Schnee ist schon wieder getaut. Das Gras unter den Wäschestangen sieht aus wie Matsch mit Spinat. Ich muß Michaela zur Vorstellung fahren. Wie leicht alles wird, wenn ich an Dich denken kann. In Liebe Dein Heinrich”
Kijkend, op pieren, betreden uitbundige reizigers de oceaan waar de bedelaar wanhopig aan de exclusieve waterkant zit – zien hoe de feestboot de haven verlaat bedekt met zingende vogels.
Cruisend naar cellofaaneilanden, schudt hij de rots van deze stad af en biedt eenzame tochten, grimmige enkele reizen, aanhoudende winter; het schip glijdt door middernachts heerszuchtige haven, de vergulde galerijen worden wakker en dansen.
Vertaald door Frans Roumen
Muriel Rukeyser (15 december 1913 – 12 februari 1980)
“Die nacht droomde Lidia over de zee. Een diepe, doorzichtige zee vol trage wezens die gemaakt leken van hetzelfde weemoedige licht als je hebt in de schemering. Lídia wist niet waar ze was, maar ze wist wel dat die wezens kwallen waren. Terwijl ze wakker werd zag ze ze nog door de muren van haar kamer heen glippen, en toen moest ze denken aan haar oma, doña Josephine do Carmo Ferreira, alias nga* Fina Diá Makulussu, beroemd droomduidster. Volgens de oude vrouw stond dromen over de zee gelijk aan dromen over de dood. Het eerste wat ze zag toen ze haar ogen opende was de tijd op de grote wandklok: twintig over twaalf. Angola was dus al twintig minuten onafhankelijk, dacht ze, en ze verbaasde zich over het feit dat ze in dat bed lag, in het oude huis in Ingombotas.** Wat deed ze hier, in het centrum van Luanda, wat deed ze in dit land? Een zinloze vraag die haar dag in dag uit kwelde. Maar op dat moment had de vraag wat ze daar deed een andere betekenis. Haar hoofd was helder en ze voelde niets, noch de verbittering van een verliezer, noch de euforie van een overwinnaar (die nacht was ze het allebei). Het is de nacht van de sprinkhaan, dacht ze, en ze zag zichzelf als pasgeboren baby met een grote bidsprinkhaan op haar borst. * Toen ze klein was, had de oude Jacinto haar dat verteld: “Vlak na je geboorte zag je moeder toen ze naar je keek een enorme bidsprinkhaan op je borst zitten.” Lang daarna herinnerde oma Fina haar aan het voorval en zei: “Het leven zal jou verslinden. Oma Fina was die maand honderdvijf geworden, maar ze was nog even fris en fit als altijd. Lidia geloofde alles wat ze zei, ook haar voorspellingen Heel even dacht ze erover haar te wekken en haar haar droom te vertellen, maar ze deed het niet, had er de kracht niet voor. Ze ademde diep de met kikombo-parfum* doordrenkte lucht in en voelde zich lichter. Een ver en vet rumoer drong haar oren binnen; ze kon de geluiden niet van elkaar onderscheiden maar wist dat het ging om geweerschoten, ontploffingen en kreten van pijn, woede en euforie. Eén en al razernij, maar er moest ook liefdesgekreun tussen zitten, geblaf van honden en het bonzen van harten. Lidia dacht aan Viriato da Cruz, dacht aan de dood, dacht aan het leven, dat buiten de dichte ramen van haar slaapkamer doorging. Ze ging rechtop zitten, stak haar hand uit naar het nachtkastje en pakte een langwerpig zwart notitieboekje, zo een waarin kruideniers met potlood hun dagomzet noteren. “Buiten voltrekt zich het leven,” schreef ze. Ze streepte de zin door en schreef: “Buiten voltrok zich het leven / in zijn volle ruwe schittering.” Daarna omcirkelde ze de twee versregels en voegde er de datum aan toe: 11 november 1975″.
De aarde verlaten was mijn wens, en geen wil hield mijn opgang tegen. Vroeg, voordat de zon de wegen had gevuld met wagens Die mensen naar bruiloften en moorden brachten; Voordat de mensen het zelf van hun slaap verlieten, om rond te dwalen In het donker van de wereld als geslagen beesten.
Ik nam geen bagage mee. Ik had geen paard, geen staf, geen geweer. Ik was een eindje op weg en iets riep mij, En zei, ‘Leg je hand in de mijne. Wij zullen samen God zoeken.’ En ik antwoordde: ‘Het is jouw vader die zoek is, niet de mijne.’ Toen vulde de lucht zich met tranen van bloed en slangen zongen.
Vertaald door Frans Roumen
Kenneth Patchen (13 december 1911 – 8 januari 1972)
De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.
Uit:Voordat het laat wordt
“Mijn boeken zijn in vele talen vertaald, maar met een paar van die vertalingen voelde ik me blijer en meer betrokken. Dat zijn de vertalingen die eigenlijk illegaal zijn uitgegeven, waar ik niks voor betaald kreeg. Daar horen ook de Koerdische vertalingen bij, die in het Koerdistan van Irak werden uitgegeven. Ik was daar populair, omdat de Koerdische lezers zich thuis voelden in mijn boeken. Ik ben er een paar keer uitgenodigd om de presentaties van de vertalingen bij te wonen, maar ik durfde niet te gaan, want de bebaarde mannen van het regime van de geestelijken zijn ook daar erg aanwezig en actief. Ze zouden me meteen ontvoeren, in de gevangenis zetten en iets van me maken waardoor ik mezelf niet meer zou kunnen zijn. De man die mijn Koerdische vertaling maakte is een mooi mens, ik heb hem een paar keer ontmoet. Tijdens onze eerste ontmoeting kwam hij langs bij mij thuis. Hij had een exemplaar van de vertaling meegenomen, en een doos gedroogde vijgen uit Koerdistan. Hij had een klassiek pak aan, het soort pak dat je tijdens een belangrijke gelegenheid draagt. “Uw lezers willen graag dat u een keer naar Erbil komt,” zei hij. “Wie weet,” zei ik. Een paar jaar later kwam hij nog een keer langs. Dit keer had hij drie vertaalde boeken meegenomen. Nadat we een glaasje thee hadden gedronken en over de situatie in Koerdistan hadden gepraat, nam ik hem in vertrouwen en zei ik “Ik wil terug naar huis, Dertig jaar ballingschap Is genoeg geweest, ik kan niet langer wachten tot ze me het land in laten. En ondertussen zit mijn moeder in mijn ouderlijk huis op mijn terugkomst te wachten.” Hij luisterde aandachtig, maar ik aarzelde toch om mijn overpeinzingen verder met hem te delen. Ik liet een stilte vallen, stond op en bood hem nog een glaasje thee aan. Toen ik hem het glaasje overhandigde, zei ik: “Laat ik het zo zeggen: ik overweeg om illegaal het vaderland binnen te gaan. Onbegonnen werk, maar toch wil ik het doen. Anders wordt het laat.”Met grote ogen keek de vertaler me aan. Ik zei wat ik hem eigenlijk wilde zeggen: “Kan je iets voor me doen?” “Graag, maar wat zou ik voor u kunnen betekenen?” “Wil je van je connecties gebruikmaken en informeren of het mogelijk is dat iemand me vla het Koerdistan van Irak naar het Koerdistan van Iran terugsmokkelt?” “Terugsmokkelt?” zei hij verbaasd en hij zette zijn glas neer. “Ja, terug. Ik heb mijn beslissing genomen, ik wil de rest van mijn leven thuis doorbrengen.” Hij maakte het bovenste knoopje van zijn nieuwe overhemd los. Hij leek eigenlijk zijn colbert te willen uitdoen, maar hij was een ware Koerd: dat zou hij in de aanwezigheid van een schrijver nooit doen.”
‘Ziet het er niet vredig uit?’ zei iemand toen onze trein op de dijk stopte en er niets anders opzat dan staren naar de blauwe tuin.
Blauwe rozen gingen langzaam open, blauwe appels glinsterden onder de zich uitbreidende pauw van bladeren.
De fontein spuwde stralen puur Pruisisch blauw het terras was gemaakt met vingers van middernacht het gras was zo blauw als Kentucky.
Zelfs de spelende kinderen in hun ultramarijn pierenbadje waren aangeraakt door een kobaltblauwe Midas
die hun huid had veranderd van de warme kleuren van de aarde in het azuur van de hemel.
‘Zien ze er niet gelukkig uit?’ zei iemand, terwijl de treinbeheerder zich verontschuldigde voor het ongemak veroorzaakt tijdens onze reis,
en ja, ze zagen er gelukkig uit. Wensten we niet dat we in de blauwe tuin waren gedrenkt in het sproeien van de tuinslang,
Wensten we niet dat we in de indigo-aarde konden graven naar hemelkleurige aardappelen, wensten wij niet dat onze reis voorbij was
en we vrij waren om de dijk af te racen en verstrikt te raken in het niets, net als die kinderen die ineenkrompen tot stipjes hemelsblauw toen onze trein vertrok.
“Oom Izaäk zou me om vier uur komen ophalen in de ontvangsthal van het bedrijf waar hij nu al een kwarteeuw vertalingen levert om het geld en om de eer: Dymph, de technologiebeurs. Hij werkt op het hoofdkantoor. Oompje. Wat was hij opgelucht, toen Dymph de schriftelijke aanvraag voor mijn bezoek aan zijn werkruimte zowaar meteen goedkeurde en een keer niet moeilijk deed. Het zat me wel dwars dat hij zich zo zenuwachtig liet maken vanwege mij. Daarom had ik hem de suggestie gedaan om zijn kamer bij Dymph voor me te filmen, mocht het niet lukken met die aanvraag. Ik zou dan evengoed naar hem toe komen, onze afspraak kon gewoon doorgaan. Nu liep het tegen achten. Ik had al verse broodjes gehaald en ontbijt gemaakt voor Jozef, dat is mijn kostganger. ’s Ochtends bij het wakker worden hoef ik me Jozef maar voor de geest te halen en ik voel me nuttig, nodig. Hoe zwaar en vuil mijn dromen ook op me wegen, die lastpost hier op de zolderverdieping krijgt me snel weer met mijn twee voeten stevig op de aarde. En dan laat ik me zonder al te grote tegenzin contant door hem betalen voor zijn maaltijden en de was en het schoonmaken en allerlei andere meer of minder huishoudelijke taken. Overdag zit hij bijna altijd aan zijn artikelen te werken, soms in een razend tempo typend met de wijsvingers gestrekt, soms diep gebogen over zijn notities, het hoofd tussen de schouders getrokken. Alsof hij al jaren slecht ziet en zich daar ook helemaal op heeft ingesteld, zonder er nog wat aan te willen veranderen. Hoelang woont Jozef hier nu? Ik herinner me dat de essen langs de kade aan het eind van onze straat van goud en roodkoper leken in de zon, toen wij binnen een uur al zijn koffers en dozen de trappen op zeulden naar de ongebruikte kamertjes op de bovenste verdieping. In ons kennismakingsgesprek deed hij alle moeite om me ervan te overtuigen dat deze zolderetage geknipt was voor iemand als hij: oud en bovendien weer vrijgezel. Maar je weet bij Jozef nooit of hij meent wat hij zegt, of dat hij misschien het tegenovergestelde bedoelt, of nog iets anders. `De wereld zelf moet nog rijp worden voor eerlijkheid en ernst: Van zulke wijsheden heeft hij een voorraadkist vol, en iedere keer trek ik een ernstig gezicht en hij trekt ook een ernstig gezicht. Eigenlijk zit hij als een idioot te vechten om mijn aandacht maar van zijn persoon af te leiden. Terwijl hij het heerlijk vindt om wat gezelschap van me te krijgen tegelijk met zijn maaltijden, en samen urenlang te ouwehoeren. Pools is de taal uit zijn vroegste kinderjaren, waar hij weinig meer van weet. Maar bij het horen van een enkel Pools woord wordt hij meteen in de tijd teruggesmeten. Op zo’n moment leeft hij met zijn hele lichaam in twee verschillende tijden en op twee verschillende plaatsen. Pools horen praten betovert hem én het jaagt hem schrik aan. Het woelt te veel in hem om, en hij heeft juist zo hard geprobeerd om alles wat hij aan kwade herinneringen heeft te verzegelen, zodat het hem niet te grazen kan nemen.”
ademtalen ze leerden secondenalfabetten en hielden hun mond wijsvingergeplaveid hun neuzen in de wind waarmee ze de slaapzaal oppompten als een Montgolfiere die ze over alle bergen in hun familie bracht beelden van latere bezichtigingen groeiden op tot aeronauten van het moment en vanuit de kleuterschool in het kompas van de namiddagen aan de naald geraakt die hun een verslaving aannaaide dagelijks geïnjecteerde slogans in de manden waarvan zij door stripverhaallandschappen schommelden steeds maar hoger steeds maar sneller tekstballonnen volle kracht vooruit
“Een herfstdag, natuurlijk een herfstdag, ik loop door Nijmegen, door de oude Lange Hezelstraat, ik weet wat er gaat gebeuren, wat alleen maar gebeurt omdat ik het weet maar ik stel het nog even uit. Natuurlijk loop ik hier even met mijn vader, minstens een paar seconden. Ik zeg, ik wil graag zeggen: Wat voorbijgaat, is nog gaande, dus niet voorbij.’ Hij is het met me eens: veel blijft maar voorbijgaan zonder ooit voorbij te zijn. Bijna niets eindigt ooit echt. Dan is hij weer verdwenen in wat hem na zijn dood overkwam, zijn tijd is niet voorbij, hij ook niet, het zal niet gebeuren. Ik weet dat zonder te weten hoe ik dat weet. Niet van alles wat je weet hoef je te weten hoe dat komt. Hoe lang geleden is het dat ik hier Jana zag staan, toevallig? Ik zag haar op haar rug, ze stond voor een etalage van een kleine winkel met curiosa. Aan haar rug was haar aandacht te zien. Als ik haar zou begroeten, kon ik er niet onderuit te bekennen dat ik niet wist hoe ik het moest doen met haar zusje, met Nienke, maar dat het aan mij lag, dat ik me met veel in het leven geen raad wist. Grote woorden! Veel in het leven. Ik kan kijken in de tijd, niet altijd, wel vaak. Even stilstaan en een kant kiezen, een richting, heen en terug. Het is een herfstdag waarin wat van de zomer is overgebleven, ik kijk door de straten heen, door de binnenstad heen, naar een buitenwijk, ja, daar. Na mijn eerste jaren Graafseweg, hartje stad, daas naar de rand toe, de bossen, de nieuwbouwwijk, gewoon maar kijken is het, richten, rust nemen en daar sta ik, klaar om te worden gefotografeerd. Het is een zondag in juni, 1960, zeven jaar ben ik, een zonnige dag, warm, van die slappe warmte, bijna zomer. Ik doe mijn eerste heilige communie en heb daarom een keurige lange broek aan, een grijze, met een scherpe vouw, ook een nieuw jasje, blauw, en een lichtblauw overhemd dat kriegel jeukt in mijn nek. Kleren waarin je opgesloten zit, waarmee een nieuwe fase in je leven begint. Mijn moeder noemt ze nette kleren. Mijn iets te grote schoenen zijn zo nieuw dat ik er bijna niet op durf te lopen. Ik geloof dat ik toen voor het eerst woedend werd of begreep wat dat was, woedend zijn, ik schrok ervan, een klap in mijn gezicht. Omdat ik bang was. Bang voor hoe ik mezelf zag, over mezelf dacht. Weerzin was het, haast grenzend aan haat. Dat kwam niet alleen door die kleren, hoewel die te maken hadden met een bestaan waarvan ik ver weg wilde zijn. Mijn angst was de angst dat die woede gewoon bij het leven hoorde waarin ik nu een nieuwe stap zette, een stap waarvoor ik niet gekozen had, maar die moest, die van me verwacht werd. Ook angst voor verwachtingen was het. Dat je de hele tijd besefte wat er van je verwacht werd. Je was nog steeds kind, maar nu een kind dat moest begrijpen dat het menens was met het leven, dat leven zoiets was als tegen de stroom in zwemmen. `Je bent een plaatje,’ roept tante Mia, de zeer Limburgse zus van mijn moeder die haar helpt deze feestdag perfect te laten verlopen.”
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.
Göteborg
Voor Daphne en Alice
Kwam thuis en verloor tonnen bewust zijn.
Een tijdlang stal ik dienbladen uit hotels & nu steel ik kopjes
Er was deze handdoek die ik heel graag wou hebben. Zweden heeft verstand van handdoeken
Er lag een shirt op het vliegveld, wit, een beetje gevlokt, in alle opzichten iets voor mij,
behalve deze gordel
Ik kocht voor de gordel een burger & miste bijna mijn vliegtuig.
Ik rende en mijn hart bonkte
Ik was niet zo snel
Er rende een man met mij mee
Ik schreeuwde 36 in kameraadschap
maar hij negeerde me, maar toen
begon hij onzin
uit te kramen. Ik ken dat.
Er is zoveel koffie
Er is voldoende koffie
Ik wou dat iemand
hier was.
Ik word zo’n gevoelig iemand die tien uur
heeft geslapen Ik ben net als
Vincent Price in alles
mijn zachte stem die van alles fluistert
Er was een vrouw in mijn gedicht
nee ik bedoel mijn droom
en ze leek op iemand met wie ik vroeger uitging
nee, zij voelde aan zoals zij
alsof zij haar
zou worden en het was een intense tijd in ons beider leven
zij maakte iets af en ik maakte een berg van slaap
het was misschien gek en ze maakte me aan het lachen, maar
ik voelde dat de kloof tussen ons
snel zou worden gedicht
het moet waar zijn
dacht ik het voelt
Aldus de twee personen die op het punt staan ons te worden
Dit geologische drama
tonnen van tijd manifest als personen
ik boog mezelf langzaam
naar voren om de kleine afstand
te overbruggen
en ik werd getroffen in de droom
door het feit dat ze iemand was
en ik doe dit
maak haar tot de mijne om mijn koffie
mee te delen het is beter nu
studenten!
de koffie is goed hij is goed voor mij
geworden gedurende de dag
en dit is de relatie die ik wilde
de donkere vloeistof die mij wakker maakt in een gestolen kopje.
“Laten we eens samenvatten hoe de zaak ervoor staat,” zegt de neuroloog. “Ja, laten we samenvatten,” fluisteren ze allebei. “De klachten zijn niet geheel en al denkbeeldig. Er heeft zich daadwerkelijk atrofie in de hersenkwab voorgedaan en die duidt op een lichte degeneratie.” “Waar precies?” “Kijk hier, in de hersenschors.” “Het spijt me, maar ik zie niets.” Zijn vrouw buigt zich voorover naar de foto. “Ja, iets donkers hier,” geeft ze toe. “Maar dat is toch maar heel klein.” “Inderdaad, heel klein,” bevestigt de neuroloog, “maar het kán zich uitbreiden.“ Kan, slechts kán? Of gaat het ook gebeuren?” Zijn stem trilt. “Kan en het gáát ook gebeuren.” “En in welk tempo?” “Er gelden geen vaste regels voor welke pathologische ontwikkeling dan ook en zeker niet in de hersenschors. Het tempo hangt verder ook van u af.” “Van mij af? Hoezo van mij?” Van uw gedrag. Dat wil zeggen, van hoe u ertegen vecht, hoe u zich teweerstelt.” “Mij teweerstel tegen mijn hersens? Hoe dan?” “De ziel tegen de hersens.” “En ik heb altijd gedacht dat dat hetzelfde was.” “In het geheel niet, in het geheel niet,” zegt de neuroloog beslist. “Hoe oud bent u, meneer?” “Drieënzeventig…” “Nog niet,” corrigeert zijn vrouw, “hij streeft altijd verder… tot het einde toe…” “Kijk eens aan,” bromt de arts, “dat is ook al niet zo best.” Voor het eerst ontdekt de patiënt dat tussen de krullen van de neuroloog een klein keppeltje verstopt zit. Toen hij liggend werd onderzocht had de arts het waarschijnlijk afgedaan uit angst dat het op zijn gezicht zou vallen. “Want kijk, bijvoorbeeld, de namen die u niet te binnen willen schieten…” “De voornamen vooral,” haast de patiënt zich de puntjes op de i te zetten. “Want achternamen komen nog betrekkelijk gemakkelijk bij me op, maar de voornamen smelten als het ware weg wanneer ik ze probeer aan te raken.” “Kijk eens aan, daarmee hebt u al een klein slagveld. Neem geen genoegen met slechts de achternamen, geef de voornamen niet zomaar op.” “Ik geef niets zomaar op, maar wanneer ik moeite doe erop te komen, springt zij er meteen bovenop en is me voor.” Dat is niet zo best,” berispt de arts zijn vrouw. Mat is niet handig, zo helpt u hem niet verder.” “Dat is waar,” erkent zij volmondig haar schuld. “Maar soms duurt het zó lang voordat hij erop komt, dat hij inmiddels vergeten is wat hij ermee wilde zeggen.” “Maar toch moet u hem de gelegenheid geven om er zelf op te komen en voor de herinnering te vechten, alleen zo zult u hem helpen.” “IJ hebt gelijk, dokter, ik beloof dat ik zo zal doen voortaan.” “Vertel me eens, bent u nog werkzaam?” “Niet meer. Ik ben met pensioen, inmiddels vijf jaar.” “Met pensioen, maar wat deed u als ik wagen mag?” “Israëlische Wegenbouw.”
“We zijn net verhuisd.” Zo’n veertig boekendozen staan in het souterrain tot twee indrukwekkende muren opgestapeld, langs de wanden waar straks de nieuwe kasten zullen verrijzen. “Ik zie het.” Maar mijn twee schrijftafels heb ik tenminste in elkaar geschroefd, al ben ik sinds we hier wonen nog niet aan schrijven toegekomen. Ik bied Monique de enige beschikbare stoel aan, leun zelf tegen de tafel waarop mijn laptop ligt. MacBook Pro, relatief nieuw. Bijna drieduizend ballen in de winkel. Daar kan ze straks mooi beslag op leggen. Ik vraag of ze koffie wil, maar ze blijft niet lang, zegt ze. Meteen erger ik me aan mijn vormelijkheid: waarom zou je de duivel in eigen persoon proberen te behagen met koffie? Mijn duimnagel blijft haken in mijn baard, waar ik blijkbaar aan zat te frunniken. Voorzichtig lostrekken, inspecteren: de zeis heeft twee haartjes losgemaaid. Het gesprek dat volgt heb ik vaker gevoerd. De laatste keer moet een paar jaar geleden zijn geweest. Ik had gehoopt en me voorgenomen dat die tijd voorgoed voorbij was, dat ik de rommel van het studentikoze leven achter me had gelaten met de komst van een kind en de aankoop van een echt grotemensenhuis. In de foliomap: twee exploten. Stamelend geef ik een veel te vergezochte verklaring voor mijn gedrag, maar daar komt Monique Sluiter niet voor. De tijd van verklaringen is al gepasseerd. Er moet nu gewoon betaald worden. Driftig noteert ze allerhande gegevens op de formulieren in haar map. Haar huid lijkt nu nog postmortaler, in de weerkaatsing van de vanillevlageel geschilderde wanden van het souterrain. Dan noemt ze het bedrag. Volgens mij weet ik mijn gezicht in de plooi te houden terwijl ik haar woorden incasseer. Maar hoe moet ik dit straks aan Liek vertellen? Zou ze ons gehoord hebben? Dat ze dacht: wie belt er? En dat ze mij dan gehaast iemand met een vrouwenstem naar het souterrain hoorde loodsen… Liek wordt gek, die gaat helemaal over de rooie. Het einde van onze nog maar net begonnen idylle in dit droomhuis. De voorgenomen idylle die zoveel problemen moest oplossen, maar die, zoals het er nu naar uitziet, niets is dan een voortzetting of zelfs een verergering van die problemen.”
Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.
De Honingbeer
Billie Holiday was op de radio Ik stond in de keuken en rookte mijn sigaret van dit pakje dat ik vanavond leeg wilde maken laatste avond van mijn rokende jeugd. Ik maakte een kopje van dat grappig soort thee dat ik ergens had liggen Een beetje te zoete en vreemde mix. Mijn enige impuls was om hem zoeter te maken. Ivy Anderson zong behoorlijk laat vanavond in mijn zeer lichte keuken. Ik sta me bij het bad een beetje ouder te voelen, bijna dertig in mijn zeer lichte keuken vanavond. Ik ben geen slecht uitziende vrouw veronderstel ik O het is erg stil in mijn keuken vanavond Ik knijp in deze plastic honingbeer een sliertje honing druipt in de gekke zoete thee. Het is behoorlijk laat Het deksel van de honingbeer zat los en op de een of andere manier druipt er honing langs het gezicht van de beer blijft hangen in de spleten onder de ogen van de beer O heel verdrietig en lief. Ik sta in mijn keuken, oh lieverd Ik staar naar het gezicht van de honingbeer.
Uit: De Mens Zichzelf een Vraagstuk (L’Homme Problématique, vertaald door Edward Brongersma)
“We zagen dat Nietzsche niet stil blijft staan bij de uitspraak ‘God is dood’, op dezelfde manier als Pascal, in een toespeling op een passage uit Plutarchus, eens zei: ‘De grote Pan is dood’. Wat Nietzsche beweert is oneindig tragischer, omdat hij zegt dat wij, wij. zelf, God hebben gedood, en dit alleen verklaart de heilige ontsteltenis waarmee Nietzsche hier zijn uitspraak doet. Men heeft mij verzekerd dat Jean-Paul Sartre, toen hij op het toppunt van zijn roem was, en vlak na de bevrijding door de journalisten te Genève werd binnengehaald, hun zo eventjes tussen neus en lippen door uiteenzette: ‘Mijne heren, God is dood’. Wie ziet niet, dat dit existentieel een geheel andere klank heeft, juist omdat de heilige ontsteltenis eruit verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor de voldane toon van iemand, die voorgeeft zijn stelsel te grondvesten op de puinhopen van iets waaraan hij nooit geloofd heeft? En toch kan men zeggen, dat de beweerde dood van God reeds bij Nietzsche de trekken vertoont van een inleidend feit, in deze zin dan dat deze tragische gebeurtenis de weg vrijmaakt voor de komst van de Übermensch; deze kan immers onmogelijk komen eer de daad is verricht waardoor de mens zich de dood van God bewust maakt en in zeker opzicht zijn verantwoordelijkheid daarvoor erkent. In de studie, die Heidegger in zijn ‘Holzwege’ heeft gewijd aan de dood van God bij Nietzsche, brengt hij ons in herinnering, dat met het bewust worden van de dood van God ook de bewustwording begint van een radicale verandering in de waardering van die waarden, welke tot dusver als de allerhoogste werden beschouwd. De mens zelf komt dan te verkeren in een andere en verhevener geschiedenis, omdat de wil tot macht daar ervaren en erkend wordt als het beginsel, dat aan de waarden hun plaats geeft. Het kan overigens niet sterk genoeg worden beklemtoond, dat dit het gegeven is waarmee Nietzsche meent te kunnen ontkomen aan het nihilisme. Want daarin zouden wij vervallen, of daartoe zouden wij gedoemd zijn, als wij niet doorgingen doch bleven stil staan bij de dood van God, als wij in alle gemoedsrust het lieten bij het vaststellen van dit tragisch gebeuren, of als we er zelfs een soort pervers genot uit gingen putten, in plaats van te begrijpen, dat dit slechts een uitgangspunt kan zijn, zoiets als een springplank voor de sensationele sprong, voor het scheppend vooruitschieten, waarzonder de Übermensch en de Übermenschheit ondenkbaar zijn.”
Ooit zal de sneeuw oplossen in smeltwater en een bruisend beekje worden, dat de donkere rivieren oplicht in hun bewaakte loop naar de zee. Ooit zullen de wolken opstijgen en het podium vrij maken voor de smekende ogen. Ooit zullen we weer buiten zitten aan de fris gebeitste tafels en de boeken lezen, die winterslaap hielden. Dus kom alsjeblieft snel, zoals het er nu uitziet wordt het ooit weer
The window frame catches a draft that smells of dead leaves and wet street, and I wrap arms around my knees, look down on these small breasts, so my spine forms a curve as perfect as the rim of the moon. I want to tell the man sleeping curled as a child beside me that this futon is a raft. The moon and tiny star we call sun are the parents who at last approve of us. For once, we haven’t borrowed more than we can return. Stars above our cement backyard are as sharp as those that shine far from Brooklyn, and we are not bound for anything worse than we can imagine, as long as we turn on the kitchen lamp and light a flame under the pot, as long as we sip coffee from beautiful China-blue cups and love the steam of the shower and thrusting our feet into trousers. As long as we walk down our street in sun that ignites red leaves on the maple, we will see faces on the subway and know we may take our places somewhere among them.
Sometimes It’s Easy to Know What I Want
On a road that cuts through the richest, non-irrigated land in the nation, according to some Lancaster, PA, natives,
a minivan slowed, and a woman with a good haircut yelled, Do you want a ride, or are you walking because you want to?
I didn’t reply because my life felt so wrecked— no matter the reason, either you get this or you don’t—
wrecked in the way that makes gestures of tenderness devastating, like the time I showed up in Minnesota, brittle
with sorrow, and the professor sent to fetch me asked if I wanted heat in the seat of his sports car
or the local apple he’d brought in case I arrived hungry. I didn’t know people make seats to hold a body in radiance
like the merciful hand of God. The apple was crisp and cold and sweet. Maybe I looked in his eyes and shook his hand
in both of mine when I left, I don’t remember. Months later, he sent an empty seed packet, torn open, lithographed
with a fat, yellow annual no one grows any more, flamboyant as Depression-era glassware. That was all, thank you.
Thank you, oh thanks so much, I finally told the woman framed by a minivan window, but yes, I do want to walk.
Landschap met verlangen
Volgende maand zullen de esdoorns langs deze laan woeden oranje en scharlaken. Sparren onderscheiden we nauwelijks aan die verre kust zullen hun donkere vormen zichtbaar worden, dus we worden verscheurd tussen het allemaal in ons opnemen vanaf de veranda of een duik nemen. ’s Nachts trekken we sweatshirts aan, gaan op de kade liggen, hoofden genesteld in zwemvesten, en wachten op meteoren die langs de augustushemel schieten zoals ladders in de zwartste kous tegen de witste dij. Bij elk dalend licht, stijgen onze stemmen op als liefdeskreten, urgenter en luider dan welke eenzame duiker of coyote dan ook die naar zijn maatje roept. Alleen wij vermengen verlangen en verlies op deze wijze; alleen wij wachten.
Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)
“Ze smakken en sluipen, hun kaken glimmen van het vet, zo nu en dan glijden hun oogappels naar boven en is hun blik wit en leeg. En ook al wordt Lot bang als hij dat ziet, toch wil hij niet dat er een eind komt aan de maaltijd, want zolang ze aan het eten zijn, schenken ze geen aandacht aan wat er om hen heen gebeurt en buiten op straat roept de menigte nu zijn naam. Daarom staat hij behoedzaam op zodra de hoeveelheid op tafel slinkt, hij glipt naar de voorraadkelder om meer eten te halen en zet dat zo discreet mogelijk voor hen neer om hun aandacht niet te trekken en de trance waarin ze verkeren niet te verbreken. Misschien lukt het, denkt hij. Na een maal als dit zijn ze vast slaperig, en als hij te kennen geeft dat hij zich terugtrekt voor de nacht, volgen ze misschien zijn voorbeeld. Het is tenslotte al laat, denkt hij. En hij heeft al een bed voor hen klaargemaakt. Uit die gedachte schept Lot moed. Dan ontdekt hij dat de twee engelen naar hem zitten te kijken. Met een rood hoofd vraagt hij of ze genoeg hebben gehad. Ze knikken en bedanken hem voor het eten. Buiten is het stil. Als hij de tafel heeft afgeruimd, rekt hij zich gapend uit. `Het is al laat’, zegt hij. ‘Tijd om te gaan slapen, misschien?’ De engelen schuiven hun stoel naar achteren en komen overeind. Van hun onbeheerste gedrag tijdens de maaltijd is niets meer te bespeuren, de beide dienaren van de Heer stralen weer rust en waardigheid uit en heel even heeft Lot het gevoel dat hij het allemaal heeft gedroomd. ‘Ik heb daar een bed voor jullie klaargemaakt’, zegt hij en hij wijst naar de kamer ernaast. ‘Als jullie even meelopen …’ Het lukt! denkt hij. Het lukt! Net op dat moment klopt er iemand hard op de buitendeur. Lot doet alsof hij niets hoort, hij loopt door, maar achter hem zijn de engelen blijven staan. Wat was dat? vraagt de een. ‘Vast een paar kwajongens’, zegt Lot. ‘Niet de moeite waard.’ Dan dringt er geschreeuw van de straat tot hen door. ‘Lot!’ wordt er geroepen. Waar zijn die mannen die bij je overnachten? Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!’ Er is niets aan te doen. Met de kaars in zijn hand loopt hij langs de twee engelen, doet de deur open en wendt zich tot de menigte die zich buiten heeft verzameld. Maar hij heeft de hoop nog steeds niet opgegeven. Want zoals in de Schrift staat: ‘Lot ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. “Maar vrienden, zoiets kunnen jullie toch niet doen!”‘ Waar het hier om gaat, is niet het verzoek dat hij tot zijn medeburgers richt, maar de informatie dat hij erop toeziet eerst de deur achter zich dicht te doen. Lot probeert dus nog steeds te vermijden dat de engelen erachter komen wat er gaande is. Dat heeft iets ontroerends, vind ik wat moet hij vertwijfeld zijn als hij probeert met behulp van een dichte deur te verhinderen dat de engelen iets merken.”
Christkindlesmarkt auf der Fleischbrücke in Nürnberg door Wilhelm Ritter, 1891
Advent
Nog is het uur niet vervuld, maar ik voel het reeds leven in mij achter de zeven sluiers van het geduld
en ik zal het dansen zien uit mijn windsels geboren, ik zal de liederen horen licht en subliem.
En zie, de kinderen gaan als vingers op de kleppen van een fluit en zij reppen zich steels naar de maan.
Die ademt snel in en uit, wezen en schijngestalten wisselen en daar valt een ster in het oor van een bruid.
Dan is het uur vervuld en ik zal het zien leven om mij heen in de zeven dagen van het geduld.
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010) Het Centraal Station van Rotterdam, de geboortestad van Guillaume van der Graft, in de Advent
Uit: De komst van een kind (Vertaald door Wendy Prins)
“Maj neemt de laatste tafel af, spoelt de vaatdoek uit en ziet dat Ingrid haar schort uitklopt voor ze haar koffiekopje pakt en zegt tuurlijk ga je mee, Maj. Olof is knap en blij en glimlacht naar Maj, laat Ingrid niet merken hoe hij naar haar kijkt, met zijn bruine ogen, dik, donker haar en een lok die over zijn voorhoofd valt, onwillekeurig of bewust, dat weet ze niet, maar die ogen en Maj pakt de porseleinen kan met koffie. Blieft meneer nog een kopje koffie, vraagt ze, voor de grap, theatraal, heel graag, lieve juffrouw, antwoordt hij en hij houdt zijn kopje bij. Zweetvoeten, ze kan niet met hen meegaan met deze stinkende voeten die de hele dag in hakschoenen bekneld hebben gezeten. Nee, gaan jullie maar, zegt ze en zet de kan op de toonbank. Ah, doe niet zo saai, zucht Ingrid, nu met donker gestifte lippen wanneer heeft ze dat gedaan? toen Olof kwam waren ze nog bleek, als ze de lunchroom sluiten hebben ze beiden meestal een blos op hun wangen en ruikt hun haar naar vet en kardemom van de bakkerij in de ruimte ernaast heeft Ingrid nooit stinkvoeten? En dan zegt Ingrid dat Tomas aardig is en er goed uitziet en hij heeft een auto. We gaan alleen maar een eindje rijden, naar Gullvik of Skeppsmaln, het is zo n heerlijke avond, bovendien is het zaterdag. Een krap bemeten toilet, een kleine wastafel, maar met koud en warm water. Moeizaam brengt ze haar ene voet omhoog, om hem in te zepen, schoon te spoelen, af te drogen, ook tussen de tenen. Wat doe je daar, roept Ingrid, de andere voet, onder haar oksels, haar onderbroek, nee, ze kan niet in vieze zijden kousen en stinkend ondergoed meegaan. Lippenstift, rouge, haar wenkbrauwen worden veel te donker met die roetzwarte mascara, ze veegt het uit en ziet opeens bont en blauw rond haar ogen, maakt de handdoek nat, doet er zeep op, boent stevig langs haar wenkbrauwen. Zo is het in elk geval beter. Zonder kousen. Nee, dat is nog erger, dat gaat niet, ze moet de oude kousen maar aan en net doen of het Ingrid is die stinkt. Hij zou ook rijk zijn, Tomas, dat heeft Ingrid tussen neus en lippen door genoemd, en als ze de achterdeur op slot doen, zegt Olof dat niets zo verrukkelijk is als mooie meisjes in een zomerjurk, niet bloedserieus, maar toch. Zie je mij nu, Erik, dat ik een eigen kamer heb en vrienden en werk? Olof geeft ook haar een arm, met tikkende hakken lopen ze naar de Viktoriaesplanaden. De auto staat op de binnenplaats en Olof zegt dat het geen probleem zal zijn om hem over te halen, maar ze wil niet mee naar binnen, haar benen trillen zo, en dan zegt Ingrid dat ze mee moet, anders zegt Tomas misschien wel nee en wil hij in de stad blijven. Hij heeft vast wel wat in huis, zegt Olof en dan lopen ze de trap op, naar de derde verdieping, ze is buiten adem als ze bij de deur zijn. Olof belt aan, trekt haar naar zich toe, ze moet goed te zien zijn als Tomas opendoet, maar het blijft stil daarbinnen, Olof drukt nogmaals op de bel, harder, en langer nu.”
Op je veertiende was je de god die ik aanbad Je was goudbrons en zwart mooi als Perseus in je Siciliaanse huid
Je hebt me het hof gemaakt met zeebaars en de blues van een gladde huid en nam me mee uit vissen om vijf uur (Nooit daarvoor of daarna was ik zo vroeg te zien)
Ik herinner me dat de boot schommelde en het was koud Ik herinner me de mist Ik wilde dat je me kuste bij wijze van experiment (maar ik was pas twaalf en jij deed het niet)
Vandaag, vissend op het internet kwam ik je tegen vreselijk dik maar nog steeds vissend met een helderrode roodbaars dood aan je hengel