Uit: Imperium (Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen)
“Mijn naam is Tiro. Zesendertig jaar lang was ik de privésecretaris van de Romeinse staatsman Cicero. In het begin was dit spannend, toen verbijsterend, vervolgens zwaar en ten slotte uitermate gevaarlijk. In die jaren heeft hij waarschijnlijk meer tijd met mij doorgebracht dan met enige andere persoon, inclusief zijn eigen gezin. Ik was aanwezig bij zijn privé-bijeenkomsten en bracht zijn geheime berichten over. Hij dicteerde me zijn redevoeringen, zijn brieven, zijn literaire werken en zelfs zijn gedichten: zulk een woordenvloed dat ik wat algemeen bekendstaat als het stenoschrift moest uitvinden om de stroom bij te kunnen houden, een systeem dat nog steeds wordt gebruikt om de debatten van de senaat op te tekenen en waarvoor mij onlangs een bescheiden uitkering is toegekend. Dit, samen met een paar legaten en de barmhartigheid van vrienden, is voldoende om in mijn oude dag te voorzien. Ik heb weinig nodig. Oude mensen leven van de lucht en ik ben erg oud, bijna honderd, zo wordt mij althans verteld. In de decennia na zijn dood werd me vaak gevraagd, meestal op fluistertoon, hoe Cicero nu echt was geweest, maar ik heb mij daar nooit over uitgelaten. Hoe kon ik weten wie een regeringsspion was en wie niet? Elk moment verwachtte ik te worden geëlimineerd. Maar aangezien mijn leven bijna ten einde is, en aangezien ik niets meer vrees – zelfs marteling niet, want ik zou vrijwel meteen bezwijken onder de handen van de carnifex of zijn assistenten – heb ik besloten dit werk aan te bieden als mijn antwoord. Het is gebaseerd op mijn geheugen en op de documenten die ik in beheer heb gekregen. Omdat mij onvermijdelijk nog maar weinig tijd is gegund, ben ik van plan het snel te schrijven, met behulp van mijn stenosysteem, op een twintigtal kleine rollen van het fijnste papier – niets minder dan Hieratica – dat ik geruime tijd voor dit doel heb opgespaard. Ik vraag op voorhand vergiffenis voor al mijn fouten en stilistische gebreken. Ik bid ook tot de goden dat ik het einde bereik voor mijn eigen einde gekomen is. Cicero’s laatste woorden aan mij waren een verzoek om de waarheid over hem te vertellen en dat is wat ik zal proberen te doen. Als hij niet altijd naar voren komt als een toonbeeld van deugd, dan zij het zo. Macht brengt een man een hoop weelde, maar een paar schone handen behoort daar zelden toe.”
Ophelia drijft dagelijks Aan je voorbij. De ene Hamlet na de andere bloedt dood De rest is erger dan zwijgen want huichelarij. Je ontmoet ze elke dag broer je broers uit het de Klassieken en de klacht van Faust bevat het oude nieuwe lijden van iemand die zichzelf verkocht. De wijze Nathan heeft zijn plicht volbracht, gedaan wat moest en is verbrand. Geeft niets! Het publiek bedenkt zelf wel nieuwe joden. Alleen jij en ik bevuild met angst en medelijden van alle drama’s ervaren niets anders dan dat wij de edelfiguranten zijn voorbij de woorden die ons niemand gaf.
“Frances lit a cigarette with her gold lighter. She liked this lighter best due to its satisfying weight, and the distinguished click! it made at the moment of ignition. She aimed the glowing cherry at the hostess, now visible in an upstairs window, speaking with one of her guests. Frances shook her head. “Born to bore.” Malcolm was inspecting a framed photograph he’d stolen from the hostess’s bedroom. “She’s just drunk. Hopefully she won’t remember in the morning.” “She’ll send flowers if she does.” Frances took up the photograph, a recent studio portrait of the hostess. Her head was tilted back, her mouth ajar, a frantic happiness in her eyes. Frances ran her finger along the edge of the ornate frame. “Is this jade?” “I think it is,” said Malcolm. “It’s very beautiful,” she said, and handed it back to Malcolm. He opened the frame and removed the photo, folding it in crisp quarters and dropping it into a trash can beside their bench. He returned the frame to his coat pocket and resumed his study of the party, pointing out a late-middle-aged man with a cummerbund encasing a markedly round stomach. “That man’s some type of ambassador.” “Yes, and if those epaulets could talk.” “Did you speak to his wife?” Frances nodded. “Men’s teeth in a child’s mouth. I had to look away.” She flicked her cigarette into the street. “Now what,” Malcolm said. A vagrant approached and stood before them. His eyes were bright with alcohol and he asked in a chirpy voice, “Got anything to spare tonight, folks?” Malcolm was leaning in to shoo the man when Frances caught his arm. “It’s possible that we do,” she said. “But may we ask what you need the money for?” “Oh, you know.” The man raised and dropped his arms. “Just getting by.” “Could you please be more specific?” “I guess I’d like a little wine, if you want to know.” He swayed in place, and Frances asked him, in a confiding voice, “Is it possible you’ve already had something to drink tonight?” “I got my edges smoothed,” the man admitted. “And what does that mean?”
“Means I had a drink before, but now I’m thinking about another.”
Weer de emmers zorgzaam gevuld met water. Nog een keer onblusbaar de branden, de dorst van stervenden. Goedkope gasmaskers naast de bedden. Ook de haat is stevig geïnstalleerd net als de angst. De blinden en kreupelen dient men weg te sturen van de deur: Gezegend van wie er nog een geschikt is. Voor donkerhuidigen dreigt de dood, een meester uit Duitsland in geen geval alleen, eerder Heer van de wereld. Hoplieten trekken door de straten, ze drinken op hun gezondheid ons bloed, genieten van ons vlees. De oude vrouw in de goot is het uitbenen niet waard. Ratten keren terug uit de literatuur in de krankzinnige realiteit als overwinnaars van verloren en gewonnen veldslagen.
“1 Denk je dit eens in: je rolt je op in de vertrouwde ruimte onder je baas z’n bureau, je legt je poten goed, je steekt je snuit in de warmte van je eigen buik en dan val je in slaap in de veilige zekerheid dat hij boven je hoofd een stukje zit te tikken. Maar als je weer wakker wordt: geen baas te bekennen. Je kijkt om je heen, je spitst je oren. Hoe is dit mogelijk? Nu moet je op zoek naar die man. Trap af, en je snuffelt aan de badkamerdeur, de slaapkamerdeur. Doodse stilte. Nog een trap af, en je snuffelt aan de wc-deur, de woonkamerdeur. Hij zal toch het huis niet uit zijn – zonder dat je het gemerkt hebt? Sinds hij doof is, probeert de hond me doorlopend in het oog te houden. Zelfs als je de tv aanzet, voorheen het sein om direct de kamer uit te gaan, blijft hij nu bij je. Als je hem in de tuin laat, staat hij elke vijf minuten met zijn voorpoten tegen de vensterbank om te kijken waar je zit. Zijn doofheid vervult hem met wantrouwen. Ik vraag me weleens af of hij zich de tijd dat zijn oren nog naar behoren functioneerden herinnert, of de woorden die hij had leren verstaan hem nog weleens te binnen schieten – Rekel, eten, zit, kijk, poes, pak je riem, ga je mee? Zou hij vanuit zijn huidige wereld kunnen terugdenken aan die van vroeger? Dus dat hij zich afvraagt wat er nou toch is misgegaan. Waarom práten ze nooit meer met me? Waarom fluíten ze niet gewoon als ze me nodig hebben?”
ein Stein schläft in meiner Hand ich habe ihn mitgebracht vom Friedhof in Prag vom jüdischen Friedhof er erzählt mir heute nicht alles doch ich verstehe seine Angst ich wische den Staub weg und stoße auf Blut auf Blei vielleicht sollte ich ihn wecken damit er endlich sterben kann
Heimkehr
mit geschlossenen Augen in den Garten zu gehen die Arme zu heben wie zum Gruß Krähen belagern Bäume rundum in der Ferne Wetzen von Stahl dann ist der Zauber vorbei stehen wir wieder am Steingang Willkommen daheim sagt jemand fast verschreckt
Ratisbona
Steine sind auferstanden von den Toten längst vergessen jene die Steine einst verschleppten am hellichten Tag jubelnd dass endlich alles verschwinden möge im Abort wer aber jubelt jetzt zeigt stolz auf jene die wiederkommen wieder Steine wachsen hören am hellicnten Tag
Vastlopen
of het onweer losbarst wie weet of de wolken wegtrekken zolang niemand er naar vraagt zal er niks gebeuren
roestvrije viaducten rollende wielen zoals gewoonlijk scheurvorming op de rails
de trein rolt uit de morgen rolt over dorpen en mensen
in de voorste treincoupés viert men al de zonsverduistering de machinist speelt schaak op het eindstation
„Meine Mutter weinte, wenn sie sehr glücklich war. Sie nannte diesen Widerspruch »Glückstränen«. Mein Vater dagegen war ein überaus fröhlicher Mensch, der überhaupt nicht weinen konnte. Und ihr Kind? Ich erfand eine neue, melancholische Art des Lachens. Man könnte es als »Trauerlachen« bezeichnen. Diese Entdeckung machte ich, als mich das Regime packte und in Ketten warf Wann immer mehrere Gefängniswärter unsere Zelle betraten, begann das wöchentliche Todesspiel von Neuem: mit schweren Militärstiefeln getreten oder mit knochigen Fäusten und unerbittlichen Offiziersstäben geschlagen zu werden. Jedes Mal versuchte ich verzweifelt, wenigstens mein Gesicht mit den Händen zu schützen, und überließ den Rest meines Körpers den Wärtern. Einmal war ich ganz in der Gewalt eines Wärters, den ich Charlie Chaplin nannte. Er trieb nur einige Wochen lang bei uns sein Unwesen, danach habe ich ihn nie wieder gesehen. Er war sehr klein, nur knapp über einen Meter groß, schien mir, und trug einen lustigen Zweifingerschnurrbart. Er hatte einen Offiziersstab bei sich, mit dem er gerne um uns herumtanzte und immer wieder auf uns einstach und -schlug. Wenn er einen Gefangenen verprügelte, biss er sich mit spitzen Zähnen vor Lust auf seine wulstige Zunge und schrie, dass ihm der Speichel aus den Mundwinkeln triefte: »Hiwanat – Tiere!«, und schlug weiter und weiter wie eine Maschine auf uns ein. Chaplin malträtierte mich übel mit dem Stab, und ich krümm-te mich wie üblich wimmernd vor Schmerz, Hilflosigkeit und Hass auf dem Boden. Als er kurz Pause machte, um wie ein hechelnder Hund nach Luft zu schnappen, befreite ich mein Gesicht von den schützenden Händen und warf einen schnellen Blick auf das seine. Er war erschöpft, schwitzte, und noch immer hielt er seine Zunge zwischen den Zähnen. In diesem Moment musste ich unwillkürlich an den echten Charlie Chaplin denken und konnte mich nicht länger beherrschen. Ich prustete laut los und schrie in allen Tonlagen, krümmte und gebärdete mich, als hätte ich Lachgas eingeatmet. Den Wärtern fielen vor Überraschung fast die Knüppel aus der Hand, und sie beobachteten mich wie ein Wissenschaftler ein höchst seltenes und unerklärliches Phänomen. Einer brach schließlich das Schweigen und forderte, ich solle aufhören. Ich konnte aber nicht. Ich versuchte es, musste aber doppelt so laut und heftig wie zuvor loslachen. Während ich mich auf dem Boden wälzte, bekam ich einen Fußtritt in den Magen und einen anderen in die Nierengegend – beide ohne Wirkung und ohne dass ich sie überhaupt spürte. Das Lachen machte mich unempfindlich gegenüber dem Schmerz, gegenüber der Angst und gegenüber der Verzweiflung. »Aufhören, du Wahnsinnger!«, befahl einer. Aber ich lachte weiter. Der falsche Charlie Chaplin raunte schließlich seinen Kolle-gen zu: »Ich glaube, er hat seinen Verstand verloren!« Als ich das hörte, war es ganz um mich geschehen; ich explodierte förmlich wie eine Mine. Ich zitterte am ganzen Leib, schlug wie ein protestierendes Kind mit den Händen auf den Zellenboden und strampelte dazu mit beiden Beinen.“
“Die verwitwete Julia Mann dachte nicht daran, die literarische Tätigkeit ihres Ältesten zu behindern, ja sie begann selbst, Erinnerungen an ihre Jahre in Brasilien aufzuschreiben, und sie konnte herrlich erzählen von ihrem Leben in einem wunderlichen Haus zwischen Ozean und Regenwald unter pittoresken Menschen und Tieren. Sie spielte auch gut Klavier und sang vortrefflich. Die künstlerischen Ambitionen ihrer beiden ältesten Söhne hat sie nachhaltig unterstützt. Neben der literarischen Neigung entwickelte Heinrich einen starken Drang, seine Meinung öffentlich zur Geltung zu bringen. Seinen ersten publizistischen Auftritt hatte er als Mitarbeiter und Herausgeber der Zeitschrift Das Zwanzigste Jahrhundert. Deutschnationale Monatshefte für soziales Leben, Politik, Wissenschaft und Literatur. Das Blatt existierte von Oktober 1890 bis Oktober 1896 im Verlag der Deutschsozialen Antisemitischen Partei, die damals im Reichstag vertreten war. Dann wurde es mangels Absatz eingestellt. Heinrich Mann verfasste insgesamt etwa 50 Beiträge für diese völkische Kulturzeitschrift. Auch seinen Bruder Thomas zog er als Rezensenten heran. Die proklamierten Inhalte standen konträr zu allem, was Heinrich Mann später vertreten hat und was sein Bild prägte. Hier sprach er sich für einen starken Monarchen aus, für eine Ständeverfassung, für deutsche Kolonien, für die gesunde Familie als Basis der Gesellschaft. Von allen reaktionären Meinungsäußerungen dieser Phase sind die antisemitischen am schwersten erträglich. Kenntnis von jüdischer Religion, jüdischem Leben oder der realen Lage der im Deutschen Reich lebenden Juden besaß er nicht. In einem scharfen Artikel vom September 1895 (Jüdischen Glaubens) heißt es, Juden könnten keine Deutschen sein. Deshalb müsse man auch für die »Unterdrückung der Judenschaft« eintreten. Die jüdische Hochfinanz müsse man wie eine unheilvolle Bestie in Käfige sperren oder ausrotten. Erstaunlicherweise setzte sich Heinrich Mann für die Verständigung zwischen Deutschland und Frankreich ein, allerdings mit der Begründung, auch in französischen Adern schlage germanisches Blut. Mit dieser Sicht stand er innerhalb der völkischen Rechten allein, für die Frankreich als der Erbfeind galt.“
Manfred Flügge (Kolding, 3 maart 1946) Julia Mann met haar kinderen, Juia, Heinrich en Thomas
Zoiets onbeduidends: een blik op je dossier op het doktersbureau of een brief die niet voor jou bedoeld is. Hoe had je het kunnen weten? Het is niet waar dat je leven in een flits aan je voorbij trekt, maar je horloge tikt plotseling als een vergroot hart, de handen bevriezen tegen een wit dat een oordeel is. Anders niets. Het gezicht in de spiegel is nog steeds van jou. Twee mannen passeren op de stoep en staren niet naar je raam. Je kamer is stil, de planten opgesloten in hun mysterieuze leven zoals gewoonlijk. De koningin-van-de-nacht weigert te bloeien, accepteert jouw definitie niet. Het slaat nergens op, dat je de straat afzoekt naar een verkeersopstopping, een nieuwe scheur in de bestrating, een vlag halfstok — tekens van enige onrust in de wereld omdat je vriend, de ochtendzon, zijn donkere kant naar jou heeft toegekeerd.
Vertaald door Frans Roumen
Lisel Mueller (8 februari 1924) – 21 februari 2020)
VI Although I do not hope to turn again Although I do not hope Although I do not hope to turn
Wavering between the profit and the loss In this brief transit where the dreams cross The dreamcrossed twilight between birth and dying (Bless me father) though I do not wish to wish these things From the wide window towards the granite shore The white sails still fly seaward, seaward flying Unbroken wings
And the lost heart stiffens and rejoices In the lost lilac and the lost sea voices And the weak spirit quickens to rebel For the bent golden-rod and the lost sea smell Quickens to recover The cry of quail and the whirling plover And the blind eye creates The empty forms between the ivory gates And smell renews the salt savour of the sandy earth
This is the time of tension between dying and birth The place of solitude where three dreams cross Between blue rocks But when the voices shaken from the yew-tree drift away Let the other yew be shaken and reply.
Blessèd sister, holy mother, spirit of the fountain, spirit of the garden, Suffer us not to mock ourselves with falsehood Teach us to care and not to care Teach us to sit still Even among these rocks, Our peace in His will And even among these rocks Sister, mother And spirit of the river, spirit of the sea, Suffer me not to be separated
And let my cry come unto Thee.
(T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965) St. Alphonsus Liguori Catholic Church, Saint Louis, Missouri, de geboorteplaats van T. S. Eliot
Op zijn dertiende wil mijn zoon, zijn lichaam een kleerhanger die uit een tanktop steekt en wijde broeken, maar een ding begrijpen – dat betekent, alles
Zijn moeder spreekt over tuinieren en zaden want dat is wat ze kent
Ik geef een lezing over vliegbanen de snelheid van geluid spoelvloeistof honkbal analogieën economie de derde natuurwet van Newton en sanitaire armaturen omdat ik niets weet de hele tijd vloekend dat ik weet wat het beste is
Hij zit, rug tegen geruite tegelmuur, in een armloze houten keukenstoel onderdeel van de set die zijn moeder en ik kochten voordat we uit elkaar gingen ik denk dat hij van esdoorn is gemaakt,
wachtend op de antwoorden op de vragen die me wakker houden
ik zeg het niet dat de waarheid komt als een droom details vervagend bij zonsopgang of dat het wonder van het leven is dat we overleven ik zeg dat hij het mettertijd zal begrijpen hopend dat dat hem stil houdt voor een tijdje
Een donkere wagen kwam aangereden en een klein meisje stapte uit. Ze kreeg een tasje aangereikt en vrolijk verkleed als clowntje liep ze over het schoolplein. In de school bleek echter dat carnaval pas volgende week was. Het meisje was als enige geschminkt en de hele ochtend moest ze ontroostbaar huilen. Tegen drieën haalde haar moeder haar weer op. Die schrok hevig toen ze het verhaal hoorde en uitvoerig en met tranen in haar ogen vertelde ze wat er die ochtend allemaal mis was gegaan. Ze had misschien maar beter kunnen zwijgen. Dingen uitleggen, daar zijn we allemaal erg goed in.
Nyk de Vries (Noordbergum, 2 januari 1971) Pastorie en Hervormde kerk in Noordbergum
Er komt een tijd dat de bomen hun bladeren laten vallen. De huizen kruipen dichter bij elkaar. Uit de schoorsteen komt rook.
Er komt een tijd dat de dagen klein worden en de nachten groot, en elke avond heeft een mooie naam.
Een daarvan heet Hans en Grietje. Een daarvan heet Sneeuwwitje. Een daarvan heet Repelsteeltje. Een daarvan heet Katerliesje. Een daarvan heet Gelukkige Hans. Een daarvan heet Sterrendaalders.
Op de vensterbank in het donker, zodat niemand hem ziet, zit een kleine ster en luistert.
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)
Er zijn dagen dat je in staat zou moeten zijn het hoofd eraf te tillen als een gedeukte of versleten helm, rechtstreeks van de nek en het sleutelbeen (die krakende takken!)
en het stevig neer te zetten in de bedding van een stromende beek. Heldere, schone, koele stromen, vlietend en schuimend door de zure en muffe compartimenten van de hersenen, troebele trommelvliezen, ontblote oogkassen, beslagen tong.
En het dan weer terug te zetten op de basis van de schouders: goed aangestampt natuurlijk, de frisse huid en mond, het marmer van de ogen gespoeld en klaar voor de liefde; voor profetie?
Vertaald door Frans Roumen
John Montague (28 februari 1929 – 10 december 2016) De Caribbean Carnival Parade in New York.
Wat ik wil worden met carnaval beslist geen cowboy of indiaan geen clown jonglerend met knotsen ringen en bal
ook geen Tarzan slingerend aan een liaan of gorilla die fier op zijn borstkas staat te bonken
wat ik wil worden met carnaval
in elk geval dronken
Harrie Sevriens (17 februari 1957 – 09 maart 2018) Heerlen, de geboorteplaats van Harrie Sevriens tijdens carnaval 2016
Het gemis van carnaval
O Venlo, Venlo, stedje van pleseer. Deze keer deed haar lichaam hem denken aan het platteland, een figuur uit zijn kindertijd, zon op een zeis, wind die schaduwen over de glanzende gerst waait,
de melkemmer gedeukt door gebruik, de geur van bladmulch en leer in de zadelkamer. Straks zou ze de bus nemen en de veerboot van Londen naar Belfast, maar eerst het vuur in haar bedbank. Haar vingers reisden ook,
langs de verheven paarse littekens en zijn wervels, de flanellen lakens tussen haar dijen, zijn haar slepend langs haar buik, de schacht van een veer die door de naden van het dekbed stak,
het dekbed zelf. Die littekens – hij had gelogen tegen haar, zijn tijd in Nicaragua, schurken sneden hem van de velden af. Bloediger was het gevecht met zijn broer, die de tanden van een hooivork sneed,
opgepikt langs de ondergelopen Maas. Alles gereduceerd tot nieuwtje en anekdote, het bier en de schmink van carnaval, straatdansen en tuba, voorbij de modderige Engelse rotondes, de bruine
en witte golven, gele lampen langs Nederlandse snelwegen, zijn werk op het vakbondskantoor vastgepind onder een glazen bol als presse-papier – na het schudden regende het zilveren sneeuw over de brede
strohoed, rode en groene ploeg, het slungelige lichaam, een campesino uit de dagen voordat Somoza viel. Hij vroeg zich af of zij iets beters was, toen zij Franse sociale theorie Ulster in smokkelde, met groepen
samenkwam in de recreatieruimtes van torenflatkelders. Ze had net het nieuws gekregen: haar laatste minnaar overleed in een brand langs de kant van de snelweg, het lichaam op zeven plaatsen gebroken, zilverchroom,
parel en gouden benzinetank verschroeid, zijn fiets verfrommeld onder het omhulsel van een omgevallen busje. Er was niet veel om over te praten. Daarna lag ze met haar rug naar hem toe en hij zong carnavalsliedjes voor haar
in een taal die zij niet sprak, O Venlo, stedje van pleseer. Hij zag zichzelf als de zon, die haar nek kuste bij de haargrens, de grijze kasseien van het stadsplein veranderde in zilver, als ceremoniemeester van optochten.
Vertaald door Frans Roumen
John Hennessy (Philadelphia, 1965) San Mateo Carnavalero in Philadelphia, de geboorteplaats van John Hennessy
De Franse dichter en schrijver Victor Hugo werd geboren in Besançon (Franche-Comté) op 26 februari 1802. Zie ook alle tags voor Victor Hugo op dit blog.
Uit: Les Misérables (Vertaald door Manuel Serdav)
“In 1815 was de heer Charles-Francois-Bienvenu Myriel, een grijsaard van ongeveer vijfenzeventig jaar, al negen jaar bisschop van Digne. Toen hij zijn hoge ambt aanvaardde, hadden er over hem heel wat praatjes en geruchten de ronde gedaan. Hij was de zoon van een parlementslid te Aix en men vertelde dat zijn vader hem als jongen van achttien of twintig jaar reeds had laten trouwen, wat in die kringen overigens niet ongebruikelijk was. Ondanks dit vroege huwelijk echter had Charles Myriel, die kort van stuk was, maar overigens goedgebouwd, geestig en welgemanierd, veel tijd en aandacht aan het wereldse vermaak geschonken. Toen de revolutie uitbrak, was Charles Myriel naar Italië uitgeweken, waar zijn vrouw aan een borstkwaal was gestorven. Kinderen hadden ze nooit gehad. De revolutie, met haar vernietiging van zoveel dat eens een grote rol had gespeeld, maar ook met haar tonelen en staaltjes van zelfverloochening, bleek in Charles Myriel te midden van het genot dat zijn leven in die tijd vulde, ook een geweldige verandering te hebben teweeggebracht. Niemand wist hoe het precies was gegaan. Het was echter een feit dat Charles Myriel, in Frankrijk teruggekeerd, priester werd. Hij was al oud toen hij, als pastoor van Brignolles in strenge afzondering levend, bij een bezoek aan kardinaal Fesh in Parijs toevallig tegenover de keizer kwam te staan. En toen Napoleon, die opmerkte dat de grijze pastoor hem zo nieuwsgierig opnam, vroeg wie hij was, antwoordde pas-toor Myriel: ‘Sire, u ziet een eenvoudig man voor u en ik zie een groot man voor mij. Ieder van ons kan daarmee zijn voordeel doen.’ Niet lang daarna werd Myriel tot zijn verrassing tot bisschop van Digne benoemd. Hij onderging het lot van een ieder die in een kleine gemeenschap komt wonen, waar meer wordt gebabbeld dan gedacht. Hij was ondanks zijn bisschoppelijke waardigheid het onderwerp van allerlei geruchten, maar met de jaren was dat vergeten. Bisschop Myriel was naar Digne gekomen in gezelschap van zijn zuster, juffrouw Baptistine, ongetrouwd en tien jaar jonger dan hij, en hun dienstbode juffrouw Magloire, even oud als juffrouw Baptistine, die hem al diende toen hij nog pastoor was. Juffrouw Baptistine was lang, bleek en zachtmoedig. Men zou haar het ideaal van de eerbiedwaardigheid kunnen noemen. Haar hele leven had ze in reinheid doorgebracht en hoewel ze nooit mooi was geweest, had ze met de jaren de schoonheid van de deugd gekregen. Ze was zo mager, dat ze eigenlijk meer schaduw dan lichaam was; een hoopje bezielde stof zou men haar kunnen noemen. Juffrouw Magloire daarentegen was dik. Ze hijgde altijd, omdat ze voortdurend in de weer was, terwijl ze aan astma leed. Het spreekt vanzelf dat de nieuwe bisschop van Digne bij zijn komst in het bisschoppelijk paleis werd ontvangen met door de keizerlijke wetten voorgeschreven eerbewijzen, want in rang volgde immers een bisschop onmiddellijk op een generaal-majoor.”