Het bevrijdingsmonument (Sint-Joris en de draak) in Helmond
Bevrijding
Die avond dat ik de geluiden hoor, wanneer de stilte weer is dichtgeslagen, een auto in de laan, een vogel voor het venster zingend en zijn lied gaat door, verwijdt het landschap zich, leef ik de dagen van het verleden weer, schoten weerklinken, er rijden treinen door het regenlicht. Onmenselijk ligt de zee rondom te blinken, de aarde staan de tranen in ’t gezicht. De doden liggen met de ogen dicht, maar in een hemel schallend van geluid slaan grote engelen de vleugels uit.
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995) Het oorlogsmonument in Zwolle, de geboorteplaats van Jan Willem Schulte Nordholt
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
Het is wat het is
Het is onzin zegt het verstand Het is wat het is zegt de liefde
Het is ongeluk zegt de berekening Het is alleen maar verdriet zegt de angst Het is uitzichtloos zegt het inzicht Het is wat het is zegt de liefde
Het is belachelijk zegt de trots Het is lichtzinnigheid zegt de voorzichtigheid Het is onmogelijk zegt de ervaring Het is wat het is zegt de liefde
Waarom draait een groot geschil? Kijk vannacht eens lang en dood doodstil vanuit de sterren naar deze kleine aarde. Wat blijft eigenlijk van verre over van onze eigenwaarde? Niets in de eeuwigheid om voor te vechten zo gezien en waar kan een oorlog anders nog toedienen?
Ikzelf was eens in een daarvan gevangen en zag de eeuwigheid al gapen in de dood-saaie eindeloze tijd van ons hopeloos verslappende verlangen naar vrijheid of desnoods een kopje chocola met niets dan eindeloze slaap daarna.
Mensen! Hoe zoet is men geschapen! Hoe prachtig pas men in elkaar! Ik ben verliefd op jullie, maar ik ga met één oog open slapen: ergens is jullie vreselijkste wapen vast bijna klaar.
Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014) Dodenherdenking op de markt in Gouda, de geboorteplaats van Leo Vroman
De Duitse dichter, schrijver en essayist Paul Heyse werd geboren in Berlijn op 15 maart 1830. Zie ook alle tags voor Paul Heyse op dit blog.
In het Coliseum te Rome
Veel rustiger vloeit in dees lucht ons ’t bloed. Hier leert het hart zijn stormen te bedwingen, En schaamt zich dat, waar werelden vergingen, ’t Verganklijk schoon zoo fel ’t nog jagen doet.
Roept hier niet elke steen: ‘Gij worm, gij bloed! Houd op uw nietig Ik voorop te dringen! Wat u beweegt, u klagen doet of zingen, ’t Is een atoom in ’s geestenwerelds vloed!’
Doch, zie, terwijl mij de oeverlooze stroomen Omruischen, waar zooveel in om moest komen, Dat heerlijk was, en schoon, en wonderbaar, Kan ik mijn leed toch maar niet goed verzetten, Als ’t rijm mij faalt voor een van mijn sonnetten. O tegenspraak! uw naam is Mensch, voorwaar!
Het is dit woord dat liegt, niet ik, weet je wat – wat heb ik er mee te maken? Ik ben die jongen die telkens verdwijnt. Ik ben de tweeling in haar armen.
Onze botten gebed in behoeften. Onze huid verschilfert bij het licht. Ons uniform is bont, onze ogen blauw.
We zijn allebei even ongewoon, weet je. We zijn allebei even beperkt en gesterkt. We zijn op dezelfde schoot genomen.
Onze oren zijn klein in het veld. Onze tanden staan recht in het gareel. Onze nagels zijn koud ons vlees is lauw.
Een lamp buigt over de tafel en laat haar staan. De zwijgende vrouw aan tafel verdeelt wat van ons is en wat van taal.
Tengel en kruiskop
Het lijkt raadzaam voor het raam te prevelen een ladder tegen een boomtak aan blijft in het midden van het veld staan
je lippen op zoek naar het stevigste glas om het een lichtbeeld te helpen herinneren terwijl je vingerkootjes voelen of het meegeeft
maar de ruit heeft al haar antwoord klaar een stuk voor de grens aan het spoor het fabriekje Buys Negerzoenen De Lekkerste.
Steek een kruiskop bij je en ga op jacht naar witgoed de patrijspoort in de deur van een wasmachine zit met drie schroeven vast
het is een kom voor een grote eter wat grof voor een fruitschaal te gestroomlijnd voor een soepterrine
er zit een wondje op je schouderblad de kruiskop in je binnenzak die door je hemd stak je jas binnenstebuiten over de rugleuning van de stoel.
De buurman nadert aarzelend de verhuisbus en zegt een tengel, een blokje van vijf bij een in de kom te werpen, dan klotst het water niet
zoals water klotst in een kan op de wasmachine in de rondte spat om de kom van twee handen of een sleutelbos rammelt aan het slot van een deur
tengel is vis zonder vinnen tengel doet blub als wij onderweg zingen de kom tussen je knieën, een hand aan het stuur.
………………..
‘sta en ga / en zeg mij na: hier is geen Ka’ -Jacq Vogelaar
De tuin bloeit onder de lat en in de ruit hangt de uitgeworpen sprei boven het bed veulens liggen paarden staan in de wei
een schim fietsend onder een formatie ganzen gakkend in de schemer de geit aan de ketting boven op zijn hok
voetzolen die fuut zeggen op het zand het water dat tegen de tenen stroomt strandvlooien die opspringen op het strand
Hier, onder de vliegers die kleine kinderen oplaten en onder de vliegers die door telefoondraden van vorig jaar zijn vastgehouden, sta ik, en de sterke takken van mijn stille besluiten zijn al ver van mij gegroeid en de vogels van de kleine aarzeling in mijn hart en de rotsen van de grote aarzeling aan mijn voeten en mijn tweelingogen waarvan de ene altijd bezig is en de andere verliefd, en mijn grijze broek en mijn groene trui en mijn gezicht dat kleuren opvangt en kleuren weerkaatst; en ik weet niet wat ik nog meer weerkaats en opvang en uitstraal en afstoot en hoe ik een ruilbeurs was voor heel veel dingen. Export en import. Grensstation. Kruispunt van wegen. Waterscheiding. Scheiding van doden. De ontmoeting, het afscheid.
En de wind gaat door de top van een boom en stopt bij elk blaadje even; en toch, hoe gaat hij verder zonder stil te staan en komen wij en stoppen even om dan uit te vallen. En als tussen twee zusters is er veel gelijkenis in de wereld: dijbeen, schouder van een berg. Een verre gedachte lijkt op een daad die hier is gegroeid in het vlees en de berg. Lijkt op de cypressen, donker gebeurd op de heuvelrug. De cirkel sluit zich. Ik ben de gesp.
En toen ik ontdekt had dat mijn harde voorouders van binnen zacht waren, gingen mijn voorouders dood. En alle generaties die voor mij waren, zijn acrobaten zij staan op elkaars rug in een circus en meestal ben ik de onderste en staan zij allemaal, een zware last, op mijn schouders maar soms ben ik de bovenste, met een arm omhoog gestrekt naar het dak: het gejuich in de arena beneden is mijn loon en mijn vlees.
De Duitse dichter en schrijver Novalis werd geboren in Oberwiederstedt op 2 mei 1772. Dat is vandaag precies 250 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Novalis op dit blog.
Uit: Heinrich von Ofterdingen
„Die Eltern lagen schon und schliefen, die Wanduhr schlug ihren einförmigen Takt, vor den klappernden Fenstern sauste der Wind; abwechselnd wurde die Stube hell von dem Schimmer des Mondes. Der Jüngling lag unruhig auf seinem Lager, und gedachte des Fremden und seiner Erzählungen. »Nicht die Schätze sind es, die ein so unaussprechliches Verlangen in mir geweckt haben«, sagte er zu sich selbst; »fern ab liegt mir alle Habsucht: aber die blaue Blume sehn’ ich mich zu erblicken. Sie liegt mir unaufhörlich im Sinn, und ich kann nichts anderes dichten und denken. So ist mir noch nie zumute gewesen: es ist, als hätt ich vorhin geträumt, oder ich wäre in eine andere Welt hinübergeschlummert; denn in der Welt, in der ich sonst lebte, wer hätte da sich um Blumen bekümmert, und gar von einer so seltsamen Leidenschaft für eine Blume hab’ ich damals nie gehört. Wo eigentlich nur der Fremde herkam? Keiner von uns hat je einen ähnlichen Menschen gesehn; doch weiß ich nicht, warum nur ich von seinen Reden so ergriffen worden bin; die andern haben ja das nämliche gehört, und keinem ist so etwas begegnet. Daß ich auch nicht einmal von meinem wunderlichen Zustande reden kann! Es ist mir oft so entzückend wohl, und nur dann, wenn ich die Blume nicht recht gegenwärtig habe, befällt mich so ein tiefes, inniges Treiben: das kann und wird keiner verstehn. Ich glaubte, ich wäre wahnsinnig, wenn ich nicht so klar und hell sähe und dächte, mir ist seitdem alles viel bekannter. Ich hörte einst von alten Zeiten reden; wie da die Tiere und Bäume und Felsen mit den Menschen gesprochen hätten. Mir ist gerade so, als wollten sie allaugenblicklich anfangen, und als könnte ich es ihnen ansehen, was sie mir sagen wollten. Es muß noch viel Worte geben, die ich nicht weiß: wußte ich mehr, so könnte ich viel besser alles begreifen. Sonst tanzte ich gern; jetzt denke ich lieber nach der Musik.« Der Jüngling verlor sich allmählich in süßen Phantasien und entschlummerte. Da träumte ihm erst von unabsehlichen Fernen, und wilden, unbekannten Gegenden. Er wanderte über Meere mit unbegreiflicher Leichtigkeit; wunderliche Tiere sah er; er lebte mit mannigfaltigen Menschen, bald im Kriege, in wildem Getümmel, in stillen Hütten. Er geriet in Gefangenschaft und die schmählichste Not. Alle Empfindungen stiegen bis zu einer niegekannten Höhe in ihm. Er durchlebte ein unendlich buntes Leben; starb und kam wieder, liebte bis zur höchsten Leidenschaft, und war dann wieder auf ewig von seiner Geliebten getrennt. Endlich gegen Morgen, wie draußen die Dämmerung anbrach, wurde es stiller in seiner Seele, klarer und bleibender wurden die Bilder. Es kam ihm vor, als ginge er in einem dunkeln Walde allein. Nur selten schimmerte der Tag durch das grüne Netz. Bald kam er vor eine Felsenschlucht, die bergan stieg.“
Geestelijk lied
Als hij maar van mij is, Als ik mijn hem weet, Als mijn hart tot dood nabij is, Nimmermeer zijn trouw vergeet, Kan geen leed genaken De aandacht mijner liefdeblijde wake.
Als hij maar van mij is, Zeg ik ’t al vaarwel en ga, Slaaf gelijk geen ander vrij is, Reis ik mijnen meester na, Kan getroost aan andren laten Levens breede lichte volle straten.
Als hij maar van mij is, Slaap ik zorgeloos, En zijns harten warme tij is Mijne lafenis altoos, Tot de teedre dwang dier tochten Heel mijn hart zal kneden en doorvochten.
Als hij maar van mij is, Heeft mijn hart al wat het vraagt, Zalig als de serafijn is, Die der Jonkvrouw sluier draagt: Mijn verrukte zinnen Kunnen ’t aardsche haten noch beminnen.
Waar hij maar van mij is, Staat mijn stad en huis; Alle goed, waar hij van mij is, Komt mij als een erfdeel thuis: Broedren lang verloren Vind ik in zijn jongeren herboren.
Vertaald door P.C. Boutens
Novalis (2 mei 1772 – 25 maart 1801) Portret door Franz Gareis, 1799
Lied van de arbeid voor de werknemers van Ford Genk en ArcelorMittal
Nooit droeg de boom zo veel vruchten, maar de tijden zijn hard, zegt de heer. Hij neemt twee ladders weg, de plukkers die blijven plukken nu meer.
Nooit vulden zich rijker zolders en kelders, maar het deel van de plukkers neemt af. Al plukken zij langer en sneller, voor de heer is hun arbeid een last.
Elders klimt men met honger de boom in en daalt er met honger uit af. Het wekt in de heer de hoop op gewin: de boomgaard wordt omgehakt.
In verre grond wordt een nieuwe geplant. Als afscheid krijgt iedere plukker een mandje mooi fruit. De tijden zijn hard als onder een ladder een man staat die huilt.
Zonder boom is een plukker een hand in het ijle die niet meer beweegt, waar dagelijks een aalmoes in valt. Een aalmoes maakt lui, vindt de heer.
Waarop hij zijn priester stuurt met het Woord dat de werkloze plukker zondig spreekt en hem aanspoort op zoek te gaan naar een boom. Er is er vast nog wel een.
Moraal:
Zo de arbeidsmarkt verdween was er werk voor iedereen.
Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952) De Vaartkom in Leuven, ooit industrie- en brouwerijterrein, tegenwoordig cultureel bastion
Door de bossen van mijn kindertijd Zwierven auto’s Doken als men dichterbij kwam Schuw weg in de varens Of trokken Angstig snuivend met gezwollen neusgaten In roedels over beboste hellingen
Eens – ik herinner het me Zag ik een Groen geschilderde Buick tussen de bomen Om hem heen in het schaarse bos Maakten vijf of zes Opel Olympia’s capriolen Speels wiegend Trokken ze hun devotiecirkels
Als je geluk had in mijn tijd Kon je In de schemering Op een open plek of aan de rand van het bos Een enkele stoomlocomotief zien: Stampend en sissend in de laatste gloed van de voorbijgaande dag
Toen ik jong was, was het bos Vol wonderen Vandaag moet je de ruimte in Om een televisiesatelliet In het wild tegen te komen
De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.
Uit: Cliënt E. Busken
“Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen. Met mijn benen, mijn voeten, kon ik schoppen, tot die ook aan de stoel werden vastgeknoopt. Hebt u uw saffies? Aansteker? Fluitje zit hier in het linker zakje van uw overhemd, meneer Busken. Als u voelt dat u moet, meteen blazen. Dat er weer geen ongelukjes gebeuren. Ik denk dat ze niet beseft dat ze schreeuwt. Haar fraaie verschijning is als die op dat schilderij, doch haar decibels verstoren mij. Ze kijkt naar me. Ja meneer Busken? U hoort me wel. Meneer Busken? Antwoord geven kan u ook best. Hier raakt ze mijn hoofd aan, bij mijn slaap, met haar gesloten slanke hand een duwtje bij mijn oor, niet hard, maar toch dat ik het voel, een lichtgevend stompje. Vandaar dat ik opeens aan mijn moeder denk. Ze marcheert terug naar het gebouw, het instituut, de inrichting, de gijzelaarsbewaarschool, Huize Madeleine voor ouden van dagen die in hun luier pissen en de rest. Haar plastic kontje in de broek die zich er vacuüm omheen en tegenaan heeft gezogen. Op haar slofjes, waarmee men haar en dezulken nooit hoort aankomen. Geluidloos, onhoorbaar zijn ze er altijd plotseling als witte geesten, wat altijd even schrikken is. Rechtop, het bovenlichaam zelfs ietwat achterover, loopt ze in het neutrumpersoneelsuniform van het gesticht haar ivoorblote armen voor‑ en achteruit te zwaaien. Mij is het een troost van schoonheid haar te zien, naar haar te kunnen kijken, maar waar haalt ze die stem vandaan met de kracht en de klank van een ramsbazuin uit die zoete mond en die keel als van een zwaan. Wat zou ze zijn, eind twintig? Voorin, maar beslist niet ouder dan halverwege de dertig. Zou ze een vrijer hebben? In het korte halfblond van haar jongenscoupe plakt iets wat meebeweegt op haar kordate passen, een blaadje van een struik of boom of bloemetje, een snippertje, iets fladderends. Ze is hier pas enkele dagen. Hoelang ik hier zelf ben weet ik niet. Ik ben Moniek, baste ze toen ze zich voor het eerst, halfzeven ’s ochtends, ze maakte me wakker, aan mijn bed vertoonde.”
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)
De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.
Hij komt
Winkelen: kersensap, spinazie en nieuwe aardappels asperges niet die is nog steeds te duur of ach wat twee pond asperges, alstublieft. Oh mijn god: de kapper had geen kleur meer. Neem ik in plaats van rood mahonie alleen niet zo kort van voren. De jurk zit als gegoten: maar de jeans zit strakker van blauw houdt hij en zwart goed dus zwart blauw. Staat de klok stil: nee, nog een keer het Beethoven Trio in het tweede deel gaat de bel ik open de deur ben je er al?
Op het congres van Naupaktos zei Agelaos verstandige dingen: Grieken moeten niet meer met Grieken oorlog voeren. Dichtbij woedt een strijd die ons bedreigt. Of Carthago danwel Rome zegeviert, men zal zich nadien tegen ons keren. Koning Philippos, beschouw toch alle Grieken als uw onderdaan. Wenst u oorlog, bereidt u zich dan voor op de confrontatie met de overwinnaar in Italia. De tijd is voorbij om elkaar te bevechten. Koning Philippos, redt Griekenland.
In de vreselijke, rampzalige dagen van Kynoskephalae, Magnesia, Pydna zouden vele Grieken zich de wijze woorden, die nergens op uitliepen, herinneren.
Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf
Alexandrijnse koningen
Ze verzamelden zich, de Alexandriërs, om Cleopatra’s kinderen te zien, Caesarion en zijn broertjes Alexander en Ptolemaeus, bij hun eerste publieke optreden, in het Gymnasium, waar ze tot koningen werden gekroond temidden van de luisterrijke gelederen der soldaten.
Alexander werd koning geheten van Armenië, Medië en de Parthen. Ptolemaeus werd koning geheten van Cilicië, Syrië en Phoenicië. Caesarion stond verder naar voren, gekleed in rozenkleurige zijde, met op zijn borst een krans van hyacinten, om zijn middel een dubbele rij saffieren en amethisten, de riempjes van zijn sandalen wit, bestikt met lilaroze parels. Híj werd geheten meer dan zijn broers, híj werd geheten: Koning der Koningen.
Vertaald door Hans Boland
Toen de wachter het licht zag
’s Winters en ’s zomers zat hij uit te kijken op het dak van de Atriden, de wachter. Nu heeft hij goed nieuws. Ver weg zag hij een vuur ontvlammen. En hij is blij; ook aan zijn inspanning komt een eind. Het is zwaar om dag en nacht in de warmte en in de kou, in de verte over de Arachneon te turen naar vuur. Nu is het verlangde teken verschenen. Als het geluk komt geeft het minder vreugde dan verwacht. Toch is duidelijk dit gewonnen: we zijn verlost van hoop en verwachting. Er staat de Atriden veel te wachten. Men hoeft niet wijs te zijn om dat te voorzien, nu hij het licht zag, de wachter. Daarom: geen overdrijving. Goed is het licht, ook zij die komen zijn goed, hun woorden en hun daden, ook die zijn goed. En laten we wensen dat alles in orde komt. Maar Argos kan het zonder Atriden stellen. Huizen zijn niet eeuwig. Velen zullen natuurlijk van alles te zeggen hebben. Wij moeten luisteren. Maar we zullen ons niet voor de gek laten houden door Onmisbaar, Uniek, Groot. Een andere onmisbare, unieke en grote zal altijd meteen gevonden worden.
Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: Wat zal ik denken? Niets. Je zult niet denken. Je komt er niet doorheen. Er staat een berg voor. De berg bestaat uit vele bergen, enkele bestaan uit slijk, sommige uit schroot, andere weer uit triolen, uit molm of kurk. Je komt er niet doorheen. Ze groeien je, pruikenbok, over het voorhoofd, over de ogen. Ze hebben samenhang. Je moet nu niets denken. Maar moet ik niet denken, dat ik mij vandaag zal, omdat ik mij morgen kan? Nee, verheug je, je zult en moet nu niets denken. Maar stel je voor: Wat je niet denkt is duizendmaal erger dan al het gedachte. Het komt altijd terug. Zoals een berg terugkeert, die ik met schoepen, baggermolens en brandy, met 200-decibelsymfonieën van Haydn, met zeer lange hortende delen, met perslucht, koevoet en een heerschaar van zware gereedschappen voor altijd wegdroeg. De berg zegt: Spoedig zal alles effen en vlak zijn. En komt terug.
Vertaald door Hélène Gelèns en Miek Zwamborn
Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)
Zie voor nog meer schrijvers van de 29e april ook mijn blog van 29 april 2020 en eveneens mijn blog van 29 april 2019.
‘Ik ben bezig met een nieuwe roman,’ zegt de schrijver met het ooit stroblonde haar. ‘Ach,’ zegt Simon. ‘Waarin een kapper het belangrijkste personage is.’ ‘Hm.’ ‘Dus nu wil ik vragen of ik niet hier een paar dagen zou mogen zitten.’ ‘Hier?’ vraagt Simon. ‘Niet in deze stoel natuurlijk.’ Hij gebaart naar de stoel die voor het raam staat. ‘Daar bijvoorbeeld, of tegen de wand.’ ‘En dan?’ vraagt Simon. Tegen de wand is uitgesloten, dat is precies de plek waar Simon niemand wil hebben, dat is de plek van waaraf ze hem in zijn rug kijken. De schrijver met het inmiddels grijze haar komt hier al jaren. Een paar ringetjes in zijn linkeroor, zijn handen in zijn schoot gevouwen onder de kapmantel, zijn schoenen stevig op de voetensteun die tegen de plint staat. Vrijwel altijd meldt hij waarom hij in de stoel zit. Een literair festival in Londen. Een boekpresentatie op de Nederlandse ambassade in Berlijn. Een prijsuitreiking in Spanje. Hij is als Martine en Jason. Ouderwets, ergens. Er is iets, iets met andere mensen, een feest, een vakantie, een bijeenkomst, dus ga je naar de kapper. En hij is niet helemaal als Martine en Jason, want de schrijver heeft enorme vliegangst. Hij doet alles altijd met de trein. Simon wil serieus op zijn vraag ingaan, deze man is niet zomaar iemand die wat voor zich uit schrijft. Hij is een vertaald schrijver, die in het buitenland prijzen toegekend krijgt, iemand die leeft van zijn werk. Simon is, vindt hij zelf, een gemiddelde lezer. Hij heeft alle boeken van deze man in huis, domweg omdat de schrijver hem die boeken geeft. Simon heeft de romans gelezen en elke keer als de schrijver in zijn stoel zit, is hij beducht voor de vraag wat hij van deze of die roman heeft gevonden, hoewel hij ook weet dat de schrijver zoiets nooit zou doen omdat hem dat op de een of andere manier niet lijkt te interesseren. Er is één boek, Beneden is het kil, over een dochter die op een dag haar moeder in de kelder stopt omdat ze haar niet langer kan verdragen, dat hem erg beviel. ‘Je moet je niks van me aantrekken,’ zegt de schrijver. ‘Nou…’ zegt Simon. ‘Het gaat mij erom dat ik zie wat je doet, dat ik je woorden hoor gebruiken, woorden die te maken hebben met knippen en scheren, woorden die ik niet ken.’
Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen. Waren de hoornen op het spoor, wilden vuur vouwen, blussen. Zodat het uitgaat. Ai, kijk nou, de schemering. Het penseel er diep ingedoopt. Aquamarijn. En Paynegrijs. De heidegeesten gingen slapen. Waren op de terugweg. Nieuwe maan trad op, daarna de grote barst. In het script, in het beeld, overal. Spanrupsen langs de lichaamsgrenzen. Was dat zonet, gisteren, vanmorgen toen de vrouw op het open veld de softbal wierp? Toen er geen schaduw was en haar armen rood opgloeiden? Brandden? Wanneer waren de guirlandes? Klingklang. Toen de vliegende draak zijn tong adderachtig uitstak en nergens, werkelijk nergens meer vuur was? Neem de ring van je vinger, een lichte streep of een potloodtekening? Onvolkomenheden. En van de breuk de grote schok en het blussen, ingelijst door de half gebluste schrik dat er iets ontbreekt, maar wat?
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.
De seizoenen, gekorrigeerd
II Lente
‘s Nachts wordt hij weer uitgestuft. Hij kiest een nieuwe route in de witte wereld. Of hij wordt nagewuifd? Een witte boord?
Hij is een kwieke reiziger in hout en ruwe materialen. Hard rock dendert door zijn hoofd. Ha! Hij lacht, hij klaksonneert.
Over de induktie van beweging. Bv. het geluid van banden door een landschap: stokt heimwee naar een toekomst in je keel.
Bijvoorbeeld: wat je denkt doordat je praat.
Zo zwenkt hij dorpen in en uit, valt werkplaatsen binnen met zijn mopjes. Het gevoel een film te zijn. Action! Een glanzende man.
Thee en koffie drinkt hij in de keukens. Daar gaat hij in debat over het weer, de wereld en het ruwe hout. De timmerman vertoont hem tekeningen van zijn prachtige konstrukties. De reiziger praat losjes door de tekeningen heen.
Over het opdoen van nieuwe ervaringen en het bewaren ervan, huiswaarts.
Vervuld van wat hij zelf genereerde, loopt hij het witte tuinhek door, het grintpad op, naar binnen. In de lente van zijn eenzaamheid.
Hij manoevreert zich langs de koppen van de krant. Hij denkt: ik ben alweer vergeten waar ik was, maar mijn hoofd zit vol met maten en getallen. Dat komt als ik ga praten goed van pas. Wat mij beweegt. Wat mij bestemt.
Wat hem zo vast verankert in het heden.
I Zomer
Het land dat hij verlaten heeft is leeg.
Dat is pas reizen in het knallen van de motor. Hij woont in het lawaai. Er zijn geen echo’s. Want hij luistert niet. Hij hoort maar wat hij ziet.
Zo komt hij binnen het verband, vergeten wat nog komt.
Of, vertikaal: de mateloze avondlucht, zijn hoofd ter hoogte van het riet, de poten van het vee, zich bukkend onder bruggen. Door het lauwe water sliert zijn hand.
Waar je hem ziet, daar moet hij zijn. Er zijn geen vragen. Je zou het kunnen filmen.
Dat hij alleen vaart. Dat er geen zwanen voor hem uitgaan. Er wil een rat in dit verhaal, als een symbool. Om mee te zwemmen in de boeggolf. Snorren, oogjes.
Het hondje staat als boegbeeld op de plecht. Bloembollen reizen los van verleden. Dat hij een bouwer is die terugkeert van het land. Wat hij natuurlijk is, hij is geen metafoor, hij is een lege man, om in te kleuren.
Hij vaart achter het dorp langs met stilte in zijn hoofd. Om etenstijd, dus niemand die hem ziet of hoort. Vrede haaks op de tevredenheid.
Tenslotte legt hij aan, vol wolken, land en water. De bollen laat hij maar voor later. Dat is pas aankomst: voorbij nog iets te doen.
Het ruikt naar heimwee in de schuur, van zaad en bonen. Van de grond. En god ruist in de bomen om het erf. D.i. de bomen ruisen en hij draait zich om: dampende velden ziet hij en de zon.
Zijn bord staat in de keuken op de krant. Het beslagen raam, de pan met aardappels voorbij, waagt hij de vergeelde toetsen even aan zijn gekloofde hand, om Schubert.
Dan kijkt hij op, in ons gezicht. Klaar om in details te treden.
du hast zu lange auf schwankenden pontons gestanden
du hast zu lange auf schwankenden pontons gestanden und jetzt schwankst du selbst, ein einziges schwanken durch gassen, die sich salzig verbiegen zu möwenflügeln, selbst im schlaf schwankst du noch selbst im traum. eine durchsichtige mülltüte auf deinem kopf, die im vaporetto flattert und sich sanft an dich legt, deine schläfen. alles was du siehst ist ein trick, um deine augen zu schälen ohne dass du es merkst. jemand operiert dich auf der piazza, ohne dass du es merkst. ganz im innern deiner zapfen gibt es ein küken in einem palast, das dich empfängt, um dir zu sagen dass deine eltern erfindungen sind und auch du bist erfunden. deine brüder und schwestern sind gondeln und kreuzfahrtschiffe, kirchen und ratten. nur deshalb schwankst du diese stadt ist ein teilchenbeschleuniger sie löst dich auf, um dich sehend zu machen deine ewigen teilchen, und du kannst nicht mehr fliehen zurück ins wartezimmer, wo die illustrierten liegen
unsere mütter haben uns auf einem flughafen ausgesetzt
unsere mütter haben uns auf einem flughafen ausgesetzt ohne gepäck, blutig und nackt, entkabelt. einige haben sofort geschissen, klebrig und schwarz so schwarz, als wäre der teufel aus uns herausgetreten und so klebrig, als könnten wir niemals mehr schweben was so nicht stimmt, wir schweben sofort mit einem arsenal von grausamkeiten, auf einem flughafen der selber schwebt. unser flughafen ist gefüllt mit ländern, städten und winzigen flughäfen, die nur vom namen her flughäfen sind, in wirklichkeit: flitzende punkte, obwohl worte wie flitzende punkte in wirklichkeit nirgendwo sind, nur teilchen, schwebende teilchen, die schwingen, ununterbrochen schwingen solange wir warten in form von lose zusammengefügten relativ kurzen, sprechenden stäbchen, warten auf unseren einzigen flug, der uns abstürzen lässt und unsere gehirne zurücknimmt; nicht in die engen schöße unserer mütter, die längst morsch geworden sind aber in die vorschöße; zwischen die schenkel einer hoffentlich gut aussehenden, uralten, mädchenhaften planetaren dame.
je hebt te lang op schommelende pontons gestaan
je hebt te lang op schommelende pontons gestaan en nu schommel je zelf, een enkel schommelen door steegjes die zich gezouten verbuigen tot zeemeeuwvleugels, zelfs in je slaap schommel je nog zelfs in dromen. een doorzichtige vuilniszak op je hoofd die fladdert in de vaporetto en zachtjes tegen je aan gaat liggen, tegen je slaap. alles wat je ziet is een truc om je ogen te schillen zonder dat je het merkt. iemand opereert je op de piazza zonder dat je het merkt. precies in je kegeltjes zit een kuiken in een paleis dat je verwelkomt om je te vertellen dat je ouders verzinsels zijn en jij bent ook verzonnen. je broers en zussen zijn gondels en cruiseschepen, kerken en ratten. Alleen daarom schommel je deze stad is een deeltjesversneller zij lost je op om je te laten zien je eeuwige deeltjes, en je kunt niet langer vluchten, terug naar de wachtkamer, waar de tijdschriften liggen