Bevrijding (Jan Willem Schulte Nordholt), Erich Fried

 

Bij Bevrijdingsdag

 

Het bevrijdingsmonument (Sint-Joris en de draak) in Helmond

 

Bevrijding

Die avond dat ik de geluiden hoor,
wanneer de stilte weer is dichtgeslagen,
een auto in de laan, een vogel voor
het venster zingend en zijn lied gaat door,
verwijdt het landschap zich, leef ik de dagen
van het verleden weer, schoten weerklinken,
er rijden treinen door het regenlicht.
Onmenselijk ligt de zee rondom te blinken,
de aarde staan de tranen in ’t gezicht.
De doden liggen met de ogen dicht,
maar in een hemel schallend van geluid
slaan grote engelen de vleugels uit.

 

Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995)
Het oorlogsmonument in Zwolle, de geboorteplaats van Jan Willem Schulte Nordholt

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

Het is wat het is

Het is onzin
zegt het verstand
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is ongeluk
zegt de berekening
Het is alleen maar verdriet
zegt de angst
Het is uitzichtloos
zegt het inzicht
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is belachelijk
zegt de trots
Het is lichtzinnigheid
zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk
zegt de ervaring
Het is wat het is
zegt de liefde

 

Vertaald door Remco Campert

 

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e mei ook mijn blog van 5 mei 2020 en eveneens mijn blog van 5 mei 2019.

De Laatste Wereldvrede (Leo Vroman), Paul Heyse

 

Bij 4 mei

 

Oorlogsmonument op het Kerkplein in Arnhem

 

De Laatste Wereldvrede

Waarom draait een groot geschil?
Kijk vannacht eens lang en dood
doodstil vanuit de sterren
naar deze kleine aarde.
Wat blijft eigenlijk van verre
over van onze eigenwaarde?
Niets in de eeuwigheid
om voor te vechten zo gezien en
waar kan een oorlog anders nog toedienen?

Ikzelf was eens in een daarvan gevangen
en zag de eeuwigheid al gapen in de dood-saaie eindeloze tijd
van ons hopeloos verslappende verlangen
naar vrijheid of desnoods een kopje chocola
met niets dan eindeloze slaap daarna.

Mensen! Hoe zoet is men geschapen!
Hoe prachtig pas men in elkaar!
Ik ben verliefd op jullie, maar
ik ga met één oog open slapen:
ergens is jullie vreselijkste wapen
vast bijna klaar.

 

Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)
Dodenherdenking op de markt in Gouda, de geboorteplaats van Leo Vroman

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Paul Heyse werd geboren in Berlijn op 15 maart 1830. Zie ook alle tags voor Paul Heyse op dit blog.

 

In het Coliseum te Rome

Veel rustiger vloeit in dees lucht ons ’t bloed.
Hier leert het hart zijn stormen te bedwingen,
En schaamt zich dat, waar werelden vergingen,
’t Verganklijk schoon zoo fel ’t nog jagen doet.

Roept hier niet elke steen: ‘Gij worm, gij bloed!
Houd op uw nietig Ik voorop te dringen!
Wat u beweegt, u klagen doet of zingen,
’t Is een atoom in ’s geestenwerelds vloed!’

Doch, zie, terwijl mij de oeverlooze stroomen
Omruischen, waar zooveel in om moest komen,
Dat heerlijk was, en schoon, en wonderbaar,
Kan ik mijn leed toch maar niet goed verzetten,
Als ’t rijm mij faalt voor een van mijn sonnetten.
O tegenspraak! uw naam is Mensch, voorwaar!

 

Vertaald door J.P. Hasebroek

 

Paul Heyse (15 maart 1830 – 2 april 1914)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn blog van 4 mei  mijn blog van 4 mei 2019 deel 2.

Erik Lindner, Jehuda Amichai

De Nederlandse dichter Erik Lindner werd geboren op 3 mei 1968 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Erik Lindner op dit blog.

 

Pastille de menthe

Het is dit woord dat liegt, niet ik, weet je
wat – wat heb ik er mee te maken?
Ik ben die jongen die telkens verdwijnt.
Ik ben de tweeling in haar armen.

Onze botten gebed in behoeften.
Onze huid verschilfert bij het licht.
Ons uniform is bont, onze ogen blauw.

We zijn allebei even ongewoon, weet je.
We zijn allebei even beperkt en gesterkt.
We zijn op dezelfde schoot genomen.

Onze oren zijn klein in het veld.
Onze tanden staan recht in het gareel.
Onze nagels zijn koud ons vlees is lauw.

Een lamp buigt over de tafel
en laat haar staan.
De zwijgende vrouw aan tafel verdeelt
wat van ons is en wat van taal.

 

Tengel en kruiskop

Het lijkt raadzaam voor het raam te prevelen
een ladder tegen een boomtak aan
blijft in het midden van het veld staan

je lippen op zoek naar het stevigste glas
om het een lichtbeeld te helpen herinneren
terwijl je vingerkootjes voelen of het meegeeft

maar de ruit heeft al haar antwoord klaar
een stuk voor de grens aan het spoor het
fabriekje Buys Negerzoenen De Lekkerste.

Steek een kruiskop bij je en ga op jacht naar witgoed
de patrijspoort in de deur van een wasmachine
zit met drie schroeven vast

het is een kom voor een grote eter
wat grof voor een fruitschaal
te gestroomlijnd voor een soepterrine

er zit een wondje op je schouderblad
de kruiskop in je binnenzak die door je hemd stak
je jas binnenstebuiten over de rugleuning van de stoel.

De buurman nadert aarzelend de verhuisbus
en zegt een tengel, een blokje van vijf bij een
in de kom te werpen, dan klotst het water niet

zoals water klotst in een kan op de wasmachine
in de rondte spat om de kom van twee handen
of een sleutelbos rammelt aan het slot van een deur

tengel is vis zonder vinnen
tengel doet blub als wij onderweg zingen
de kom tussen je knieën, een hand aan het stuur.

 

………………..

‘sta en ga / en zeg mij na: hier is geen Ka’
-Jacq Vogelaar

De tuin bloeit onder de lat en in de ruit
hangt de uitgeworpen sprei boven het bed
veulens liggen paarden staan in de wei

een schim fietsend onder een formatie
ganzen gakkend in de schemer
de geit aan de ketting boven op zijn hok

voetzolen die fuut zeggen op het zand
het water dat tegen de tenen stroomt
strandvlooien die opspringen op het strand

zwemmend over een baan van licht naar de zon.

 

Erik Lindner (Den Haag, 3 mei 1968)

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

 

Hier

Hier, onder de vliegers die kleine kinderen oplaten
en onder de vliegers die door telefoondraden van vorig jaar
zijn vastgehouden, sta ik, en de sterke takken
van mijn stille besluiten zijn al ver van mij gegroeid
en de vogels van de kleine aarzeling
in mijn hart en de rotsen van de grote aarzeling
aan mijn voeten en mijn tweelingogen waarvan de ene
altijd bezig is en de andere verliefd, en mijn grijze broek
en mijn groene trui en mijn gezicht dat kleuren opvangt
en kleuren weerkaatst; en ik weet niet wat ik nog meer
weerkaats en opvang en uitstraal en afstoot
en hoe ik een ruilbeurs was voor heel veel dingen.
Export en import. Grensstation. Kruispunt van wegen.
Waterscheiding. Scheiding van doden. De ontmoeting, het afscheid.

En de wind gaat door de top van een boom en stopt
bij elk blaadje even; en toch,
hoe gaat hij verder zonder stil te staan
en komen wij en stoppen even om dan uit te vallen.
En als tussen twee zusters is er veel gelijkenis in de wereld:
dijbeen, schouder van een berg. Een verre gedachte
lijkt op een daad die hier is gegroeid in het vlees en de berg.
Lijkt op de cypressen, donker gebeurd op de heuvelrug.
De cirkel sluit zich. Ik ben de gesp. 

En toen ik ontdekt had dat mijn harde voorouders
van binnen zacht waren, gingen mijn voorouders dood.
En alle generaties die voor mij waren, zijn acrobaten
zij staan op elkaars rug in een circus
en meestal ben ik de onderste en staan zij
allemaal, een zware last, op mijn schouders
maar soms ben ik de bovenste, met een arm omhoog gestrekt
naar het dak: het gejuich in de arena beneden
is mijn loon en mijn vlees. 

 

Vertaald door Tamir Herzberg

 

Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)  

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e mei ook mijn blog van 3 mei 2020 en eveneens mijn blog van 3 mei 2019 en ook mijn blog van 3 mei 2017 en mijn blog van 3 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

250 Jaar Novalis

 

250 Jaar Novalis

De Duitse dichter en schrijver Novalis werd geboren in Oberwiederstedt op 2 mei 1772. Dat is vandaag precies 250 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Novalis op dit blog.

Uit: Heinrich von Ofterdingen

„Die Eltern lagen schon und schliefen, die Wanduhr schlug ihren einförmigen Takt, vor den klappernden Fenstern sauste der Wind; abwechselnd wurde die Stube hell von dem Schimmer des Mondes. Der Jüngling lag unruhig auf seinem Lager, und gedachte des Fremden und seiner Erzählungen. »Nicht die Schätze sind es, die ein so unaussprechliches Verlangen in mir geweckt haben«, sagte er zu sich selbst; »fern ab liegt mir alle Habsucht: aber die blaue Blume sehn’ ich mich zu erblicken. Sie liegt mir unaufhörlich im Sinn, und ich kann nichts anderes dichten und denken. So ist mir noch nie zumute gewesen: es ist, als hätt ich vorhin geträumt, oder ich wäre in eine andere Welt hinübergeschlummert; denn in der Welt, in der ich sonst lebte, wer hätte da sich um Blumen bekümmert, und gar von einer so seltsamen Leidenschaft für eine Blume hab’ ich damals nie gehört. Wo eigentlich nur der Fremde herkam? Keiner von uns hat je einen ähnlichen Menschen gesehn; doch weiß ich nicht, warum nur ich von seinen Reden so ergriffen worden bin; die andern haben ja das nämliche gehört, und keinem ist so etwas begegnet. Daß ich auch nicht einmal von meinem wunderlichen Zustande reden kann! Es ist mir oft so entzückend wohl, und nur dann, wenn ich die Blume nicht recht gegenwärtig habe, befällt mich so ein tiefes, inniges Treiben: das kann und wird keiner verstehn. Ich glaubte, ich wäre wahnsinnig, wenn ich nicht so klar und hell sähe und dächte, mir ist seitdem alles viel bekannter. Ich hörte einst von alten Zeiten reden; wie da die Tiere und Bäume und Felsen mit den Menschen gesprochen hätten. Mir ist gerade so, als wollten sie allaugenblicklich anfangen, und als könnte ich es ihnen ansehen, was sie mir sagen wollten. Es muß noch viel Worte geben, die ich nicht weiß: wußte ich mehr, so könnte ich viel besser alles begreifen. Sonst tanzte ich gern; jetzt denke ich lieber nach der Musik.« Der Jüngling verlor sich allmählich in süßen Phantasien und entschlummerte. Da träumte ihm erst von unabsehlichen Fernen, und wilden, unbekannten Gegenden. Er wanderte über Meere mit unbegreiflicher Leichtigkeit; wunderliche Tiere sah er; er lebte mit mannigfaltigen Menschen, bald im Kriege, in wildem Getümmel, in stillen Hütten. Er geriet in Gefangenschaft und die schmählichste Not. Alle Empfindungen stiegen bis zu einer niegekannten Höhe in ihm. Er durchlebte ein unendlich buntes Leben; starb und kam wieder, liebte bis zur höchsten Leidenschaft, und war dann wieder auf ewig von seiner Geliebten getrennt. Endlich gegen Morgen, wie draußen die Dämmerung anbrach, wurde es stiller in seiner Seele, klarer und bleibender wurden die Bilder. Es kam ihm vor, als ginge er in einem dunkeln Walde allein. Nur selten schimmerte der Tag durch das grüne Netz. Bald kam er vor eine Felsenschlucht, die bergan stieg.“

 

Geestelijk lied

Als hij maar van mij is,
Als ik mijn hem weet,
Als mijn hart tot dood nabij is,
Nimmermeer zijn trouw vergeet,
Kan geen leed genaken
De aandacht mijner liefdeblijde wake.

Als hij maar van mij is,
Zeg ik ’t al vaarwel en ga,
Slaaf gelijk geen ander vrij is,
Reis ik mijnen meester na,
Kan getroost aan andren laten
Levens breede lichte volle straten.

Als hij maar van mij is,
Slaap ik zorgeloos,
En zijns harten warme tij is
Mijne lafenis altoos,
Tot de teedre dwang dier tochten
Heel mijn hart zal kneden en doorvochten.

Als hij maar van mij is,
Heeft mijn hart al wat het vraagt,
Zalig als de serafijn is,
Die der Jonkvrouw sluier draagt:
Mijn verrukte zinnen
Kunnen ’t aardsche haten noch beminnen.

Waar hij maar van mij is,
Staat mijn stad en huis;
Alle goed, waar hij van mij is,
Komt mij als een erfdeel thuis:
Broedren lang verloren
Vind ik in zijn jongeren herboren.

 

Vertaald door P.C. Boutens

 

Novalis (2 mei 1772 – 25 maart 1801)
Portret door Franz Gareis, 1799

 

Zie voor de schrijvers van de 2e mei ook mijn blog van 2 mei 2021 en ook mijn blog van 2 mei 2018 en ook mijn blog van 2 mei 2017 en ook mijn blog van 2 mei 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Lied van de arbeid (Charles Ducal), Johano Strasser

 

Bij 1 mei          

 

Industrial Composition door Robert Gilbert, 1932

 

Lied van de arbeid
voor de werknemers van Ford Genk en ArcelorMittal

Nooit droeg de boom zo veel vruchten,
maar de tijden zijn hard, zegt de heer.
Hij neemt twee ladders weg, de plukkers
die blijven plukken nu meer.

Nooit vulden zich rijker zolders en kelders,
maar het deel van de plukkers neemt af.
Al plukken zij langer en sneller,
voor de heer is hun arbeid een last.

Elders klimt men met honger de boom in
en daalt er met honger uit af.
Het wekt in de heer de hoop op gewin:
de boomgaard wordt omgehakt.

In verre grond wordt een nieuwe geplant.
Als afscheid krijgt iedere plukker
een mandje mooi fruit. De tijden zijn hard
als onder een ladder een man staat die huilt.

Zonder boom is een plukker een hand
in het ijle die niet meer beweegt,
waar dagelijks een aalmoes in valt.
Een aalmoes maakt lui, vindt de heer.

Waarop hij zijn priester stuurt met het Woord
dat de werkloze plukker zondig spreekt
en hem aanspoort op zoek te gaan
naar een boom. Er is er vast nog wel een.

Moraal:

Zo de arbeidsmarkt verdween
was er werk voor iedereen.

 

Charles Ducal (Leuven, 3 april 1952)
De Vaartkom in Leuven, ooit industrie- en brouwerijterrein, tegenwoordig cultureel bastion

 

De Duitse dichter en schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook alle tags voor Johano Strasser op dit blog.

 

In mijn tijd
Voor Klaus Hahnel

Door de bossen van mijn kindertijd
Zwierven auto’s
Doken als men dichterbij kwam
Schuw weg in de varens
Of trokken
Angstig snuivend met gezwollen neusgaten
In roedels over beboste hellingen

Eens – ik herinner het me
Zag ik een
Groen geschilderde Buick tussen de bomen
Om hem heen in het schaarse bos
Maakten vijf of zes
Opel Olympia’s capriolen Speels wiegend
Trokken ze hun devotiecirkels

Als je geluk had in mijn tijd
Kon je
In de schemering
Op een open plek of aan de rand van het bos
Een enkele stoomlocomotief zien:
Stampend en sissend in de laatste gloed
van de voorbijgaande dag

Toen ik jong was, was het bos
Vol wonderen
Vandaag moet je de ruimte in
Om een televisiesatelliet
In het wild tegen te komen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2021 en ook mijn blog van 1 mei 2020 en eveneens mijn blog van 1 mei 2019 en ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Jeroen Brouwers, Ulla Hahn

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Cliënt E. Busken

“Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen. Met mijn benen, mijn voeten, kon ik schoppen, tot die ook aan de stoel werden vastgeknoopt. Hebt u uw saffies?
Aansteker? Fluitje zit hier in het linker zakje van uw overhemd, meneer Busken. Als u voelt dat u moet, meteen blazen. Dat er weer geen ongelukjes gebeuren. Ik denk dat ze niet beseft dat ze schreeuwt. Haar fraaie verschijning is als die op dat schilderij, doch haar decibels verstoren mij. Ze kijkt naar me. Ja meneer Busken? U hoort me wel. Meneer Busken? Antwoord geven kan u ook best.
Hier raakt ze mijn hoofd aan, bij mijn slaap, met haar gesloten slanke hand een duwtje bij mijn oor, niet hard, maar toch dat ik het voel, een lichtgevend stompje. Vandaar dat ik opeens aan mijn moeder denk. Ze marcheert terug naar het gebouw, het instituut, de inrichting, de gijzelaarsbewaarschool, Huize Madeleine voor ouden van dagen die in hun luier pissen en de rest. Haar plastic kontje in de broek die zich er vacuüm omheen en tegenaan heeft gezogen. Op haar slofjes, waarmee men haar en dezulken nooit hoort aankomen. Geluidloos, onhoorbaar zijn ze er altijd plotseling als witte geesten, wat altijd even schrikken is. Rechtop, het bovenlichaam zelfs ietwat achterover, loopt ze in het neutrumpersoneelsuniform van het gesticht haar ivoorblote armen voor‑ en achteruit te zwaaien.
Mij is het een troost van schoonheid haar te zien, naar haar te kunnen kijken, maar waar haalt ze die stem vandaan met de kracht en de klank van een ramsbazuin uit die zoete mond en die keel als van een zwaan. Wat zou ze zijn, eind twintig? Voorin, maar beslist niet ouder dan halverwege de dertig.
Zou ze een vrijer hebben? In het korte halfblond van haar jongenscoupe plakt iets wat meebeweegt op haar kordate passen, een blaadje van een struik of boom of bloemetje, een snippertje, iets fladderends. Ze is hier pas enkele dagen. Hoelang ik hier zelf ben weet ik niet. Ik ben Moniek, baste ze toen ze zich voor het eerst, halfzeven ’s ochtends, ze maakte me wakker, aan mijn bed vertoonde.

 

Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.

 

Hij komt

Winkelen: kersensap, spinazie en
nieuwe aardappels asperges niet die
is nog steeds te duur of ach wat
twee pond asperges, alstublieft.
Oh mijn god: de kapper had
geen kleur meer. Neem ik in plaats van
rood mahonie alleen niet
zo kort van voren.
De jurk zit als gegoten: maar
de jeans zit strakker van blauw

houdt hij en zwart goed
dus zwart blauw.
Staat de klok stil: nee, nog een keer het
Beethoven Trio in het tweede deel gaat
de bel ik open de deur
ben je er al?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ulla Hahn (Brachthausen, 30 april 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e april ook mijn blog van 30 april 2020 en eveneens mijn blog van 30 april 2018 en ook mijn blog van 30 april 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

K. P. Kaváfis, Monika Rinck

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863. Zie ook alle tags voor Konstantínos Petros Kaváfis op dit blog.

 

Agelaos

Op het congres van Naupaktos zei Agelaos
verstandige dingen: Grieken moeten niet meer
met Grieken oorlog voeren. Dichtbij woedt
een strijd die ons bedreigt. Of Carthago
danwel Rome zegeviert, men zal zich
nadien tegen ons keren. Koning
Philippos, beschouw toch alle Grieken als uw onderdaan.
Wenst u oorlog, bereidt u zich dan voor
op de confrontatie met de overwinnaar in Italia.
De tijd is voorbij om elkaar te bevechten.
Koning Philippos, redt Griekenland.

In de vreselijke, rampzalige dagen
van Kynoskephalae, Magnesia, Pydna
zouden vele Grieken zich de wijze woorden,
die nergens op uitliepen, herinneren.

 

Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf

 

Alexandrijnse koningen

Ze verzamelden zich, de Alexandriërs,
om Cleopatra’s kinderen te zien,
Caesarion en zijn broertjes
Alexander en Ptolemaeus, bij hun eerste
publieke optreden, in het Gymnasium,
waar ze tot koningen werden gekroond
temidden van de luisterrijke gelederen der soldaten.

Alexander werd koning geheten
van Armenië, Medië en de Parthen.
Ptolemaeus werd koning geheten
van Cilicië, Syrië en Phoenicië.
Caesarion stond verder naar voren,
gekleed in rozenkleurige zijde,
met op zijn borst een krans van hyacinten,
om zijn middel een dubbele rij saffieren en amethisten,
de riempjes van zijn sandalen wit, bestikt met lilaroze parels.
Híj werd geheten meer dan zijn broers,
híj werd geheten: Koning der Koningen.

 

Vertaald door Hans Boland

 

Toen de wachter het licht zag

’s Winters en ’s zomers zat hij uit te kijken
op het dak van de Atriden, de wachter. Nu heeft hij
goed nieuws. Ver weg zag hij een vuur ontvlammen.
En hij is blij; ook aan zijn inspanning komt een eind.
Het is zwaar om dag en nacht
in de warmte en in de kou, in de verte
over de Arachneon te turen naar vuur. Nu
is het verlangde teken verschenen. Als het geluk
komt geeft het minder vreugde
dan verwacht. Toch is duidelijk
dit gewonnen: we zijn verlost van hoop
en verwachting. Er staat de Atriden veel
te wachten. Men hoeft niet wijs te zijn
om dat te voorzien, nu hij het licht zag,
de wachter. Daarom: geen overdrijving.
Goed is het licht, ook zij die komen zijn goed,
hun woorden en hun daden, ook die zijn goed.
En laten we wensen dat alles in orde komt. Maar
Argos kan het zonder Atriden stellen.

Huizen zijn niet eeuwig.
Velen zullen natuurlijk van alles te zeggen hebben.
Wij moeten luisteren. Maar we zullen ons niet
voor de gek laten houden door Onmisbaar, Uniek, Groot.
Een andere onmisbare, unieke en grote
zal altijd meteen gevonden worden.

 

Vertaald door Marjoleine de Vos

 

K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

Berg

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: Wat zal ik denken? Niets.
Je zult niet denken. Je komt er niet doorheen. Er staat een berg voor.
De berg bestaat uit vele bergen, enkele bestaan uit slijk,
sommige uit schroot, andere weer uit triolen, uit molm of kurk.
Je komt er niet doorheen. Ze groeien je, pruikenbok, over het voorhoofd,
over de ogen. Ze hebben samenhang. Je moet nu niets denken.
Maar moet ik niet denken, dat ik mij vandaag zal, omdat ik mij
morgen kan? Nee, verheug je, je zult en moet nu niets denken.
Maar stel je voor: Wat je niet denkt is duizendmaal erger
dan al het gedachte. Het komt altijd terug. Zoals een berg terugkeert,
die ik met schoepen, baggermolens en brandy, met 200-decibelsymfonieën
van Haydn, met zeer lange hortende delen, met perslucht,
koevoet en een heerschaar van zware gereedschappen voor altijd wegdroeg.
De berg zegt: Spoedig zal alles effen en vlak zijn. En komt terug.

 

Vertaald door Hélène Gelèns en Miek Zwamborn

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e april ook mijn blog van 29 april 2020 en eveneens mijn blog van 29 april 2019.

Gerbrand Bakker, Monika Rinck

De Nederlandse schrijver Gerbrand Bakker werd geboren in Wieringerwaard op 28 april 1962. Zie ook alle tags voor Gerbrand Bakker op dit blog.

Uit: De kapperszoon

‘Ik ben bezig met een nieuwe roman,’ zegt de schrijver met het ooit stroblonde haar.
‘Ach,’ zegt Simon.
‘Waarin een kapper het belangrijkste personage is.’
‘Hm.’
‘Dus nu wil ik vragen of ik niet hier een paar dagen zou mogen zitten.’
‘Hier?’ vraagt Simon.
‘Niet in deze stoel natuurlijk.’ Hij gebaart naar de stoel die voor het raam staat. ‘Daar bijvoorbeeld, of tegen de wand.’
‘En dan?’ vraagt Simon. Tegen de wand is uitgesloten, dat is precies de plek waar Simon niemand wil hebben, dat is de plek van waaraf ze hem in zijn rug kijken.
De schrijver met het inmiddels grijze haar komt hier al jaren. Een paar ringetjes in zijn linkeroor, zijn handen in zijn schoot gevouwen onder de kapmantel, zijn schoenen stevig op de voetensteun die tegen de plint staat. Vrijwel altijd meldt hij waarom hij in de stoel zit. Een literair festival in Londen. Een boekpresentatie op de Nederlandse ambassade in Berlijn. Een prijsuitreiking in Spanje. Hij is als Martine en Jason. Ouderwets, ergens. Er is iets, iets met andere mensen, een feest, een vakantie, een bijeenkomst, dus ga je naar de kapper. En hij is niet helemaal als Martine en Jason, want de schrijver heeft enorme vliegangst. Hij doet alles altijd met de trein. Simon wil serieus op zijn vraag ingaan, deze man is niet zomaar iemand die wat voor zich uit schrijft. Hij is een vertaald schrijver, die in het buitenland prijzen toegekend krijgt, iemand die leeft van zijn werk. Simon is, vindt hij zelf, een gemiddelde lezer. Hij heeft alle boeken van deze man in huis, domweg omdat de schrijver hem die boeken geeft. Simon heeft de romans gelezen en elke keer als de schrijver in zijn stoel zit, is hij beducht voor de vraag wat hij van deze of die roman heeft gevonden, hoewel hij ook weet dat de schrijver zoiets nooit zou doen omdat hem dat op de een of andere manier niet lijkt te interesseren. Er is één boek, Beneden is het kil, over een dochter die op een dag haar moeder in de kelder stopt omdat ze haar niet langer kan verdragen, dat hem erg beviel.
‘Je moet je niks van me aantrekken,’ zegt de schrijver.
‘Nou…’ zegt Simon.
‘Het gaat mij erom dat ik zie wat je doet, dat ik je woorden hoor gebruiken, woorden die te maken hebben met knippen en scheren, woorden die ik niet ken.’

 

Gerbrand Bakker (Wieringerwaard, 28 april 1962)

 

De Duitse dichteres en essayiste Monika Rinck werd geboren op 29 april 1969 in Zweibrücken. Zie ook alle tags voor Monika Rinck op dit blog.

 

Blussen

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen. Waren de hoornen
op het spoor, wilden vuur vouwen, blussen. Zodat het uitgaat.
Ai, kijk nou, de schemering. Het penseel er diep ingedoopt.
Aquamarijn. En Paynegrijs. De heidegeesten gingen slapen.
Waren op de terugweg. Nieuwe maan trad op, daarna de grote barst.
In het script, in het beeld, overal. Spanrupsen langs de lichaamsgrenzen.
Was dat zonet, gisteren, vanmorgen toen de vrouw op het open veld
de softbal wierp? Toen er geen schaduw was en haar armen
rood opgloeiden? Brandden? Wanneer waren de guirlandes? Klingklang.
Toen de vliegende draak zijn tong adderachtig uitstak en nergens,
werkelijk nergens meer vuur was? Neem de ring van je vinger,
een lichte streep of een potloodtekening? Onvolkomenheden.
En van de breuk de grote schok en het blussen, ingelijst
door de half gebluste schrik dat er iets ontbreekt, maar wat?

 

Vertaald door Miek Zwamborn

 

Monika Rinck (Zweibrücken, 29 april 1969)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e april ook mijn blog van 28 april 2021 en ook mijn blog van 28 april 2020 en eveneens mijn blog van 28 april 2019 deel 1 en ook deel 2.

Robert Anker, André Schinkel

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.

 

De seizoenen, gekorrigeerd

II Lente

s Nachts wordt hij weer uitgestuft.
Hij kiest een nieuwe route in de witte wereld.
Of hij wordt nagewuifd? Een witte boord?

Hij is een kwieke reiziger in hout
en ruwe materialen.
Hard rock dendert door zijn hoofd.
Ha! Hij lacht, hij klaksonneert.

Over de induktie van beweging.
Bv. het geluid van banden door een landschap:
stokt heimwee naar een toekomst in je keel.

Bijvoorbeeld: wat je denkt doordat je praat.

Zo zwenkt hij dorpen in en uit,
valt werkplaatsen binnen met zijn mopjes.
Het gevoel een film te zijn.
Action! Een glanzende man.

Thee en koffie drinkt hij in de keukens.
Daar gaat hij in debat over het weer,
de wereld en het ruwe hout.
De timmerman vertoont hem tekeningen
van zijn prachtige konstrukties.
De reiziger praat losjes door de tekeningen heen.

Over het opdoen van nieuwe ervaringen
en het bewaren ervan, huiswaarts.

Vervuld van wat hij zelf genereerde,
loopt hij het witte tuinhek door, het grintpad op,
naar binnen. In de lente van zijn eenzaamheid.

Hij manoevreert zich langs de koppen van de krant.
Hij denkt: ik ben alweer vergeten waar ik was,
maar mijn hoofd zit vol met maten en getallen.
Dat komt als ik ga praten goed van pas.
Wat mij beweegt. Wat mij bestemt.

Wat hem zo vast verankert in het heden.

 

I Zomer

Het land dat hij verlaten heeft is leeg.

Dat is pas reizen in het knallen van de motor.
Hij woont in het lawaai. Er zijn geen echo’s.
Want hij luistert niet. Hij hoort maar wat hij ziet.

Zo komt hij binnen het verband, vergeten wat nog komt.

Of, vertikaal: de mateloze avondlucht, zijn hoofd
ter hoogte van het riet, de poten van het vee,

zich bukkend onder bruggen.
Door het lauwe water sliert zijn hand.

Waar je hem ziet, daar moet hij zijn.
Er zijn geen vragen. Je zou het kunnen filmen.

Dat hij alleen vaart. Dat er geen zwanen voor hem uitgaan.
Er wil een rat in dit verhaal, als een symbool.
Om mee te zwemmen in de boeggolf. Snorren, oogjes.

Het hondje staat als boegbeeld op de plecht.
Bloembollen reizen los van verleden.
Dat hij een bouwer is die terugkeert van het land.
Wat hij natuurlijk is, hij is geen metafoor,
hij is een lege man, om in te kleuren.

Hij vaart achter het dorp langs met stilte in zijn hoofd.
Om etenstijd, dus niemand die hem ziet of hoort.
Vrede haaks op de tevredenheid.

Tenslotte legt hij aan, vol wolken, land en water.
De bollen laat hij maar voor later.
Dat is pas aankomst: voorbij nog iets te doen.

Het ruikt naar heimwee in de schuur, van zaad en bonen.
Van de grond. En god ruist in de bomen om het erf.
D.i. de bomen ruisen en hij draait zich om:
dampende velden ziet hij en de zon.

Zijn bord staat in de keuken op de krant.
Het beslagen raam, de pan met aardappels voorbij,
waagt hij de vergeelde toetsen even
aan zijn gekloofde hand, om Schubert.

Dan kijkt hij op, in ons gezicht.
Klaar om in details te treden.

 

Robert Anker (27 april 1946 – 20 januari 2017)

 

De Duitse dichter, schrijver en archeoloog André Schinkel werd geboren op 27 april 1972 in Eilenburg. Zie ook alle tags voor André Schinkel op dit blog.

 

Vliegend stuifmeel

In het voorjaar bewegen de wolken
Rood-geel van bloeiend verlangen,
Door de schaduwen, de groene
Hyperbolen van het voorgebergte;

De merels roepen tevergeefs
En pluizen de borsten op
Tegen de eksters, die bedrijvig
De nesten leeghalen; en

De wielewaal bevedert schuchter de zwart-
Gele stempel van de vlucht

In het uitgeleverde landschap
Waar stuifmeel heerst; –

Wat een omgeving denk je,
Vertrekt vol spijt: met in je
Rug de kuddes van de heuvels,
Op weg naar de drinkplaats..

 

Vertaald door Frans Roumen

 

André Schinkel (Eilenburg, 27 april 1972)
Hier geflankeerd door Caroline Schlegel-Schelling, Novalis en Schiller

 

Zie voor de schrijvers van de 27e april verder ook mijn blog van 27 april 2020 en eveneens mijn blog van 27 april 2018 en ook mijn blog van 27 april 2016 en mijn blog van 27 april 2013 deel 1 en eveneens deel 2.

Carl Christian Elze

De Duitse dichter en schrijver Carl-Christian Elze werd geboren op 26 april 1974 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Carl-Christian Elze op dit blog.

 

du hast zu lange auf schwankenden pontons gestanden

du hast zu lange auf schwankenden pontons gestanden
und jetzt schwankst du selbst, ein einziges schwanken
durch gassen, die sich salzig verbiegen
zu möwenflügeln, selbst im schlaf schwankst du noch
selbst im traum. eine durchsichtige mülltüte
auf deinem kopf, die im vaporetto flattert und sich sanft
an dich legt, deine schläfen. alles was du siehst
ist ein trick, um deine augen zu schälen
ohne dass du es merkst. jemand operiert dich
auf der piazza, ohne dass du es merkst.
ganz im innern deiner zapfen gibt es ein küken
in einem palast, das dich empfängt, um dir zu sagen
dass deine eltern erfindungen sind
und auch du bist erfunden. deine brüder und schwestern
sind gondeln und kreuzfahrtschiffe, kirchen und ratten.
nur deshalb schwankst du
diese stadt ist ein teilchenbeschleuniger
sie löst dich auf, um dich sehend zu machen
deine ewigen teilchen, und du kannst nicht mehr fliehen
zurück ins wartezimmer, wo die illustrierten liegen

 

unsere mütter haben uns auf einem flughafen ausgesetzt

unsere mütter haben uns auf einem flughafen ausgesetzt
ohne gepäck, blutig und nackt, entkabelt.
einige haben sofort geschissen, klebrig und schwarz
so schwarz, als wäre der teufel aus uns herausgetreten
und so klebrig, als könnten wir niemals mehr schweben
was so nicht stimmt, wir schweben sofort
mit einem arsenal von grausamkeiten, auf einem flughafen
der selber schwebt. unser flughafen ist gefüllt
mit ländern, städten und winzigen flughäfen, die nur
vom namen her flughäfen sind, in wirklichkeit:
flitzende punkte, obwohl worte wie flitzende punkte
in wirklichkeit nirgendwo sind, nur teilchen, schwebende
teilchen, die schwingen, ununterbrochen schwingen
solange wir warten in form von lose zusammengefügten
relativ kurzen, sprechenden stäbchen, warten
auf unseren einzigen flug, der uns abstürzen lässt
und unsere gehirne zurücknimmt; nicht in die engen schöße
unserer mütter, die längst morsch geworden sind
aber in die vorschöße; zwischen die schenkel 
einer hoffentlich gut aussehenden, uralten, mädchenhaften
planetaren dame.

 

je hebt te lang op schommelende pontons gestaan

je hebt te lang op schommelende pontons gestaan
en nu schommel je zelf, een enkel schommelen
door steegjes die zich gezouten verbuigen

tot zeemeeuwvleugels, zelfs in je slaap schommel je nog
zelfs in dromen. een doorzichtige vuilniszak
op je hoofd die fladdert in de vaporetto en zachtjes
tegen je aan gaat liggen, tegen je slaap. alles wat je ziet
is een truc om je ogen te schillen
zonder dat je het merkt. iemand opereert je
op de piazza zonder dat je het merkt.
precies in je kegeltjes zit een kuiken
in een paleis dat je verwelkomt om je te vertellen
dat je ouders verzinsels zijn
en jij bent ook verzonnen. je broers en zussen
zijn gondels en cruiseschepen, kerken en ratten.
Alleen daarom schommel je
deze stad is een deeltjesversneller
zij lost je op om je te laten zien
je eeuwige deeltjes, en je kunt niet langer vluchten,
terug naar de wachtkamer, waar de tijdschriften liggen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Christian Elze (Berlijn, 26 april 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e april ook mijn blog van 26 april 2020 en eveneens mijn blog van 26 april 2019 en ook mijn blog van 26 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2.