T. S. Eliot

De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor T. S. Eliot op dit blog.

 

The Naming of Cats

The Naming of Cats is a difficult matter,
It isn’t just one of your holiday games;
You may think at first I’m as mad as a hatter
When I tell you, a cat must have THREE DIFFERENT NAMES.
First of all, there’s the name that the family use daily,
Such as Peter, Augustus, Alonzo, or James,
Such as Victor or Jonathan, George or Bill Bailey —
All of them sensible everyday names.
There are fancier names if you think they sound sweeter,
Some for the gentlemen, some for the dames:
Such as Plato, Admetus, Electra, Demeter —
But all of them sensible everyday names.
But I tell you, a cat needs a name that’s particular,
A name that’s peculiar, and more dignified,
Else how can he keep up his tail perpendicular,
Or spread out his whiskers, or cherish his pride?
Of names of this kind, I can give you a quorum,
Such as Munkstrap, Quaxo, or Coricopat,
Such as Bombalurina, or else Jellylorum —
Names that never belong to more than one cat.
But above and beyond there’s still one name left over,
And that is the name that you never will guess;
The name that no human research can discover —
But THE CAT HIMSELF KNOWS, and will never confess.
When you notice a cat in profound meditation,
The reason, I tell you, is always the same:
His mind is engaged in a rapt contemplation
Of the thought, of the thought, of the thought of his name:
His ineffable effable
Effanineffable
Deep and inscrutable singular Name.

 

La Figlia che Piange

O quam te memorem virgo …

Stand on the highest pavement of the stair—
Lean on a garden urn—
Weave, weave the sunlight in your hair—
Clasp your flowers to you with a pained surprise—
Fling them to the ground and turn
With a fugitive resentment in your eyes:
But weave, weave the sunlight in your hair.

So I would have had him leave,
So I would have had her stand and grieve,
So he would have left

As the soul leaves the body torn and bruised,
As the mind deserts the body it has used.
I should find
Some way incomparably light and deft,
Some way we both should understand,
Simple and faithless as a smile and shake of the hand.

She turned away, but with the autumn weather
Compelled my imagination many days,
Many days and many hours:
Her hair over her arms and her arms full of flowers.
And I wonder how they should have been together!
I should have lost a gesture and a pose.
Sometimes these cogitations still amaze
The troubled midnight and the noon’s repose.

 

De hippopotamus

De hippopotamus ligt languit
log in de modderige vloed;
al ziet hij er onverwoestbaar uit,
hij is enkel vlees en bloed.

Vlees en bloed zijn bederfelijk
omdat het leven ze verteert;
maar de Ware Kerk is onsterfelijk
want ze is op een rots gefundeerd.

De hippo’ misstap op misstap doet
voor zijn nooddruft en onderhoud,
maar de Ware Kerk verzet geen voet
voor het inhalen van haar goud.

De ‘potamus ziet een broodboom staan
en is tot plukken niet in staat,
maar er keert geen schip uit de oceaan
of de Kerk krijgt rijst en muskaat.

De hippo’ wordt in de paringstijd
onwelluidend en gedraagt zich zot;
maar elke week, vol zaligheid,
huwt de zingende Kerk met God.

De hippopotamus slaapt overdag
omdat hij ’s nachts uit jagen moet;
de Kerk, die God vertrouwen mag,
kan slapen terwijl zij zich voedt.

Ik zag eensklaps de ‘potamus
wegvliegen uit zijn nat moeras.
Engelen zongen Laudamus
hem begroetend op hun terras.

Bloed des Lams wast hem aanstonds rein,
hij wordt als hemelzoon erkend
en zal een van de heiligen zijn
met een gouden snaarinstrument.

Maagden, martelaressen, al
wat kuis is kust hem vrij van schuld,
maar de Ware Kerk blijft in het dal
in schadelijke damp gehuld.

 

Vertaald door Martinus Nijhoff

 

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e september ook mijn blog van 26 september 2018 en ook mijn blog van 26 september 2017 en eveneens mijn blog van 26 september 2015 deel 2.

Niccolò Ammaniti, Kay Ryan

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Het laatste oudejaar van de mensheid (Vertaald door Etta Maris)

“Cristiano Carucci had drie mogelijkheden bedacht om door die vervloekte avond te komen.
Eén.
Met de rest van de groep naar buurthuis Argonauta gaan, waar die avond het megaoudejaarsblowfestijn en een concert van Animal Death op het programma stonden. Maar die band stond hem behoorlijk tegen. Vervelende fundamentalistische vegetariërs. Hun lievelingsspelletje was rauwe karbonades en bloederige runderlappen in het publiek gooien. De laatste keer dat hij naar een concert van hen was gegaan, was hij onder het bloed thuisgekomen. En bovendien speelden ze een afgrijselijk soort Anconese rockmuziek…
Twee.

Visgraat bellen, de 126 nemen en kijken wat er in het centrum te doen was. Misschien binnenvallen op een of ander feest. Om twaalf uur zouden ze natuurlijk ergens stomdronken vast komen te zitten in de verkeerschaos, en in die zee van opgewonden toeterende eikels toosten op het nieuwe jaar.
Mijn god, wat een treurnis!
Hij draaide zich om op zijn bed, griste het pakje Diana blauw van het nachtkastje en stak er een op.
Het zou best leuk zijn geweest als Esmeralda en Paola er waren. Maar die twee waren naar Terracina vertrokken. Zonder iets te zeggen. Zeker iets met mannen. Met hen erbij had er misschien nog wat seks in gezeten. Wanneer Paola dronken was liep het altijd uit op seks.
Wie neukt op oudejaar, neukt het hele jaar.
Drie.
Schijt hebben. Schijt hebben aan alles. Aan absoluut alles. Rustig. Een boeddha. Opgesloten in zijn slaapkamer. Gebarricadeerd in de bunker. Een cd opzetten en doen alsof dit niet een speciale avond was, maar een willekeurige avond na een willekeurige dag.
Geen slecht idee, zei hij tegen zichzelf.
Eén probleem.
Zijn moeder stond al vanaf vijf uur die ochtend in de keuken om dat stomme oudejaarsdiner te bereiden.
Van wie moet ze dat eigenlijk doen? vroeg hij zich af zonder antwoord te krijgen.
Ze had een overdreven uitgebreid diner georganiseerd voor Mario Cinque, de portier van gebouw Ponza, diens familie (drie kleine kinderen & praatzieke echtgenote & schoonmoeder met parkinson), de tuinman van het woonpark Giovanni Trecase en diens vrouw, de bewaker Pasquale Cerquetti en
diens zus Mariarosaria van vierentwintig jaar (superlekker stuk!). “

 

Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

 

De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.

 

Geduld

Geduld is groter
dan men zich ooit voorstelde,
met linten van rivieren
en verre gebieden
en taken uitgevoerd
en voltooid met bescheiden
smaak door inboorlingen
in hun geboortekleding.
Wie zou het voor mogelijk
gehouden hebben

dat wachten
duurzaam is— een plek
met zijn eigen oogst.
Of dat in de volheid
van de tijd de diamanten
van geduld niet zouden te
onderscheiden zijn van
de echte in
glans of hardheid.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kay Ryan (San Jose, 27 september 1945)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e september ook mijn blog van 25 september 2019 en ook mijn blog van 25 september 2018 en eveneens mijn blog van 25 september 2016 deel 2.

Joke van Leeuwen, Kay Ryan

De Nederlandse dichteres, schrijfster, illustrator en cabaretière Johanna Rutgera van Leeuwen werd geboren op 24 september 1952 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Joke van Leeuwen op dit blog.

 

Te leven en dat leven te vergeten

Te leven en dat leven te vergeten
met zijn gedonderjaag en doe-maar-dik
voorgoed verstrikt geraakt in eigen ik
en toch weer kleren aan en toch weer eten.

En in het hoofd een weggedreven weten
en in de ogen die verdwaalde blik
van vaag verbazen, van onvaste schrik
om wie er op bezoek zijn, hoe die heten.

Zij die hun namen kennen schuiven aan
en zitten daar van levenslust te blaken.
De zinnen die op de repeatknop staan

proberen ze welwillend af te maken.
Een kus voordat ze weer naar buiten gaan.
Zo vluchtig even een bestaan aanraken.

 

Onbekenden

Ik was veel kleiner dan de stad
en schrok nog van de bedelaars
waar altijd iets niet meer aan zat.
De winkels waren hemelhoog
met witte bergen onderbroeken
waarin gegraaid werd van het zoeken
tot handen hadden. Ik vergat
de weg die ik niet had geleerd en
liep verkeerd. Een vrouw, gerimpeld van
bestaan, vroeg of ik met haar op
wou gaan, want anders viel zij om.
We liepen samen krom,
als een gezinnetje van zotten.
Zij wist de weg. Ik droeg haar oude botten.

 

Parafernalia

Vijf afgescheurde nagels die
hij in de borstzak bewaarde
om de aarde vanachter zijn
niet afgescheurde weg te halen.

Een zin die geknakt achterbleef
zonder boek waarin iemand van
papier hem uitsprak: ‘(onleesbaar),
want moed zoek ik op blote voeten.’

Drie vloeibladen waarin tot
bloeiende vlekken verzonken
woorden bezig geweest waren
bijna te ontstaan.

En het vest van de vrouw die
tot aan zijn dood zo groots
in hem geloofde.

 

Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)

 

De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.

 

Alles zal worden hersteld

De korrels zullen worden verzameld
van de duizend kusten
waarheen ze hun weg vonden,
en de rotsblok hersteld,
en de rotsblok zelf teruggeplaatst
in de rotswand, en ook
de rotswand zal stijgen
of zakken tot de plaat van de aarde
zonder scheuren is. Restaureren
kent geen halve maatregelen. Het zal
niet stoppen wanneer het geliefde en verloren
bronzen paard weer de treden opklimt.
Zelfs dit paard zal achterwaarts verzinken
In munten, kanonnen en huiselijke potten,
die zelf zullen borrelen en
terugvloeien in groene aderen in steen.
En elk geschreven woord zal opstijgen
letter voor letter, de achterwaartse tekst
steeds korter luiden, steeds meer uit de tijd
in zijn poging om vol te houden dat niets
verloren zal gaan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kay Ryan (San Jose, 27 september 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e september ook mijn blog van 24 september 2020 en eveneens mijn blog van 24 september 2019 en ook mijn blog van 24 september 2017 deel 2.

Herfst (M. Vasalis), Inge Boulonois, Dannie Abse

 

Bij het begin van de herfst

 

Autumn Sunlight door John F. Carlson, z.j.

 

Herfst

Nooit ben ik meer in mijn gedachten groot,
steeds zeldner denk ik dat mijn werkelijk wezen
zich tonen zal en durven te genezen
van de steeds naderende duidelijker dood.
Vandaag zag ik de hemel door het weemlend lover
verbleken tot een doodlijk zuivere helderheid.
Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd
en er is haast geen tijd meer voor mij over.
Er ruist een hoge ruime wind
door de recht opgerezen bomen:
aan het zwarte water is een hert gekomen,
en door het oevergras schijnt laag de zon…
Dit is het enig antwoord, dat ik vind,
dat mij bevrijden zou, zo ik t vertalen kon.

 

M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Herfst in Den Haag, de geboorteplaats van M. Vasalis

 

De Nederlandse dichteres en schilderes Inge Boulonois werd geboren in Alkmaar op 23 september 1945. Zie ook alle tags voor Inge Boulonois op dit blog.

 

Zichtkaart

Nu deze weken weer voorbij
ritselen in hun morsbruine jassen
en bomen oude briefjes sturen
naar de zakken zaad van distels,
mosterdplanten en de rest
en steeds op hoop
van minstens dertigvoudig vrucht,

nu mijn haren witter dan de mist
en alles anders sinds ik me
het eerste licht herinnerde,
schrijf ik een mondvol
ogenblikken op een blad

papier. Tijd is een hand
die strooit. Er is een palm
die wacht. En al die jaren
zocht ik maar in wat rondom verschijnt.
Vergeefs: wie nooit weg is,
wordt niet gezien –

 

STOEL

Dat zijn houding is bepaald.
Zijn schoot wil ingenomen
door warm vlees en bloed.
Bezeten wordt hij pas zichzelf
en worden wij het nog te bakeren kind.

Bij elke zit zet hij ons meer naar zijn idee
van stoel. Hij snoeit de woeling
tussen schedelwanden, vangt vermoeidheid af,
bedwelmt ons met aanhorige gezapigheid.

Op de lange duur laat hij goed merken
wat verstrijken is en zitten we net zo
houterig in eigen lijf als in hem.

Hij blijft ons potig dragen
als we niets anders meer dan zitten kunnen.
Tot onze tijd is uitgezeten.

Dat hij niet van wijken weet. Verzettelijk zwijgt –

 

Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog

 

Geesten

Dikke gordijnen dicht en een kniehoge tafel.
Die lange androgyne, half in trance,
die met een ersatz-stem spreekt, weet die zeker
dat geesten buiten dienst het daglicht prefereren?

Eens sprak de geest van Goethe tot hen allen:
‘Meer licht!’ Geesten hebben de kleur van lucht. Zij houden van
lantaarnpalen die ’s morgens in de straten branden.
Ze grijnzen in zonnestralen waar hun kleine stofjes zichtbaar zijn.

Maar ’s nachts hebben ze een hels karwei
aan ons: hebben geen tijd om door oude herbergen te spoken,
om te krijsen als een pauw op Highgate Cemetery
of tafels te bekloppen. We houden zelden op met dromen.

We kreunen in de slaap en ze stormen uit de coulissen.
We roepen door valluiken een niet-vakbondscast op.
Huilend draven ze van droom naar droom.
Wij brengen ze voort, geven ze onmogelijke scripts.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e september ook mijn blog van 23 september 2020 en eveneens mijn blog van 23 september 2019 en ook mijn blog van 23 september 2018 deel 1 en ook deel 2.

Jaap Harten, Dannie Abse

De Nederlandse dichter en schrijver Jacobus Cornelis (Jaap) Harten werd geboren in Blaricum op 22 september 1930. Zie ook alle tags voor Jaap Harten op dit blog.

 

Taboe in de taal

Bomen in de storm,
het beste paard op stal,
linnen dat duurzaam
de jaren doorstond, zo spraken
de boeren over liefde.

Niet dat dit woord
er ooit aan te pas kwam.
Het schors van hun keel
was te hard om het uit te spreken.
Maar zij doorploegden land,
overdag en in gloeiend donker.

Wij, in onze jonge
provincie van melk en gras,
wisten niet en wisten wel beter.
Wij bouwden speelgoed voor
de eerste aanval, vielen
door de mand als een
verliefde kater en bliezen
de aftocht met een mooi blauw oog.

Maar niet voor lang. De zomer was
een schip met veel vlagvertoon
dat plotseling kon kapseizen.
Later kwamen dan drenkelingen
boven uit het hooi of
uit de wildernis, waar
een klein duiveltje
floot van plezier.

De boerinnen bij de melktobben
met ogen scherp als wespen,
zeiden niets maar wisten
alles van ons af.

 

De kwikzilveren tijd

Toen ik jong was,
een welp op het veld,
een grenadier op het goede spoor,
zocht ik van ieder seizoen
het sleutelwoord,
mocht ik de samenkomst van
goden bijwonen op het open land.

Leefde ik
met mijn zakken vol kleurkrijt,
stond ik oog in oog met iedere
vertakking van het bloesemjaar,
vond ik nesten
gevuld met een nieuw alfabet, zag ik
de zon, mat, een strohoed in de wolken.

Toen de tijd verschoof
werden de bossen koper,
moest ik waken, houtvuur aanleggen,
leerde ik lezen dat Hölderlin woonde
in een holle toren,
heer van padden en de zilverspar,
maar bijna niemand kende hem.

Later, in het waterland,
sprak ik een andere taal dan mijn vrienden,
had ik een werkplaats een bloeiende koets,
en zienderogen
uiteengewaaid
waren de goden, sterk was de luchtstroom,
maar na lang werk werd gesteente soms
vloeibaar, opende plots een zeeanemoon.

 

Jaap Harten (22 september 1930 – 2 december 2017)
Portret door Ringo Mollinger, 1984

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

In de Villa Borghese

De achtervolging. Door het bos, de verschrikking ervan.
De keuze. Gewelddadige liefde of plantaardige schuilplaats.
Nog steeds waar, soms, voor onzekere mannen.
Nog steeds waar, soms, voor bepaalde vrouwen.
Zij, met de ziel van een non, koos.

In de Villa Borghese zijn ze marmer geworden.
Miljoenen dagen, miljoenen nachten
Poseren zij. Hij, eveneens, ironisch versteend.

Met een stethoscoop wil ik
hun twee harten horen kloppen in het marmer.
Ik wil een spiegel voor hun mond houden.

Volgens Ovidius koos zij. Wie huilde?
Ze liet hem priapisch en lijdend achter.
Regende het toen? Heeft hij zijn godenbeen omhoog getild?

Nu hoor ik, buiten, het vruchtbare geroffel ervan
op brede laurierbladeren. Hoe dan ook,
een boom zou blij kunnen zijn met zo’n verfrissend bad.

Een feministische overwinning? Nauwelijks.
Toegegeven, nog een hijger meer afgewezen –
tenzij, natuurlijk, Ovidius, om een of andere strenge,
godminnende, soma-verafschuwende priester te behagen,
een ouder, ranziger verhaal verzoette. Loog.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 22e september ook mijn blog van 22 september 20919 en ook mijn blog van 22 september 2018 deel 1 en deel 2.

Leonard Cohen, Owen Sheers

De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen werd geboren op 21 september 1934 te Montréal. Zie ook alle tags voor Leonard Cohen op dit blog.

Uit: The favorite game

“8
His father decided to rise from his chair.
“I’m speaking to you, Lawrence!”
“Your father’s speaking to you, Lawrence,” his mother interpreted.
Breavman attempted one last desperate pantomime.
“Listen to your father breathing.”
The elder Breavman calculated the expense of energy, accepted the risk, drove the back of his hand across his son’s face.
His lips were not too swollen to practise “Old Black Joe.”
They said she’d live. But he didn’t give it up. He’d be one extra.

9
The Japs and Germans were beautiful enemies. They had buck teeth or cruel monocles and commanded in crude English with much saliva. They started the war because of their nature.
Red Cross ships must be bombed, all parachutists machine-gunned. Their uniforms were stiff and decorated with skulls. They kept right on eating and laughed at appeals for mercy.
They did nothing warlike without a close-up of perverted glee.
Best of all, they tortured. To get secrets, to make soap, to set examples to towns of heroes. But mostly they tortured for fun, because of their nature.
Comic books, movies, radio programmes centred their entertainment around the fact of torture. Nothing fascinates a child like a tale of torture. With the clearest of consciences, with a patriotic intensity, children dreamed, talked, acted orgies of physical abuse. Imaginations were released to wander on a reconnaissance mission from Calvary to Dachau.
European children starved and watched their parents scheme and die. Here we grew up with toy whips. Early warning against our future leaders, the war babies.”

 

Leonard Cohen (21 september 1934 – 7 november 2016)

 

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

 

Onderbreking
Voor L.

Een nacht lang oostenwind en een kastanjeboom
die zijwaarts tegen de hoogspanningslijnen veegt
heeft het huis tot dit verstild:

bronnen van duisternis in de gang,
deuren die uitkomen op mijnschachten van de nacht
en wij,

bij het vuur zittend,
whisky nippend
tegen de vlammen en het stof.

Een avond van onbekende obstakels,
kamers gekrompen tot de halo van de kaars,
de wereld verkleind.

Je spreekt vanaf de oever van de andere stoel,
zegt dat je alleen maar lang genoeg
wilt leven om goed te worden op de hobo

en ik herinnerde me een vlieg die ik die ochtend zag,
trillend tegen een raam als de naald van een tatoeëerder
richting de strook die lucht was en geen glas,

ik denk dat ik het begrijp.
Dat het tot slot om de kleine overwinningen gaat,
Die, uiteindelijk, genoeg zijn
.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e september ook mijn blog van 21 september 2020 en eveneens mijn blog van 21 september 2019 en ook mijn blog van 21 september 2018.

Owen Sheers, Joseph O’Connor

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

 

Intermission
For L.

A night-long easterly and a chestnut tree
side-swiping the power lines
has stilled the house to this:

wells of darkness in the hallway,
doors opening onto mine shafts of night
and us,

sitting by firelight,
tipping heels of whisky
against the flames and the dust.

An evening of unfamiliar obstacles,
rooms shrunken to the candle’s halo,
the world lessened.

You speak from the shore of the other chair,
saying all you really want is to live
long enough to be good at the oboe

and remembering a fly I saw that morning,
vibrating across a window like a tattooist’s needle
towards the slip of space that was air not glass,

I think I understand.
That it is after all the small victories that matter,
that are In the end, enough.

 

Winter Swans

The clouds had given their all –
two days of rain and then a break
in which we walked,

the waterlogged earth
gulping for breath at our feet
as we skirted the lake, silent and apart,

until the swans came and stopped us
with a show of tipping in unison.
As if rolling weights down their bodies to their heads

they halved themselves in the dark water,
icebergs of white feather; paused before returning again
like boats righting in rough weather

‘They mate for life’ you said as they left,
porcelain over the stilling water. I didn’t reply
but as we moved on through the afternoon light,

slow-stepping in the lake’s shingle and sand,
I noticed our hands, that had, somehow,
swum the distance between us

and folded, one over the other;
like a pair of wings settling after flight.

 

Nog niet mijn moeder

Gisteren vond ik een foto
van jou op je zeventiende,
met een paard aan je hand en lachend,
nog niet mijn moeder.

De strakke rijpet verborg je haar,
en je benen waren nog de lange schenen van een jongen.
Je hield het paard aan de halster vast,
je hand een vuist onder zijn enorme kaak.

De omgewaaide bomen lagen nog op de achtergrond
en de lucht was korrelig door ‘t oude fotorolletje,
maar wat me opviel was je gezicht,
dat van mij was.

En ik dacht, een seconde lang, dat jij mij was.
Maar toen zag ik het damesjasje,
nauw in de taille, de ballonvormige rijbroek,
en natuurlijk de datum, gekrast in de hoek.

Dat alles vertelde me nog eens,
dat jij het was op je zeventiende, met een paard aan je hand
en lachend, nog niet mijn moeder,
hoewel ik duidelijk al je kind was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

 De Ierse schrijver Joseph Victor O’Connor werd geboren op 20 september 1963 in Dublin. Zie ook alle tags voor Joseph O’Connor op dit blog.

Uit: The Thrill of it All

“Who was this wraith? Whence had he come? My classmates traded theories about his birthplace. China was a candidate, as were Laos and Malaysia. Oddly, I don’t remember anyone ever suggesting Vietnam, his long-departed actual motherland. What was certain was that he’d been adopted in South Yorkshire as a child, looked fabulous and didn’t talk much. What Fran had wasn’t confidence. It was a million miles from flounce. The closest I can come is ‘dignity’. And you want to watch out when you’ve dignity in England because it can look like you’re taking yourself seriously.
Our first conversation took place on the afternoon of Good Friday 1982, which fell on April 9th. The holy day tended to unleash a viral panic through the undergraduate body, for it was one of only two throughout the entire year when the student bar, The Trap, being administered by an observant Irish Catholic landlord, was closed. The unease would commence at the start of Easter Week, rising to full-blown hysteria as Spy Wednesday approached. There would be no drink. What would we do? By Holy Thursday night, you could have sodomised anyone in the college in return for a six-pack of Harp.
The form was to stockpile and repair to someone’s flat, in one of the many crumbling old houses partitioned into bedsits for students or the not-quite-destitute. There, the Zeppelin wailed and the wallpaper peeled as Christ’s tears spattered the windows. A nice girl studying Accountancy would end up weeping into the communal toilet on the landing, puking like a fruit machine, her hair held aloft by some monster out of Poe, his other paw working its way into her tights. Scholars in a wardrobe chewed at one another under damp coats. The corrugated kacks of the lessee or his cousin dried by an electric fire. Some wurzle would start a fisticuff and get kicked down the stairs, only to return, an hour later, eyes raging for forgiveness, the bottle of Blue Nun he’d stolen from the 24-hour minimart in the town his passport back into the pleasure-dome.
Rebel-yells, drunken gropes. Lachrymose talk. Backroom fingerings, declined lunges, Black Sabbath’s ‘Paranoid’, stale bread in the toaster at dawn. My Purgatory will be a thousand years of Good Friday, circa 1982, reeking of chips, old carpet, crushed sexual hopes and unlaundered nylon bed-sheets sprinkled with Brut aftershave by a student of Agricultural Science.”

 

Joseph O’Connor (Dublin, 20 september 1963)

 

Zie voor de schrijvers van de 20e september ook mijn blog van 20 september 2020 en eveneens mijn blog van 20 september 2019 en ook mijn blog van 20 september 2018.

Crauss, William Golding, Cihan Acar

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.

 

zielstrebig dem wald zu
hatte ich, als ichs erkannte, gehofft,
wir würden nachholen, was wir
vormals, nicht allein, nicht
vermochten. dann aber, kurz
vor dem wuchern des dunklen
bogst du ab richtung siedlung.

 

vastberaden naar het bos
had ik, toen ik het besefte, gehoopt
dat we zouden inhalen wat we
eerder, niet alleen, niet
vermochten. toen echter, kort
vóór het woekeren van de duisternis
sloeg je af richting nederzetting

 

Vertaald door Frans Roumen

 

nach smyrna (grau)

lieber konstantin,
ich fand mich in einem
deiner gedichtbücher wieder. es schmerzte.
ein weh, das ich mir selber zufügte, uns beiden
vor jahren, weil ich weniger angst hatte,
in smyrna den rücken zu krümmen,
mir bei der arbeit die finger zu brechen,
die vorher gedichte geschrieben
an einen dichter – wer von uns ahnte,
dass du alles erlebte in deinem herzen bewahren
und den mut haben könntest, gedichte
zu schreiben wie ichs mir gewünscht
und selbst doch niemals vermochte. weil ich
weniger angst hatte, meine augen, grau,
opalgrau, sagst du, aschgrauen zu lassen
in smyrna, vom hochofenfeuer der lust,
mich blenden zu lassen von den verführungen
einer stadt, die keine stadt ist,
sondern ein loch, in dem man verschwindet.

noch bin ich da, ich bin noch vorhanden,
ich will, dass du‘s weisst. aber du sollst mich
nicht suchen, noch will ich dir jemals
wieder anders erscheinen als in gedichten.
längst ist mein ansehen zerstört, nichts aber
verblasst von den wochen, dem hellen
beginn eines sommers vor jahren, in den wir
verliebt waren. öffne nicht, wenn es klopft,
sondern verbring deinen abend
in der erinnerung. lass mich nicht ein, komm nicht
nach smyrna, ich bitt dich. und wein‘ nicht. schreib über
das weisse meer, das mich von alexandria fernhält,
aber die leere in deinem gedicht füllt ……………………

 

Crauss (Siegen, 19 september 1971)

 

De Engelse dichter en schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall, op 19 september 1911. Zie ook alle tags voor William Golding op dit blog.

Uit: Lord of the flies

“How does he know we’re here?”
Ralph lolled in the water. Sleep enveloped him like the swathing mirages that were wrestling with the brilliance of the lagoon.
“How does he know we’re here?”
Because, thought Ralph, because, because. The roar from the reef became very distant.
“They’d tell him at the airport.”
Piggy shook his head, put on his flashing glasses and looked down at Ralph.
“Not them. Didn’t you hear what the pilot said? About the atom bomb? They’re all dead.”
Ralph pulled himself out of the water, stood facing Piggy, and considered this unusual problem.
Piggy persisted.
“This an island, isn’t it?”
“I climbed a rock,” said Ralph slowly, “and I think this is an island.”
“They’re all dead,” said Piggy, “an’ this is an island. Nobody don’t know we’re here. Your dad don’t know, nobody don’t know–“
His lips quivered and the spectacles were dimmed with mist.
“We may stay here till we die.”

With that word the heat seemed to increase till it became a threatening weight and the lagoon attacked them with a blinding effulgence.
“Get my clothes,” muttered Ralph. “Along there.”
He trotted through the sand, enduring the sun’s enmity, crossed the platform and found his scattered clothes. To put on a grey shirt once more was strangely pleasing. Then he climbed the edge of the platform and sat in the green shade on a convenient trunk. Piggy hauled himself up, carrying most of his clothes under his arms. Then he sat carefully on a fallen trunk near the little cliff that fronted the lagoon; and the tangled reflections quivered over him.
Presently he spoke.
“We got to find the others. We got to do something.”
Ralph said nothing. Here was a coral island. Protected from the sun, ignoring Piggy’s ill-omened talk, he dreamed pleasantly.
Piggy insisted.
“How many of us are there?”
Ralph came forward and stood by Piggy.
“I don’t know.”
Here and there, little breezes crept over the polished waters beneath the haze of heat. When these breezes reached the platform the palm fronds would whisper, so that spots of blurred sunlight slid over their bodies or moved like bright, winged things in the shade.
Piggy looked up at Ralph. All the shadows on Ralph’s face were reversed; green above, bright below from the lagoon. A blur of sunlight was crawling across his hair.”

 

William Golding (19 september 1911 – 19 juni 1993)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver Cihan Acar werd in 1986 in de buurt van Heilbronn geboren. Zie ook alle tags voor Cihan Acar op dit blog.

Uit: Hawaii

„Ebru nahm jetzt Glückwünsche an und verteilte Küsschen.
Ich konnte ihren traurigen Blick nicht vergessen. Bestimmt hatte man ihr gesagt: Schau, dass du einen Mann aus Deutschland heiratest, die haben Arbeit und Geld, da hast du keine Sorgen. Und jetzt musste sie auf diesem verdammten Kachelboden heiraten, der eher zu einem Kneipenklo passte. Und das an einem Donnerstag, weil es günstiger war als am Wochenende. Willkommen in der Minderheit. Ich rutschte ein Stück nach hinten und beugte mich zum Boden runter. Mich wirst du nicht kriegen, merk dir das. Ich werde niemals so heiraten, ich nicht. Der Boden aber wurde frech: Alles klar, bei dir wird es natürlich eine Hochzeit im Schloss sein, du bist ja so anders.
Musste ich mir nicht bieten lassen. Ich stand auf und lief in Richtung Ausgang. Gerade wurde das Essen ausgeteilt, fast alle Gäste saßen auf ihren Plätzen. Wer nicht schon mit seinem Teller beschäftigt war, sah mir beim Gehen zu. Ein Mann legte den Arm um die Schultern seines Sohnes, der neben ihm saß und auf seinem Handy zockte. Er sagte etwas zum Sohn und zeigte dann auf mich. Der Sohn fragte etwas zurück. Der Vater schüttelte den Kopf und gab eine kurze Antwort. Der Sohn konzentrierte sich wieder auf sein Spiel.
Ich lief weiter und streckte den Rücken durch. Der Weg zum Ausgang schien immer länger zu werden. Schieb keine Filme, Kemal. Du kennst die Stadt. Die Stadt kennt dich. Ihr müsst nur wieder zueinanderfinden, dauert halt manchmal etwas länger. Das wird schon.
Fast hatte ich es nach draußen
geschafft, da rief jemand nach mir.
»Kemal! Lan, Kemal! Komm her!«
Rechts und links vom Ausgang waren ein paar Stehtische aufgestellt, an einem von ihnen stand Osman amca. Er ist gar nicht mein Onkel, aber ich nenne ihn trotzdem amca. Das macht man so. Osman amca war ein kleiner Mann mit Halbglatze, ein alter Freund von meinem Vater. Alles an ihm war grau. Die verbliebenen Haare, die Bartstoppeln, der Anzug, die schiefgebundene Krawatte. Nur die dicken Augenbrauen waren schwarz. Er hielt ein Glas Rakı in der Hand und winkte mich langsam heran, als würde ich gerade einparken. Dann packte er mich am Kopf, gab mir einen Kuss auf die Stirn und betrachtete mich mit dem leeren Lächeln eines Betrunkenen.
»Seit wann bist du zurück?« Obwohl seine Stimme immer heiser klang, schrie er halb beim Sprechen. Er könnte Flüsterpost spielen und man würde im Zimmer nebenan immer noch jedes Wort verstehen.
»Schon eine Weile. Wir haben uns doch letztens erst gesehen.«
Er nickte mehrmals, aber es war klar, dass er sich nicht erinnerte. Dann schlug er mit der flachen Hand auf den Tisch und rief mit erhobenem Zeigefinger: »Weißt du was? Ich habe deinen Weg verfolgt, von Anfang bis Ende. Ich weiß Bescheid!«

 

Cihan Acar (Nabij Heilbronn, 1986)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e september ook mijn blog van 19 september 2020 en eveneens mijn blog van 19 september 2018 en ook mijn blog van 19 september 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Michaël Zeeman, Owen Sheers

De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman werd geboren op Marken op 18 september 1958. Zie ook alle tags voor Michaël Zeeman op dit blog.

 

Othello’s klacht

I.
Als een mantel lag ik op haar armen en
als een kat heb ik geslapen in haar schoot.

Ja: begraaf haar in het laken van haar bruidsbed
wikkel haar haastig in die groezelige oude krant,
maak kort het knisteren van de zijde, gesteven
als een doodshemd, bijna stijver dan haar lijk
.

Laat al die uitgelopen regels zich bijten in de
bleke lijnen die ik zo doelloos heb gestreeld.

En leg haar dan onder de zilverwilg: dompel haar
in de kille en vochtige schaduw en laat de takken
de handen van wie ze wil buigen bespugen met hun
ranzige schuim – om waar zij mijn liefde voor hield.

Werp haar weg. Als het dagen oude nieuws, als het
gesprek van weken her. Laat het water haar gisten
tot de vette was waarvan men grove kaarsen draait.

II.
Het beest met brede klauwen: het scheurde mij.
Een uitgeputte vogel die landde op mijn borst,
met mij naar zee vertrok en terug mij niet
alleen liet in de storm noch in het vuur.

Een kind verstijfd op mijn rug bij
het doorwaden van een oeverloze stroom.
Mijn adem schuurde langs zijn handen
mijn liefde vijlde aan mijn hart.

Mijn moeders stervensdoek in haar hand
geklemd maar in haar bed gelaten en het
geile zweet dat in de droge doodsangst drong:

mijn machteloze tederheid versmaad tot sentiment
mijn ernst haar tijdverdrijf – dat ik haar liefhad
een vergeten knikker in het verregende zand.

III.
Ik drink uit een gebroken glas
een rand van tanden dringt zich
in mijn woorden ik scheer het bloed
van mijn lippen als het stolsel
van een rubberboom.

Toen sloegen er vlammen uit de muur
gebaarden van achter mijn boekenkast:
in ruggen staat de halve as bijeen
als een leger van dorre bedienden.

Ik zal mij voortaan tooien met een glazen kroon
rood is het schuim van mijn oor tot mijn mond en
er groeien grauwe takken aan mijn hand. Als er
kaarslicht door mijn ramen valt vindt men geen
hond die harder schreeuwt dan ik.

 

Michaël Zeeman (18 september 1958 – 27 juli 2009)

 

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

 

Oriëntatiepunt

Achteraf waren ze tijdloos
en bleven zo even liggen voordat ze opstonden,
zich aankleedden, hun kleren weer van

de witbloeiende takken van de sleedoornboom haalden.
En ze maakten al weer deel uit van de dingen:
zijn horloge, haar oorbellen, hun lompe schoenen.

Ze merkten de telefoondraden op, de tijd,
zelfs de kapotte vacht van een al lang dood schaap
opgevouwen onderaan de bank.

Weglopend stopten ze en draaiden zich om, keken achterom,
hielden elkaar vast alsof loslaten voor altijd zou betekenen,
en ze zagen waar ze vandaan kwamen —

een dubbele schaduw van groen geperst gras, gewichtsafdruk.
Een sarcofaag, ondiep tussen de lange halmen
en compleet zonder hen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e september ook mijn blog van 18september 2020 en ook mijn blog van 18 september 2018 en ook mijn blog van 18 september 2016 deel 1 en eveneens deel 2 en eveneens deel 3.

H.H. ter Balkt, William Carlos Williams

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

 

Altijd

Altijd de verweekte kalfshersenen van de regen
als het gezijk van een oude dichter die de sloot niet inklimt.
Altijd de losse draadjes van machientjes en de kloterige plons
van raketten (plas-plas) in dezelfde verrotte zee.

Altijd de afdruk van voetstappen in sneeuw of modder, &
de herfst die zijn grijnzend smoelwerk uit de groene boom steekt.
& altijd Celsius met de koude kwikzak in de maand januari
als de steden huilen: Haal ons van de landkaarten moedertje.

Altijd dezelfde klaagzangen om dezelfde schurftige wereld,
altijd dezelfde slechte dichters terwijl de goeden ondergespit zijn
en ah! ah! owee! altijd dezelfde droevige opeenvolging
van gezichten en gezangen op de stenen akkers en op die van zand.

 

Het bonenstro

Bonenstro, dat rookt zo mooi
onder de hoge bomen; en zijn
gedopte peulen smoken ook.
Zijn boon, tot roem gekomen,
wordt beloond; maar opgestookt
rookt roemloos het bonenstro,
zo hoog als nooit de bonen komen

 

De vlier

Hoe de vlier hard kraakte
wanneer de winter zijn merg
verstijfde, het riet brak; de vogels
naar het zuiden (sommige)
afreisden: staat dat niet in het boek
het oude geschrift van de grondmist?

Hoe de ezelskop in Samaria,
stad van de tranen, 75 zilver-
stukken kostte, toen de honger
de stad opvrat, lange tijd her,
staat dat niet geboekstaafd
in het oude boek van de Koningen?

Die bij Warschau stond en Athene,
wuifde bij slagvelden, huisde
in duister, verrees op Golgotha;
de wijze onuitroeibare, zuur & loog
ten spijt, wordt niet hoog: maar vijf
meter, dat is hoog genoeg om te zien.

Kwetsbaarder dan hij staat er
geen boom in de bossen: december
vindt zijn knoppen nauwelijks
bedekt, en zijn roomwit merg trekt
tal van verslinders, daarom bewaakt
het bos hem als de draak de schat…

Zo is het nòg wel, en sombere
holten staat de vlier in de bossen,
nog altijd; in nacht en ontij; tover
gleed van zijn bessen heen, nochtans
hij staat er en draagt zijn bloesem
of er nooit nee nooit iets was gebeurd.

Vliertje, vlier, jij trilde
onder de eerste voetstappen, de mensen
goten sindsdien hun holten met stikstof
vol, en gesternte, helder vroeger, schijnt
troebeler, grijnzender, over de steden:
maar vliertje, vlier, blijf jij bij mij.

 

H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)

 

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor William Carlos Williams op dit blog.

 

Danse Russe

Als ik wanneer mijn vrouw slaapt
en de baby en Kathleen
ook slapen
en de zon een vlammend-witte schijf is
in zijden mistflarden
boven glanzende bomen, –
als ik in mijn noordelijke kamer
dans, naakt en grotesk
voor mijn spiegel
mijn hemd zwaaiend boven mijn hoofd
en zachtjes tot mijzelf zing:
`Ik ben eenzaam, eenzaam.
Tot eenzaamheid ben ik geboren,
en beter kan het niet!’
Als ik mijn armen bewonder, mijn smoel,
Mijn schouders, flanken, billen
tegen de lange gele schaduwen, –

Wie zal dan zeggen dat ik niet
de gelukkige genius ben van mijn gezin?

 

Vertaald door Arnold Heumakers

 

William Carlos Williams (17 september 1883 – 4 maart 1963)

 

Zie voor de schrijvers van de 17e september ook mijn blog van 17 september 2020 en evenens mijn blog van 17 september 2018.