Marc Degens, Ted Hughes

De Duitse schrijver Marc Degens werd geboren op 18 augustus 1971 in Essen. Zie ook alle tags voor Marc Degens op dit blog.

Uit: Eriwan. Aufzeichnungen aus Armenien

Weihnachten und Silvester verbrachten wir in Berlin. Ich hatte mir für Armenien eine superwarme, eierschalenfarbene Daunenjacke mit Pelzkragen gekauft, in der ich wie ein Hiphop-Sänger aussah, außerdem Spikes, die man sich unter die Schuhe schnallen konnte. Zudem genossen wir im Spreewald ein Wellness-Wochenende mit Candle-Light-Dinner in Deutschlands größer Streusiedlung – das Solebad war nur wenige Hausnummern von unserem Hotel entfernt, dennoch dauerte der Fußmarsch durch Regen und Kälte über eine halbe Stunde. Als wir Mitte Januar nach Armenien zurückkehrten, herrschten minus neunzehn Grad. Bianca, die ein paar Tage vor uns nach Eriwan zurückgekehrt war, hatte am Flughafen knapp drei Stunden auf ihre Koffer warten müssen, weil am Flugzeug die Ladeklappen des Gepäckraums zugefroren waren, bei uns ging zum Glück aber alles glatt. Rasch konnten wir unsere Koffer in Empfang nehmen und auch in unserer Wohnung war alles in bester Ordnung.
Trotz Temperaturen bis minus fünfundzwanzig Grad war der Winter bislang erträglich gewesen und weniger schlimm als befürchtet. Mit dem Gasofen im Wohnzimmer und den drei Stromradiatoren in Küche, Bad und Schlafzimmer ließ sich die Wohnung gut heizen, auch die mit Glasfaserfolie umwickelten überirdischen Wasserrohre vor der Tür trotzten der Kälte. Allerdings mussten wir dafür auch mit äußerst schlechtem Gewissen Tag und Nacht den Wasserhahn im Bad ein wenig laufen lassen.
Als zusätzlichen Kälteschutz hingen wir in der Diele einen schweren Vorhang auf, verschoben dabei die Garderobe und entdeckten im Fußboden ein faustgroßes Loch, das wir notdürftig mit einem unserer dicksten Sockenpaare stopften. Am nächsten Morgen fanden wir in der Küche ein ausgehöhltes Brot. Anscheinend hatten wir in der Wohnung eine Maus oder eine Ratte. Schon öfters hatten wir nachts in unserer Wohnung Geräusche gehört, die wie Drahtspannen klangen und erst jetzt kam uns in den Sinn, dass es sich dabei auch um Tier handeln konnte, das bei uns hauste. Gayane erzählte, dass unsere Vormieterin vor einem Jahr mit Mäusen zu kämpfen hatte und diese mit Fallen erfolgreich besiegt hatte. Der Brotraub blieb leider kein Einzelfall. Wenige Nächte später wurden die Erdnussbälle, die wir völlig überteuert auf dem Markt gekauft hatte, angeknabbert, und Tage später verschwanden die Koriander-Vorräte aus unserer Küche. Die Mäuse hier schienen echt alles zu fressen. Oder die Ratten.“

 

Marc Degens (Essen,  18 augustus 1971)

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Fulbright-studenten

Waar was het, op de Strand? Een uitstalling
Van nieuwsberichten, op foto’s.
Om de een of andere reden viel hij me op.
Een foto van de intake van dat jaar
Van Fulbright-studenten. Net aankomend –
Of aangekomen. Of sommigen van hen.
Zat jij er tussen? Ik heb het bestudeerd.
Niet te minutieus, benieuwd
Wie van hen ik zou ontmoeten.
Ik herinner me die gedachte. Niet
Je gezicht. Ongetwijfeld heb ik vooral
De meisjes afgezocht. Misschien heb ik je opgemerkt.
Misschien heb ik je getaxeerd, me belachelijk gevoeld.
Registreerde je lange haar, losse golven –
Je Veronica Lake-pony. Niet wat die verborg.
Het zal wel blond zijn geweest. En je grijns.
Je overdreven Amerikaanse
Grijns voor de camera’s, de rechters, de vreemden, de bangmakers.
Toen vergat ik het. Toch herinner ik me
De foto: de Fulbright-studenten.
Met hun bagage? Het lijkt onwaarschijnlijk.
Zouden ze als team zijn gekomen? ik liep
Met zere voeten, onder de hete zon, over hete trottoirs.
Heb ik toen een perzik gekocht? Dat is zoals ik ‘t me herinner.
Van een kraam bij Charing Cross Station.
Het was de eerste verse perzik die ik ooit had geproefd.
Ik kon bijna niet geloven hoe lekker.
Op mijn vijfentwintigste was ik opnieuw met stomheid geslagen
Door mijn onbekendheid met de simpelste dingen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)
Hier met dochtertje Frieda en zoontje Nicholasin 1966

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2018 en ook mijn blog van 18 augustus 2017 en ook mijn blog van 18 augustus 2016 en ook mijn blog van 18 augustus 2013 deel 1 en ook deel 2.

Ted Hughes

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Tractor

The tractor stands frozen – an agony
To think of. All night
Snow packed its open entrails. Now a head-pincering gale,
A spill of molten ice, smoking snow,
Pours into its steel.
At white heat of numbness it stands
In the aimed hosing of ground-level fieriness.

It defied flesh and won’t start.
Hands are like wounds already
Inside armour gloves, and feet are unbelievable
As if the toe-nails were all just torn off.
I stare at it in hatred. Beyond it
The copse hisses – capitulates miserably
In the fleeing, failing light. Starlings,
A dirtier sleetier snow, blow smokily, unendingly, over
Towards plantations Eastward.
All the time the tractor is sinking
Through the degrees, deepening
Into its hell of ice.

The starting lever
Cracks its action, like a snapping knuckle.
The battery is alive – but like a lamb
Trying to nudge its solid-frozen mother –
While the seat claims my buttock-bones, bites
With the space-cold of earth, which it has joined
In one solid lump.

I squirt commercial sure-fire
Down the black throat – it just coughs.
It ridicules me – a trap of iron stupidity
I’ve stepped into. I drive the battery
As if I were hammering and hammering
The frozen arrangement to pieces with a hammer
And it jabbers laughing pain-crying mockingly
Into happy life.

And stands
Shuddering itself full of heat, seeming to enlarge slowly
Like a demon demonstrating
A more-than-usually-complete materialization –
Suddenly it jerks from its solidarity
With the concrete, and lurches towards a stanchion
Bursting with superhuman well-being and abandon
Shouting Where Where?

Worse iron is waiting. Power-lift kneels
Levers awake imprisoned deadweight,
Shackle-pins bedded in cast-iron cow-shit.
The blind and vibrating condemned obedience
Of iron to the cruelty of iron,
Wheels screeched out of their night-locks –

Fingers
Among the tormented
Tonnage and burning of iron

Eyes
Weeping in the wind of chloroform

And the tractor, streaming with sweat,
Raging and trembling and rejoicing.

 

De handen

Twee immense handen
Vertroetelden je als baby.
Later plaatsten diezelfde handen
Je bedaard in de kruipruimte
En voerden je de pillen,
Gehandschoend opdat je ze niet zou herkennen.

Toen je wakker werd in het ziekenhuis
Kreeg je hulp om de vingerafdrukken
Te herkennen binnen wat je gedaan had.
Je kon het niet geloven. Het kostte je moeite
Het te geloven.
                           Later, binnen je gedichten
Die ze droegen als handschoenen, lieten dezelfde handen
Grote vingerafdrukken achter. Hetzelfde
Binnen he laatste-stelling-brieven
Die ze ook als handschoenen droegen.
Binnen die woorden waarmee je mij raakte
Die zoveel sneller bewogen dan je mond
En die nog steeds in mijn oren galmen.

Soms denk ik
Dat jijzelf uiteindelijk twee handschoenen was
Die door die twee handen werden gedragen.
Soms denk ik zelfs dat ook ik
Werd opgepakt, een verdoving van handschoenen
Gedragen door diezelfde handen,
Die deden wat ze moesten doen, omdat
De vingerafdrukken binnen wat ik deed
En binnen je gedichten en je brieven
En binnen wat jij deed
Dezelfde zijn.

De vingerafdrukken
Binnen lege handschoenen, deze, hier,
Waaruit de handen zijn verdwenen.

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

De theologie van Kraai

Kraai besefte dat God hem liefhad —
Anders was hij wel dood neergevallen.
Dus dat was bewezen.
Kraai leunde, in verwondering, op zijn hartslag.

En hij besefte dat God Kraai sprak —
Slechts bestaan was Zijn openbaring.

Maar wat
Had de stenen lief en sprak steen?
Zij leken ook te bestaan.
En wat sprak die vreemde stilte
Nadat zijn rumoer van gekras was weggestorven?

En wat had de hagelkorrels lief
Die uit de opgeknoopte verstervende kraaien drupten?
Wat sprak de stilte van lood?

Kraai besefte dat er twee Goden waren —

Een van hen veel groter dan de ander
Die zijn vijanden liefheeft
En alle wapens bezit.

 

Vertaald door Daan Doesborgh

 

Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e augustus ook mijn blog van 17 augustus 2019 en ook mijn blog van 17 augustus 2016 en ook mijn blog van 17 augustus 2014 deel 2.

Miriam Van hee, Charles Bukowski

De Vlaamse dichteres en slaviste Miriam Van hee werd geboren in Gent op 16 augustus 1952. Zie ook alle tags voor Miriam Van hee op dit blog.

 

De bramenpluk
voor Bregje

kies een warme dag begin september
met zinderende populieren, met licht
dat door een gaas van stof valt,
met alle ramen open

’s middags, als de buurman rust houdt
in de schaduw van de notelaar
en zijn blik over het dal laat dwalen
als keek hij naar een film: daar vliegen
vogels, verder dan wij kunnen zien
maar ze verdwijnen niet

ga dan en pluk de rijpste bessen,
die glanzend zwart zijn, zwaar
en lobbig, die zich gewillig geven
laat de tegendraadse hangen,
hun tijd komt later

en laat, wat onbereikbaar lijkt
zo blijven, want alles heeft een prijs:
je kunt je huid verwonden
aan de doornen, je kunt een adder
wekken uit de slaap, je kunt
je mandje laten vallen

neem dus je tijd, kom op je stappen
vaak terug, zing voor de wespen
liederen, stel hen gerust
en als je denkt dat je kunt blijven,
keer terug naar waar de tijd
voorbijgaat en het licht van kleur
verandert, waar de koelkast aanslaat
waar iemand gaten in de muur boort
waar nog vannacht de wind opsteekt,
de herfst begint, waar iemand
op je wacht

 

deze lente, dit

deze lente, dit
nerveuze regenen maakt
alles weer onzeker en toch
buiten door het raam
gaat alles verder:

onrust ingemetseld in
huisnummers buslijnen
rekeningen dagen
graden en

daar lopen onder paraplu’s
allen die wat willen worden
die al huizen hebben
schoenen auto’s
kinderen

ach, deze lente dit
uitgesteld ontluiken, dit
regenen waarin je
afscheid neemt, de trein
mist, rondhangt, rechtstaand
eet, ontredderd, vrij

 

Het karige maal

Onder de lamp aan tafel
zwijgend eten wij: onze handen
als witte vlekken komen en gaan;
onze beringde vingers achteloos
met het vertrouwde brood spelend.
Geen vreugde niets ongewoons
is er in de klank van onze
messen en vorken.

En natuurlijk weten wij niets
van het geluk van reizigers
in een avondtrein.

 

Miriam Van hee (Gent, 16 augustus 1952)

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog.

 

Vuilnisbaklevens
.
de wind waait hard vanavond
en het is een koude wind
en ik denk aan
de jongens van de daklozenopvang
ik hoop maar dat er een paar bij zijn
met een fles rood

.
’t is als je bij de daklozen bent
dat je merkt dat alles
van iemand is
en dat er een slot zit op
alles.
dit is de manier waarop een democratie
werkt
je pakt wat je krijgen kan,
probeert dat te houden
en er wat bij te krijgen
als het kan

.
dit is ook de manier waarop een dictatuur
werkt
alleen knechten ze daar
hun paupers of
maken ze kapot.

.
die van ons vergeten we
gewoon.

.
in beide gevallen
staat er een harde
koude
wind.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e augustus ook mijn blog van 16 augustus 2019 en ook mijn blog van 16 augustus 2016 en ook mijn blog van 16 augustus 2015 deel 2.

Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

Regen op de rivier

Het regent sprakeloos, het groen wordt dieper,
het water neuriet als een jonge vrouw,
de vogels leven lachend mee, als liep er
een nachtwachtwoord blootsvoets door dag en dauw.

Het is mijn schuld niet, dat er booten fluiten!
Al is mijn evenwicht nu naar de maan,
vanavond loop ik steelsgewijs naar buiten;
ik zal het uit het water op zien gaan.

Ik zal de woorden in mijn handen wegen
en wikken tegen jouw bedauwde blik
totdat zij samenspannen om ’t verzwegen
consigne van zes letters: jij en ik.

 

Allemansgeest in de winter

Wanneer de wolken zoo verbeten naar
den einder jagen en het water droeve
versregels mompelt, vouwt de lage hoeve
de handen boven ’t hoofd. Om dit gebaar

lachen de vogels wel, maar die behoeven
zich niet te dekken tegen luchtgevaar.
Ben ik jaloers? Het tegendeel is waar:
de vogels kunnen naar de West oploeven

maar ik zie luisterend uit over het veld
en voel weer een gemis, gerustgesteld.
Op schilderijen zou de zon nu groen zijn.

Eigenlijk moest dit vers zijn bedacht
achter ginds raamkozijn te middernacht,
maar er wordt niet gestookt. Het zou geen doen zijn.

 

Nijmegen

Achter mij wuift mijn
haar op de heuvels
voor mij beweegt mijn
maanblauwe mond

boven mijn ogen
stijgen de vleugels
ik ben er tegen
ik ben Nijmegen
ik ben gewond

eerwaarde zusters
ja en amen
wandelen langzaam
langs mijn neus

ik heb geen keus
ja zeggen alle
klinkende namen
die mij invallen
amen is moe

blinkende ramen
vouwen zich toe

 

Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Een regenboog boven de Seine

Eerst geruisloos, een spray
van mist in het gezicht, een neus-
vrolijk van vocht dat nooit is
voorbestemd om een stortbui te worden.

Tot de doorweekte wolk
zich plotseling leegstort
in de Seine, met een luide
klap, dan een vallende ovatie

voor de ondoordringbare
zon – die blijft schijnen
op onze schoenen die zich vullen
als open boten en op de zeilen

van onze krantenhoedjes
die gaan scheuren, en die, signalerend
dat niemand er aan dacht
een paraplu mee te nemen,

in plaats daarvan een regenboog opzet.
Een regenboog boven de Seine,
perfect gewrocht als een teken-
brug gedroomd door een kind

in krijt, en volgens de wet
van dromen kan de verbinding,
eenmaal gemaakt, slechts verloren gaan;
wij, geen kind meer,

staan boven het rooster
van de metro die we niet
nemen, gedreun onder onze voeten, en
zuigen op wat we weten:

de triomf van deze arc-
en-ciel, het verbijsterende
van dit monumentale
prisma geslepen door motregen, is

dat het verdwijnt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2019 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Wolf Wondratschek

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

HENRY MILLER GEHT WIEDER AUF DEN STRICH

Die Show ist restlos ausverkauft
Die toten Typen tanzen Rock’n Roll
2001 steht an der Wand in Kreide
Ein Raumschiff wird in Elvis umgetauft

Jim Morrison kommt extra angereist aus Ostberlin
Dürer bemalt den Petersplatz
Dali versteigert Mondgestein
Dann kommt der Höhepunkt
Ein Astronaut schreit auf
Jesus trifft ein

Die Show ist restlos ausverkauft
Die toten Typen tanzen Rock’n Roll
Um Mitternacht erscheint auch Marylin
In einem Reisverschluß aus reiner Seide

Jesus bewundert sie in ihrem Kleid
A. Hitler hat fünfundzwanzig Falten im Gesicht
Buddha ist weise schweigt und zeigt die Hände
Brummbär steht neben Morrison und prophezeit das Ende
Ein Boxer aus der DDR wird Weltmeister im Schwergewicht

Die Show ist restlos ausverkauft
Die toten Typen tanzen Rock’n Roll
2001 steht an der Wand in Kreide
Ein Raumschiff wird nach dir getauft

 

Liebesgedicht auf die Mädchen, die keiner liebt

Schön war keine. Und keine hatte Idealgewicht.
Und ihre Unterwäsche war nie was Besonderes. Aber

es gibt Stunden, wo es guttut, an sie zu denken
und sich zu wundern, daß es sie gibt. Immer waren
sie da, vor allem immer, wenn man sie brauchte.
Ob nackt oder nicht, nie richteten sie Schaden an.
Sie bevorzugten das reine Vergnügen in der Sekunde
seiner Entstehung. Das Bett füllte sich mit Dankbar-
keit.
Es machte Spaß, wie sie sich mit dem begnügten,
was Spaß macht. Es passierte nicht viel. Wie gern
ich das hatte. Ich habe ihnen zugehört. Wie gern
ich zuhörte. Viel verstand ich nie. Wie gut das tat.
Trotzdem verliebte sich nie einer in sie. Auch wir
beließen es dabei, uns zu lieben. Und nie verriet
auch nur die Bewegung einer Augenbraue ein Bedauern,
daß die Welt, in die wir zurückkehrten,
Unglück prophezeit.

 

Het oude sentimentele gevoel

Chuck ligt in bed
en speelt uit verveling
met zijn ballen
en zijn lul.
Er belt een of ander meisje op
dat met hem wil praten,
hij vertelt haar, wat hij net ligt te doen,
zij moet lachen,
maar ze gelooft het niet helemaal.
Chuck voelt het oude sentimentele gevoel
in zich opkomen en denkt,
we moesten naar het zuiden rijden,
hij met haar,
een lichte razernij
zoals dit hier.
Maar ze wil niet naar het zuiden,
ze wil wat praten, zomaar.
Chuck kijkt door het raam naar buiten,
speelt verder,
zo zacht als de druk op het gaspedaal
in zijn droomauto.

 

Vertaald door S. Lapinski en Martin Reints 

 

Lente in Saturnia

De oude man stapte het huis uit.
Op de banken zaten de andere oude mannen
en de doden lagen op het kerkhof.
Hij wist dat allemaal.

Een winter lang hadden de katten geslapen
en God, lui als hij was, ook.
De sneeuw sliep zelfs terwijl hij viel.
Daarnaast was,
behalve dat er een brief aankwam,
maandenlang niets gebeurd.

Zijn kleinkinderen, las hij, studeerden in Amerika,
maar kon zich er niets bij voorstellen
en ging naar de kerk.

Hij ging regelmatig naar de kerk,
het was als eten en drinken.
Toen ging hij weer naar huis
en las de brief nog eens.

Eens, toen hij hem niet meteen vond,
verdacht hij zijn vrouw ervan hem te zijn kwijtgeraakt
en riep om haar,
totdat hij het zich herinnerde,
dat ze er niet was
en dat hij de bloemen, die nog in de vaas stonden,
op haar graf wilde leggen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e augustus ook mijn blog van 14 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 14 augustus 2018 en ook mijn blog van 14 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Antoine de Kom, Taije Silverman

De Nederlandse schrijver en dichter Antoine de Kom werd geboren in Den Haag op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor antoine de kom op dit blog

 

Waaigat

Nu van dit slapend paarse huis fel geel
de blinden in het stalen zonlicht baden, denk ik
mij binnen in de luwte, op geschroeide voet verblind.

Het waait. Schemerend in lege kamers staan geklonken
tussen stenen tegels kromme struiken, zwart van blad.
Het tocht langs de met zand bestoven vensterbanken,

waar door dunne zonnestralen stof van jaren drijft.
Hier achter ’t verhoute donker van gesloten luiken
waan ik het glazen water van een baai, zie ik al strand,

en als het schaarse licht de ruwe wanden pleistert,
dan open ik de blinden, sluit de ramen, – giert
door spinnewebben en gebroken ruiten hete eilandwind.

 

Blauwbaai

Warmte heeft de glazig blauwe drenkeling
doen barsten lang voor jij gezapig
langs het zonnig zeestrand jut, op zoek
naar ijs waar schuim is en dan struikel je

over een zonnebader, bruin besmeurd
met olie, half vergaan, of tast hij,
ogen dicht, rond parasol & ligstoel
tot de hand ijskoude blauwe curaçao ontmoet?

’t Is doods felle dorst die hem bevrijdde uit
de glaciale helderheid der baai, en die ’n kille
blik jou geeft, terwijl de dode op de vloedlijn

wentelt – jij gaat na ’t zien van stervens
vlijm naar plekken waar de branding sproeit,
zó walg je bij het braken van de zee te Blauwbaai.

 

Sectie o

Toekans rusten in de tamarinden
nu jij aan ’t lateriet der dagen denkt:
het rode droge stof van onverharde wegen
is niet minder dan een steevast teken,

wijzend op het vlotten van jouw langverwachte,
plotselinge dood, steenhard,
in natte diepten van een weelderig
met slingerplanten overgroeid ravijn –

jij bijt van angst je lippen stuk
en zet je schrap tegen de leuning
op een onbenoemde houten trap die krakend

naar de vochtige, blinde veranda leidt. Regen
raast en wijkt wanneer de lucht, eerst grijs,
hier opklaart, ijl en bleu in hoge leegte.

 

Antoine de Kom (Den Haag, 13 augustus 1956)

 

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

 

De jongen met de bout

De jongen bij mijn poëzielezing wil een reliekschrijn beginnen.
Hij was misschien twaalf, zijn buik golfde om hem heen als een veiligheids-
net voor zijn lichaam, en zijn hoofd een krullende bos haar met de kleur
van saffraan. Zijn schouders hebben het blokachtige gewicht
van een keukenkastje, maar zijn stem is die van een kind,
meisjesachtig en beleefd. Zijn naam is River.

Hij vertelt me dat de bout die hij langs de oever van een rivier vond
het eerste officiële stuk van zijn reliekschrijn zal worden.
Betekenisvolle voorwerpen zijn moeilijk te vinden, zegt hij met de
komische ernst van een kind, maar ik heb deze bout. Als reddingsboei
gevormde gummen in een rij op de toonbank van de boekhandel naast presse-papiers
uit Parijs. Tijdens de V&A glimmen zijn wangen met een rijke, roze kleur

elke keer dat hij een vraag stelt: wat is uw favoriete kleur?
en gelooft u in numerologie? “River!”
roept zijn moeder als hij naar mijn diepste angst vraagt, maar hij wacht
op mijn antwoord. Ik wil vragen hoe hij weet wat een reliekschrijn
is. Ik wil weten hoe de bout eruit ziet, of hij nu veilig
in zijn zak zit en of het bordje dat ermee vastzat waarschuwde voor OVERSTEKENDE

KINDEREN of HARDE WIND. De diepste angst
van een kind is niet voor gevaar maar voor verlies, zij het een verlies dat niet kleurt
wat erna komt. Afwezigheid zonder nasleep. Hij is zo belust om te bewaren
wat hem omringt dat wie hij zal zijn zonder dat hem zo abstract als ouderdom
voor moet komen – een klein gebrek dat de simpelste reliekschrijnen
kunnen overwinnen. Ik wil het kleine, stevige gewicht van de bout voelen
in mijn hand, zijn nutteloze bedoeling vasthouden, maar mensen wachten
om mijn boek te kopen en me te vertellen hoe ze toen ze kind waren
ook hun moeders verloren, alsof we in reliekschrijnen
verdriet bewaren en niet de naar rozen geurende, kleurloze
botten van heiligen. Alsof verdriet ons als rotsen over een rivier kan dragen,
ingebed in sediment, zodat we veilig over water

kunnen lopen. Maar verdriet is het water: ik heb berichten
van antwoordapparaten bewaard en een bijna gewichtloos
stukje kurk, verschillende Post-It-briefjes en een bloemblaadje uit een rivier
van kersenbloesems op de stoep die mijn vader als kind opschepte
en voor de ogen van mijn moeder liet vliegen. Mottenkleurig,
machteloos bloemblaadje. En dan: is een boek geen reliekschrijn?

River wacht in de rij om te vragen wat hij aan zijn reliekschrijn moet toevoegen.
In plaats van mijn handtekening te zetten, noteer ik een gebruikte gum, kinderwaterverf,
en een pagina uit je dagboek met de tekst “Ik ben niets kwijt, ik ben veilig.”

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 13 augustus 2019 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Rouke van der Hoek, Thomas Mann, Mark Doty

De Nederlandse dichter Rouke van der Hoek werd op 12 augustus 1952 in Eindhoven geboren. Zie ook alle tags voor Rouke van der Hoek op dit blog.

 

Uitgebloeid

Op een morgen eind augustus ga ik naar buiten en snoei
uitgebloeide en verbleekte hortensia’s – gewassen
groen, roodbruin, onrustige kleine aura’s

van de lucht alsof dit de echte zijden stoffen waren
van Versailles, gevlekt door regen en verval
daarna half gerestaureerd, na al die tijd…

Als ik met mijn handjevol terugkom
realiseer ik me dat ik per ongeluk de deur op slot heb gedaan,
en het huis niet meer in kan.

Het raam van de eetkamer is het gemakkelijkst;
kruip door koninginnenstruik en spirea,
duw wat verdwaalde esdoorns opzij, haal

het houten scherm weg, hijs mezelf op.
Maar hoe, precies, over de drempel te klauteren
en over de radiator tot op de tegels?

Ik probeer een been naar binnen te buigen, maar dat gaat niet
gemakkelijk; Ik duw mezelf omhoog zodat mijn middel
rust op de vensterbank en naar voren leunt,

leg mijn handen op de grond en begin te glijden,
de kamer in, wat me aan het denken zet
zo was het om geboren te worden:

 

Gedicht ter rehabilitatie van de werkelijkheid

’s Avonds op weg naar het station keek ik omhoog
maar sinds Chagall twee manen schilderde,
een halve en een sikkel,
is ook dat idee uitgeput

(als een olieveld dat verdampt zodra je het aanboort).

Fantasie, blijkt eens te meer, is een dunne schil
om de werkelijkheid
en legt het af tegen het fantasties vermogen
van de feiten:

als water kouder wordt, wordt het zwaarder.
Tot het bevriezingspunt.
Want ijs drijft,
ijs drijft.

Anders zouden schotsen naar de zeebodem zakken,
de oceanen van onderop verkillen
en wij weinig kans meer maken

– als we al bestaan zouden hebben.

 

Delen door nul

In de derde klas leerde de juffrouw ons hoe te delen.
‘Er zijn twee kinderen en vier appels. Hoeveel appels…’
‘De sterkste pakt ze alle vier’, zei de straatvechter naast me.

Maar dat was een verkeerde wetenschap, een verdachte,
die niet in het onderwijs paste. Opnieuw. Nu met zes appels.
Lange rijen imaginaire kinderen klopten op de schoolpoort

om kratten vol imaginaire appels weg te kauwen, ongeraakt
door het minachtend gemor van de straatvechter naast me.
Zo aanvaardde ik het gebod tot eerlijk delen, rare symbiose

van rekenkunde en moraal. Tot het kwam bij delen door nul:
nul kinderen ontmoeten vier appels. Het antwoord is… nul.
Verwarring. Protest. ‘Maar die appels zijn er nog allemaal!’

Nee, dat was een denkfout en een verdachte. Want, luister
goed: ‘Een appel telt niet mee als hij niet wordt begeerd.’
Raden welke symbiose ons daar weer werd aangesmeerd.

 

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Herr und Hund

„Die kleine  Neigung zur „Wamme“, das heißt: zu jener faltigen Hautsackbildung  am Halse, die einen so würdigen Ausdruck verleihen kann, kleidet ihn  ausgezeichnet; doch würde auch sie wohl von unerbittlichen Zuchtmeistern als fehlerhaft beanstandet werden, denn beim Hühnerhund,  höre ich, soll die Halshaut glatt die Kehle umspannen. Bauschans Färbung ist sehr schön. Sein Fell ist rostbraun im Grunde und schwarz  getigert. Aber auch viel Weiß mischt sich darein, das an der Brust,  den Pfoten, dem Bauche entschieden vorherrscht, während die ganze  gedrungene Nase in Schwarz getaucht erscheint. Auf seinem breiten  Schädeldach sowie an den kühlen Ohrlappen bildet das Schwarze mit  dem Rostbraun ein schönes, samtenes Muster, und zum Erfreulichsten  an seiner Erscheinung ist der Wirbel, Büschel oder Zipfel zu rechnen,  zu dem das weiße Haar an seiner Brust sich zusammendreht, und der  gleich dem Stachel alter Brustharnische waagerecht vorragt. Übrigens  mag auch die etwas willkürliche Farbenpracht seines Felles demjenigen  für „unzulässig“ gelten, dem die Gesetze der Art vor den Persönlichkeitswerten gehen, denn der klassische Hühnerhund hat möglicherweise einfarbig oder mit abweichend gefärbten Platten geschmückt, aber nicht getigert zu sein. Am eindringlichsten aber mahnt vor einer starr schematisierenden Einreihung  Bauschans eine gewisse hängende Behaarungsart seiner Mundwinkel und der Unterseite seines Mantels ab, die man nicht ohne einen Schein von Recht als Schnauz- und Knebelbart ansprechen könnte, und die, wenn  man sie eben ins Auge faßt, von fern oder näherhin an den Typus des Pinschers oder Schnauzels denken läßt.

 

Het huis van Thomas Mann in München dat in 2006 werd herbouwd en waarvan in elk geval de buitenkant helemaal werd gereconstrueerd.

 

Aber Hühnerhund her und Pinscher hin – welch ein schönes und gutes Tier ist Bauschan auf jeden Fall, wie  er da straff an mein Knie gelehnt steht und mit tief gesammelter Hingabe zu mir emporblickt! Namentlich  das Auge ist schön, sanft und klug, wenn auch vielleicht ein wenig gläsern vortretend. Die Iris ist rostbraun  – von der Farbe des Felles; doch bildet sie eigentlich nur einen schmalen Ring, vermöge einer gewaltigen  Ausdehnung der schwarz spiegelnden Pupillen, und andererseits tritt ihre Färbung ins Weiße des Auges über  und schwimmt darin. Der Ausdruck seines Kopfes, ein Ausdruck verständigen Biedersinnes, bekundet eine  Männlichkeit seines moralischen Teiles, die sein Körperbau im Physischen wiederholt: der gewölbte Brustkorb, unter dessen glatt und geschmeidig anliegender Haut die Rippen sich kräftig abzeichnen, die eingezogenen Hüften, die nervlich geäderten Beine, die derben und wohlgebildeten Füße – dies alles spricht von Wackerkeit und viriler Tugend, es spricht von bäurischem Jägerblut, ja, der Jäger und Vorsteher waltet eben doch mächtig vor in Bauschans Bildung, er ist ein rechtlicher Hühnerhund, wenn man mich fragt, obgleich  er gewiß keinem Akte hochnäsiger Inzucht sein Dasein verdankt; und eben dies mag denn auch der Sinn der  sonst ziemlich verworrenen und logisch ungeordneten Worte sein, die ich an ihn richte, während ich ihm das  Schulterblatt klopfe.“

 

Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)
Met Bauschan in brons vereeuwigd in Gmund am Tegernsee

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

Uitgebloeid

Op een morgen eind augustus ga ik naar buiten en snoei
uitgebloeide en verbleekte hortensia’s – gewassen
groen, roodbruin, onrustige kleine aura’s

van de lucht alsof dit de echte zijden stoffen waren
van Versailles, gevlekt door regen en verval
daarna half gerestaureerd, na al die tijd…

Als ik met mijn handjevol terugkom
realiseer ik me dat ik per ongeluk de deur op slot heb gedaan,
en het huis niet meer in kan.

Het raam van de eetkamer is het gemakkelijkst;
kruip door koninginnenstruik en spirea,
duw wat verdwaalde esdoorns opzij, haal

het houten scherm weg, hijs mezelf op.
Maar hoe, precies, over de drempel te klauteren
en over de radiator tot op de tegels?

Ik probeer een been naar binnen te buigen, maar dat gaat niet
gemakkelijk; Ik duw mezelf omhoog zodat mijn middel
rust op de vensterbank en naar voren leunt,

leg mijn handen op de grond en begin te glijden,
de kamer in, wat me aan het denken zet
zo was het om geboren te worden:

onhandig, te groot voor de doorgang…
Onderhandelen, me onderwerpen?
……………………………Als ik mezelf overgeef
aan de zwaartekracht ben ik er, binnen, niets aan de hand,

de oogverblindende vlekkerige bloemhoofdjes
verspreid om me heen op de grond.
Zal het verlaten van de wereld hetzelfde zijn

onzekerheid over hoe verder te gaan,
wat ongemak, en plotseling ben je
-waar? Ik ga zo op in dit idee

Dat ik vergeet de deur open te laten,
dus als ik de post ga ophalen, ben ik opnieuw
buitengesloten. Ben ik thuis in dit huis,

zou ik liever hier buiten zijn,
waar ik zowat iedereen zou kunnen zijn?
Deze keer is het eenvoudiger: het raamkozijn,

de radiator, mijn afdaling. Twee keer geboren
op een dag!
………………….In hun verzilverde pot,
deze gekneusd-gezegende bloemen:

hoe hard moest ik werken om ze deze kamer
in te brengen. Als ik zeg uitgebloeid,
bedoel ik niet dat er niets meer van overblijft.

Als er nog meer levens zijn, denk ik
dat die misschien een beetje makkelijker zijn dan dit.

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor de schrijvers van de 12e augustus ook mijn blog van 12 augustus 2019 en ook mijn blog van 12 augustus 2018 en mijn blog van 12 augustus 2015 en mijn blog van 12 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Fernando Arrabal, Mark Doty

De Spaanse schrijver, dichter, dramaturg en cineast Fernando Arrabal werd geboren in Melila, Spaans Marokko op 11 augustus 1932. Zie ook alle tags voor Fernando Arrabal op dit blog.

 

Il est parti sans faire cygne

(Méditation au bord de l’eau pour Chan Ky Yut)

Le noyé danse au fil des eaux
Sous le saule qui le caresse.
L’homme passe entre les roseaux
Il semble en proie à la paresse.

Il ne peut voir le nuage
Qui dessine des barbes blanches
Il n’est plus qu’un corps qui surnage
Ou qui dérive entre les branches.

La forêt se devine au loin
Sous une gaze de lumière.
Il ne sera bientôt qu’un point
Qui disparaît dans la poussière.

La roche surplombe la rive
Et l’herbe croît le long des berges.
On n’entend plus la voix naïve
Des oiseaux dans les hauteurs vierges.

Le vent s’est tu et se souvient
De tant de cortèges funèbres.
Mais l’homme est seul et rien ne vient
L’accompagner dans les ténèbres.

Le silence pèse sur l’eau.
Le temps trône sur sa balance.
Il n’est pas meilleur tombeau
Que celui où l’on flotte et danse.

Que d’Ophélie s’en sont allées
Lovées dedans leurs tresses blondes !
Mais l’homme ignorait les allées
Qui mène au meilleur des mondes.

Il est parti sans faire cygne
Dans le paysage serein.
On ne sait ce que la mort signe
Dans ce tableau au bord du rien.

 

Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

Kleine George


……………………………..blaft naar wat dan ook
niet de wereld is zoals hij die liever kent:
vuilniszakken, steekwagens, zwarte hoeden, wandelstokken
en mutsen, spaden, iemand die een joint rookt
onder het afdak van de Haïtiaanse Evangelicale,
iedereen die – hoe durven ze – een hond uit laat.
George blaft, de gespannen witte komma
van zichzelf gekromd in waakzaamheid.
.…………………………………………………………………..Thuis zweeft hij

in de huislijkheid van het dier: gekruld in de warme
driehoek achter de knieën van een slaper,
wiebelend op zijn rug op de bank, helemaal lillend
en zuchtend, vragend/ontvangend een aai over de buik.
Zorgeloos. Maar buiten de metalen deur
van het appartement, gaat de onhandelbare dag uit
van zijn vage en oneindige vermommingen.
………………………………………………………….Het beste maar blaffen.

Maakt niet uit dat hij nauwelijks groter is
dan een broodrooster; hij gaat te werk alsof hij over
een rechthoek van twee blokken groot regeert, begrensd naar het westen
en naar het oosten door Seventh Avenue en Union Square.
Wat er ook is, het is er met zijn toestemming,
en onder voorbehoud van de straf van zijn weigering
hoewel, wanneer hij zijn wil doet gelden
beeft hij. Was hij maar niet alleen
verantwoordelijk voor het opwekken van verontwaardiging
bij elk voorgevoel van problemen
op West 16th Street, of kon hij maar rechtuit
op de stoep, het rammelende harnas
van zijn geraas afleggen.

Op sommige avonden, als hij de trap oploopt
na onze late wandeling en de bocht neemt naar
de overloop en de kant opdraait
van zijn vaste slaapplaats, zou ik willen dat hij
bezocht werd door een droom van een aardige wereld,
hoe zou blijken dat wat voor dreigende
vreemde dan ook- het aprilgroen van een onbezoedelde
tennisbal vasthoudt? Lieverd, de toekomst zal er toch
absoluut niet op uit zijn om ons te pakken te krijgen?
En als dat wel zo is, zal blaffen niet veel helpen.

Maar helaas, nog niet.
Hij neemt aanstoot, vanmorgen,
aan een stenen beeld sereen in de tuin van een buurman,
en verstijft en fixeert en laat
zijn woeste alarm klinken: verdomme,
Boeddha, maak dat je wegkomt, ga weg!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Weesboeken te vondeling (Hartstochtjes)

“De Nederlandse uitgever was de Zuid-Hollandsche Uitgevers maatschap pij van Ad. M.C. Stok, die als slagzin voerde: ‘Een boek uit de Cultuur serie is een geschenk voor het leven’. Dit werd pijnlijk bewaarheid, want hoewel mijn beide ouders allang zijn overleden, heb ik die trilogie nog altijd in mijn bezit en vaststaat dat ik er pas na mijn dood afstand van zal kunnen doen, terwijl ook zeker is dat ik ‘En eeuwig zingen de bossen ‘, ‘Winden waaien om de rotsen’ en ‘De weg tot elkander’ ongelezen zal laten. De rest van de ouderlijke bibliotheek zal ik u besparen, hoewel ik alle circa driehonderd boeken nog in huis heb.
Gelukkig is mijn vrouw minder sentimenteel. Die heeft uit de boekenkast van thuis maar een stuk of tien exemplaren bewaard, ook al omdat de leespatronen van onze generatie ouders elkaar grotendeels overlapten: ieder lezend echtpaar had Jan Mens in de kast, ‘Frank van Wezel’s roemruchte jaren’ van A.M. de Jong, ‘Armoede’ van Ina Boudier-Bakker, ‘Kruis of Munt’ van Jo Boer en ‘Schip zonder haven’ van Willy Corsari, en omdat de leesgrenzen nog gesloten bleven voor de legers van Zweedse en Amerikaanse thrillerschrijvers, zorgde Hans van der Kallen (Havank) met
‘De Schaduw’ in zijn eentje voor de spanning in onze huiskamers.
Dan herbergen wij in de fietsenbox, onder het motto ‘leuk voor later’, nog acht verhuisdozen propvol met van onze wederzijdse ouders en grootouders cadeau gekregen en vaak van liefdevolle opdrachten in niet langer bestaande prachthandschriften voorziene jeugd- en schoolboeken van onszelf en van onze kinderen, en zo weten wij ons omringd door, nee, zitten wij ingeklemd tussen, pak hem beet, drieduizend boeken en nu het ernaar uitziet dat de bibliotheek die de kleinkinderen zullen opbouwen in hoofdzaak digitaal zal zijn, achten wij het de allerhoogste tijd om onze voorraad definitief te kortwieken, teneinde te voorkomen dat onze nabestaanden op hun beurt verdrinken in deze almaar voortwoekerende boekenvloed.
Toen de dichter-schilder Lucebert in 1994 overleed, telde zijn huisbibliotheek in het Noord-Hollandse Bergen ruim 6500 titels.
‘Je hoeft al deze boeken niet te hebben gelezen om toch beïnvloed en gevormd door ze te zijn,’ stelde hij bezoekers gerust, wanneer dezen zich klein, dom en overdonderd voelden ten overstaan van die tientallen meters wijs- en schoonheid.”

 

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

Kant

Minstens een maand voor de bloei
en al vijf ontblote kersen
bij de snelweg omringd door een waas
van beginnend vuur
— midden in de middag,
een vage roze-bronzen gloed. Sommige dingen
dragen hun wording:
die nacht dat we ,
als vreemden haast, liepen van een koortsachtig feestje
naar de hoek waar je je motor had achtergelaten,
bang dat een ruwe wind hem tegen de stoeprand zou smakken,
stond jij aan de andere kant
van de rechtopstaande machine, de andere kant:
van wat wij zouden zijn, en boog je hoofd
naar mij toe over de natte leren zitting
terwijl je je helm vastmaakte,
motorlaarzen stevig op de zwarte stoep.

Hadden we vermoed dat we het vuur van het feest hadden meegenomen,
terwijl ergens achter ons dat donkere appartement
afkoelde rond de kern als een steen?
Kun je het weten, wanneer je niet eens een knop bent
maar een mogelijkheid balancerend op een of andere rand?

Natuurlijk konden we onszelf niet zien,
hoewel liefde de sjabloon en herhaling is
van al het zijn, iets dat gaat gebeuren
waar niets was…
Maar net nu
dacht ik aan een onrustige corona van een nieuwe kleur,
zichtbare echo, en vroeg me af of iemand
die door de wegvliegende windvlaag en spatten reed
op Seventh Avenue de wolk had kunnen zien
die om ons heen ademde
alsof we – zou het kunnen? – een paar
bomen waren die binnenkort zouden bloeien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Luuk Gruwez, Philip Larkin

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Aan een collega

I

Ik durf je amper te vertellen, kameraad,
tijdens hoeveel van mijn dagen ik haar haat,
die oudste industrie van het verdriet, de poëzie.
Dat ik haat hoe zij met mij brutaal aan de haal gaat,
hoe zij mij struikelen doet over mijn
enjambementen, mijn chiasmen, assonanties
en tegen het scheenbeen van mijn eerste liefde schopt.
Dat zij helemaal geen rekening wil houden

met de noden van mijn darmen en de doden
in mijn ziel en de zaden op een plek
waar eeuwigheid een poging tot ontspringen doet.
Gister nog, bij Osman, die mijn kapper is,
kroop zij ongevraagd en naakt bij mij op schoot
terwijl het scheermes langs mijn slapen gleed.
En nog diezelfde dag, terwijl ik boven op een ladder stond,
strooide zij schaterend voetzoekers in het rond.

Wij mogen dan wel in een zuiderse patio liggen,
er fanatiek naar strevend onder een zwijgzame
sterrenhemel gelukzalig niets en niemand te zijn,
maar daar zelfs komt zij langs, de poëzie, la poesia,
met het bon chic, bon genre van een tettertrien.
Zij vindt het helemaal niet erg – wat dacht je wel? –
de beste coïtus ter wereld te verstoren
om te zeggen dat zij niets te zeggen heeft.

Rot op, roep ik, de pot op, rot toch op!
Maar daar propt zij al een vod
diep in de strot van mijn geliefde,
die haar terecht van oudsher wantrouwt.
Ik durf je amper te vertellen, kameraad,
hoezeer en tijdens hoeveel van mijn dagen ik haar haat,
de poëzie, dat ik haar haat met hart en ziel.
En dat, als ik haar liefheb: hoogstens per vergissing.

 

Scheppingsverhaal

misschien was god wel onvoorzichtig
toen hij het zoogdier schiep
de leeuw, akkoord, een meesterwerk
maar wat te zeggen van de mens?

en had de olifant niet moeten briesen
de dashond met zijn trieste blik
niet moeten piepen als een muis?
had die mens niet moeten mekkeren?

er waren dichters nodig, beter in geluid
zangers met perfecte strot
om wat verkeerd ging te herstellen:
constructiefouten in zijn schepping

hij schiep er enkele, mijn god
en met zijn vette schommelende lijf
deed hij, tot iedereens vermaak
een walsje in de balzaal op aarde

en of het goed was, zag hij niet

 

Tafereeltje

vanuit de kamer waait een fijne harpmuziek al aan
terwijl ik in de tuin in Du Perron te lezen zit
en slechts gestoord word door een karig briesje
dat zich met klaprozen en duizendschoon verlooft,
vandaag pluist Mieneke in purperen japon
een dagboek van een afgestorven dichter na
die, door de dood nochtans sinds lang omhelsd,
nog steeds uitstekend past bij haar verdroomde blik.

de merel fluit, de hagedoom bloeit,
de avond voert misschien nog onweer aan;
en ik die nergens iets aan heb verdiend
kan morgen best weer aan verwelken denken.

 

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

Hoge ramen

Als ik een jong paartje zie
En vermoed dat hij haar neukt en zij
Pillen slikt of eens spiraaltje draagt,
Weet ik dat dit het paradijs is.

Waar iedereen die oud is het hele leven van gedroomd heeft?
Verbintenissen en gebaren van de hand gedaan
Als een verouderde maaidorser
En iedereen die jong is glijdt de lange glijbaan

Af naar geluk, eindeloos. ik vraag me af of
Iemand naar mij keek, veertig jaar geleden,
En dacht: zo zal het leven zijn;
Geen God meer, of zwetend in het donker;

Over de hel en zo, of moeten verzwijgen;
Wat je van de priester vindt. Hij
En zijn kliek zullen allemaal de lange baan afglijden
Als verdomd vrije vogels. En onverwijld
Komt in plaats van woorden de gedachte aan hoge ramen:
Het zon-begrijpende glas,
En daarachter, de diepblauwe lucht, die niets
Laat zien, en nergens is, en eindeloos.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Portret door Humphrey Ocean, 1984

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.