Patrick deWitt, Günter Kunert

De Canadese schrijver en scenarist Patrick deWitt werd geboren op 6 maart 1975 op Vancouver Island. Zie ook alle tags voor Patrick deWitt op dit blog.

Uit: Noorderzon (French Exit, vertaald door Caroline Meijer)

“Aan al het goede komt een eind,’ zei Frances Price. Ze was een welgestelde, opvallende vrouw van vijfenzestig, die op de treden van een brownstone in de Upper East Side van New York haar handen in zwarte kalfslederen handschoenen liet glijden. Haar zoon Malcolm, tweeëndertig, stond er slonzig en mismoedig bij als altijd. Het was laat in de herfst en het schemerde; de ramen van het huis waren verlicht, pianoklanken weerklonken door de lucht – er was een smaakvol feestje gaande. Frances verklaarde haar vroege vertrek aan een al even gefortuneerde maar minder bekoorlijke persoon, zijnde de gastvrouw. Haar naam doet er niet toe. Zij was gekrenkt. ‘Weet je zeker dat jullie weg moeten? is het echt zo ernstig?’ ‘Volgens de dierenarts kan het niet lang meer duren,’ zei Frances. ‘Heel spijtig. We hebben een heerlijke avond gehad.’ ‘Echt?’ vroeg de gastvrouw hoopvol. ‘Heerlijk, werkelijk waar. Heel jammer dat ik moet gaan. Maar het klinkt als een noodgeval en wat kun je anders in zo’n situatie?’ De gastvrouw dacht na. ‘Niets,’ zei ze ten slotte. Er viel een stilte; tot Frances’ afschuw boog de gastvrouw voorover en klampte zich aan haar vast. ‘Ik heb je altijd zo bewonderd,’ fluisterde ze. ‘Malcolm,’ zei Frances. ‘Ik ben zelfs een beetje bang van je. Of doe ik nu raar?’ ‘Malcolm, Malcolm.’ De gastvrouw was smijdig, merkte Malcolm; hij stroopte haar los van zijn moeder, nam vervolgens haar hand in de zijne en schudde die. Enigszins confuus keek de vrouw naar haar op en neer bewegende hand. Ze had twee drankjes te veel op en niets in haar maag behalve een viskeuze paté. Ze ging haar huis weer binnen en Malcolm leidde Frances via de treden naar het trottoir. Ze liepen de wachtende auto met chauffeur voorbij en gingen twintig meter van het huis vandaan op een bankje zitten, want er was geen noodgeval, geen dierenarts, en de kat, die hoogbejaarde kwibus genaamd Kleine Frank, maakte het voor zover zij wisten goed. Frances stak een sigaret op met haar gouden aansteker. Door zijn prettige gewicht en de deftige klik! op het moment van ontsteking beviel deze aansteker haar het best. Met de gloeipunt van haar sigaret wees ze naar de gastvrouw, nu zichtbaar achter een raam op de bovenverdieping en in gesprek met een van haar gasten. Frances schudde haar hoofd. ‘Een geboren saaineus.”

 


Patrick deWitt (Vancouver Island, 6 maart 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Kunert werd geboren op 6 maart 1929 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Günter Kunert op dit blog.

 

De vrolijke dingen

Ze zijn zoals ze zijn
ze leven en ze huizen verholen
het ene in het andere, want dat
maakt blij: als de pit in de noot,
als de noot in de schaal, als de schaal
in de kast, als de kast in de kamer
en als de kamer in het huis en als zodanig
in een straat die zich heel slim
in de stad verbergt, dat niemand hem vindt:
Dus vrolijkheid
toont hij, hoewel en omdat niemand die bemerkt.
Hoe vrolijk
de zelden gebruikte voorwerpen, het nauwelijks
gedragen jasje, het ongelezen boek,
dat erin slaagde alles voor zich te houden,
daarin onderricht door de gekurkte fles.
Gebroken stoelen kunnen lachen: zij
zijn vrij, niemand wil daarop zitten.
In het blikken doosje woont het volk
der knopen, individualistisch, vermengd
onder elkaar, zonder een soort te worden:
alleen een oude uniformknoop blinkt.
martiaal an blind.

Meestal zijn de vrolijke dingen
dingen buiten dienst. Hun aanwezigheid lijkt noch
op dat van transistors noch op dat van briljanten
en hun hele waarde bestaat
in hun onopvallendheid: de trots
van ware revolutionairen.

 

Vertaald door Martin Mooij

 


Günter Kunert (6 maart 1929 – 21 september 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e maart ook mijn blog van 6 maart 2023 en ook mijn blog van 6 maart 2022 en ook mijn blog van 6 maart 2020 en ook mijn blog van 6 maart 2019 en ook mijn blog van 6 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Aschermittwoch (Carl  Geisheim), Koos van Zomeren, Pier Paolo Pasolini

 

Bij Aswoensdag

 


Maskers op de ochtend van Aswoensdag door Alfred Stevens, 1853

 

 

Aschermittwoch

Kehrst du nie mit bangem Herzen,
Nie in Reue, nie in Schmerzen
Aus des Lebens Lust und Glück
In dein stilles Haus zurück?

Überselig reine Seele,
Sonder Vorwurf, sonder Fehle,
Die nur wandelt in dem Licht,
Du bedarfst der Buße nicht!

Aber sieh nur, wie beklommen
All’ die frommen Pilger kommen,
Die sich, schlagend an die Brust,
Ihres Fehles sind bewusst.

Scheuest du, dich selbst zu fragen,
Deiner Schuld dich anzuklagen,
Deine Freud’ ist dann ein Spott,
Deine Seele nicht in Gott.

 


Carl  Geisheim ( 6 september 1784 -29 januari 1847)
De St. Elisabethbasiliek in Breslau (tegenwoordig: Wrocław in Polen), de geboorteplaats van Carl  Geisheim

 

De Nederlandse schrijver, columnist en dichter Koos van Zomeren werd geboren in Velp op 5 maart 1946. Zie ook alle tags voor Koos van Zomeren op dit blog.

Uit:Dove hond

“2
Hij is trouwens niet helemáál doof. Soms kijkt hij wel degelijk op van het knarsen van een scharnier, het dichtslaan van een deur.
Je kunt hem ook nog fluiten. Als hij maar dicht genoeg bij je is. Bij het afwerken van een onderzoekje in de huiskamer bij voorbeeld. En het vreemde is dat hij dan steevast de verkeerde kant op kijkt. Hij hoort iets en je kunt niet zeggen dat hij niet weet waar het vandaan komt. Hij weet precies waar het vandaan komt. Dat denkt hij tenminste.
Zelfs als er verder niemand in de buurt is, zelfs als hij ziet dat jij het bent die je lippen tuit, dan nog kijkt hij de verkeerde kant op als het fluiten tot hem doordringt. Hij draait zich ogenblikkelijk om en zoekt, en zoekt.
December vorig jaar deden we een paar van die proefjes in een huisje in Hoog-Sauerland, niet ver van Winterberg. Dus Rekel opgelet! Bij elk fluitsignaal rende hij naar de rommelkast, en daar ging hij dan buitengewoon intelligent naar de deur staan kijken. Hé, denkt Rekel, er zit iemand in de kast.
Dan naar buiten, de besneeuwde heide op, de koude bossen in, en ik wil mijn hond beslist niet uit het oog verliezen, als je hem hier kwijtraakt vind je hem nooit terug. Dus óf wij blijven bij hem, óf hij blijft bij ons, en als hij dan toch een eindje dreigt af te dwalen steek ik mijn vingers in mijn mond. Van het geluid dat ik nu produceer zouden de naalden van de bomen vallen.
Jawel, hij heeft het gehoord. Stomverbaasd kijkt hij om zich heen en hé, denkt Rekel, daar heb je die vent uit de kast weer.”

 


Koos van Zomeren (Velp, 5 maart 1946)

 

De Italiaanse filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook alle tags voor Pier Paolo Pasolini op dit blog.

 

De Apennijnen

1

Zondronken, bleekgekookte bergenketen,
stil theater, de stille maan is je bewust,
lauw boven Lucca’s velden, te zeer bezeten

van mensenwerk, witheet boven de kust
van de Versilia, zo vol boven het lege
zeevlak – verbijsterd boven de rust

van ruimen, rompen, gesjorde zeilen,
na het oud gebruik van de vissersreis
rond Elba, Mont’Argentario…

De maan, ander leven zou er niet zijn.
En daarin bleekt Italië, van Pisa,
lint langs de Arno in een dood festijn

van lichten, tot Lucca, kuis in het grijze
licht van zijn katholieke, eeuwenoude
volmaaktheid…

Aan deze verijsde stenen onttrekt
menselijk de maan een hitte
van diepe hartstochten… Er blijkt

achter hun stilte, de dode witte
gloed die herinnert aan hun stil ontstaan:
het marmer, in Lucca of Pisa, tufsteen

in Orvieto…

 

Vertaald door Karel van Eerd

 


Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e maart ook mijn blog van 5 maart 2024 en ook mijn blog van 5 maart 2020 en eveneens mijn blog van 5 maart 2019 en ook mijn blog van 5 maart 2018 deel 1 en ook mijn blog van 5 maart 2017 deel 1 en ook deel 2.

Jetzt hebt der Fasching an (Hoffmann von Fallersleben), Robert Kleindienst

 

Bij Carnaval

 


Carnaval door Tanja Ritterbex en Bas de Wit, 2016

 

 

Jetzt hebt der Fasching an

Jetzt hebt der Fasching an,
Des Jahres tolle Lustbarkeit,
Und wer kein Narr sein kann,
Der ist auch nicht gescheit.
Die Maske vor, lauf’ ich herum
……als Geck, als Geck,
Ich fopp’ und necke Jedermann:
……das eben ist mein Zweck.

So Mancher läuft das Jahr
All überall als Narr herum
Und denkt, daß er’s nie war –
Das ist erschrecklich dumm.
Drum sag’ ich ihm vor aller Welt
……ganz keck, ganz keck:
Willkommen, lieber Herr Colleg!
……willkommen, Bruder Geck!

Wenn ich mich täusche nicht,
So ist die Welt der Narren voll,
Nur daß man’s ins Gesicht
Nie sagen darf und soll.
Der Fasching macht die Narren nicht,
……o nein! o nein!
Sie finden sich zu jeder Zeit
……auch ohne Fasching ein.

 


Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874)
De St.-Marien-Kirche in Fallerslebben, de geboorteplaats van de dichter

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Robert Kleindienst werd geboren op 4 maart 1975 in Salzburg. Zie ook alle tags voor Robert Kleindienst op dit blog.

 

Ungeträumt

um ade nach drei fährt man
auf. ein gelbes Licht geht durch
den Raum, es wird wieder
dunkel. noch einmal fährt
ein Finger zwischen die Augen,
der riecht nach Fisch
und Zitrone

 

Vorzeichen

es bewölkt sich erste Fenster
werden geschlossen noch
fällt kein Tropfen vom Himmel
fliegen Schwalben tief übers Feld
im Haus spricht man verhalten
mit der Wetterzentrale
hält Polizzen bereit
für die Zeit danach

 

Vandaag, lang geleden

zie je, de schommel staat stil
in Sisal, zie je, een kind
zit erop dat geen schaduw werpt,
totdat de wind het tilt naar de andere oever.
wij wachten niet daar, het is
al te laat, wordt ons verteld
in de lobby. allemaal vroegtijdig
afgereisd. later zullen wij
de rekening betalen,
vertrekken, slechts één keer
omkijken, om te zien,
wie zwaait

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Robert Kleindienst (Salzburg, 4 maart 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 4e maart ook mijn blog van 4 maart 2019 en ook mijn blog van 4 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Kostümball-Gedanken (Joachim Ringelnatz), Abbas Khider, Elisabeth Borchers

 

Bij Carnaval

 


Carnaval à Nivelles (Carnaval in Nijvel) door Edith Gorren, 2015

 

Kostümball-Gedanken

Es wechseln die Moden,
Aber der Hosenboden
sitzt sinngemäß
Immer unterm Gesäß.

Bunt stimmt viel froher
Als beispielsweise Grau.
Aber viel sowieso er
reizt der Busen der Frau.

Das nächste Mal gedenke ich
Als ganz Nackter mitzumachen.
Und auch dies Kostüm verschenke ich.
Nur damit die Leute lachen.

 


Joachim Ringelnatz (7 augustus 1883 – 17 november 1934)
De Ringelnatzfontein in Wurzen, de geboorteplaats van Joachim Ringelnatz

 

De Duits-Iraakse schrijver Abbas Khider werd geboren op 3 maart 1973 in Bagdad. Zie ook alle tags voor Abbas Khider op dit blog.

Uit: Der Erinnerungsfälscher

»Komm so schneit wie möglich her«, sagt sein Bruder am anderen Ende der Leitung. »Es ist so weit. Unsere Mutter liegt im Krankenhaus. Der Arzt sagt, es wird nicht mehr lange dauern.« Said Al-Wahid sitzt in einem ICE irgendwo zwischen Mainz und Berlin. Draußen ist es grau und trüb, ein regnerischer Junitag. Saids Mutter war in den Jahren zuvor oft krank. In den vergangenen Wochen hat sich ihr Zustand verschlechtert. Sie schlief ununterbrochen. Nur für wenige Minuten am Tag war sie wach. Said war bewusst, dass der Moment nahte, in dem der Tod, der alte, unerwünschte Gast, auf der Türschwelle stehen würde. Mit dem Vater und der Schwester wird die Mutter bald vereint sein. Im Himmel ist die Familie vollständiger als auf Erden.
In Mainz hat Said an einem Podiumsgespräch teilgenommen. Er ist auf dem Weg nach Hause zu Monica und seinem Sohn Ilias. Er überlegt, ob er am nächsten Halt aussteigen und mit einem anderen Zug zum Frankfurter Flughafen fahren soll. Mit dem Handy schaut er nach Flügen, die er buchen könnte. Sein Bruder würde ihn niemals dazu auffordern, nach Bagdad zu fliegen, wenn der Zustand ihrer Mutter nicht wirklich ernst wäre. Aber wie soll er nun schnellst-möglich dorthin kommen? Direkte Flüge gibt es seit Ewigkeiten nicht mehr. Ist der Bagdader Flughafen überhaupt in Betrieb? Während welchen Krieges wurde er ge-schlossen? Ob er seine Mutter noch sehen wird, bevor sie sich von der Welt verab-schiedet? Hat der Tod ein wenig Mitgefühl und lässt sie noch ein paar Tage am Le-ben? Wartet er auf ihn? Möglicherweise hat die Mutter es eilig, den Rest der Familie im Jenseits wieder-zusehen. Keiner der Überlebenden ihrer Sippe hat eine Ahnung, wo der Leichnam des Vaters beerdigt wurde. Von den Körpern der Schwester und ihrer Familie fand man kaum noch Überreste. Im Irak, das weiß Said, drehen sich die Minutenzeiger nicht über Ziffern, sondern über Wunden.”

 


Abbas Khider (Bagdad, 3 maart 1973)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

April

Er komt een tijd
met regen,
met hagel,
met sneeuw.

Met wind die de hoek om raast.
Hij neemt de man de hoed van het hoofd
Hé, roept de man, waar is mijn hoed?
Hé, roept de hoed, waar is mijn man?
En hij is al helemaal daarboven.

De haan op de gouden kerktoren
die denkt: ik zie het vast niet goed.
een hoed zonder man,
een hoed die nog vliegen kan
en heeft toch geen vleugels aan?

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e maart ook mijn blog van 3 maart 2020 en ook mijn blog van 3 maart 2019 en ook mijn blog van 3 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

 

Maart (C. S. Adama van Scheltema), Jan Eijkelboom, Elisabeth Borchers

 

Bij het begin van maart

 


March Light door Ann Larsen, 2018

 

 

Maart

Nou is de Winter weggeruimd.
Die aan de aard zat vastgevroren.
Nou is het vuil er afgeschuimd
En komt de blote grond te voren.

Maart heeft de korst al schoongespoeld
En blaast er op om ’t af te drogen;
Zijn eigen borst is blootgewoeld –
Daar gaat die knaap: – zijn donkre ogen.

Als vijvers waar een bloem in drijft
– Maar waar geen bodem is te schouwen
En ’t wijze water doodstil blijft –
Kijken in ledige landouwen;

Hij houdt een dood blad in zijn mond.
En blaast het weg – een vreemde vlinder! –
Dan zoekt hij ijvrig aan de grond: –
Hij is de mooie bloemenvinder.

Waarnaar de eerste krokus gluurt
En opkijkt uit haar winterdromen –
Luister! een lijster tureluurt
Al ginder in de hoge boomen!

Die heeft het gure tij al lief!
Die roept het licht om mee te spelen:
Wat zou zo’n boze lentedief
Anders dan zonnestralen stelen?

Daar zijgt de zon in ’t waterland
En lacht een rimpling in de sloten, –
De jonge Maart slaapt aan de kant,
Met de eerste bloem, bij de eerste loten.

De schrale aard leek uitgeteerd
En afgeleefd in al haar naden
En zwarte voegen, – zie: nou keert
Haar jeugd uit de geleden schade!

Zij heeft gedragen en gebaard,
Al zoveel eindeloze malen –
Nou staat haar stil gelaat verklaard
En gaat zij rustig ademhalen.

Zoo’n lieve lach heeft ook een vrouw,
Als ze uit het bleke bed weer ’t leven
Ziet en aanneemt en weer de vouw
Van naar verdriet heeft gladgewreven.

Als aard en akker draagt ons hoofd
De voren van zijn wil en werken, –
Geen hand, die uit die voegen rooft,
Geen wind, die ons de diepe merken

Van ’t leven en het weten neemt!
Leun gij dan, maat, op de oude spade!
Zie naar die gaard en klare beemd,
En lees de vrucht van al uw daden

En al uw kommer in de lach
Van wat vergaat en wordt geboren: –
Uw leven is een dorre dag. –
Hebt gij een dode schijn verloren –

Zij gij ’t die de eerste paasbloem vindt
Om daar de aard mee af te romen,
Tot de eerste Mei uw dorstig kind
Over zijn bloesems heen ziet komen,

En gij in de geruste schoot
Van Holland’s wei u leit te slapen; –
Maar ’t leven verft uw lijf nog rood!
En roept uw klare geest te wapen

In ’t werktuig dat uw leger teelt,
In ’t voorjaar dat uw moed zal dragen.
Uw onder-gang en op-tocht beeldt
In de gedaante van de dagen.

Wier ring in u zijn orde herschept.
O gij: gedenk de stille maaier,
Die vroeg genoeg zijn voeten rept! –
Zie! zie: daarginder gaat een zaaier!

 


C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 – 6 mei 1924)
Gezicht op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam door Karel Klinkenberg (1852-1924). Amsterdam is de geboorteplaats van Adama van Scheltema.

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

De kunst

In die tijd trokken amateurs
met zwarte kastjes erop uit
om in een poortdoorgang
het tegenlicht te vangen

dat door de lindeblaadjes scheen.
Of ze betraden gretig het park
op de dag van de eerste sneeuw.
Vanaf meegenomen keukentrapjes

legden zij vast hoe ijzel of rijp
van takjes toverstokjes maakte.
Ook ik verbalisant betrapte

dat voortvluchtig licht en
sloot het op in een sonnet
waaruit het ijlings is ontsnapt.

 

 

Itsukushima

Gewapend tegen de havenvis staat
een dozijn hengelaars langs de kade.
Roeiboten, een meter of wat van de oever
leeg gemeerd, halen verbaasd hun schouders op.

Grote trommen, zout-doordrenkt hout,
vullen de kamers van de schrijn,
gebouwd op dikke palen als een pier:
ik zie het nut van een eredienst hier.

Beneden dansen de kleine, tedere krabben
de tango in ’t ondiepe, riskeren het land,
schieten naar gaten van slikkerig zand.

Schimmen van groen zeewier, een bierblik, dronken,
worden getrokken door het tij… Zegen, gij Niets,
mij in bijna-niets.

(naar Christopher Reid)

 

De kleine komedie

1

Inferno

Nel mezzo del cammin di nostra vita

Toen schrok ik wakker in een donker bos.
Ik was verdwaald in ’t midden van mijn leven.
Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los.

Van kindsbeen was de lief de mij gegeven.
Leven had niet veel pijn gekost.
Toch was mij alles nu om ’t even.

Wel had ik nooit iets opgelost,
altijd maar liever meegegeven,
en wás er iets, dan had ik dorst.

Rond liep ik in een gouden nevel,
van gods gebod naar ’t scheen verlost.
Maar daar is niets van heel gebleven.

Erger dan wanhoop is het kwaad
dat mij hier doodstil gadeslaat

 


Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Portret door Rein Dool, z.j

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Juni

Er komt een tijd
dan zijn de vissen blauw.

De blauwe vissen komen
in de kleine en de grote
beken stroomafwaarts.
Ze reizen door rivieren
en meren.
Ze willen allemaal de zee in.

Als we heel snel rennen
naar de beek,
naar de rivier,
naar het meer,
komt een blauwe vis langs.

Wij vragen hem:
Waarheen wil je, vis?
En hij antwoordt niet.

Wij vragen de vis:
Ben je stom?
En de vis zegt:
Ja, ik ben stom.

En hij is weg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2021 en ook mijn blog van 1 maart 2020 en ook mijn romenu blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Bart Koubaa, Howard Nemerov

De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.

Uit: De vogels van Europa

“Statistisch gezien was de kans vrij groot dat ik op maandagochtend op weg naar het werk een aalscholver met gespreide vleugels op een lantaarnpaal naast de Leie zou zien zitten; de kwaliteit van de Vlaamse rivieren is erop vooruitgegaan waardoor er opmerkelijk veel palingen en snoekbaarzen in het Gentse binnenwater rondzwemmen. Dat ik daarna gehinderd werd door een man en een jongetje op de fiets, zodat ik bruusk remde, waardoor mijn achterwiel slipte en uit mijn mond een kreet ontsnapte waarop de man reageerde men Achterlijke boer, terwijl twee jongensoogjes me beduusd aankeken vanonder een fietshelm in de vorm van een witte haaienkop, die kans was nihil, maar toch gebeurde her. Het vond plaats. En dat plaatsvinden ging onafgebroken verder… Ik stond afwezig in de lift, zat afwezig aan mijn bureau gegevens in te vuren, was er niet bij in de kantine tijdens de middagpauze en beantwoordde geen enkele mail. Ik had de hele tijd een opgeblazen gevoel, alsof mijn maag voortdurend aan het geeuwen was, en zat volgens mijn collega te neuriën en te fluiten. Om twee uur stipt stapte ik naar het bureau van mijn baas, zei hem dat ik me niet al te best voelde – ‘Ik voel me een beetje…’- vroeg hem een maagtabletje – ‘Heb jij soms een euh…’en reed naar huis. Thuis nam ik een lange douche en ging op mijn rug op bed liggen. Rond halfzes ging de telefoon; ik was vergeten dat ik mijn dochter beloofd had naar haar wasmachine te kijken. Pas een kleine week later, toen de wasmachine van mijn dochter weer zwierde en mijn vrouw en ik voor de televisie zaten, maakte die afwezigheid, die de hele tijd als een lege reddingssloep in mij had rondgezwalkt, zich kenbaar: ‘Eddie’ riep ik verdwaasd toen er na het nieuws een foto van een man op het scherm verscheen, ‘ik heb samen met hem in het koor gezeten… Eddie Bonte…’Er ontsnapte een ongecontroleerde langgerekte boer uit mijn mond.
‘Heb jij in een koor gezeten?’ Ik legde mijn wijsvinger op mijn mond en gebaarde mijn vrouw te zwijgen. ‘…de heer Bonte is 1,83 meter lang en normaal gebouwd. Hij is licht kalend en heeft een litteken op de biceps van de rechterarm. Op het moment van de verdwijning droeg hij een schildersbroek met kniestukken, witte werkschoenen, een grijs sweatshirt en een kaki vest zonder mouwen. Als u meer informatie hebt, kunt u contact opnemen met de rechercheurs via het gratis nummer 0800-30300…’ ‘Ja zeg, vermist verdomme…’ Er volgde nog een boer; ik perste mijn lippen op elkaar, verontschuldigde me met mijn hand. ‘Wil je thee?’

 


Bart Koubaa (Eeklo, 28 februari 1968)

 

De Amerikaanse dichter en literatuurdocent Howard Nemerov werd geboren op 29 februari 1920 in New York. Zie ook alle tags voor Howard Nemerov op dit blog.

 

September De eerste schooldag

I

Mijn kind en ik houden elkaars hand vast op weg naar school,
En als ik hem bij de deur van de eerste klas achterlaat
huilt hij een beetje, maar is dapper; hij laat
me los.
Mijn egoïstische tranen herinneren me eraan hoe
ik een leven geleden voor die deur huilde.

Ik heb het misschien moeilijk gehad om los te laten.

Elke herfst moeten de kinderen samen doorstaan
Wat elk kind ook alleen doorstaat:
Het alfabet leren, de gehele getallen,
Drie dozijn stukjes en beetjes van een ding
Zo willekeurig, zo gebiedend,
Dat werelden onzichtbaar en zichtbaar

Ervoor buigen, zoals in Jozefs droom
De schoven bogen en toen bogen de sterren
Voor de droom van een kleine jongen.

Die droom bezorgde hem zoveel haat van zijn broers
Dat het hem grootste deel van zijn leven kostte om te herstellen,
En toch kwam er uiteindelijk grote goedheid uit voort.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Howard Nemerov (29 februari 1920 – 5 juli 1991)

 

Zie voor meer schrijvers van de 28e en de 29e februari ook mijn blog van 28 februari 2021 en ook mijn blog van 28 februari 2020 en ook mijn blog van 28 februari 2019 en eveneens mijn blog van 28 februari 2018 deel 2.

Cynan Jones, Elisabeth Borchers

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Zie ook alle tags voor Cynan Jones op dit blog.

Uit: De burcht (The Dig, vertaald door Jona Hoek)

“De hond bewoog zich toen Daniel tussen de gebouwen door liep, kwam aan zijn ketting overeind, strekte zich en geeuwde, en in het licht van de lantaarn zag Daniel dit luie uitrekken en het licht van de lantaarn werd door de schakels van de ketting gevangen.
Hij stak de voederplaats over, hoorde het knisperen van hooi dat door het vee bij de ruif in het zich verspreidende strijklicht van de schuur werd weggemalen, hoorde hoe de hond zich uitschudde en het zich weer gemakkelijk maakte in het hok achter hem.
De nacht kabbelde stilletjes.
Hij ging de schapenstal in. De ooien waren uitgerust en de plek was moederlijk en rustig. Er klonk enkel het knisperen en zo nu en dan de kuch van een schaap. Hij plaatste de lantaarn op een plank en deed het licht aan. Een paar lammeren begonnen te mekkeren en er klonk een gerammel in de warmtebox, waar de weesjes opgewonden raakten bij de gedachte aan voeding.
Terwijl hij wacht tot het water in de waterkoker kookt loopt hij door de schuur. Aan de dwarsbalken hangen cd’s, vreemde astrale objecten in dit semilicht, nu genegeerd door de mussen en spreeuwen die ze moeten buiten houden. Zo nu en dan vangen ze wat licht en voorzien de ruimte van een misplaatste kerstsfeer en hij denkt aan hoe zij ze ophing, aan haar andere provisorische uitvindingen, alsof ze een kind was dat modellen van de televisie maakte.
Een eenzame mot wordt door de wind naar binnen gedragen, botst tegen de kale peer boven de waterkoker, puntig, een dwarrelend stukje as tegen de witte gloeidraad, opgebrand papier, gevangen in de luchtstroom van een of ander vuur, onzichtbaar, onvoelbaar.
In het achterste hok stampt een ooi op de grond, de bovenlip opgetrokken als een paard. Hij heeft wacht, dus hij moet blijven tot ze lammert, hoewel hij weet dat dit Beulah-ras goede moeders zijn en meestal geen hulp nodig hebben. Hij weet dat ze er dicht tegenaan zit, dat het niet lang meer zal duren.
De waterkoker tolt mechanisch op zijn houder, spuwt stoom in het licht van het peertje en slaat af. Hij mengt de poedermelk en terwijl hij de brede kan op de plank laat afkoelen controleert hij de stallen, de vermoeide lammeren slaperig en gedwee onder de warmte van hun moeders, tilt de waterbakken uit hun houders en schept het drijvende hooi en de uitwerpselen die het water chromatografisch bevlekken eruit; en het geroffel van het vullen van de waterbakken verstoort het zachte gemaal van de sluimerende ooien niet, die erbij liggen alsof ze uitgeput zijn van het eten, iets wat kenmerkend voor ze is. En in deze stille nacht heeft hij een ogenblik het gevoel alsof iets onzichtbaars hem aanraakt, de tijdloosheid van het werk dat hij doet, alsof hij een man van ieder tijdperk kan zijn.”

 


Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Elisabeth Borchers werd geboren in Homberg op 27 februari 1926. Zie ook alle tags voor Elisabeth Borchers op dit blog.

 

Tijd. Tijd

Ik moet eindelijk begrijpen
dat ik tijd heb.
Tijd voor de vogel op de borstwering
die met mij praat, in opdracht van.
Tijd voor de lampenvoet
waarin het licht van de aarde wordt gereflecteerd.
Tijd voor de kat op blauw fluweel
in het kleinste formaat aan de muur
geschilderd door Almut, toen beiden nog leefden.
Ook voor het schaap met de zwarte oren
de loensende ogen, de scheve muil en de
dorstige mond. Indiaans, heel eenvoudig, instructief.
Missen zal ik het in de komende eeuw.
Ik heb nog niet een stilzwijgend woord
met de gedroogde roos gewisseld, van waar en waarheen ook.
En het kalenderboek in zwart leer
met het gouden jaartal
gaapt elegant uitelkaar om me in en uit te laten.
Leren, tijd te hebben.
Leren, dat het te laat is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Elisabeth Borchers (27 februari 1926 – 25 september 2013)

 

Zie voor de schrijvers van de 27e februari ook mijn blog van 27 februari 2021 en ook mijn blog van 27 februari 2019 en eveneens mijn blog van 27 februari 2016 deel 2.

George Barker, Hermann Lenz

De Engelse dichter George Granville Barker werd geboren op 26 februari 1913 in Loughton, Essex. Zie ook alle tags voor George Barker op dit blog.

 

True Confession

2
The Church, mediatrix between heaven
And human fallibility
Reminds us that the age of seven
Inaugurates the Reason we
Spend our prolonged seniority
Transgressing. Of that time I wish
I could recount a better story
Than finding a shilling and a fish.
But memory flirts with seven veils
Peekabooing the accidental
And what the devil it all entails
Only Sigmund Freud suspects.
I think my shilling and my fish
Symbolised a hidden wish
To sublimate these two affects:
Money is nice and so is sex.

The Angel of Reason, descending
On my seven year old head
Inscribed this sentence by my bed:
The pleasure of money is unending
But sex satisfied is sex dead.
I tested to see if sex died
But, all my effort notwithstanding,
Have never found it satisfied.

Abacus of Reason, you have been
The instrument of my abuse,
The North Star I have never seen,
The trick for which I have no use:
The Reason, gadget of schoolmasters,
Pimp of the spirit, the smart alec,
Proud engineer of disasters,
I see phallic: you, cephalic.

Happy those early days when I
Attended an elementary school
Where seven hundred infant lives
Flittered like gadflies on the stool
(We discovered that contraceptives
Blown up like balloons, could fly);
We memorised the Golden Rule:
Lie, lie, lie, lie.

For God’s sake, Barker. This is enough
Regurgitated obscenities,
Whimsicalities and such stuff.
Where’s the ineffable mystery,
The affiancing to affinities
Of the young poet? The history
Of an evolving mind’s love
For the miseries and the humanities?

The sulking and son loving Muse
Grabbed me when I was nine. She saw
It was a question of self abuse
Or verses. I tossed off reams before
I cared to recognize their purpose.
While other urchins were blowing up toads
With pipes of straw stuck in the arse,
So was I, but I also wrote odes.

There was a priest, a priest, a priest,
A Reverend of the Oratory
Who taught me history. At least
He taught me the best part of his story.
Fat Father William, have you ceased
To lead boys up the narrow path
Through the doors of the Turkish Bath?
I hope you’re warm in Purgatory.

And in the yard of the tenement
– The Samuel Lewis Trust – I played
While my father, for the rent
(Ten bob a wekk and seldom paid),
Trudged London for a job. I went
Skedaddling up the scanty years,
My learning, like the rent, in arrears,
But sometimes making the grade.

Oh boring kids! In spite of Freud
I find my childhood recollections
Much duller now than when I enjoyed
It. The whistling affections,
All fitting wrong, toy railway sections
Running in circles. Cruel as cats
Even the lower beasts avoid
These inhumanitarian brats.

Since the Age of Reason’s seven
And most of one’s friends over eight,
Therefore they’re reasonable? Even
Sensible Stearns or simpleton Stephen
Wouldn’t claim that. I contemplate
A world which, at crucial instants,
Surrenders to adulterant infants
The adult onus to think straight.

At the bottom of this murky well
My childhood, like a climbing root,
Nursed in dirt the simple cell
That pays itself this sour tribute.
Track any poet to a beginning
And in a dark room you will find
A little boy intent on sinning
With an etymological lover.

I peopled my youth with the pulchritude
Of heterae noun-anatomised;
The literature that I prized
Was anything to do with the nude
Spirit of creative art
Who whispered to me: ‘Don’t be queasy.
Simply write about a tart
And there she is. The rest’s easy.’

And thus, incepted in congenial
Feebleness of moral power
I became a poet. Venial
As a human misdemeanour,
Still, it gave me, prisoner
In my lack of character,
Pig to the Circean Muse’s honour.
Her honour? Why, it’s lying on her.

Dowered, invested and endowed
With every frailty is the poet –
Yielding to wickedness because
How the hell else can he know it?
The tempted poet must be allowed
All ethical latitude. His small flaws
Bring home to him, in sweet breaches,
The moral self indulgence teaches.

Where was I? Running, so to speak,
To the adolescent seed? I
Found my will power rather weak
And my appetite rather greedy
About the year of the General Strike,
So I struck, as it were, myself:
Refused to do anything whatsover, like
Exercise books on a shelf.

Do Youth and Innocence prevail
Over that cloudcuckoo clime
Where the seasons never fail
And the clocks forget the time?
Where the peaks of the sublime
Crown every thought; where every vale
Has its phantasy and phantasm
And every midnight its orgasm?

I mooned into my fourteenth year
Through a world pronouncing harsh
Judgments I could not quite hear
About my verse, my young moustasche
And my bad habits. In Battersea Park
I almost heard strangers gossip
About my poems, almost remark
The bush of knowledge on my lip.

Golden Calf, Golden Calf, where are you now
Who lowed so mournfully in the dense
Arcana of my adolescence?
No later anguish of bull or cow
Could ever be compared with half
The misery of the amorous calf
Moonstruck in moonshine. How could I know
You can’t couple Love with any sense?

Poignant as a swallowed knife,
Abstracted as a mannequin,
Remote as music, touchy as skin,
Apotheosising life
Into an apocalypse,
Young Love, taking Grief to wife,
And tasting the bitterness of her lips
Forgets it comes from swabbing gin.

The veils descend. The unknown figure
Is sheeted in the indecencies
Of shame and boils. The nose gets bigger,
The private parts, haired like a trigger,
Cock at a dream. The infant cries
Abandoned in its discarded larva,
Out of which steps, with bloodshot eyes,
The man, the man, crying Ave, Ave!

 


George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Lieve tijd

Wat was het
In zijn geheel gezien?

Eeuwige wijsheid
Kunnen ze van jou niet verwachten.
Misschien heb je iets gemist.

Liefdesaffaires en reizen?
De gezichten van de landen?
Je hebt tenslotte veel gezien
Tussen Leningrad en San Francisco,
Echter onder ongemakkelijke omstandigheden,
Maar het maakt niet uit.

Ach, lieve tijd.

Je bent gelukkig als je ongehinderd
Ergens loopt of ligt,
Aan de rand van het bos bijvoorbeeld.

Bij heldere hemel, een blik in de verte.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook  mijn blog van 26 februari 2022 en ook mijn blog van 26 februari 2019 en eveneens mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.

Marijke Schermer, Friedrich von Spee, Jane Goodwin Austin

De Nederlandse schrijfster Marijke Schermer werd op 25 februari 1975 geboren in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Marijke Schermer op dit blog.

Uit: Noodweer

“Nemen we jouw auto?’
‘We zijn veel te laat.’
Haar man komt uit de keuken. Hij is lang, mager en zijn gezicht is uitgesproken knap. Hij heeft een zwierig pak aan. De pan in zijn handen en de theedoek over zijn schouder verraden toewijding. Hij zet de pan op tafel, werpt de lap terug in de richting van het aanrecht dat hij net niet haalt. Leo lacht met een hoog en helder stemmetje. Alicia, het buurmeisje dat oppast, knoopt Osip een slabbetje om. Ze is in een paar weken tijd van een androgyn kind in een kermisattractie veranderd. Haar wangen en lippen zijn rood geverfd, ze draagt idiote, veel te blote kleren. Emilia moet zich bedwingen haar niet ook over haar bol te aaien. Ze kussen de kinderen gedag.
‘Jij rijdt. We gaan het halen.’
Ze scheurt de oprijlaan af en draait de weg op. Het eerste deel van de rit voert over de dijk, door de glooiende rivierdelta, over een smalle tweebaansweg tussen de populieren. Er is een zakkend zomers zonnetje met weinig kracht en er staat een flinke wind. In de weilanden rechts van hen staan schapen. Even later, op de snelweg, kan ze echt hard rijden, iets wat ze graag doet. Ze praten niet veel. Door het raam waait een herinnering binnen aan lange tochten naar het zuiden, blote benen uit het raam, zingend. Vlak voor Amsterdam voeren ze een korte discussie over de beste route naar het Leidseplein.
‘Waarschijnlijk heb jij gelijk,’ zegt ze terwijl ze haar eigen idee ten uitvoer brengt. Ze gokt op een vrije plek, gokt goed en parkeert vlak bij het theater. Ze besluiten dat betalen precies de tijd kost die ze niet meer hebben. Ze rennen, steken over, worden rakelings gepasseerd door een fietser. Bruch roept dat ze de volgende keer een hotel moeten nemen; even worden ze gegrepen door de wens te worden opgeslokt door het leven in de stad, in plaats van straks en ongetwijfeld weer met haast, terug te moeten keren naar de stilte.Ze rennen de schouwburg in, de trap op naar de zaal, waar zij als laatsten arriveren voor de deuren rondom sluiten. Hij vouwt hun jassen in elkaar onder zijn stoel en knijpt haar in haar zij.”

 


Marijke Schermer (Amsterdam, 25 februari 1975)

 

De Duitse jezuïet en dichter Friedrich von Spee werd op 25 februari 1591 in Kaiserswerth bij Düsseldorf geboren. Zie ook alle tags voor Friedrich von Spee op dit blog.

 

Kom tot ons, scheur de hemelen, Heer

Kom tot ons, scheur de hemelen, Heer,
daal, Heiland, uit uw hemel neer.
Ruk open, rijt ze uit het slot,
de hemeldeuren, Zoon van God.

Dauwt, hemelen, schenkt u maatloos uit,
daal, Heer, als dauw op dorstig kruid.
Gij wolken, breek in regens neer,
regen de Heiland, Israëls Heer.

Breek, aarde, uit, breek uit in pracht,
dat berg en dal van lente lacht.
O aarde, wek die roze rood,
ontspring, Heer, aan der aarde schoot.

Waar blijft Gij toch, o ’s werelds troost,
die wij verbeiden onverpoosd?
O daal toch uit uw hoog paleis
in ons verloren paradijs.

Gij klare zon, gij schone ster,
door ons aanschouwd van eindloos ver,
o zon ga op, o zonneschijn,
laat ons niet in het donker zijn.

Wij zijn hier in zo grote nood,
wij leven allen naar de dood.
O kom, en voer met sterke hand
ons weer terug in ’t vaderland.

 

Vertaald door Ad den Besten

 


Friedrich von Spee (25 februari 1591 – 7 augustus 1635)
Portret door Martin Mengen, 1938

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Jane Goodwin Austin werd geboren in Worcester, Massachusetts, op 25 februari 1831. Zie ook alle tags voor Jane Goodwin Austin op dit blog.

Uit: Betty Alden

“As she spoke, the merry gleam died out of the captain’s eyes, and grasping his beard in the left hand, as was his wont in perplexity, he said gravely,—
“These are large matters for a woman’s handling, Priscilla, and it may chance that Barbara’s silence is the better part of your valor. But still,—what do you mean?”
“I mean that Master Oldhame and Master Lyford as the head, and their followers and creatures as the tail, are maturing into a very pretty monster here in our midst, which if let alone will some fine morning swallow the colony for its breakfast, and if only it would be content with the men I would say grace for it, but, unfortunately, the women and children are the tender bits, and will serve as a relish to the coarser meat.”
“Come, now, Priscilla, a truce to your quips and jibes, and tell me what there is to tell. I cry you pardon for noting your forwardness in what concerned you not”—
“Nay, Myles, you’ve said it now,” interposed Barbara, with a little laugh, while Priscilla, gathering her work in her apron, and looking very pretty with her flaming cheeks and sparkling eyes, jumped up saying,—
“At all events, John Alden’s dinner concerns both him and me, and I will go and make it ready; a nod is as good as a wink to a blind horse, and a penny pipe as well as a trumpet to warn a deaf man that the enemy is upon him. Put your nose in the air, Captain Standish, and march stoutly on into the pitfall dug for your feet.”
“Come, come, Mistress Alden! These are no words for a gentlewoman,” began the captain angrily, but on the threshold Priscilla turned, a saucy laugh flashing through the anger of her face, and reminding the captain in his own despite of a sudden sunbeam glinting across dark Manomet in the midst of a thunder-storm.
“Here’s the governor coming up the hill, Myles,” whispered she, “and you may finish the rest of your scolding to him. I’m frighted as much as is safe for me a’ready.”
And light as a bird she ran down the hill just as Bradford reached the door and, glancing in, said in his sonorous and benevolent voice, “Good-morrow to you, Mistress Standish. I am sorry to have frighted away your merry gossip, but I am seeking the goodman— Ah, there you are, Captain! I would have a word with you at your leisure.”
“Shall I run after Priscilla, Myles?” asked Barbara, cordially returning the governor’s greeting.”

 


Jane Goodwin Austin (25 februari 1831 – 30 maart 1894)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e februari ook mijn blog van 25 februari 2024 en ook mijn blog van 25 februari 2019 en ook mijn blog van 25 februari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Alain Mabanckou, Robert Gray

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Zie ook alle tags voor Alain Mabanckou op dit blog.

Uit: Prins Peper (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)

“We vormden een kleine kring en herhaalden onze choreografie, die ons zou achtervolgen tot in onze dromen. En we keken niet verbaasd op als we midden in de nacht ineens geneurie hoorden van onrustig slapende jongens met in hun hoofd die oude melodieën in de gedateerde taal van Papa Moupelo, die rechtschapen man die ons Hoop verkocht voor de schappelijkste prijs omdat hij het als zijn taak zag om de zielen, alle zielen van de instelling, te redden.
Papa Moupelo had me nooit opgebiecht dat hij verantwoordelijk was voor die kilometerslange naam, de langste van het weeshuis van Loango, en zeker van de stad, ja
zelfs van het land. Misschien kwam het omdat zijn Zaïrese landgenoten de gewoonte hadden om eindeloze, onuitspreekbare namen te geven. Kijk maar naar die van hun president, Mobutu Sese Seko Kuku Ngbendu Wa Za Banga, wat zoveel betekent als ‘de krijger die van overwinning naar overwinning gaat en niet te stuiten is’.
Als ik klaagde dat de een of ander mijn naam had afgekort of niet goed uitgesproken, drukte Papa Moupelo me op het hart niet boos te worden en ’s avonds voor het slapengaan te bidden om de Almachtige te bedanken. Volgens hem lag het lot van een mens verborgen in zijn naam. Om me te overtuigen nam hij zichzelf als voorbeeld: ‘Moupelo’ betekent ‘priester’ in het Kikongo, en dus was het geen toeval dat hij een boodschapper van God was geworden, net als zijn vader. Hij vond het mooi dat de jongens die me treiterden me alleen maar ‘Mozes’ noemden. Mozes was niet zomaar een profeet, betoogde hij vleiend: geen mens kon tippen aan Mozes, ook niet de oudtestamentische profeten met een baard die langer en peper-en-zoutkleuriger was dan de zijne; God had hem uitverkoren om de kinderen van Israël uit Egypte weg te voeren naar het Beloofde Land. Mozes was diep verontwaardigd over het treurige dagelijks leven van zijn volk en toen hij veertig was sloeg hij een Egyptische opzichter dood die een Israëliet strafte. Daarna vluchtte hij noodgedwongen de woestijn in, waar hij herder werd en trouwde met een van de dochters van de priester die hem onderdak had geboden.”

 


Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

IN STRIJKEND LICHT (Fragment)

We zitten buiten, luisteren naar het zingen van de vogels, dat lijkt
op zwervende lijnen en spatten
natte verf,
op een abstracte expressionist aan het werk – zijn zwierige streken, en dan
de lichtere toetsen,
nauwelijks zichtbaar –
en dat zich afspeelt op het hele doek van de hemel.
Als ik iets voorlees uit de krant valt ze meteen in slaap.
Ik strijk over haar gezicht en ze wordt wakker,
kijkt me strak aan en zegt iets als: ‘Dat was
een mooie stok.’ Een andere keer, toen we zo bij elkaar zaten,
zei ze, uit het niets: ‘De woestijn is een tong.’
‘Een rode tong?’
‘Precies, het is een
een soort
je weet wel ‫– het is, het is een
lange auto.’
Toen ik haar vertelde dat ik misschien een tijdje naar Cambridge zou gaan, zei ze: ‘Cambridge
is een oeroude zetel van de wetenschap. Zorg dat je…’
maar het werd te veel –
‘Zorg voor
de korte kerstbloemen.’ Ik word duizelig,
misselijk,
wanneer ik probeer te bedenken wat er in haar hoofd gebeurt. Ik blijf
urenlang buiten met haar, haar overeind sjorrend als ze
doezelt, en wakker begint te worden; weg van de stank en
het geschreeuw van de afdeling. Het ergste
van dit alles is, voor mij, dat ze nu, ondanks haar gemompel,
vrediger is dan ik haar ooit heb gekend. Even leeft
haar geheugen op, en ze denkt dat ik een lang geleden
gestorven broer van haar ben.‘’t Was wel mooi op die paarden,
hè, toen we klein waren!’ zegt ze,
terwijl ze haar krachteloze hand op haar dij laat vallen. Alzheimer
is nirvana, in haar geval. Ze heeft het nooit
over de kwellingen van haar volwassen jaren – God, de boze passages
in de bijbel, de lange, zware dood van haar moeder,
en mijn vader. Niets,
helemaal niets over mijn vader,
en niets
over haar obsessie: het geloof
waartoe hij haar dreef. Ze zegt dat het lied van de ekster,
dat altijd maar doorgaat, als een vrolijk in zichzelf
pratende Ier,
en waar ik haar rolstoel naartoe heb gekeerd,
haar herinnert aan
een kopje. Een gebroken kopje. Ik denk dat de chaos in haar hoofd
voor haar alleen draaglijk is omdat hij zich wentelt, langzaam,
heel langzaam,
als stofjes in een lege kamer.
De ziel? De ziel is allang verslagen, al bijna verdwenen. Ze brengt nu slechts
stoppels voort op haar kin, en een geur
van oude kranten op een vochtige betonnen vloer, verward gestamel, een paar versplinterde herinneringen en een soort warmte
(die er altijd al was,
de buideldierlijke toewijding) een warmte die nu alleen in haar ogen zit, vooral
als ik haar vasthoud en een tijdje wieg, als ik haar
in bed til – een opgevouwen
pakje, zoals – dat heb ik op foto’s gezien –
de ‘IJsman’ gevonden werd. Ze zegt:
‘Ik vind het fijn
als je – als
als
je…’
My brown-eyed girl, zeg ik tegen haar. Hoewel ze zich het
nummer niet herinnert, of hoe ik die keer
thuiskwam, zing ik het
haar voor: ‘Ta
ta-dum, ta-dum…’ En zij
kijkt op:
‘Jij bent het, jij bent het’ – en glimlacht me toe – ‘jij
bent my brown-eyed girl.’

 

Vertaald door Maarten Elzinga

 


Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e februari ook mijn blog van 24 februari 2019 en eveneens mijn blog van 24 februari 2017 deel 2.