Roos van Rijswijk, Hanane Aad

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Het is bijzonder dat alles nog lijkt te werken, behalve dat ik af en toe verschrikkelijk moe ben, of een beetje kortademig, soms zeurt er iets in mijn bekken. Ik kan nog klaarkomen. Ik schrijf dit op en voel me direct smerig, daarom zeg ik het niet als ik bij je ben. Je zult vreemdere dingen horen, daar niet van, maar ergens dringt het beeld van mijn oude tantes op familiedagen zich aan me op, dames met kant langs hun lellende halzen en lippenstift in de plooien rond hun mond, vlekken van de rode wijn op hun tanden, een adem die mikt naar douchegordijn en alcohol. Vieze grapjes die pas afschuwelijk worden bij gratie van de gore lach die erachteraan knarst. Jij hebt appelwangen en drie frisse kinderen. Je vraagt hoe het gaat met schrijven en ik zeg: dat gaat goed. Dan praten we over praktische zaken zoals: wanneer regel je je eigen crematie? Jij ziet eruit als een christen, maar ik wil je niet naar je God vragen.

De laatste keer dat ik seks heb gehad zal voorgoed de laatste keer zijn en het was net zo ongeïnspireerd als de eerste keer, maar dan in de wetenschap dat het beter kan. Mijn eerste en enige intemetdate, een tip van Leendert. Een site voor hoogopgeleiden. Ik loog: kunstgeschiedenis. Gebruikte een foto van mezelf en niet van een jonge blom, zoals Leendert suggereerde, ik was het met een mooie rode jurk aan en haar tot mijn borsten, die verdomde borsten. Die foto maakte mijn zus op een dag vol zon, we aten koude pannenkoeken aan de Amstel, maar dat zette ik er niet bij.

We dronken wijn en bier en aten op Gerards initiatief in een restaurant aan het Museumplein, vlak bij de kunst waar we allebei niet over spraken, leugenaars, we neukten bij mij. Ik veranderde mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer en was als de dood dat hij op een dag onder mijn raam zou staan en ik was beledigd toen dat niet zo was.”

 

Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.

 

De instrumenten van geduld

Ik hang een ketting met poëzie
rond de nek van het moment,
en ontvlucht de beperkingen van de tijd.
Aan boord van de raadselachtige horizon
bekleed ik de geest met licht.
Ik werp de lava van achterdocht
in de brandende oven.
Gebruikmakend van de instrumenten van geduld
tem ik de hitte van de woestijnen,
gebruikmakend van de filosofie van vrijgevigheid
behaal ik lauweren van rijkdom.
En op het hoogtepunt van dood nihilisme
omarm ik het wonder van overleven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2019 en ook mijn blog van 18 april 2017 en ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Antoon Coolen, Sarah Kirsch

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: De goede moordenaar

“En die deur zette hij in het deurgebint zonder scharnieren. Hij zette ze er zoo maar tegenaan. Hij had in zijn huis geen vloeren gelegd. Hij liep op het geel zand. Hij had een bedstee. Hij had eenen breeden voet van eenen boom mee de dikke stompen van de afgebroken wortelen er nog aan. Dat was zijn tafel, dit stuk boomstam, aan den bovenkant glad afgezaagd. En hij had eenen stoel. Dit was alles wat hij had. Hij zat er in zijn huis verscholen. Op een uur in den morgen en een uur in den avond kwam hij hier of daar uit naar buiten gekropen en ging loopen rontelom zijn huis. Onder de wilgen en de canada’s bleef hij soms even staan, dan was het net krek precies of hij ergens naar luisterde. Misschien luisterde hij naar het geruisch van de bladeren. De zomers kwamen, de zomer wier oud. Het herfsttij en de winter kwamen en teekenden de boomen en het uitzicht. De kluizenaar kroop in en uit zijn huis. Het was, als ge hem ’s avonds zaagt loopen of pal stil zaagt staan, eenen gruwelijken mensch om te zien, ‘nen grauwen mensch, en zijn ringbaard groeide in den tijd. Hij liet zijn eigen zijn voedsel aanreiken door het gat in de deur. De planken in deur en raamgebinten waren grauw. Hij had de muren ook niet afgevoegd. Het huis had maar korten tijd zijnen staat van nieuwheid. Er zaten tusschen de roode nieuwe steenen ook heele plekken van grauwe en bruine stenen, die de kluizenaar hier of daar van afbraak had gekocht. Er kwam nooit iemand in zijn huis. Die hem wat brengen moest kwam nooit verder dan voor de deur, de deur daar was ter manshoogte dat gat in. Maar men gluurde wel eens door de reten der planken voor de ramen. In een lichtkier zaagde ge dan het geel zand van den grond en het stuk boomstam, en den stoel scheef tegen den muur.”

 

Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961) Borstbeeld van Antoon Coolen in Deurne

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

’s Ochtends had ik wijn gedronken omdat de zon zo brandde

’s Ochtends had ik wijn gedronken omdat de zon zo brandde
Ik lag op koel parket las oude boeken waarin
Kleine dieren al jaren thuis waren, zij
Aten van de lijm soms een komma, de tekst
Kon ik evengoed volgen: het waren fata over
Zee-vaart en schip-breuk

“s Middags lag er een jongen op het strand hij was
Zeker aangespoeld ik was niet verrast
Populiervlokken vlogen omlaag de ekster
Zocht gretig naar zijn ogen die waren licht
Nodigden me uit om te gaan zwemmen – ik verdreef
Een witte spin van zijn teen, vocht tegen de mug
Een golf kletterde op de oever, hij begon
Mijn vingers te kussen ik was ontvankelijk
En noemde hem teder
toen ruiste het water
Het rees op sloeg over hem heen
Het meer kookte stond op strekte zich uit nam hem terug
Katten sprongen terzijde en lachten

’s Avonds zat ik in de appelboom en keek uit over het water.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e april ook  mijn blog van 17 april 2019 en ook mijn blog van 17 april 2017 deel 2.

Thomas Olde Heuvelt, Sarah Kirsch

De Nederlandse schrijver Thomas Baudelet Olde Heuvelt werd geboren in Nijmegen op 16 april 1983. Zie ook alle tags voor Thomas Olde Heuvelt op dit blog.

Uit: Echo

“Toen de Airbus de daling inzette naar Genève werd Nick, of wat er van hem over was, nog kunstmatig in coma gehouden. En hierboven in de bergen knalde het onweer. Hierboven, één grote turbulentienachtmerrie in onstabiele lucht. De Airbus cirkelde eindeloos en blind in de wolkenmassa en dook plotseling door een gat, waardoor ik zag dat we al geruime tijd lager zaten dan de omringende bergruggen. Het horror vacui bij het totale gebrek aan oriëntatie verruilde zich onmiddellijk voor een onverbloemde claustrofobie. Buiten de wolkenkrabbers van Manhattan was dit de eerste keer in zestien jaar dat ik met bergen werd geconfronteerd. Het liet geen ruimte voor illusies: ik háátte de bergen. Ik haatte ze nog steeds.
Ik haatte hoe ze ons insloten. Hoe ze zich over het vliegtuig heen leken te buigen. Hoe ze dwars door het noodweer rezen. Grillig als de tanden van een roofdier.
De bergen hadden Nicks gezicht eraf gebeten.
Al die tijd had ik me afgevraagd wat die vent aan de telefoon had bedoeld toen-ie het steeds over Nicks gezicht had gehad. Die vent die vertegenwoordiger was van de Police Cantonale. Dat er iets mis was met zijn gezicht, had-ie gezegd. Dat gezicht, ik kende het door en door. Mannelijke lijnen maar zachte trekken, een oersymmetrie die hem het voorkomen gaf van een wezen rechtstreeks afkomstig uit de natuur. Wat ik er het meest in aanbad was de volledige afwezigheid van schaamte. Ik was er nog altijd niet uit of de kalme zelfverzekerdheid waarmee Nick de wereld in keek voortkwam uit het feit dat hij andermans blikken eenvoudig niet gewaarwerd, of dat hij er juist zo aan was gewend dat ze hem koud lieten.”

 

Thomas Olde Heuvelt (Nijmegen, 16 april 1983)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

Vanuit mijn huis

Ik zeg: jij bent de grote wind
jij blaast verdriet in mijn gezicht
Jij zegt: het is geen storm
gewoon een klein warm briesje

Maar ik zie vanuit mijn huis
het dak zeilen als een kokend grijze rook
de boeken proberen hun vleugels uit
niets wordt gespaard, pianoconcerten
haasten zich op zwarte borden weg
vensters sluiten nooit meer. Waar
moet ik verder leven?

Ik zeg: alles is van me weggevlogen
Jij zegt: er is geen storm
Ik zeg: de wind is zo groot dat sigaretten
zijn opgebrand voordat ze de mond bereiken
En hou je een vulpen in je hand
dan boort die zich in de tafel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e april ook mijn blog van 16 april 2019 en ook mijn blog van 16 april 2017 deel 2.

Tomas Tranströmer, Sarah Kirsch

De Zweedse dichter en schrijver Tomas Tranströmer werd geboren in Stockholm op 15 april 1931. Zie ook alle tags voor Tomas Tranströmer op dit blog.

 

Een winternacht

De storm zet zijn mond aan het huis
en blaast een toon te voorschijn.
Ik slaap onrustig en lees de tekst
van de storm met gesloten ogen.

Maar kinderogen zijn groot in het donker
en de storm die blaast voor het kind.
Ze houden beiden van zwaaiende lampen,
zijn beiden op weg naar de taal.

De storm heeft kinderhanden en -vleugels.
De karavaan slaat naar Lapland op hol.
En het huis voelt zijn sterrenbeeld van spijkers
die de muren samenhouden.

De nacht is zwijgzaam boven onze vloer
(waar verklonken stappen rusten
als gezonken blaren in een meer)
maar onstuimig de nacht daar buiten!

Een ernstiger storm trekt over de wereld.
Aan onze ziel zet hij zijn mond
en blaast een toon te voorschijn. Wij zijn bang
dat de storm ons leeg zal blazen.

 

Vertaald door Rita Verschuur

 

Mijnstreek

ik loop over rokende wonden
(in het ogenblik van de distel)
en aan mijn riem draag ik duizend sleutels

(dat wielen hierboven ook hebben gedraaid)

eenzaam de mijntoren
een duivelse vinger
en gruis zwart van verlangen naar water
en de spar zwart van verlangen naar storm

ik loop over rokende wonden
als verschrikte paarden snellen verbrande wolken
over de boomtoppen
de paden zoeken hun doel
en het bos draagt duizend sleutels aan zijn riem

 

Zwemmer

wil men kunnen zwemmen
dan moet het water levend zijn
moet het water op de vlucht zijn
met kiezelstenen in zijn mond

degene die zwemt
die het water het instrument van zijn huid laat bespelen
is een zacht anker
tussen stromen
een dobbelsteen
lichtend als een toorts
eenzaam als een verdronken soldaat

de zwemmer brandt langzaam

hij is een lokaas
voor de hongerige steiger
als er een steiger is
hij veroorzaakt onrust
als er een strand is
maar zelf trekt hij kalm over eindeloze bergen
met vuur in zijn longen

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Tomas Tranströmer (15 april 1931 – 26 maart 2015)

 


De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

Bij de witte viooltjes

Bij de witte viooltjes
In het park zoals hij me opdroeg
Sta ik onder de wilg
Ongekamde oude vrouw bladerloos
Zie je, zegt zij, dat hij niet komt

Ach, zeg ik hij heeft zijn voet gebroken
Een graad ingeslikt, een straat
Werd plotseling verlegd of
Hij kan niet aan zijn vrouw ontsnappen
Veel dingen hinderen ons mensen

De wilg wiegt en kraakt
Kan ook zijn dat hij al dood is
Hij zag er bleek uit terwijl hij je kuste onder je jas
Kan wel zijn wilg kan wel zijn
Dus laten we hopen dat hij niet meer van me houdt

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e april ook mijn blog van 15 april 2019 en ook mijn blog van 15 april 2018 deel 2.

Péter Esterházy, Tjitse Hofman

De Hongaarse schrijver Graaf Péter Esterházy van Galántha werd geboren in Boedapest op 14 april 1950. Zie ook alle tags voor Péter Esterházy op dit blog.

Uit: Die Markus-Version

„Die Großmutter lächelt selten. Aus ihrem Kopf kommen keine Strahlen. Im Gegenteil, es ist, als hätte sie das Licht verschluckt, ihre Falten, die haben es verschluckt. Sie kam und ging plötzlich. Auf einmal saß sie dort an meinem Bett und sprach von Gott. Als erzählte sie vom Nachbarn. Oder vom taubstummen Brief-träger, Onkel Gerzson. Ihr Sohn war im Krieg gestorben, der jüngere Bruder meines Vaters. Die Russen hatten ihn erschos-sen. Die Deutschen. Die Partisanen. Er war verschwunden. Lan-ge wollte sie das nicht glauben. Dass ihr Sohn früher gestorben war als sie, das Kind früher als seine Mutter, dass das überhaupt möglich ist. Sie war darauf gekommen, dass der Herrgott dann seinen Sohn getötet haben musste, anders konnte es nicht sein. Schließlich also glaubte sie es. Einen ganzen geschlagenen Tag lang jammerte und schluchzte sie. Keiner wagte etwas zu sagen. Es gab einen Moment, da meinte sie, wenn ihr Sohn tot war, nicht war, dann war auch Gott tot, war Gott nicht, dann jedoch ging dieser Moment vorüber. Als ihre Tränen versiegt waren, ver-ließen sie auch die Kräfte, und sie schlief zwei Tage am Stück. Als sie aufwachte, war Gott taubstumm geworden. So erzählte sie es und malte mir mit ihrem knorrigen Daumen ein Kreuz auf die Stirn. Sie kann auf eine Weise von Gott erzählen, dass es unbe-greiflich wird, dass er nicht sein soll. Noch dazu, dass er tot sein soll. So, dass dies keinen Sinn hat. Ich habe den Nachbarn und den Briefträger erwähnt, weil die immer sind, wir sie sehen. Die Geschichten der Großmutter von Gott – also sie enthielten die-se Sicherheit, dass Gott auch dann ist, wenn niemand mehr ist. Obwohl das, dass niemand ist, schwer vorstellbar ist. Das »nie-mand« und das »alles« sind schwer vorstellbar.“

 

Péter Esterházy (14 april 1950 – 14 juli 2016)

 

De Nederlandse dichter Tjitse Hofman werd geboren in Assen op 14 april 1974. Zie ook alle tags voor Tjitse Hofman op dit blog.

Tell Freedom

Krassen dansen wassen 
wassen dansen krassen

Autobanden
bedspiralen
krukken sponzen 
tranen 

Honden 
wachten tranen 
tranen
groene zeep

In rode klei 
gewassen
matrassen 
wassen dansen

Slaven rassen
wassen 
koloniale 
fratsen


Guilt is individual
sisterhood demands proof

We demand land
we demand equality

Love everyone
but trust nobody 


Krassen dansen wassen 
wassen dansen krassen

Zeg vrijheid
zonder monden
verlaten en vergeten
zonder monden spreken


Lik de wonden
gouden honden
gewassen klei
gedanste zeep 

Op moeder aarde passen
met moeder aarde wassen 
silhouetten dansen 
wassen dansen krassen

Herinnering
aan niemandsland
herinnering 
aan zeep


Guilt is individual
sisterhood demands proof

We demand land
we demand equality

Love everyone
but trust nobody 

 

Tjitse Hofman (Assen, 14 april 1974)

 

ook mijn blog van 13 april 2019 en ook mijn blog van 13 april 2018 en ook mijn blog van 13 april 2014.

Fröhliche Ostern! (Kurt Tucholsky)

 

Prettige Paasdagen!

 

Pasen stilleven door Max Rimböck, 1934

 

Fröhliche Ostern!

Da seht aufs Neue, dieses alte Wunder:
Der Osterhase kakelt wie ein Huhn
und fabriziert dort unter dem Holunder
ein Ei und noch ein Ei und hat zu tun.

Und auch der Mensch reckt frohbewegt die Glieder
er zählt die Kinderchens: eins, zwei und drei…
Ja, was errötet denn die Gattin wieder?

Ei, ei, ei
ei, ei
ei!

Der fleißige Kaufherr aber packt die Ware
ins pappne Ei zum besseren Konsum:
Ein seidnes Schupftuch; Nadeln für die Haare,
die Glitzerbrosche und das Riechparfum.

Das junge Volk, so Mädchen wie die Knaben,
sucht die voll Sinn versteckte Leckerei.
Man ruft beglückt, wenn sie´s gefunden haben:

Ei, ei, ei
ei, ei
ei!

Und Hans und Lene steckens in die Jacke,
das liebe Osterei – wen freut das nicht?
Glatt, wohlfeil, etwas süßlich im Geschmacke
und ohne jedes innre Gleichgewicht.

Die deutsche Politik… Was soll ich sagen?
Bei uns zu Lande ist das einerlei
und kurz und gut: Verderbt euch nicht den Magen!
Vergnügtes Fest! Vergnügtes Osterei!

 

Kurt Tucholsky (9 januari 1890 – 21 december 1935) St. Marienkirche in Berlijn, de geboorteplaats van Kurt Tucholsky

 

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

 

Zondagmiddag in de voorstad

Een goede blonde
een oudere man en huidige minnaar
een jongere man en vroegere minnaar
(allen gekomen in de auto van de huidige minnaar)
een slechte blonde
een vriend en zijn vrouw
een gastheer die vlees braadt op een open vuur
een tweeling met snorren langs de rand van het zwembad

de slechte blonde spreekt zacht met de gastheer
de vriend spreekt zacht met zijn vrouw
de minnaar schenkt de minnaar een glas wijn in
en schenkt zichzelf een glas wijn in
de goede blonde ligt in de zon
op haar buik

de oudere man en de blonde kleden zich om
de jongere man wacht in de woonkamer
de slechte blonde stelt drie vragen aan de jongere man
de slechte blonde probeert te telefoneren
de slechte blonde valt over een stoel
de vriend duikt in het zwembad

de goede blonde loopt door de woonkamer
zij geeft een spiegel terug aan de jongere man
zij zegt:
‘hij is ontevreden met mij
en ik ben niet zeker waarom
en hij legt het ook niet uit’.

 

Het einde van het wachten

Een licht in de nacht,
antwoord op
een ander licht,
antwoord op

een ander licht
dat zegt: iemand
komt terug naar een paleis
waarin een vrouw

naast iemand ligt
als vermoeid naast vermoeid;
in een ander paleis
ligt zachtheid die niet

voor vingers vlucht
maar vingers laat en zegt:
in mij als in lucht
en geen dood om dood.

 

Jezus

Meegesleept naar
leeg en stil,
klaar om terug te keren
als er iets gebeurt.

Alles wat gezegd wordt over Jezus
is waar over wie daar is

en groter laat worden wat hij is
alsof het plaats maakt
voor wat steeds groter is

en voorbij aan wat hij is
Jezus laat storen,
blij maken,
bij hem blijven.

 

Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

 

Lied

Een lijsterbes als een meisje met lippenstift.
Tussen de zijweg en de hoofdweg
Elzen op een natte en druipende afstand
Houden zich afzijdig tussen de biezen.

Er zijn de modderbloemen van het dialect
En de immortellen van een perfecte toonhoogte
En dat moment waarop de vogel heel dichtbij zingt
Op de muziek van wat er gebeurt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seamus Heaney
(13 april 1939 – 30 augustus 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e april ook mijn blog van 13 april 2019 en ook mijn blog van 13 april 2018 en ook mijn blog van 13 april 2014.

Seven Stanzas at Easter (John Updike), Antje Rávic Strubel

Prettige Paasdagen!

 

De opstanding van Christus door Pietro Novelli, ca. 1640

 

Seven Stanzas at Easter

Make no mistake: if he rose at all
It was as His body;
If the cell’s dissolution did not reverse, the molecule reknit,
The amino acids rekindle,
The Church will fall.

It was not as the flowers,
Each soft spring recurrent;
It was not as His Spirit in the mouths and fuddled eyes of the
Eleven apostles;
It was as His flesh; ours.

The same hinged thumbs and toes
The same valved heart
That—pierced—died, withered, paused, and then regathered
Out of enduring Might
New strength to enclose.

Let us not mock God with metaphor,
Analogy, sidestepping, transcendence,
Making of the event a parable, a sign painted in the faded
Credulity of earlier ages:
Let us walk through the door.

The stone is rolled back, not papier-mache,
Not a stone in a story,
But the vast rock of materiality that in the slow grinding of
Time will eclipse for each of us
The wide light of day.

And if we have an angel at the tomb,
Make it a real angel,
Weighty with Max Planck’s quanta, vivid with hair, opaque in
The dawn light, robed in real linen
Spun on a definite loom.

Let us not seek to make it less monstrous,
For our own convenience, our own sense of beauty,
Lest, awakened in one unthinkable hour, we are embarrassed
By the miracle,
And crushed by remonstrance.

 

Zeven strofen met Pasen

Vergis u niet: als hij überhaupt opstond
Was het als Zijn lichaam;
Als de ontbinding van de cel niet was omgekeerd, het molecuul herstelt,
De aminozuren herleven,
Zal de kerk vallen.

Het was niet zoals de bloemen,
Die elke zachte lente terugkomen;
Het was niet zoals Zijn Geest in de mond en verwarde ogen van de
Elf apostelen;
Het was als Zijn vlees; het onze.

Dezelfde beweegbare duimen en tenen
Hetzelfde hart met klep
Dat – doorboord – stierf, verdorde, pauzeerde en weer terugkwam
Vanuit de blijvende Macht
Nieuwe kracht in te sluiten.

Laten we God niet bespotten met een metafoor,
Analogie, zijwegen, transcendentie,
Van het evenement een gelijkenis maken, een teken, geschilderd in de verbleekte
Goedgelovigheid van eerdere tijdperken:
Laten we door de deur lopen.

De steen is teruggerold, geen papier-maché,
Geen steen in een verhaal,
Maar de enorme rots van materialiteit die bij het langzaam slijpen van
Tijd voor ieder van ons verduisteren zal
Het wijde daglicht.

En als we een engel bij het graf hebben,
Maak er een echte engel van,
Zwaar met de kwanta van Max Planck, levendig met haar, ondoorzichtig
In de ochtendschemer, bekleed met echt linnen
Gesponnen op een blijvend weefgetouw.

Laten we niet proberen het minder monsterlijk te maken,
Voor ons eigen gemak, ons eigen gevoel voor schoonheid,
Opdat we niet, ontwaakt in een ondenkbaar uur, ons schamen
Door het wonder,
En verpletterd door verwijten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009) St Mary’s Church in Reading, Pennsylvania, de geboorteplaats van John Updike

 

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Sturz der Tage in die Nacht

„Hinterher würden sie mit ihren exotischen Abenteuern protzen und mich fragen, ob ich mich nicht zu Tode gelang­weilt hätte da oben im menschenleeren Norden. Ich benei­dete sie nicht.Ich war nach Gotland gefahren. Ich war durch die Land­schaft gestreift, und die Landschaft mit ihrem Kalkstein, ihrem struppigen Bewuchs, mit ihren verlassen daliegenden Plateaus, den versandeten Tümpeln und Klapperstein­feldern, auf denen es hunderte Millionen Jahre alte Fossi­lien gab, hatten mich in Trance versetzt. Ich ließ mich trei­ben.Es war die Zeit nach meinem Aushilfsjob in einem Jugendprojekt; verglichen mit dem Zivildienst im Altenheim war das eine leichte Arbeit gewesen, auch wenn es täglich neun Stunden Lärm bedeutete, Drogen bedeutete, Messer­stechereien und täglich entweder die Polizei oder das Jugend­amt, täglich Rap oder Techno, täglich die Frage, ob du ein Hopper oder ein Emo bist, denn Emos sind schwarzgeklei­dete Schwulis, schwule Chorkinder, du Arsch, auch das täglich, täglich ich hab deine Mutter gefickt, überhaupt deine Mudderund willste was aufs Maul, und erst hier, unter Kiefern und Ostseewind, ließ die Erinnerung daran nach. Die Einsam­keit, die langen Tage, die Stille in den kleinen Ortschaften entspannten mich.
Am Ende der Woche hatte ich in einem Touristenbüro einen Tagesausflug gebucht; eine geführte Tour auf eine Insel, die der Westküste Gotlands vorgelagert war. Ich hatte Lust, wieder mit jemandem zu reden. Wo es hinging, interessierte mich nicht.Im Hafen von Klintehamn stand ein Kiosk, in dem schon lange nichts mehr verkauft wurde. Die Fenster waren ver­nagelt, eine verwaschene Preisliste für Lachs und Heringe hing noch am Holz. Der Parkplatz war schattenlos und leer. Am Kai, an dem das Boot zur Insel ablegen sollte, warteten zwei Frauen mit Wanderstöcken und Knickerbocker, Finni­nen, wie sich herausstellte. Andere Fahrgäste waren nicht zu sehen. Die Finninen verstanden kein Englisch. Sie sprachen schwedisch mit mir. Vielleicht dachten sie, es würde die Ver­ständigung erleichtern, wenn beide Seiten eine ihnen fremde Sprache benutzten. Das war nicht der Fall.”

 

Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e april ook mijn blog van 12 april 2019.

Goede Vrijdag (René de Clercq), Leo Vroman, Johannes Bobrowski

Bij Goede Vrijdag

 

De kruisiging door Simon Vouet, 1622

 

Goede Vrijdag

Ik zag Hem op zijn kruis, gelaten en verduldig,
Met nagelen door zijn hand, en doornen in zijn hoofd;
Bloed stroomde langs zijn oog gebroken en verdoofd;
Hij stierf voor uwe schuld, en voor de mijne, onschuldig!

Ik heb opnieuw bemind, daar ‘k weder heb geloofd!
Ik weet, mijn zonden zijn zo zwaar, zo menigvuldig;
Doch, heeft de laatste blik van Deze, die ik huldig,
Mij, arme kranke, niet zijn reddend hulp beloofd?

O reiniging door Bloed, gelijk de bloedschuld erflijk;
O wonderbare nacht, daar ’t licht zijn oorsprong vindt,
O goddelijke dood, daar ’t leven herbegint.

Komt herwaarts, gij die zegt: “Geen liefde is onbederflijk!”
Komt herwaarts, gij die treurt, omdat gij hebt bemind:
De liefde sterft voor u, en leeft voor u, onsterflijk.

 

René de Clercq (14 november 1877 – 12 juni 1932) De Sint-Columbakerk in Deerlijk, de geboorteplaats van René de Clercq

 

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Moment en haar momenten

Er was een klein moment
dat wou zo vreselijk groot,
maar bleef geweldig onbekend
tot na haar dood.

En haar dochter, ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en haar dochter ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en haar dochter ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en zo meer, en zo meer
ongeveer
tweeduizend keer.

Het stel werd later teruggevonden
en toen moeiteloos erkend
als de laatste kwart seconde
vóór het Vreselijk Moment.

Moraal:
Ook al moet je nog zo klein,
je schaduw mag best langer zijn.

 

De ander

De ander zal huilen in de lege
schoenen en ze wat bewegen,
de kuil in het andere kussen zoenen
zolang die daar nog is te voelen
maar geen vaarwel bedoelen,

ze zal nog een hele tijd
knechten en kinderen moeten zeggen
welke koud geworden kleren
met hun menselijkheden kwijt
weg te smijten, weer meer en
hartverscheurend klemtoon leggen
op de volgroeide eenzaamheid,

zal later, als de scherpe hoeken
van verlies zijn rond gesleten,
in onze nagebleven boeken
duimelen en hun doel vergeten
en niet meer zoeken,

zal eindelijk, nog onuitgepraat
en helemaal onuitgesproken
slapen met een arm uitgestoken
naar degene die al lang niet meer bestaat.

 

Scheppinkje

Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen
tot een gebaartje op mijn hand
en gaf Jou alle kralen, donzen,
poesjesmiepsen en hommelgonzen
en Jij weefde het verband …

ik zou mijn vingers rond Je sluiten
en Jouw gekriebel zó beminnen
terwijl Je scheppend was daarbinnen
dat ik mijn vuist héél zacht van buiten
zou kussen;

en als ik op een teken
Jouw werk voorzichtig zou ontbloten
nimmermeer zijn uitgekeken
op mijn lege handpalm, grote
God
en nooit meer spreken.

 

Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)
Leo Vroman en echtgenote Tineke

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

Vissershaven

’s Avonds
voordat de boten weg
drijven, één voor één,
dan hou Ik van je.

Tot aan de ochtend
hou Ik van je met het stro in de kamer
met de landwind over het dak,
met de heg voor je huis,
met het hondengeblaf
voordat het licht wordt.

Het gezicht vol visdamp, in de dauw
zal ik komen: een
die van zijn handen
de warmte verspilt aan de zilvergedaante
van de nacht. Met ’n mond van zout
komt hij. Nu
springt hij in de laatste boot.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Judas-kus (Hélène Swarth)

 

Bij Witte Donderdag

 

De Judaskus door Giotto di Bondone, 1304 – 1306

 

JUDAS-KUS

Hij nam de beker en Hij brak het brood.
Hij sprak het woord dat onvergeetbaar klonk
Door de eeuwen heen. En onheilspellend blonk
Op Judas’ rosse lokken ’t avondrood.

En elkeen at van ’t brood en elkeen dronk
De purpren wijn, die hem Zijn liefde bood.
Doch ’t brood was Judas bitter als de dood,
In elke wijndrop gloeide een helse vonk.

Kalm stond de god in ’t flikkrend fakkellicht,
Toen hij de valse kus voelde – en terstond
Viel droef zijn blik op Judas’ aangezicht.

-Ik spijsde en laafde u met mijn liefde, en toch
Verraadt gij mij! o snode, rode mond,
Uw Judas-kus brandt op mijn lippen nog!

 

Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
De Boomkerk in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth

 

De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.

Rand

Wat je nu zegt verplaatst lucht
over een kleine afstand,

kleiner naarmate je zachter,
haastiger praat:

‘Tot waar het weer waait’. Een plek
opzij van het kijken.

Verwachting loopt naar de rand.
Niet te bereiken.

 

Toba

Ik maak de reis die ik nooit
maakte, plan blijf liggen, ik begin
hier waar ik ben en nu meteen, wees stil.

Ik zal vinden wat ik wil, het meer en
meer, lichaam uitspanselwijd
over het volle oppervlak gespreid,
opstaan in drie tijden tegelijk,

het meteen vergeten, om halfzeven
door de nevel en de spinnenwebben
waden, blinden losdoen, hemel
lezen als verwoesting als altijd

 

Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen

Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen,
zij blijft op afstand sinds zij uit mij viel.
Plastic steekt uit haar afgewend profiel,
met apparaten woont zij achter glas
die haar weerspannig ademen bewaken.

Als ik tot bloedens toe mijn handen was
mag ik een ogenblik haar vel aanraken.
Hoe steel ik haar, hoe krijg ik haar ontvreemd.

 

Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

De schelpblazer

De prachtige luchtgeest blaast op de schelphoorn,
de roodachtige, puntige, hij verdeelt het geluid
met zijn hand, dat hier- en daarheen
vliegt, zo heel anders dan kustvogels.

Mijn vriend, de luchtgeest, houdt ervan daar in de weilanden
te slapen en ik heb dit en dat al geleerd
bij hem en nu leer ik niet zoals hij
enkel licht te rusten, slechts leunend tegen de rand

van het donker en nog steeds in het licht,
en met kinderlijk ronde ogen snel te ontwaken.
Hoe moet ik zijn zoals mijn vriend:
alleen met mijn lief, zonder slaap, in de regen?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e april ook mijn blog van 9 april 2019 en ook mijn blog van 9 april 2018 en ook mijn blog van 9 april 2017 deel 2.

Hanz Mirck, Maya Angelou

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook alle tags voor Hanz Mirck op dit blog.

 

Het draait niet om mij

Er zijn twee soorten morgens, de zon komt op,
verblindt het donker, en hetzelfde andersom, voorlopig
straal ik al maar langer op de hangers en de rekken
en gebitten van verkoopsters, kassala: valuta

Er zijn twee soorten wakker, kijk dan: heb ik ooit
iets van je aan, moet je voelen aan mijn stof –
blijf met je nagels van mijn lijf, ik draag laag
o over laag maar pel het licht niet van me af

Er zijn twee soorten benen, kleedt het in zoals je wil
niets zo naakt als kleding, probeer me maar to passen –
ik blijf een lege spiegel, er zijn twee soorten niets

Help me, laat me, laat me haasten voor de tijd,
straks hang ik onversleten ergens en je hebt me
– al mijn glans ben ik dan kwijt

 

‘Weer een inktzwarte dag!’

Wij maken samen woorden
met een pen groter dan ons samen
Inktzwarte inkt, flonkerend
Sterrennacht

De verboden kamer op zolder
De punt die naar de hand gaat staan
Onze vaders pen, ook woorden die hij niet zou willen
Voor het laatst de trap omhoog

De laatste dingen opgeruimd
omdat moeder niet meer boven kan komen
Wrakke meubeltjes, zijn oude klauwhamer
Alleen wat aan de wand hing hangt er nog

Een oud leven – titels, bladspiegels, notitieblokjes:
oud papier. De deur doe ik achter me dicht
Voor het laatst de trap af naar beneden
Heb jij de pen achter je rug?

 

Het gebruik van de telefoon

Kies het geprogrammeerde nummer
zoals je gewend was te doen
het nummer dat je met je hart kent
Hoor de kiestoon, kies. Hoor het toestel

aan de andere zijde overgaan, hoor
dat de verbinding gemaakt wordt,
dat je opgenomen wordt
Je hoeft je naam niet meer te zeggen,

niet te zeggen waarom je belt, niet dat je
hierna niet meer zult bellen, dat je
van haar houdt, en dat je –

Noem het welterusten, val ruggelings
en alleen het diepe donker in, maar
laat de lijn dan open, laat de lijn rustig open

 

Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

 

Voorbijgaande tijd

Jouw huid als de dageraad
die van mij als muskus.

Men schildert het begin
van een bepaald einde.

De ander, het einde van een
zeker begin.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e april ook mijn blog van 8 april 2019 en ook mijn blog van 8 april 2018 deel 2.