I. Nadat de pijn niet meer zo heftig was dat je amper kon ademhalen kwam een andere pijn je gezelschap houden in je borstkas je wandelde om door te gaan zonder afstand te nemen elke dag opnieuw dezelfde rondjes in het park, met vrienden, vreemden en oude bekenden ze wilden weten hoelang of hoelang al niet meer bij elk antwoord stak die nieuwe pijn op als de wind tussen je ribben je borstkas, een zeil.
II. Op weg naar het eiland verdween de kustlijn, of, nee: veranderde van schaal; twee haren op een jas, zout op je vingertoppen en jullie weer zwevend in zingend wit licht.
III. Ook zonder haar lijf ligt je hand nog op haar billen, vijf vingers in de rouw. Je was niet voorbereid op het voorbij-zijn legt je nu toch neer bij het neerleggen, verlaat het eiland op de boot waarmee je kwam.
IV. En op een dag word je wakker, denk je pas halverwege de middag aan haar – en, daarna, als de kom van je handen zich ’s ochtends vouwt om je gezicht zal ook het bos op het eiland zich om je vouwen met haar groene licht
Op de kaarten en bij de bocht in de weg zagen we je nooit in de baarmoeder en in het kruisvuur in de getallen waar je ook de hand in had en dat was alles ons werd verteld om nooit ons vertrouwen in je te stellen om uiteindelijk nederig voor je te buigen omdat er uiteindelijk niets anders was dat we konden doen dan niet in je te geloven
toch zouden we je kunnen verleiden met kiezels warm gehouden in de hand of munten of de relikwieën van verdwenen dieren in voorschriften rituelen niet bindend voor jou die geen beloften doet we zouden zulke dingen alleen kunnen doen om je niet te verwaarlozen en je ongenade te riskeren oh jij die nooit dezelfde bent die geheim is als de dag wanneer hij komt jij die we uitleggen zo vaak als we kunnen zonder je te begrijpen
De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.
THAT WILL TO DIVEST
Action creates a taste for itself. Meaning: once you’ve swept the shelves of spoons and plates you kept for guests, it gets harder not to also simplify the larder, not to dismiss rooms, not to divest yourself of all the chairs but one, not to test what singleness can bear, once you’ve begun.
DOUBT
A chick has just so much time to chip its way out, just so much egg energy to apply to the weakest spot or whatever spot it started at. It can’t afford doubt. Who can? Doubt uses albumen at twice the rate of work. One backward look by any of us can cost what it cost Orpheus. Neither may you answer the stranger’s knock; you know it is the Person from Porlock who eats dreams for dinner, his napkin stained the most delicate colors.
HOPE
What’s the use of something as unstable and diffuse as hope— the almost-twin of making do, the isotope of going on: what isn’t in the envelope just before it isn’t: the always tabled righting of the present.
De stukken die op aarde vallen
Je zou haast willen dat ze het niet zouden doen; ze zijn zo ver uit elkaar, zo willekeurig. Je kunt niet wachten, je kunt het wachten niet opgeven. De drie of vier momenten waarop ze landen vervagen nooit. Mochten er meer zijn, dan zullen er nooit genoeg zijn om een patroon te maken dat kan opwegen tegen de dominante manier waarop ze ertoe doen.
“DE LENTE KWAM vroeg dat jaar; zo vroeg dat ook de lente zelf het nauwelijks kon bijbenen. Ik kwam van een afspraak met een oude vriend vandaan en liep naar mijn auto, die ik in de namiddag voor het Vredespaleis had geparkeerd. De straten zaten me als gegoten. Ter hoogte van de Franse ambassade kwam een brommer aanrijden. Een type dat ik kende uit mijn jeugd: geen Puch met een hoog stuur, zoals ik zelf ooit een blauwe maandag had, maar een buikschuiver: een Kreidler, Zndapp of Berini. De bromfietser keek naar me: dat wil zeggen, de helm draaide mijn kant op. Daarop nam de bestuurder gas terug, remde en kwam naast de stoeprand tot stilstand. Een Kreidler. De helm ging af en ik zag dat de bestuurder een vrouw was. ‘Bart?’ zei ze. ‘Ben jij Bart Chabot?’ Ze had witte gymschoenen aan. Onder haar leren jack droeg ze een witte broek. Was ze verpleegkundige, Pleegzuster Bloedwijn? Ze zette de brommer op de standaard. Dit kon even gaan duren. `Sorry dat ik je aanspreek,’ zei ze. Ik zei dat het geen probleem was, dat ik het gewend was dat wildvreemden me aanspraken. Wat kon ik voor haar betekenen? Weet je,’ zei ze, ‘het zijn mijn zaken niet, en ik heb me er niet mee te bemoeien, het gaat me niet aan…’ `Maar?’ zei ik. `Ik kom van je vader vandaan.’ Het liep tegen negen uur; er was nauwelijks verkeer, op een stadsbus na die vrijwel leeg voorbijreed. `Ik heb hem net gewassen, je vader, en in bed gestopt.’ Dat is mooi,’ zei ik. ‘Dat waardeer ik bijzonder, dat u…’ `Ik ben Nicolette.’ Ze stak haar hand uit. dat je mijn vader verzorgt,’ zei ik terwijl ik haar hand schudde. Hoe lang, vroeg ik me af, had ik mijn vader niet gezien of gesproken? Twintig, tweeëntwintig jaar? En hetzelfde gold voor mijn moeder. Ik had met mijn ouders al zeker twintig jaar geen contact meer. Je zou zomaar de indruk kunnen krijgen dat er iets was misgelopen tussen ons. `Ik heb begrepen,’ zei Nicolette, ‘dat je hen niet meer wenst te spreken, je beide ouders. Je zult daar goede redenen voor hebben, daar twijfel ik niet aan, maar…’ Boven de daken klonk een vertrouwd gekrijs dat ik tijdens de wintermaanden niet had gehoord: de meeuwen waren terug. `Hoe is het met hem?’ vroeg ik. `Slecht,’ zei Nicolette. ‘Ik kan er niet meer van maken. Ronduit slecht. Je vader is dement, zo dement dat hij in de gesloten afdeling van het verzorgingshuis is opgenomen.”
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)
De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor T. S. Eliot op dit blog.
Nicht Nancy
Miss Nancy Ellicott Schreed de heuvels over en bedwong ze, Reed de heuvels over en bedwong ze – De dorre New England-heuvels – Op vossejacht Over de koeiewei.
Miss Nancy rookte en danste Al de moderne dansen; En haar tantes wisten niet goed wat ervan te denken, Maar ze wisten dat het modern was.
Op de glanzende boekenplank hielden Matthew en Waldo de wacht, Geloofsbeschermers, het leger Van de onwrikbare wet.
“Dit verhaal begint op een woensdag in het afgelopen decennium, het is kwart over negen in de ochtend en Maria Cristina Palma doet haar work-out. Ze is bezig met een Bulgaarse split squat, een oefening waarmee de quadriceps en bilspieren worden getraind. Ze heeft één been naar achteren gestrekt, het andere naar voren en ze buigt haar voorste knie, terwijl ze door de ramen van de serre naar de grijze deken staart. Het fijnstof dat de Romeinen wekenlang heeft genoodzaakt tot een rijverbod dat afwisselend geldt voor auto’s met even en oneven kentekens is samen met de regen neergedaald. In huis is het warm, maar aan de andere kant van het dubbele glas heeft de nachtelijke vrieskou de varenpalmen en de kale pergola op het terras bedekt met rijp. Tussen de zuiltjes van de balustrade door is de verkeersopstopping op de Lungotevere te zien, en verderop het plompe silhouet van de Engelenburcht dat langzaam vervaagt in de ongezonde nevel van de hoofdstad. Het penthouse waar Maria Cristina woont is zo’n paradijs waarvan de meeste mensen niet eens durven dromen, zo onbereikbaar is het. Meer dan driehonderd vierkante meter, op een steenworp afstand van het Piazza Navona, in een neoklassiek stadspaleis dat dag en nacht wordt bewaakt door politiebusjes. Haar personal trainer, Mirco Tonik, een grote kerel uit Francavilla al Mare, vertelt dat hij de verjaardag van zijn verloofde, Michael Carmichael, een Ier die handleidingen van printers en routers vertaalt, heeft gevierd in een vegan restaurant in de wijk Pigneto. Terwijl de trainer smakelijk vertelt over de heerlijke parmigiana di melanzane haalt hij een schijf van de halter af, waardoor het gewicht aan het andere uiteinde van de stang, vijf kilo puur gietijzer, eraf glijdt en op de rechter grote teen van de vrouw terechtkomt, die zo’n harde kreet slaakt dat het koppeltje dwergpapegaaien in de geëmailleerde kooi boven de varens er stil van is. De serre, met olifantsoren in azuurblauwe potten, de Kentia-palm en de uitlopers van de drakenklimop die neerbuigen vanaf de boekenkasten, pulseert om haar heen als een special effect in een slechte film. Mirco Tonik, die de enorme omvang van zijn stommiteit inziet, brengt heupwiegend zijn handen naar zijn hoofd en roept de schepper aan: ‘0 god! 0 god! 0 mijn god. Wat heb ik gedaan?’ Maria Cristina trilt van de pijn. Ze moet alleen maar ademhalen en het laten stromen. Anders dan herinneringen aan pijn van de ziel verdwijnt de herinnering aan lichamelijke pijntjes na verloop van tijd en zijn we na een paar jaar vergeten hoeveel we moesten lijden om een kies die werd getrokken of een blindedarmontsteking.”
Afgelopen veronachtzaamde november, Leporello, en meer achtertuin-rozig-rode appels versierden de boom dan telbare bladeren toen zij, door het raam, een pimpelmees op een tak zag.
Zuchtte: ‘Wat een ongelooflijk mooi plaatje, een ouderwetse bonbondoos.’
Later, verrast, denkend aan ongeplukte appels, proefde ik natuurlijk haar rode mooie mond.
Nog later, in de schemering, het uitpakken. Haar vallende zwarte jurk ritselde als chocoladepapier;
en die hele heerlijke ouderwetse, Rubens-mooie doos geopend. Aangeboden en genomen: truffel, kersenlikeur, marsepein, Turks fruit.
Vertaald door Frans Roumen
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014) Portret door Dean Lewis, 2014
Iemand, oud nog, met over de tafel een vloerkleed, en een aan de muur, de punten als van een kompas, alsof die vast tegen de wanden op oefent in los van de aarde.
Iemand, in gras, roepend als weer een kind, tegen de wind, ga liggen! Want dan zal de wind even naast die gaan liggen en die naast de wind, wachtend op god-weet-waar gewaaid, toch?
Iemand die zegt: er is iets, maar wat is is, wat iets, wat er, weet ik veel, moet dat, die zegenend, perkament pratend van maaksel, ontferming, dagzeggend aan wie nog niet, zich laat bewaren.
En ergens daarbuiten, al duizenden jaren een rijzige linde vergroeid met een eik, hout houdt hen vast, met ergens daarbinnen, vermoed onder schors hun handen.
Geschenk
Dit zit goed vastgeplakt. Wel mooi papier. Een lint met krullen. Doen ze met een schaar. Ik weet niet wat jij hiervan vindt, of jij dit hebt, dat ik het ruil, dat jij dan wacht op mij, dat ik dan onderwijl wat anders voor je koop, of, want, tenzij, dat jij het houden wilt of bij vergissing denkt dat jij het toch al had, maar niet dus, of niet meer of dat het brak en dat jij dacht als nog een keer moet ik voorzichtig zijn, of dat iets dubbels helemaal niet geeft wat jou betreft. Hier. Neem een mes. Dit heft.
Er zijn dieren
Er zijn dieren die piepen. Zo zijn ze geschapen, tot piepen. Hun tieren te iel in de mist.
Er zijn dieren die loeien. Zo zijn ze geschapen tot loeien. Hun roepen te rauw in de mest.
…………………Daardoor, boven de strakke buik van jonge vrouwen, heb ik het geluid van de schepping gehoord en, in de borst van een dode, de stilte ……van voor de schepping begon.
…… Moet ik dus bidden? Dit instrument vereren en daarboven een processie van vaandels? Dit ding ophangen in een koude ……paddestoeldonkere kerk?
….. Moet ik ervoor knielen, een spreuk psalmodiëren uit een boekje? Priester of rabbi nadoen, het galmend geluid van gelovigen? ….. Nooit! Toch kan ik hem loven.
….. Ik zou zo doende mijn eigen oren huldigen, door die te prijzen prees ik nachtelijk praten, wanneer de mensen filosofen worden; ….. gelach van gekken en wijzen;
…..nachtkreet van gewonde schepsels, scherp ziend of blind; maanlicht-sonates op een naald; minnaars met duive-kelen; de wind ….. op reis vanwaar hij begon.
Vertaald door W. Hogendoorn
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)
Hoe dingen binnen hem bestaan. Planken boordevol wasverzacht linnengoed. Als uitgedroomde zeilen
schurken lakens tegen elkaar aan. Op stijve stapels rusten nog in overijverige vouw gestreken zakdoeken van voor de wegwerptijd.
Het gespaarde uit de magere jaren schuilt in een mandje achterin: een mistige bril, te slanke ringen, een horloge diep in slaap op eigen tijd.
De kast is een kast en wil bewaren zonder twijfels over het toekomstig nut. Hij laat de dingen in zijn donker binnenste op vaste stek dommelen
tot de deur weer open gaat, het daglicht binnen glipt en alles wakker schrikt, ook weemoed –
WATERVAL 1961 M.C. Escher
Water stroomt hier niet en wel. Gerimpeld klimt het opwaarts, versplinterd stort het neer terwijl de loop de zwaartekracht vernachelt, het rad de roerloosheid verdraait. Spiegelen en glanzen doet het niet. Geen golf verdwijnt, geen drup verdampt. Ondanks verval verglijdt geen fractie tijd. Intussen blijft het klotsen, kabbelen en ruisen in je verbeelding. En net zo echt is dat geklater als het water diep –
VOLKabularium
Een grote woordenschat is altijd beter en zelfs Bargoense taal komt vaak van pas. Neem niksnaks, gannef, deinvoet, lorejas, geteisem, falderappes, netevreter.
Want je kunt nooit voldoende woorden leren voor relschoppers die oud en nieuw versjteren.
‘Welshmen: meestal waardeloos, tuig van de richel, dokter.’ Hij wist niet dat ik Welsh was. Toen prees hij de bouwers van de concentratiekampen – wist niet dat ik een jood was. Hij noemde linksen ‘witte zwarten’ en verzon steeds meer scheldwoorden.
Toen ik zijn lever palpeerde voelde ik de zachte lever van Goering; toen ik mijn stethoscoop optilde hoorde ik de hartslag van Himmler; toen ik zijn encefalogram las dacht ik: ‘Sieg Heil, mein Führer.’
In de ziekenhuisapotheek rode bes van zwarte heggerank, scheerling, nachtschade, amaniet. Maar ik schreef hem voor alsof hij mijn broer was.
’s Avonds laat moet ik op mijn arm hebben geslapen: eventjes was mijn rechterhand van slag.
Vertaald door W. Hogendoorn
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)
Zonlicht – zonnige herfst door Nikolay Dmitriev, 2021
Herfst
De bomen roesten in het zieke licht langs somber in zichzelf gekeerde grachten. In wilde, stormdoorvlaagde regennachten vertoont de maan een bleek, behuild gezicht
boven de lege straten, smalle schachten waar in een onverbiddelijk gericht de zomer langzaam voor het najaar zwicht, terwijl de huizen op het einde wachten.
Tegen de morgen is de strijd beslecht. Een vage geur van heimelijk bederven heeft aan de moede wind zich vastgehecht.
Tussen een handvol dunne zonnescherven heeft zich de zomer moeizaam neergelegd om eenzaam en onopgemerkt te sterven.
Hanny Michaelis (19 december 1922 – 11 juni 2007) Herfst in Amsterdam, de geboorteplaats van Hanny Michaelis
Wij werden altijd wakker in een morgen van staal, met een vochtige roos van adem en springveren in onze kuiten. Wij wasten ons snel bij de pomp en trokken door ons lichaam een figuur van honingraat en melk.
Wij leefden in de jaren dertig, de tijd toen een maniak zwarte slangen van dood dresseerde in een naburig rijk. Ons leven was nog echt van kleur, een woede in het groen dat openstond met bomen en gras in een vrije wereld.
Wij woonden in een geur of in het gebrom van wespen en de dood was voor ons een natuurlijke slaap die kon duren: graan in het gebit van de winter hield zich ook lang stil, en wanneer is leven niet meer leven? Wij ademden warmte.
Een pendule tikte en tikte de regimenten naderbij. Wij hoorden de appels vallen, herfst kwam en sneeuw en voorjaar.
En toen de insekten ontwaakten en voor het eerst de wereld probeerden, vatten zij vlam in de kruitdamp en stierven en lieten niets na.
Wij leven in een wereld
Wij leven in een wereld die zoveel later is dan die van de holbewoner, de vuursteen, wij leven in een wereld die bont en blauw is van onze hoop op leven, van onze oorlogen, onze dagelijkse haat.
In de beweging van het jaar, die altijd goed is, balanceren wij met lucht en vuur, met zuurstof en sterren en maken wij een wilde vonkenregen van liefde in de nacht en vinden de weerspiegeling in ons bloed.
Soms vechten wij op de barricade, wanneer de tijd met een schok wakker wordt, en verdedigen wij een kleur, een wapendier, dat met zijn klauw of bloedrode snavel in onze huid kruipt: wij schieten dan in de roos van de mens.
Wij leven in een wereld, die alles kan met zijn hart van metaal en kristallen, maar soms hangt in wolken en duisternis en dan speelt met demonen en maskers van kwarts, een wereld die langer is dan onze adem en de mensen kleurt en torst met zijn zonlicht.
Ik ken de kleur rose en die is mooi, maar niet als hij rijpt in een tumor. Genezend groen, lover en gras, lente-achtig, is in rottende leden niet lente-achtig.
Ik heb rood-blauw, met harig mauve gemengd, gezien in het paars gezicht van een zelfmoordenaar. Ik heb wit, porceleinwit zowat, zien staren uit een auto, achter een verbrijzelde voorruit. En de misdadige, veelkleurige flits van een H-bom is niet prachtiger dan een autopsie als de buik wordt geopend – en kerkglazen toont die nog nooit zijn geopend.
Dus in een regenboog, eenvoudig geluk, in de facetrand van een spiegel met zonlicht, toonde de Dood mij zichtbaar zijn artefact, als een militair lintje op een tuniek geplakt.
Vertaald door W. Hogendoorn
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)
en de man die zevenhonderd jaar leefde en de jongen die uit de hemel was gevallen en de boer die gebakken aardappels pootte en de bultenaar die dacht dat hij dood was en de waarzegger die zichzelf niet herkende en de musketier die op zoek ging naar de dood en de knecht die goed kon onthouden en de molenaar die de duivel bij zijn neus nam, staan buiten tegen de muur te schuilen voor het trommelvuur. ze zijn uit hun dorpen naar brussel gevlucht en ze sluipen om beurt naar het klooster in de buurt, waar de voedselpakketten van de amerikanen liggen. en de man die zijn zevenhonderdste jaar leefde en de jongen die, uit de hemel gevallen, bedolven raakte onder zijn gesneuvelde kameraden en de boer die wat graspollen oogstte en de bultenaar die schreeuwde dat hij dood was en de waarzegger die zijn eigen gestuiptrekte handen niet herkende en de musketier die uit de loopgraven sprong en op zoek ging naar het genadeschot en de knecht die goed geamputeerd kon worden en de molenaar die de duivel bij zijn neus nam door te deserteren, klampen zich aan hun bajonet vast. doorregend, gezeten in de kleemodder en het traklwater van de granaattrechters, onder de kollwitz-bomen – en het mortiervuur gaat maar door – wachten ze tot ze terug thuiskomen bij hun voorouders en daar niet meer weten wat te vertellen.
1935
GE ZIJT VIJF EN en ge raakt de tel kwijt aan de spoorbrug de paarden die dood en de varkens op
straat en dat ingestuikte huis en gij wacht op uw pa en ge ziet wat ge nooit op een blad ooit gaat natekenen hoe de littekens zuigen aan ’t ineengedoken uit het brandbaarste hout gekalefaterde lijf hoe ge maar een kwart lichaam van doen hebt om u driekwartlichaam te voelen ge kunt dat niet in negatief gieten hoe schorsenhuiden rond uw leegte gedrapeerd liggen hoe ge ondergronds uw blik hebt beroofd van zijn hartklep hoe kneuzingen in kaarsvet het bloed van onder uw nagelen trekt. en ge luistert wreed stil naar uw haar dat leekt en ge wacht op uw pa die de tandem al heeft overgedregen het is lijk dat ge schellekes
hesp af kunt snijden zo open de schoften daar liggen ge zijt vijf en ge raakt de tel kwijt van de bloedvaten al dat opgezogen roodhout met de ruggengraat tussen de poten en haar manen tussen
uw tanden ge hoeft niet te verbergen dat uw hoofd aan de brug hangt te druipen als waterverf op het papier dat ineentrekt wanneer uw pa komt u komt halen kunt gij niet expliqueren hoe ge vanaf nu zijt uitgeteld op een bed van tijd met haken en ogen gelapt en met twee van die hoofden van voor een en vanachter opdat ge van uzelf wegkijken kunt
Xavier Roelens (Rekkem, 21 september 1976)
De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.
De zee lezend
Dikhuidig in wetsuits, zittend op surfplanken, leren we opnieuw lezen, traceren we in de verte de zinnen van de golven. Onder de zon kijken we naar elke deining, maken we onszelf vertrouwd met hun valse beloften, de woorden die de pagina niet halen. We wachten, tussen de aanhalingstekens van verre meeuwen, tussen het lege papier van het strand en de laatste regel van de horizon. We wachten op de volzin van het water, dat zichzelf naar de kust kamikazeert, dat ons onze welbespraaktheid, ons moment van evenwicht op het koord van de golf zal toestaan, voordat het ons afsnijdt, ons wegvaagt in een diaspora van wit water, ons achterlatend om terug te worstelen door onze nieuwe taal, terug naar waar, rustend in een cesuur, alleen hun hoofden tonend, een ellips van zeehonden ons vertelt dat het zal doorgaan, maar dat het water momenteel zijn toespraak voorbereidt, puttend uit zijn woordenschat van golven, die nog steeds slechts ideeën zijn, groeiend in de geest van de zee.
De Nederlandse schrijfster Safae el Khannoussiwerd geboren in Tanger, Marokko, in 1994. Toen ze vier jaar was verhuisde ze naar Amsterdam, waar haar vader al sinds de jaren zeventig woonde. Na het Amsterdams Lyceum studeerde ze politieke filosofie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Aan de UvA werkt ze aan een promotieonderzoek over politieke filosofie en gevangenisabolitionisme vanuit dekoloniaal perspectief. Ze schreef verhalen in De Gids en is lid van de redactie van dat blad. In 2019 debuteerde ze met De dobbelaar van Caïro in De Gids. Haar debuutroman “Oroppa” verscheen in 2024 en kreeg lovende recensies. “Oroppa” is de Arabische naam voor Europa. De roman vertelt de complexe levens van mensen buiten het centrum van Europa en laat Europa zien door de ogen van migranten. Safae el Khannoussi gebruikte de orale traditie van literatuur uit Zuidwest-Azië en Noord-Afrika en van haar familie voor de roman. Eind december 2024 werd Safae el Khannoussi door de Volkskrant uitgeroepen tot literair talent van het jaar 2025 en het boek “Oroppa” tot het beste boek van 2024. Door Het Parool werd “Oroppa” uitgeroepen tot het beste fictieboek van 2024. In 2025 werd de Vlaamse literatuurprijs De Boon voor fictie en non-fictie aan haar debuutroman toegekend en won zij hiervoor tevens de Nederlandse Libris Literatuur Prijs.
Uit: Oroppa
“De zoveelste schreeuw sneed door de kamer. Maar deze was anders. Op het bed lag de doodverklaarde met opengesperde ogen en mond, haar handen verkrampt in de lucht. De doodsreutel steeg op van het lichaam, klanken als rollend puin, een stem op straat vroeg om een aansteker en de stervende vrouw begon te schudden, te schudden alsof ze om een grap lachte. Salomé Abergel, geboren als Salma Abergel, in een voor haar lang vervlogen wereld nu bevolkt door nieuwe gezichten, krijste zichzelf terug de wereld in. Met de rug tegen de balkondeuren gedrukt en haar minuscule hoofdje tussen de gordijnen gestoken, keek het kind verbijsterd toe met een ernst die niet bij haar jonge leeftijd paste, de stof in haar vuistjes geklemd. Salomé Abergels getuige zag hoe de herrijzenis zich voltrok en bedacht dat het geen fraai gezicht was, nee, dat het angstaanjagender is om terug te keren dan om heen te gaan. Dokter Mehdi was laatst nog wezen kijken. Ze hadden hem laten zweren met geen woord over de vrouw in hun huis te reppen en hij had verrast maar met gepaste plechtigheid verklaard dat hij aan zijn tong boven het hellevuur mocht bungelen als hij erover zou spreken met wie dan ook. En laat me nu dan maar eens de patiënte zien, had hij streng gezegd – want hij verkeerde nog in de veronderstelling dat er iets te redden viel! Nadat hij de vrouw had onderzocht, had hij diep gefronst boven zijn ronde brilletje, waarvan de poten niet op zijn oren maar hoog in zijn grijzende krullen waren gestoken. Terwijl hij zijn neus in een propje snoot, verklaarde hij dat het een verloren zaak was. Dat deed hij door heel langzaam maar stellig, zodat er geen twijfel of sprankje hoop meer mogelijk was, zijn hoofd te schudden, waarna de anderen, die van de dokter naar de patiënte naar de dokter keken heel langzaam hun hoofd mee schudden. De vrouw woog inmiddels nog geen veertig kilo. Daar hoefde je geen weegschaal voor te hebben. Dat kon je zo zien. Eén long, waarin een mysterieuze bacterie zich had genesteld, hing als een verschrompelde vrucht in de borstkas. Nu was de tweede aan de beurt. En ook die was in feite verloren.”
De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.
Marking Time
That mark upon your back is finally fading in the way our memory will, of that night our lust wouldn’t wait for bed so laid us out upon the floor instead where we worked up that scar — two tattered flags flying from your spine’s mast, a brand-burn secret in the small of your back.
I trace them now and feel the disturbance again. The still waters of your skin broken, the volte engaging as we make our marks like lovers who carve trees, the equation of their names equalled by an arrow that buckles under time but never leaves, and so though changed, under the bark, the skin, the loving scar remains.
Show
I
The models walk, high-heeled as curlews stalking a narrow shore.
We watch, spectators at a slow-motion tennis match, as they turn,
flex the featherless wings of their shoulders and slip between the curtains,
leaving the crocodile pit of cameras flashing their teeth for more.
II
I leave you sitting to the mirror like a pianist to the piano, lifting the mascara brush to paint your lashes from fine to bold.
Pulling the door on this scene I walk down the corridor to wait in the bar for you to join me. And when you do, it happens once more;
The fall of the dress, the jewellery, early stars against the dusk of your skin, all of it leaves me surrendered, if just for a second, as you walk in,
to the spell, the artful hocus-pocus, and to you standing there one shoulder bare, setting the room about you out of focus.
Schaduwman
Voor Mac Adams, kunstenaar
Zijn palet is licht, in al zijn tinten en de gaten die het maakt.
Toverend met gloeilamp, fruit en een botsing van korrels gemorst over glas,
een hond, rustend of dood, het kinetische moment van een vogel in de seconde voor de vlucht
of het hoofd van Karl Marx, geboren uit kiezelsteen en steen in een afwezigheid van licht.
Hij werkt met een duisternis achter zijn ogen, begrijpend zoals hij doet
dat het niet materie is die ertoe doet, of onze gedachten en woorden, maar de schaduwen die ze werpen tegen de levens van anderen.
Uit: Volgspot (Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema)
“In de bovenkamer van het vervallen herenhuis aan de overkant van de straat heeft de hele nacht licht gebrand. Je zag het steeds vanuit je bed, telkens als je je omdraaide naar de raamkant, wat je wel moest om je fles van de vloer te kunnen pakken. En zo gaat het haast alle nachten. Tegen dat het begint te schemeren gaat het peertje aan. En ’s ochtends, een paar tellen nadat de straatlantaarns knipperend zijn gedoofd, gaat het uit en wordt het haveloze gordijn dichtgetrokken. Je bent nu vijfenzestig, even oud als dat huis misschien, misschien zelfs nog wat ouder. Onvoorstelbaar. Je loopt naar het enige raam in de kamer. De ruit voelt ontzettend koud aan. Het wordt winter in Engeland. Het is guur geweest, de laatste tijd. En de afgelopen nacht is er zelfs een zware storm over Londen getrokken. Je hebt nog nooit iemand dat troosteloze huis zien in- of uitgaan, maar toch komt de postbode er nog regelmatig langs om zijn enveloppen door de gebroken ruit in de voordeur te duwen, want de brievenbus zit al jaren dichtgespijkerd. Mannen urineren er in het portiek. Een van de straatmeiden oefent er haar beroep uit, en de balustrade zit al sinds jaar en dag onder de schuttingwoorden. Tal van venstergaten zijn met planken dichtgetimmerd. Tegen de gevel woekert een vlinderstruik. Je hebt het gevoel dat de bewoner van die kamer een man is. Op een keer gleed er rond middernacht een schaduw langs het bovenste raam — tenminste dat dacht je — en de manier waarop die bewoog had iets mannelijks. Er was een tijd dat je over hem lag te denken — Hoe kan hij nou in z’n eentje in zo’n oud, half kapot gebombardeerd huis wonen? Van wie komen die brieven? Waar gaan ze over? — want dat hielp je de meedogenloze uren voordat het dag werd door te komen. Maar vanmorgen is iemand anders weer bij je langs geweest, uit datzelfde licht vreemd genoeg, uit een onzichtbaar vertrek, uit een stad waar je de laatste dertien jaar hebt gewoond, maar die je nooit redenen heeft gegeven om je er thuis te voelen. Dat is ons allemaal weleens overkomen, dat ineens iemand in ons hoofd komt aanwaaien die we dachten vergeten te zijn of welbewust uit onze gedachten hadden verbannen. Maar vandaag zal blijken dat degene die rondwaart, weigert zich te laten verbannen, een emigrant is die hardnekkig probeert thuis te komen.”