De Nederlandse schrijver Detlev Helge Hans (Detlev) van Heest werd geboren in Amsterdam op 29 oktober 1956. Van Heest studeerde geschiedenis en werkte aanvankelijk als correspondent in Japan voor dagblad Trouw. Hij werkte ook als parkeerwachter in Hilversum; in 2015 was hij parkeerwachter in Noordwijk. van Heest debuteerde in het voorjaar van 2010 met de roman “De verzopen katten en de Hollander”. Het boek vormt een tweeluik met de roman “Pleun” die in het najaar van 2010 verscheen. In het najaar van 2011 verscheen “Het verdronken land. Terug naar Japan”. De romans zijn gebaseerd zijn op dagboekaantekeningen die hij maakte ten tijde van zijn verblijf in respectievelijk Japan en Nieuw-Zeeland.
Uit: Cadeauoorlog in Japan
“Acht seizoenen duurde de aanloop, zevenhonderdachtentwintig dagen van onbezorgdheid en naïviteit. De casus belli lag onderwijl op schoot en spon. In de lente, twee jaar voor de oorlog, verhuisden we binnen Tokio naar een dorpse wijk, waar we een krakkemikkig houten huisje betrokken, een huurhuisje met rijststromatten en papieren schuifdeuren. Wat niet van papier en stro was, was van waaibomenhout, bamboe en karton. Een minuscuul zwerfpoesje was ze, naar schatting een maand oud toen we haar gekerm vanuit het struikgewas van de tuin hoorden. Ze had een gore vacht, wondklodders op haar zieke koppetje, dichtgekoekte oogjes en een goeddeels ontbrekend staartje. Onaanraakbaar. Een mislukt, blind schepsel, bibberend en snotterend, verstoten door haar moeder. Omdat we haar voor ernstig lichamelijk gehandicapt hielden, gingen we naar de dierenarts om haar te laten afmaken. Deze schudde het hoofd over ons onbenul en verwijderde de korstklonters van de oogjes. Die dag werden we eigenaars van een bobtailkat. Haar klonterogen veranderden in soepogen. Op de witte snoet groeiden meer en meer poepkleurige haartjes, die de bek een groezelig aanschijn gaven. Het stiefkind groeide op tot een kittige poes, Kootje genaamd. In het huurcontract stond een zinnetje dat in haast alle Japanse huurcontracten voorkomt. ‘Het houden van honden en katten is verboden.’ Meer dan twee jaar greep de huisbaas niet in. Tot in een rampzalige lente huisbaas Kastanjeberg (zijnde de vertaling van zijn Japanse achternaam) en zijn vrouw berichtten dat zij de provincie verlieten en naast ons kwamen wonen. De heer Kastanjeberg, een 58 jaar oude bouwvakker, was werkloos geraakt. Wat lag er meer voor de hand dan terug te verhuizen naar Tokio, waar het echtpaar een houten huisje en een aantal eenvoudige appartementen bezat? Die lente voegden de Kastanjebergs de daad bij het woord. Ze trokken in een van hun leegstaande appartementen: een elf vierkante meter grote kamer. Slechts een wandje van enkele centimeters dikte, bestaande uit rijststro, leem en bamboe, scheidde ons van de rokershoestbuien der K.’s.”
“Ah, cricketing all day long I expect, like your brother. He found time to study, too, though. He’s not been here since Christmas, but he’ll be here for the Agricultural I expect. Did you see this piece about Julia in the paper? She brought it down for me. Not that it’s nearly good enough of her, but what it says is very nice. ‘The lovely daughter whom Lady Marchmain is bringing out this season… witty as well as ornamental… the most popular débutante,’ well that’s no more than the truth, though it was a shame to cut her hair; such a lovely head of hair she had just like her Ladyship’s. I said to Father Phipps it’s not natural. He said, ‘Nuns do it,’ and I said, ‘Well, surely, Father, you aren’t going to make a nun out of Lady Julia? The very idea!'” Sebastian and the old woman talked on. It was a charming room, oddly shaped to conform with the curve of the dome. The walls were papered in a pattern of ribbon and roses. There was a rocking horse in the corner and an oleograph of the Sacred Heart over the mantelpiece; the empty grate was hidden by a bunch of pampas grass and bulrushes; laid out on the top of the chest of drawers and carefully dusted were the collection of small presents which had been brought home to her at various times by her children, carved shell and lava, stamped leather, painted wood, china, bog oak, damascened silver, blue-john, alabaster, coral, the souvenirs of many holidays. Presently Nanny said: “Ring the bell, dear, and we’ll have some tea. I usually go down to Mrs. Chandler, but we’ll have it up here to-day. My usual girl has gone to London with the others. The new one is just up from the village. She didn’t know anything at first, but she’s coming along nicely. Ring the bell.” But Sebastian said we had to go.
Anthony Andrews (Sebastian) en Jeremy Irons (Charles) in de tv-serie Brideshead Revisited uit 1981
“And Miss Julia? She will be upset when she hears. It would have been such a surprise for her.” “Poor Nanny,” said Sebastian when we left the nursery. “She does have such a dull life. I’ve a good mind to bring her to Oxford to live with me, only she’d always be trying to send me to church. We must go quickly before my sister gets back.” “Which are you ashamed of, her or me?” “I’m ashamed of myself,” said Sebastian gravely. “I’m not going to have you get mixed up with my family. They’re so madly charming. All my life they’ve been taking things away from me. If they once got hold of you with their charm, they’d make you their friend, not mine, and I won’t let them.” “All right,” I said. “I’m perfectly content. But am I not going to be allowed to see any more of the house?” “It’s all shut up. We came to see Nanny. On Queen Alexandra’s Day it’s all open for a shilling. Well, come and look if you want to….” He led me through a baize door into a dark corridor; I could dimly see a gilt cornice and vaulted plaster above; then, opening a heavy, smooth-swinging, mahogany door, he led me into a darkened hall.”
Ik deelde mijn jeugd met de tv. Wij ravotten. Zij voerden ons gezamenlijk Mij met melk en brood, hem met stroom En aandacht. Ik werd een volwassene Hij een dier, een wild dier. Hij verleerde het praten, Ik leerde het. Bij het afscheid Begrepen wij elkaar niet langer. Ik dacht dat hij Ook mij vergeten was. Een paar jaar geleden Zag ik hem terug in Roemenië. Hij had al kleur, maar Ze hadden hem een ring door de neus gehaald En lieten hem dansen op het plein. Hij zag mij en rukte zich los Rende naar mij toe, likte mijn gezicht. Ze dachten hij vermoordt mij, maar hij wilde slechts dat ik hem naar huis zou brengen. Maar ik moest toen een trein halen en Liet de tv aan zijn lot over.
“Er stond een groezelige jongen op de drempel, van wie het vuil misschien kon worden afgeboend, maar niet zijn talloze oranje sproeten. Niet ouder dan veertien, met dunne, onvaste beentjes als van een marionet maakte hij gedienstige buiginkjes waarbij het roet van hem af de hal in viel. Maar de vrouw die had opengedaan was snel geamuseerd en ontvankelijk voor jeugdige schoonheid, en voelde daarom geen afkeer. “Jij bent van Tobin’s?’ vroeg ze. “Ja, mevrouw. Ik kom voor het plafond. Ingestort, hè?” “Maar ik had om twee man gevraagd!” ` “Ze zitten allemaal in Londen, mevrouw. Dakwerk. Er moeten daar overal dakpannen worden gelegd.” Hij kon natuurlijk zien dat de vrouw al wat ouder was, maar dat stemde niet overeen met haar houding en stem. Pronte boezem, een knap gezicht met hier en daar een rimpel, en zwart haar. Boven haar kin had ze een plooitje als een omgekeerde halve maan, wat zijn verwarring compleet maakte, dus wijdde hij zich maar aan het papiertje in zijn hand en las langzaam voor “St. James-es Villas nummer één, Sint James-es Road, Tunbridge Wells. De naam is Touch-it, toch?” Dieper in het huis klonk een vrolijk Ha! maar de vrouw vertrok geen spier. Ze trof de jongen als gereserveerd en hard, zoals de meeste Schotten. “De naam van wijlen mijn echtgenoot wordt nooit naar behoren uitgesproken. Ik geef zelf de voorkeur aan de Franse verbastering.” Achter haar in de hal verscheen een gezette man met een grijzende baard, gehuld in een ochtendjas en met pantoffels aan zijn voeten. Hij liep met een opgevouwen krant naar een zonnige serre. “Je klinkt ietwat prikkelbaar, lieve nicht”, zei hij over zijn schouder, en weg was hij, waarop de hal bestormd werd door twee woest blaffende kingcharlesspaniëls. De vrouw wijdde haar aandacht weer aan de jongen. “Dit is het huis van de heer Ainsworth. lk ben zijn huishoudster, mevrouw Eliza Touchet. We hebben een bijzonder groot gat in de vloer van de tweede verdieping, een waarlijke krater. Het schijnt me toe dat heel die verdieping in gevaar is en dat lijkt me een karwei voor minimaal twee man. zoals ik nok in mijn briefje schreef.” De jongen knipperde verbluft en vroeg of zo’n gat echt door een teveel aan boeken kon komen. “Maak jij je maar niet druk over de oorzaak, jochie. Vertel eens, heb je hiervoor ergens een schoorsteen geveegd?”
Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.
Dood & co.
Twee, natuurlijk zijn ze met z’n twee. Zo vanzelfsprekend lijkt het nu – De een die nooit opkijkt, wiens ogen zwaar gerand En puilend zijn, net als bij Blake, Die te koop loopt
Met geboortewee, zijn handelsmerk – Bijtende striem van het water, Het naakt Kopergroen van de condor. Rood vlees ben ik. Zijn snavel
Klapt terzij: ik ben hem nog niet toegevallen. Hij zegt dat ik op foto’s niet mooi ben. Hij zegt dat de ziekenhuisbaby’s Er zo lief bijliggen in hun Koelcel, een simpel
Plisseekraagje om de hals, Daaronder Ionische doodshemdjes In pijpplooien, Twee voetjes daaronder. Glimlachen en roken doet hij niet.
De ander wel, Die met lange, aanvallige haren. Een bastaard, Aan glans zich masturberend. Die zich bemind wil zien.
Ik sta bewegingloos. De vorst maakt een bloem, De dauw maakt een ster, Doodsklok, Doodsklok.
Iemand is er geweest.
Vertaald door Anneke Brassinga
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963) Hier met haar kinderen Frieda en Nicholas in 1963
“Mijn ouders zijn stinkend rijk. Ze bleven me geld sturen dat ik allemaal opmaakte aan dure kazen en drank. Ik stond op, kocht de kazen, sneed de kazen, at de kazen, werd dronken van welke drank dan ook, ik herlas steeds dezelfde boeken, discussieerde met mijn huisgenoten over zinloze dingen waarvan zij dachten dat het zinvol was, ze waren jong, ik kon ze niets kwalijk nemen. Het ging zoals dat verdomme gaat: soms gooide ik met dingen, soms dansten we in de kamer, altijd probeerde ik een van de meisjes te versieren, wat meestal bijna lukte. (Bijna, bijna, bijna.) Een huisgenoot (een echte player) vertelde me een keer dat een man de kans op seks met een vrouw kan vergelijken met surfen; je moet precies weten wanneer je de golf moet pakken, dan gaat alles vanzelf. Bij mij ging niets vanzelf, ik was altijd te vroeg of te laat, alle golven gingen aan me voorbij. Na zo’n mislukte poging ging ik in mijn bed liggen, scheldend in veel gevallen, tot ik in slaap viel en dan ging het de volgende dag ongeveer opnieuw zoals ik je net beschreef. Het was dan ook een groot moment voor mij toen de brief kwam. Ik had mezelf ooit eens op een lijst gezet; dat ik graag een keer deel zou nemen aan een jury. En nu was het zover. Er zou een rechtszaak komen en ik was degene die zou moeten beslissen wie er schuld droeg en hoeveel. Dat leek me een prachtig werkje, ik was de hele dag bezig met wie er schuld droegen en hoeveel, alleen konden de mensen daar natuurlijk de helft van de tijd niets mee. En dus was ik blij met de brief. Ik kon eindelijk eens zeggen hoe het zat, rechtspreken. Dit was Los Angeles, de stad van de gekken, en ik kon aanwijzen wie. Ik, James Dillard. Ik heb een eed moeten afleggen en trouw moeten zweren aan God en aan de Amerikaanse vlag. Voorheen dacht ik dat ik zowel God als de Amerikaanse vlag niet serieus nam, maar nu het er echt op aankwam, bleek dat in de praktijk toch anders te liggen. Alles wat ik je op dit moment kan zeggen, is dat het niet afgedaan was met die eerste zaak waarvoor ik werd opgeroepen. En zeker niet met die eerste brief. Het is nooit afgelopen wanneer je denkt dat het afgelopen is. Het leven zit soms knap ingewikkeld in elkaar. Uit die eerste zaak zou een nieuwe zaak voortvloeien, die uiteindelijk misschien niet zo heel veel met die eerste te maken had, maar de zaken raakten elkaar genoeg om dezelfde jury op te roepen, dat was wel zo handig. Ik belde mijn moeder. Ik probeerde haar de hele ochtend te bereiken. Toen ze eindelijk opnam, zei ik: ‘Mama, ik heb een nieuwe rechtszaak.’ Ze was er even stil van. Ze liep buiten want ik hoorde de wind. ‘Heb je zoveel indruk gemaakt?’ vroeg mijn moeder, omdat ze wist dat deelname aan een jury in principe een loterij is.”
De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.
Uit: Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid (Vertaald door Manon Smits)
“Het was mijn eerste dag in Istanbul, een winderige avond in september, alweer lang geleden. Jong en vol ambitie om schrijfster te worden was ik naar de stad verhuisd zonder dat ik er iemand kende, gedreven door een instinct dat ik niet kon duiden maar ook niet kon negeren, en ik had een piepklein appartementje gehuurd in een van de meest chaotische, krioelende, kosmopolitische wijken, dicht bij het Taksimplein. Ik kon er de dobbelstenen horen die tikkend over het houten backgammonbord rolden in het theehuis aan de overkant van de smalle straat, en de kreten van zeemeeuwen die omlaagdoken om een broodje uit de hand van een nietsvermoedende voetganger te grissen. Maar nu was het laat op de avond, het theehuis was dicht en de meeuwen zaten te dommelen op de daken. Er zaten geen gordijnen of rolluiken voor mijn ramen, en in het bleke licht van een straatlantaarn zat ik op een kartonnen doos vol boeken en paperassen te luisteren naar de geluiden van de stad die nooit sliep. Blijkbaar was ik even ingedut, want ik schrok wakker doordat ik geschreeuw hoorde. Ik keek naar buiten en daar liep ze door de straat, woest hinkend terwijl ze een pump met afgebroken hak in haar hand had. De andere schoen hield ze koppig aan. Gekleed in een korte rok en een zijden blouse. Een lange transgender vrouw. Ik wist dat deze wijk een thuis was voor seksuele minderheden, aangezien het een relatief liberale buurt was, ook al werd hun leven en bestaansonderhoud voortdurend overschaduwd door sociale vooroordelen en systematische discriminatie. Omdat er geen andere banen beschikbaar waren, werkten veel mensen uit de plaatselijke transgendergemeenschap in de straatprostitutie, of in de cafés, clubs en taveernes die Istanbuls nachteconomie vormden. In buurten op een steenworp afstand die de straatprostitutie, of in de cafés, clubs en taveernes die Istanbuls nachteconomie vormden. In buurten op een steenworp afstand die een snelle gentrificatie ondergingen, waren ze met grof geweld verdreven door de politie, maar in mijn straat, genaamd de `Ketelmakersstraat, woonde nog wel een hechte, trotse gemeenschap. Terwijl ze onder mijn raam door liep, hoorde ik haar in zichzelf praten, en ik ving enkele woorden op uit haar monoloog. Ze was door iemand – misschien een geliefde, misschien de hele stad – slecht en onrechtvaardig behandeld. Ze was verdrietig, maar ze was vooral ook kwaad. Het begon te regenen, en de druppels vielen steeds sneller, drup drup drup. Er tikte één hak op de kinderkopjes, tik tik tik. Ik keek haar na tot ze aan het eind van de straat de hoek om ging. Ik had nog nooit een vrouw gezien die zo zichtbaar gebroken was en toch koppig doorging. Ik voelde me schuldig dat ik mijn raam niet had opengedaan om iets tegen haar te zeggen, te vragen of alles in orde was.”
Er lijkt een lang, een eeuwig ach te wonen In deze luchten, die traag blijven draaien, Het komt me uit die hallen tegenwaaien Waar lach en jubel eertijds mochten tronen.
Venetië viel, al tartte het eonen, ’t Rad der fortuin kan niets terug doen zwaaien: Slechts weinig schepen meren bij de kaaien Aan van de mooie Riva dei Schiavoni.
Hoe hebt gij ooit, Venetia, gestraald Zoals de vrouw met gouden prachtgewaden Die trots bij Paolo Veronese praalt!
Thans staat de dichter bij de balustrade Van de Gigantentrap verstomd, betaalt Zijn tol van tranen, maar vindt geen genade.
Vertaald door Paul Claes
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835) Lithografie door J G Bach, 1847
• Lappen bij regen is gevaarlijk en zinloos. Eind juni en wat rest er dan nog van het om maar iets te noemen, te hebben geroken, bekeken, aanvaarde, juichende fluitekruid? Van het stoere boerenworm-, de distels lispelend in de wind, van de iele margrieten naast de schaamteloze klaprozen, de klare, ware koekoeksbloem, het zachte, zware, oogverblindend mosterdzaad dat in de berm ontbrandt? Zoelte, overdaad, zouthout? Ligt het daar, platgeslagen, neer- gemaaid en geen mens dat eraan te pas kwam, als een betrapte lingerie personality of the year die zich vertwijfeld afvraagt hoe ze dat nou konden weten.
Neergeregend. Vliegende vis aan het eind van haar school.
Een onweer flitst hiernaast als in een flits voorbij, niemand sproeit vanavond nog zijn tuintje, het verschiet wordt van achter vensters genoten, ik huil me een bui van had ik jou daar, zo alleen, zo ouder met uitzicht over het komdal tot aan de hoge kim.
•• Daar aan de hoge kim: daar verzamelde zich het noodweer; duistere hooligans die de boel ’s flink gaan lopen verzieken voor de zwijgende meerderheid, daar dus, het weerlicht, daar, hoor, het dondert, en tot mijn verbazing hier, boven het paradijselijke dal
twee buizerds op zo’n honderd meter hoogte, stil cirkelend, loerend, de kop een vederhelm, de vleugels getand, waarvan er zich dan één, met de precisie van zijn honger en het geweten van de monnikskap en anders dan wat zich daar op hetzelfde moment in het woud boort, in een flits op die ene versteende muis duikt.
En als het nou vervolgens opklaarde, als er nou iets verhelderd zou zijn, uitzicht als inzicht bij wijze van regen als die dag dat de ramen toevalligerwijs maar hoe kon het ook anders, weet je nog, van binnen door mij en door de glazenwasser van buiten waren gedaan. Maar omgekeerd: de optimale pixeldichtheid die we de werkelijkheid noemen staarde me nu als een klap in het gezicht. Zie hiernaast.
Dit labyrint van bruggen en van stegen, Dat zich verstrikt in duizend kronkelingen, Hoe lukt het mij ooit daardoorheen te dringen? Hoe vind ik ooit het raadsel van die wegen?
Als ik San Marco’s toren heb bestegen, Kan niets mijn weidse blikken nog bedwingen, En uit de wonderen die mij omringen, Ontstaat een beeld; de stad heeft vorm gekregen.
Ik groet daarginds de oceaan, de blauwe, En hier de Alpen, die in brede schare De eilandenlagune overschouwen.
En zie! daar kwam een moedig volk gevaren, Om tempels en paleizen zich te bouwen Op eiken palen midden in de baren.
XX
Hoe heerlijk is het, als de dag verkoelt, Naar ginds te zien, waar schip en gondel zweven, Als de lagune, spiegelglad gebleven, Vervloeit en zacht Venetië omspoelt!
Daarna weer binnenwaarts getrokken voelt Het oog zich, waar hoog naar de wolken streven Paleis en kerk, waar een luidruchtig leven Op elke trap van de Rialto woelt.
Een vrolijk volk van menig ledigganger Krioelt hier rond, het is door niets te storen En stoort ook nooit zijn trieste tegenhanger.
En ’s avonds komt het bij elkaar in koren, Want op San Marco’s plein wil het de zanger, En de verteller op de Riva horen.
Vertaald door Paul Claes
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
De Amerikaanse dichteres en academica Tess Taylor werd geboren op 24 oktober 1977 in El Cerrito, Californië, en ging naar de Berkeley High School. Ze behaalde een Bachelor of Arts-graad in Engelse en stedelijke studies aan Amherst College, een Master of Arts in journalistiek aan de New York University en een Master of Fine Arts in creatief schrijven en poëzie aan de Boston University. Taylor is de auteur van een chapbook en vier volledige dichtbundels. Haar chapbook, “The Misremembered World”, werd door Eavan Boland geselecteerd voor de inaugurele chapbook fellowship van de Poetry Society of America. Haar eerste boek, “The Forage House”, werd in 2013 gepubliceerd door Red Hen Press. In dit boek beschouwt Taylor, een blanke afstammelinge van Thomas Jefferson deze erfenis. Bij het verzamelen van materiaal voor dit boek ontving Taylor financiering van de American Antiquarian Society en het International Center for Jefferson Studies om gedurende twee zomers onderzoek te doen in Monticello, de belangrijkste plantage van Thomas Jefferson. Taylor’s tweede boek, “Work & Days”, bevat een kalendercyclus van 28 gedichten die het werk in kaart brengen van een jaar stage op een kleine boerderij in The Berkshires. “Work & Days” werd door The New York Times uitgeroepen tot een van de beste dichtbundels van 2016. In 2020 publiceerde Taylor “Last West: Roadsongs voor Dorothea Lange en Rift Zone. Last West: Roadsongs for Dorothea Lange werd uitgegeven door het Museum of Modern Art als onderdeel van de tentoonstelling Dorothea Lange: Words & Pictures”. “Rift Zone”, uitgegeven door Red Hen Press, is een poëzieboek dat breuklijnen, geschiedenis en huidige crises onderzoekt in Taylor’s geboorteplaats El Cerrito, Californië en in de hele staat. “Rift Zone” werd door The Boston Globe genoemd als een van de beste boeken van 2020. Taylor’s schrijven is op grote schaal gepubliceerd en verscheen in tijdschriften en tijdschriften zoals Poetry, Tin House, The Kenyon Review, Virginia Quarterly Review, The New Yorker, Travel + Leisure, The Atlantic, Harper’s Magazine en vele anderen. ] Ze levert regelmatig bijdragen aan CNN en is de on-air poëzierecensent voor NPR’s All Things Considered. Naast haar schrijven heeft Taylor literatuur en schrijven gedoceerd aan universiteiten in de VS en in het buitenland, waaronder Whittier College, UC Berkeley, Randolph College, Ashland University en Queen’s University Belfast in Noord-Ierland.
Mud Season
We unstave the winter’s tangle. Sad tomatoes, sullen sky.
We unplay the summer’s blight. Rotted on the vine, black fruit
swings free of the strings that bound it. In the compost, ghost melon; in the fields(,)
grotesque extruded peppers. We prod half-thawed mucky things.
In the sky, starlings eddying. Tomorrow, snow again, old silence.
Today, the creaking icy puller. Last night I woke
to wild unfrozen prattle. Rain on the roof— a foreign liquid tongue.
May Day
They go, the early flags, the gory maples— so too the daffodils & Lenten roses. Other petals swirl & nights warm.
Buds thicken and cast shadows: in a thunderstorm I almost forget the ice that was.
Narcissi suckle watery paths; meadows heap up emerald masses. How green & I want to delight
except this undertow—it pulls so fast passing before I recognize it— like souls in Dante who can’t see the present,
white lilacs curdle in pre-summer heat. The parade I barely noticed was beginning is already halfway down the street.
Song with Shag Rug and Wood Paneling
My parents renovated that old home. It is clean as a lobotomy.
The cracked linoleum’s erased. Now new hardwood floors are gleaming.
Gone are gold shag rugs, the shade of California August
on which I lay beneath the dustmotes studying the drift of genome, species, phyla.
Gone is the cracked pink bathroom tile, vanity of some 1940s bride;
gone the shameful faux wood paneling, dark embarrassment of my teenage years.
They’ve added a backdoor to the kitchen where night after night I fought with my mother—
& I, who spent a decade sending hatred towards a glittering asbestos ceiling,
have only a distant dump to hate, & the settling of old carcinogens:
My ancient vehemence is confounded by a brightly lit new silence,
“Niemand wist rond half vijf in die handwarme lentenacht van onze snelle taxirit. De zwarte auto verwijderde zich van de stoeprand als een geblindeerde limousine en trok dan resoluut op. Het toegestroomde nachtvolk week hoofdschuddend weer uiteen, het wist niets van ons en zou ons vergeten nog voor het haankraaien in de wereldstad losbrak. Ook onze chauffeur wist slechts wat door behulpzame omstanders was gezegd. En dat voldeed: een bevel. Van elkaar wisten we niet meer dan voornaam, lijfgeur en stem, maar we waren als dolle honden betoverd en verloren. En dat voldeed. wij – zesentwintig, zojuist en nogal plotseling twee roekeloos gelukkige gabbers geworden – wij wilden niets weten. Even tevoren, koud een paar uur na onze ontmoeting, waren we al geranseld, vervloekt en gewaarschuwd, maar wij wilden niet horen. Gewond en moe zakten we tegen de krakende, zeemkleurig leren kussens, en als eertijds jonge vorsten na hun eerste terechtstellingsbevel glimlachten we naar elkaar, nog wat verlegen maar triomfantelijk. Twee jonge boeven met de wereld in hun schoot. Wisten wij veel. Want wie kende die blonde jongen? Een van de zovele blonde jongens in die wereldstad: tenger, louche maar puberfris met bijpassende lange wimpers, piekhaar, onschuldig blank-rozige wangen en jaspisgroene ogen in de ogen van de ander. Nonchalant trots en soepel flaneerde hij die avond nog in kraagloos wit overhemd en wijde linnen zomerbroek; nu was hij als een executie-ambtenaar met bloed bespat en drukte hij zwijgend een caféhanddoek tegen zijn wond. Het jonge hoofd lag achterover op het koele leer van de bankleuning, de hals kwetsbaar gestrekt. Een ader dicht bij de halskuil klopte zichtbaar en ritmisch als zijn ademhaling. De krachtige vingers lagen imperatief gespreid op de knie van de ander: man stelde man gerust. En wie kende die gerustgestelde ander, die ongeduldige reiziger, groot van postuur met kort donker haar, nat van zweet en ongekamd, die zoon van een landarbeider? Zijn kleine ronde oortjes waren nog vuurrood en de voortanden hadden zijn onderlip verwond. In zijn zwartleren motorjack en soldatenbroek, vuist gebald om een wond en dwars op de achterbank, was hij als een lijfwacht na de aanslag niet bedaard. Zo zag ik me naast Bernd in die donkergetinte taxiramen weerspiegeld. Mijn eerste bezoek aan een metropool, een weerspiegeld. Mijn eerste bezoek aan een metropool, een paar uur na aankomst al niet meer alleen, en passant afgetuigd, en ik voelde me in deze stad thuis alsof ik er hoorde – waarom? Had achter de schermen iemand de hand in onze ontmoeting? Was ik ongemerkt op een missie en verloren, of gewoon een uitgelaten toerist? Wat zou Anton niet zeggen wanneer ik hem vertelde wat er die afgelopen uren als in een storm over me was gekomen? Van het indigoblauwe nachtschijnsel en de zoeklichten van passerende auto’s ging, vanuit de vrijwel geluiddichte taxi gezien, kalmte en rust uit. Met hoge snelheid en gierende banden manoeuvreerden we soepel als een bobslee door het drukke nachtverkeer.”
Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010)
Het gele paleis van Wenen rust boven een wolk Van gekoeld Hongaars licht, Maar de tuinen zijn nog steeds rood en paars En de drie stenen dragen nog steeds mijn wensen Van de springvloeden ervoor. De sneeuw glanst nog steeds als een veld Uit het verhaal van engelensatijnen kleding.
Het tuinlabyrint van de ijzige oudejaarsavond Bevriest mijn zorgen Zodat ik mezelf kan opsplitsen En wegbreken en ronddraaien Als lichte sneeuw, mijn vreugde, Vrij over de ronde heuvels.
Dit Wenen! Mijn liefdesbrief Aan haar tijd zal de lettergrepen Van getekende herinneringen In velden en musea rijden, Kathedralen en muziek en glimlachen, Zwanen verkleed als ballerina’s.
Mijn Wenen, mijn jeugd Van bewolkte ademhalingen en wanten En de Kerstman, die grappige Duitse reus Die chocolaatje na chocolaatje aanbood op kerstavond. De ochtend erna mijn gouden schnitzels En geroosterde kastanjes en dampende punch en wandelingen Over de Stephansplatz.
Haar zondagsklokken roepen een kunst op Van de beroemde Strauss en violen En geweldige maestro’s (Karige maten van fysieke muziek) Alle reuzen, allemaal spelen ze in mijn hart. Ik wieg de droom in mijn oor.
Deze schoonheid die ik mettertijd bezit, Roept door mij heen als een rivier Glanzend in al zijn langdurige glorie, Zwanen en lelies grootbrengend aan de oever En ik laat de rivier – een netwerk Van Europa Werken en stromen door de waarden Van mijn herinnering en mijn trots En met een schuimende zucht, Laat ik de blauwe Donau Eindelijk aan mijn ogen ontsnappen.
“Een der hoofdargumenten tegen het voetballen in niet-katholieke clubs werd het ruwe spel genoemd, dat in dergelijke milieus hoogtij zou vieren. En zo kan men doorgaan: het eigene, het verworvene werd te mooier naarmate ‘de wereld’ er een zwarter achtergrond voor vormde. Moest dit alles noodzakelijk bijdragen tot verhoging van het gevoel van eigenwaarde der ‘beminde gelovigen’, in hun diepste innerlijk konden zij in bijzondere gevallen toch geredelijk de al te gemakkelijke retoriek doorzien: wisten zij b.v. zelf niet in hoeveel gevallen de algemene biechtpraktijk hun of anderen complexen had opgeleverd in plaats van hen daarvan te vrijwaren? Gold ten aanzien, met name, van het zesde gebod, niet een vaak ontstellende begripsverwarring, die menige jeugd in plaats van haar te ‘verblijden’ van zelfkwellingen vervullen moest? En kon, naarmate de katholieken b.v. in hun werkkring het isolement doorbraken, de stelling blijven gelden dat met name de protestanten aan ‘geestelijke armoede’ leden? Zou men, ten andere, niet kunnen zeggen dat de prediking moet hebben bijgedragen tot de versterking van een zeker latent antisemitisme bij menige katholiek? Of zie de verkettering van het gemengde huwelijk: kon de gelovige, aan wie de predikant verzekerde dat Christus, zo hij, weer op aarde, een uitnodiging ontving voor de bruiloft van gemengd huwenden, deze invitatie met beslistheid zou weigeren daar dezelfde gedachten over koesteren wanneer in zijn naaste omgeving een zodanig huwelijk was gesloten? Het is merkwaardig dat dit soort overwegingen, die in onze dagen het karakter van gemeenplaatsen dragen, in de jaren 1925-1935 zo zelden in het openbaar werden gemaakt. Men moet aannemen dat zij òf nauwelijks in de hoofden der katholieken opkwamen òf dat zij geen kans kregen in het openbaar geuit te worden. De versteviging en verheerlijking van het ‘eigen huis’ ten koste van ‘de wereld’ lokte slechts de kritiek van een kleine elite uit. Officieel was alles voortreffelijk in het ‘eigen huis’. Twijfel aan de basis van zoveel rijk bezit brak pas in breder kringen baan, toen de ‘katholieke jongeren’, letterkundigen, academici en studenten die een heilige onrust gevoelden ten opzichte van heel dat ‘Rijke Roomsche Leven’, met hun stem doordrongen buiten het kleine eigen milieu, en niet dan nadat kerkelijke en wereldlijke leiders hen herhaalde malen in het openbaar hadden terechtgewezen, en niet dan nadat, naar goed Roomsch gebruik, de orthodoxie der kritische geesten vele malen in het openbaar in twijfel was getrokken.”
Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013) Cover
De week begint pas. Het is maandag kwart voor negen en ik roer nu al zo neerslachtig in m’n thee… Maar ik zal sterk zijn: kijk, daarbuiten schijnt de regen! En aan het venster piept de vleermuis vrolijk mee!
Frontbericht
’k Heb niks gezien vandaag, dat wou ik u nog schrijven: ’k heb heel de dag wat voor het raam gestaan en niks gezien, ondanks het noestig wrijven in beide ogen. Toen maar vroeg naar bed gegaan.
Ook moet u weten: ik heb niks gehoord. Voor uren in een diepe slaap gelegen en niks gehoord. Zelfs hart en longen zwegen. Een snik werd in het hoofdkussen gesmoord.
Voor ’t raam en ook in bed heb ’k niks bedacht. Dat wou ik u al heel lang laten blijken maar ’k wist niet hóe! Ik miste werkelijk nog de kracht om naar een potlood of een velletje te reiken.
Hier moet ik ’t voor thans helaas bij laten: ’t gaat nu weer redelijk, ’k ben aardig opgefleurd.
O wél bedankt dat u mij even bij liet praten! Ik schrijf u weer zodra er niks gebeurt.
Zwart bloed
Ach Zuster! Geef mij and’re bloedlichamen: vrolijke baasjes met een opgewekt gemoed, meer van die danstypes uit Viva en reclame; de mijne zijn zo droef en zwart als roet. Nooit lachen ze, ’t zijn dooie sodemieters, galbakken, kankeraars, ja niks is goed voor het gezelschap. Zo heb ‘k liters vol van dat neerslachtige gebroed. Op bruiloften, op feestjes en partijen, waar ied’reen lustig is en opgeruimd van hart, zit ík maar eenzaam aan mijn tafeltje te schreien, terwijl er net een vrolijk walsje wordt gestart! Dan wil ik óók wel met zo’n blozend bruidje vrijen, maar ik loop snikkend polonaise op mijn smart!
Lévi Weemoedt (Geldrop, 22 oktober 1948) Lévi Weemoedt – Soavends door Trudy Kramer, 1997
Schoon als de dag en lieflijk als de morgen, Met edel voorhoofd, ogen trouw en vroom, Jong, lokkend als het nieuwe dat eens koom’, Zo vond ik u; zo vond ik ook mijn zorgen.
O ware ik toch reeds aan uw borst geborgen Waar ik mij vind, en te verliezen droom! O ware reeds bedwongen deze schroom Die ons verbond verdaagt van nu tot morgen!
Wat vlucht ge mij? Vermoogt ge mij te haten? Wat kwelt ge zo, door uw hart te verzwijgen, Mij, vol van liefde, en die mij voel verlaten?
Bij ’t eerste sein dat ge u mij toe zult neigen Bevangt me een bang geluk, zo bovenmate Als van een koning vóór zijn troonbestijgen.
Vertaald door Victor E. van Vriesland
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835) Schilderij in het “Platen-Palais” in Ansbach, het ouderlijk huis van de dichter, tegenwoordig een advocatenkantoor.
De Indiase dichter Jayanta Mahapatra werd geboren op 22 oktober 1928 in een vooraanstaande Odia-christelijke familie in Cuttack, Odisha, waar hij de Stewart School bezocht. Hij voltooide zijn M. Sc. in natuurkunde aan de Patna University, Bihar. Mahapatra begon zijn onderwijscarrière als docent natuurkunde in 1949 en gaf les aan verschillende overheidscolleges in Odisha, waaronder Gangadhar Meher University, B.J.B College, Fakir Mohan University en Ravenshaw University. Hij ging met pensioen aan de Ravenshaw University (toen nog Ravenshaw College) en ging in 1986 met pensioen van zijn overheidsbaan als Reader in Physics. Hij begon zijn schrijfcarrière eind jaren zestig. Zijn korte verhalen en gedichten werden aanvankelijk door verschillende uitgevers afgewezen, totdat zijn gedichten werden gepubliceerd in internationale literaire tijdschriften. Hij werd uitgenodigd om deel te nemen aan het International Writing Program in Iowa, wat hem internationale bekendheid gaf. Mahapatra schreef 27 dichtbundels, waarvan er zeven in het Odia zijn en de rest in het Engels. Naast poëzie heeft hij uitgebreid geëxperimenteerd met talloze vormen van proza. Mahapatra was ook een vooraanstaand redacteur en was betrokken bij de productie van het literaire tijdschrift Chandrabhaga. Zijn gedichten zijn verschenen in prestigieuze poëzie-anthologieën zoals The Dance of the Peacock: An Anthology of English Poetry from India, uitgegeven door Hidden Brook Press, Canada. Jayanta Mahapatra stierf op 27 augustus 2023 op 94-jarige leeftijd aan een longontsteking.
Hunger
It was hard to believe the flesh was heavy on my back. The fisherman said: Will you have her, carelessly, trailing his nets and his nerves, as though his words sanctified the purpose with which he faced himself. I saw his white bone thrash his eyes.
I followed him across the sprawling sands, my mind thumping in the flesh’s sling. Hope lay perhaps in burning the house I lived in. Silence gripped my sleeves; his body clawed at the froth his old nets had only dragged up from the seas.
In the flickering dark his lean-to opened like a wound. The wind was I, and the days and nights before. Palm fronds scratched my skin. Inside the shack an oil lamp splayed the hours bunched to those walls. Over and over the sticky soot crossed the space of my mind.
I heard him say: My daughter, she’s just turned fifteen… Feel her. I’ll be back soon, your bus leaves at nine. The sky fell on me, and a father’s exhausted wile. Long and lean, her years were cold as rubber. She opened her wormy legs wide. I felt the hunger there, the other one, the fish slithering, turning inside
Dawn At Puri
Endless crow noises A skull in the holy sands tilts its empty country towards hunger.
White-clad widowed Women past the centers of their lives are waiting to enter the Great Temple
Their austere eyes stare like those caught in a net hanging by the dawn’s shining strands of faith.
The fail early light catches ruined, leprous shells leaning against one another, a mass of crouched faces without names,
and suddenly breaks out of my hide into the smoky blaze of a sullen solitary pyre that fills my aging mother:
her last wish to be cremated here twisting uncertainly like light on the shifting sands
Jayanta Mahapatra (22 oktober 1928 – 27 augustus 2023)
De Nederlandse schrijver Wessel te Gussinklo is is afgelopen woensdag op 82-jarige leeftijd overleden, zo heeft zijn uitgeverij bekendgemaakt. Hij was al enige tijd ziek. Wessel te Gussinklo werd geboren in Utrecht op 9 januari 1941. Zie ook alle tags voor Wessel te Gussinklo op dit blog.
Uit: Op weg naar De Hartz
“De donkere wel een kilometer lange, smalle oprijlaan, overhuifd door vliegdennen en sparren, die zich als een koker door het bos geboord had, slechts met een enkele lichte loofboom hier en daar, opende zich. En voor hem verrees de groene heuvel; een langzaam oplopend veld kort gemaaid gras, een gazon haast eerder, boomloos zich honderden meters uitstrekkend voor zijn ogen, met bovenaan waar de helling verflauwde een grote, ronde vijver met beelden en een fontein. En daarachter, ver uitrijzend boven de bomen en scherp afgetekend tegen de leegte van hemel en wolken, het landhuis van de Grote Man — een omvangrijk matgeel gebouw, met aan deze zijde over de volle breedte een uitbouw van twee boven elkaar gelegen balkonterrassen in een vaag gebogen vorm, ondersteund door fragiele pilaren — elegant, sierlijk, met filigrainachtig donkerbruin hekwerk — uitkijkend boven het gazon op de vijver en het bos. Een fraai gebouw, iets zuidelijks, bijna Italiaans of Portugees. Hij had foto’s gezien van het huis en de omgeving, maar nooit was hij er overdag geweest, alleen ’s avonds met Somsen in een taxi; Somsens tas achter hem aan het gebouw in dragend. Niet alleen voor de Grote Man zelf was het landhuis; het was ook de zetel van zijn Hogeschool met ontvangstruimten. vergaderzalen, collegeruimten. Hier resideerde de Grote Man, ontving en verklaarde. Twee oprijlanen voerden om het gazon heen de heuvel op, de ene naar de ingang, het bordes aan de andere zijde van het gebouw, en de andere van achter het gebouw vandaan neerdalend langs de zoom van het bos om zich daar weer met de donkere oprijlaan te verenigen. Die plotselinge wijdte, die ruimte, die golf van roerloos licht; een muur bijna, na de donkere engte van de bosweg die hem voortgestuwd had tot hier; glad en vormloos langs hem glijdend — steeds dezelfde bomen en struiken, dezelfde blinde dingen hem nauw omsluitend terwijl hij langs ze schoof. En nu dit; alsof hij uitgespuwd werd uit die kokerachtige nauwte en hier stilviel. Dat zachte septemberlicht van de laagstaande namiddagzon rustend op voorwerpen en dingen; het gras, de takken en bladeren, de precieze bestrating van dc oprijlaan, de afgemeten begrenzingen. En verder weg de reusachtige slagschaduw van het gebouw, des te groter door de helling van het gazon. En geen wind — niets bewoog, geen blad, geen tak; roerloos dat alles, alsof de ruimte een glasachtig ding was hier neergezet voor zijn ogen; een ding, doorzichtig maar ondoordringbaar, dat alle voorwerpen omsloot. Daar doorheen gaan, doorheen breken bijna, de weerstand overwinnen van deze grote, lege ruimte; de daad bijna die dat zou zijn, tot de ingang van het gebouw toe. Teruggaan! Weggaan! Niet daarheen, eerst nadenken. Hij stond stil.”
Wessel te Gussinklo (9 januari 1941 – 18 oktober 2023)