Martin Bril, Samuel T. Coleridge

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Het tekort (Het nieuws van een donderdag)

“Het begon met een indrukwekkende hemel, paars van kleur. Donkere wolken tuimelden laag over de stad. Het ging zo snel, het leek alsof het stormde daarboven. Maar op straat was het bladstil. Het had de hele donderdag geregend, en nu was het avond en droog. Wel was er nieuwe regen in aantocht, maar zover waren we nog niet. In de tussentijd was het koud en typisch zo’n avond waarop een voetganger zichzelf kan horen lopen. Toch waren er weinig mensen op de been.
Het was een uur of negen toen ik in de Marnixstraat in Amsterdam iets voorbij de brug over de Leidsegracht hotel Het Witte Huis passeerde. Al vanuit de verte ging er een geheimzinnige aantrekkingskracht van het hotel uit. Dat kwam door het verweerde, half vergane uithangbord dat scheef aan de gevel hing. Kennelijk had ik daar ineens behoefte aan. Misschien kwam het ook wel door de maan die zich boven mij manifesteerde. Of door de straatlantarens en hun gouden gloed.
In ieder geval stelde Het Witte Huis niet teleur. Toen ik er pal voor stond, bleek het een smal, hoog pand te zijn, ooit wit, maar nu grauw van de bussen die hier altijd, dag in, dag uit, voorbijdenderen. In het souterrain was een soort ontbijtzaal annex lobby gevestigd met een groot raam aan de straatkant dat gedeeltelijk schuilging onder een luifel die aan een Zwitsers chalet deed denken. Wie de zaak wilde betreden, moest een steile trap op om op één hoog aan te schellen bij een deur die er onvriendelijk uitzag. Op de trap lagen lege blikjes, een verwaaide plastic zak, wat oude kranten. Achter de deur, heel erg in de hoogte, brandde een schamel lichtje.

Het souterrain daarentegen stond uitbundig in het zonnetje: een zee van flakkerend tl-licht. Hier en daar stond een vingerplant, verder waren er wat tafels met een formica blad, links en rechts wat stoelen. Ook was er een barretje zonder krukken, met een rode emmer in de spoelbak. Aan de muur hing een televisie.
Hij stond aan.
Op het moment dat ik er stilstond, was op de tv alleen het woord Actueel te zien. Er draaide traag een gele cirkel omheen. De letters hadden felle kleuren. Ze bewogen niet. Actueel. Het stond er. Het leed geen enkele twijfel. Achter mij remde een tram af om te stoppen op het Raamplein en zelfs toen hij daar alweer weg was, stond het woord er nog steeds.
Ik ook.
Langzaam drong het tot me door dat ik niet de enige was die naar het woord staarde. In een hoek van de zaal zat een man met een blikje Cola-Light. Hij droeg een trainingsbroek, gympen met klittenband in plaats van veters, een dikke trui, een baseballpet van de Cleveland Indians. Ik wist zeker dat het een Rus was. Zijn blik legde een sombere, maar nonchalante baan af naar de televisie, en het woord.
Actueel.
Ik voelde hoe ik langzaam in beweging kwam. Soms gebeurt dat. Het lichaam neemt de geest onder de arm en vervolgt zijn weg. Pas later wordt duidelijk waarom, en waaruit de redding bestond. Zulke reflexen stemmen dankbaar.
Maar het woord stond er nog steeds.”

 

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook alle tags voor Samuel T. Coleridge op dit blog.

 

Vorst te middernacht

De vorst verricht zijn heimelijke dienst,
Niet bijgestaan door wind. De bosuil riep
Luidkeels – en luister, weer! luid als tevoor.
Mijn huisgenoten, allen nu ter rust,
Lieten mij aan die eenzaamheid die past
Bij dieper mijmerij: maar aan mijn zijde
Sluimert mijn kindje vredig in zijn wieg.
Wat is het kalm! zo kalm dat meditatie
Verstoord wordt, verontrust door deze vreemde
Uiterste stilte. Zee en heuvel, bos,
Dit dichtbevolkte dorp! Zee, heuvel, bos,
En talloos vele dagbeslommeringen,
Onhoorbaar zoals dromen! Dun en blauw
Trilt niet, maar zweeft op mijn laag vuur de vlam;
Alleen die gloor die flakkerde op ’t rooster,
Flakkert nog steeds, als enige onrustig.
Die woeling in de roerloze natuur
Lijkt mij vaag meegevoel met mij die leeft
En wordt zo een vriendschappelijke vorm,
Terwijl de Geest, die zich verpoost, dat nietig
Ploffen en glimpen duidt naar eigen luim,
Alom een echo of een spiegel zoekend,
En ’t D
enken maakt tot spel.

Maar O! hoe vaak,
Hoe vaak heb ik op school, vol van geloof
En voorgevoel, de staven aangestaard
Waarop die vreemdeling flakkerde! en vaak
Met open oogleden toen al gedroomd
Van mijn geboorteplaats, het oude kerkje,
Zijn klokken, de enige muziek der armen,
Luidend, de hele hete marktdag lang,
Zo zoet dat zij mij roerden en vervulden
Met wilde vreugde, vallend in mijn oren
Als klare klank van wat er komen zou!
Zo staarde ik, tot mij die kalme dromen
Wiegden in slaap, en slaap mijn droom verlengde!
Zo peinsde ik de hele volgende ochtend,
Bang voor de meester met zijn strenge blik,
In schijn vol aandacht voor mijn wazig boek,
Tenzij wanneer de deur half openging
En ik snel opkeek en mijn hart steeds bonsde,
Want steeds hoopte ik die vreemdeling te zien,
Stadgenoot, tante of, dierbaarder, mijn zusje,
Met wie ik speelde, eender aangekleed!

Lief kind, dat in de wieg slaapt aan mijn zijde,
Waarvan het zachte ademen, gehoord
In deze diepe rust, hiaten vult
En kortstondige pauzes in het denken!
Mijn prachtig kindje! welk een tedere vreugde
Ontroert mijn hart, jou zo te zien, te weten
Dat jij heel andere wijsheid zult verwerven
En in heel andere streken! Ik werd groot
Als stadskind tussen donkere kloostergangen
En zag niets lieflijks dan de lucht en sterren.
Maar jij, mijn kind, zult zwerven als een briesje
Langs meren en zandstranden, onder klippen
Van oeroude gebergten, onder wolken
Waarvan de massa beelden toont van meren,
Stranden èn klippen: en zo zie en hoor jij
De schone vormen en de klare klanken
Van de eeuwige taal van God, door hem gesproken,
Die sinds de eeuwigheid zichzelf ontvouwt
In alles, alle dingen in zichzelf.
De grote Leraar van ’t heelal! Hij kneedt
Jouw geest, en door te geven doet hij vragen.

Daarom zal ieder jaargetij je lief zijn,
Hetzij de zomer de ontluikende aarde
Met groen bekleedt, of dat de roodborst zingt
Tussen sneeuwtoefjes op de kale tak
Van de bemoste appelboom, en ’t strodak
Dampt in de zonnedooi; hetzij de goot drupt,
Slechts hoorbaar in de trances van de rukwind,
Of dat bij zijn geheime dienst de vorst
De druppels hangen zal in stille pegels,
Kalm glinsterende naar de kalme maan.

 

Vertaald door W. Hogendoorn

 

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)
Anoniem portret, 1799

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hans Warren, Arthur Rimbaud

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook alle tags voor Hans Warren op dit blog.

Uit: Geheim dagboek 1942-1944 (Deel 1)

“27 okt. 1942
Heel vroeg met de blauwe tram, die nog in de remise stond, naar Haarlem, daar uitgestapt en te voet de drie kilometer naar Bloemendaal, want er is verder geen verbinding (bussen rijden niet meer, de trein stopt er niet). Na enig zoeken vond ik de Parallelweg nummer 3, en zag ik het hek waarin de naam Jac. P. Thijsse in ijzer uitgesneden was. Een stijgend grindpad, omzoomd door wild struikgewas leidde naar de voordeur van de ouderwetse villa ‘Binnenduin’. Nog terwijl het dienstmeisje op mijn bellen opendeed, klonk reeds vanuit de studeerkamer Thijsse’s warme, hartelijke stem: ‘Warren, kom binnen, kom binnen’ – hij stapte glunderend in de vestibule: ‘Fijn je te zien, je bent lekker vroeg’ (’t was kwart voor tien). Hij loodste me direct zijn studeervertrek binnen, waar je uitzag op de wilde rozen en andere ruige struiken van de natuurtuin.
Daar zat ik dan eindelijk tegenover de man die ik al zoveel jaren vereerde, een ander woord is er niet voor, en met wie ik al veel brieven had gewisseld. Het was dus geen wonder dat we honderduit praatten over talloze dingen, alsof we elkaar inderdaad al lang kenden. Alles wat ik me van dr Thijsse voorgesteld had, vond ik bewaarheid in zijn wezen: het gulle, prettig-gemakkelijke in de omgang, zijn enthousiasme voor alle nieuwe plannen, de diepe, veelzijdige belangstelling voor het gebeuren – lang spraken we ook over politiek. Vaak voelde ik me tijdens dat gesprek licht beschaamd om mijn vermoeidheid in veel dingen wanneer ik zijn optimisme en geestdrift voelde, de jongensachtige twinkeling in zijn scherpe grijze ogen zag. Natuurlijk kende ik zijn uiterlijk vrij goed van fotografieën, maar dat erg energieke en levendige in zijn gezicht was een verrassing. Hij is nu 77 en ik ben net 21 geworden.
Na het lange gesprek gingen we uit. We liepen door fraaie beukenlanen langs bossige heuvels waar kinderen en ook volwassenen naar beukenootjes zochten, naar ‘Thijsse’s Hof’. Overal floot de boomklever. Pas tijdens die wandeling merkte ik dat Thijsse oud was. Een hartkwaal noopte hem tot langzaam gaan, hij liep licht voorovergebogen naast mij voort, wel gezellig en belangwekkend vertellend, maar als jongensachtig gegeneerd dat zijn lichaam niet meer zo fit was als zijn geest. De Hof lag intiem en vredig in de zonloze herfstdag. De kardinaalsmutsen stonden in volle pracht en Thijsse nam me mee naar de talloze verscheidenheden tot diep in de wildernis buiten de paden. De bloedrode, roodpaarse, violette en soms groezelig bleke vruchten met hun bengelende oranje zaden zorgden hier en daar voor haast oosterse effecten. We genoten van allerlei bijzonderheden van nabloei en vrucht, de vogeltrek en badende vogels in de vijver. Plotseling bukte dr Thijsse zich met een verheugde uitroep: in een grasstrook aan de vijverrand vond hij een zeldzaam porseleinzwammetje, dat op smeerwortel groeit en dat zich enige jaren niet had vertoond.”

 

Liggend in de zon

De liefste sluimert naast mij in het kruid.
Onder mijn arm door lig ik naar haar te staren
Soms slaat de wind haar zachte lange haren
strelend over mijn rug, mijn naakte huid.

lk luister naar het ijl ruisend geluid
– mijn adem gaat in ritme met de hare –
naar het verre doffe bruisen van de baren
en naar een wulp, die schor, weemoedig fluit.

Er een wijding over het ongerepte land.
Het is te stil om veel en snel te praten,
enkel een zoen, heel vluchtig op haar hand.

De zilte schorren en het wijde zand
zijn aan ons twee alleen overgelaten.
Er is geen einder en geen overkant.

 

De schelp

Het is lang geleden dat wij gingen
waar de golven slaan langs stervend land.
Nog ligt gebogen op mijn vensterbank
de schelp die jij raapte van het strand.

Nog ruiselt buigend riet
in de wind van een lichtloze nacht.
De vogels roepen niet
voor het open raam. Ik wacht.

Kleurloos spant weer een dag
zijn regenhemel over het land.
Slechts even giert een rauwe lach
Van een meeuw over zee, over het zand.

De schelp, groot en wit op de vensterbank,
parelmoeren glinstering,
bevat het tederste ruisen
van de herinnering.

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)
Cover

 

De Franse dichter Arthur Rimbaud werd geboren op 20 oktober 1854 in Charleville. Zie ook alle tags voor Arthur Rimbaud op dit blog.

 

Gevoel

Ik zal op pad gaan in het zomers avondblauw,
Geprikt door korenaren over dun gras lopen:
Verdroomd zal ik mijn voeten drenken in de dauw
En ik zal door de wind mijn haren laten dopen.

Elk woord, elke gedachte zal me dan vergaan:
Maar weidse liefde zal zich in mijn ziel verbreiden
En als een vagebond zal ik ver, heel ver gaan
Door de Natuur ­ verblijd alsof een vrouw me leidde.

 

Vertaald door Paul Claes

 

Arthur Rimbaud (20 oktober 1854 – 10 november 1891)
Standbeeld van Arthur Rimbaud in Charleville-Mézières

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e oktober ook mijn blog van 20 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

David Vann, Jan Wagner, Kristine Bilkau

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island, Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

Uit: Heilbot op de maan (Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen)

“Na de begrafenis vatte mijn oom Jim het idee op mijn nieuwe vader te worden. En aangezien hij het gevoel had dat hij niet helemaal was opgewassen tegen die taak, riep hij de hulp in van zijn vriend Big Al. In het najaar namen die twee me mee naar Modoc om op ganzen te jagen. Die grote, de canadaganzen, toeteraars of zwiepers, zoals Big Al ze noemde. Komen zo laag aanvliegen dat je hun vleugeltoppen hoort zwiepen. Dan versteent je hart en je vingers zwellen op. Big Al liet het me zien: hij hield zijn vingers onder mijn neus, zijn nagels zwart van vettigheid. Ik was dertien, woog een derde van wat Big Al woog, half zoveel als mijn oom, en zat tussen ze in geklemd. Hun harde stemmen — mijn oom kwam uit Nebraska, Big Al uit een ander luidruchtig oord — weerkaatsten tegen het naakte metalen interieur van de pick-upcabine, zwollen aan, doordringender dan het zonlicht. Ramen dicht. Ze boksten op tegen de goedkope bandrecorder op batterijen die op mijn schoot AmWay-kreten zat te sissen. Zo nu en dan stak mijn oom zijn hand uit om de ruis harder te draaien. ‘Pak die diamanten ring! Pak die Mercedes!’ Mijn oom probeerde Big Al te strikken voor AmWay. Dat was een ander doel van deze tocht: iemand anders onder hem in de verkoop-piramide schuiven. ‘Ik weet het,’ zei Big Al. ‘Ik weet dat het eersteklas producten zijn. Dat bestrijd ik ook niet. Dat hoor je mij niet beweren. Daar gaat het niet om. Ik wil alleen maar zeggen…’ `Drie maanden!’ riep mijn oom uit vanboven het stuur en grijnsde zijn tanden bloot. Hij had grote, gele, erg hoekige tanden, en hij was een grote vent, één meter vijfentachtig, hield zijn knokkels — van beide handen — om het stuur geklemd en hing er vlak boven. ‘Binnen drie maanden heb je je geld eruit. Man, ik…’ En hij grommelde een tijdje zo door zonder een zinnig woord, en zei toen: Dat is toch niet niks!’ Toen sloeg hij me op mijn borstkas, hard, vriendschappelijk, mannelijk, en keek Big M aan met een vrolijke, verraste blik. Alsof het opeens allemaal duidelijk was geworden. `Geen twijfel mogelijk,’ zei Big Al. Dat beweer ik ook niet. Ik twijfel er niet aan.’ Mijn oom gaf me nog een klap en gnuifde. Hij duwde zijn bril stevig omhoog en tuurde weer over het stuur heen naar buiten, zijn mond open en zijn lippen wat opgetrokken over zijn boventanden. Want dan kun je tien jaar eerder stoppen met werken en dan heb je meer,’ blaatte het bandje. ‘En dan heb je die boot, die camper, dat zwembad. Dan heb je die dingen en je hebt ook de tijd om ervan te genieten.’ Wat ik zeg,’ zei Big Al, en toen hield hij zijn mond en hield een vinger voor mijn gezicht. Eén vinger, de wijsvinger, de rest tot een machtige vuist gebald. Trek eens,’ zei hij, grijnzend alsof hij de pot gewonnen had. Mijn oom keek opzij, duwde zijn bril omhoog en grinnikte ook. Big Al pookte met zijn vinger in mijn borst. Trek eens aan mijn vinger, joh.’ Dus greep ik zijn vinger, ruw en hard als een misvormde wortel, en trok.”

 

David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

REQUIEM VOOR EEN KAPPER

omdat alles op maandag rust, blijft alles maandag nu,
bedek de spiegels, ontneem de schaar zijn scherpte.

wie zou zijn vingers laten kneden, cirkelen tot de wolk
van de shampoo optrekt boven ons, wie dirigeerde zijn entourage

van flessen en de geur, de oliën op het schap
met zijn smalle hand? wie gooit het grote orgel

van haardrogers open en laat ze loeien, laat ze aanzwellen?
neem uit de kleuren zwart en meng het met de lichte kleuren.

omdat nu geen kaplaken zo prachtig, langzaam als een tent
over het lichaam heen zakt, en wie stilhoudt

niet langer weet wat hij moet vinden, waar hij naar moet zoeken,
alleen dat het haar blijft groeien, verder woekert.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijfster en journaliste Kristine Bilkau werd geboren in Hamburg in 1974 en groeide op  in Sleeswijk-Holstein. Bilkau studeerde geschiedenis, Amerikanistiek en Germanistiek aan de Universiteit van Hamburg en Tulane University, New Orleans. Daarna werkte ze als journaliste voor vrouwen- en zakenbladen. In 2008 was ze finaliste in de literaire wedstrijd Open Mike in Berlijn en het jaar daarop ontving ze een studiebeurs van de auteursworkshop van het Literarische Colloquiums Berlin. In 2010 ontving ze een beurs van het Kunstenaarsdorp Schöppingen. In 2013 nam ze deel aan de Bayerische Akademie des Schreibens in het Literaturhaus München. In 2015 publiceerde ze haar eerste roman “Die Glücklichen”. Hij beschrijft de rustige sociale afdaling van een kerngezin in het precariaat. De roman heeft meerdere prijzen gewonnen en is in verschillende talen vertaald. Het programma van de Kammerspiele in München omvatte een theaterbewerking van “Die Glücklichen”, die in februari 2017 werd opgevoerd. Ze is medeoprichtster van PEN Berlin. In 2022 stond haar roman “Nebenan” op de shortlist voor de Deutsche Buchpreis. In 2023 publiceerde ze het boek “Wasserzeiten”– over zwemmen, waarin ze vertelt over haar liefde voor zwemmen, gecombineerd met historische, culturele en sociale aspecten van het onderwerp. Ze woont met haar gezin in Hamburg.

Uit: Nebenan

„Ein Containerschiff schiebt sich langsam hinter den Baumkronen und dem Dach der Nachbarn vorbei. Anfangs, als sie erst wenige Tage hier wohnte, war es für sie ein unwirklicher Anblick, den Kanal und das Ufer nicht sehen zu können, selbst von hier oben, aus dem Schlafzimmer nicht, aber eine Schiffsbrücke und die geladenen Container. Stapel bunter Kästen, die gemächlich, wie von allein hinter den Dächernund Bäumen entlang glitten. Im Wochenblatt, das sie manchmal überfliegt, hat sie gelesen, die Leute haben hier früher in der Dämmerung weiße Schiffe durch die Wiesen und Moore schweben sehen, lange bevor der Kanal gebaut und eröffnet wurde. Daran muss sie denken, wenn ein Frachter wie von allein durch die Landschaft fährt.
Sie bleibt am Fenster, bis die bunten Stapel nicht mehr zu sehen sind, da entdeckt sie den Jungen. Er steht in der kleinen Sackgasse am Zaun der Nachbarn und scheint auf jemanden zu warten. Dünne Beine in einer grauen Jeans, ein Rucksack auf dem Rücken. Sein Gesicht lugt blass mit spitzer Nase unter seinem Hoodie hervor, die Hände hat er in die Hosentaschen geschoben, die Schultern hochgezogen. So sieht einer aus, der friert. Kein Wunder, der Junge ist nicht für dieses Wetter angezogen. Julia weiß nicht, zu wem er gehört. Er wohnt nicht in dieser Straße, sieben alte Häuser, von denen zwei während der letzten Monate entrümpelt wurden, weil ihre Besitzer ins Heim gezogen sind. Er wohnt, soweit sie weiß, auch nicht weiter hinten, An den Wiesen, der frisch geteerten Straße, die wie eine lang gezogene Acht verläuft, wo die Neubauten stehen, Bauhaus und Friesenstil im Wechsel, dazwischen leere Grundstücke, die noch zu verkaufen sind.
Eine Windböe bewegt die Zweige vor dem Fenster, der Efeu hätte längst geschnitten werden müssen, er überwuchert das Haus bis an den Dachfirst. Sie haben bisher alles wachsen lassen, den Rasen, die Sträucher, die Brennnesseln in den Beeten. Im Sommer, nach dem Einzug, haben sie mit dem Rasenmäher Schneisen ins hohe Gras gemäht, einen Pfad zur Gartenpforte, einen zum Schuppen, einen Weg zum alten Gewächshaus, wo Chris ein quadratisches Feld in die Wiese
mähte und zwei Liegestühle hinstellte.
Sie geht nach unten, holt sich ein Glas Wasser aus der Küche, spült auf dem Weg ins Wohnzimmer mit einem großen Schluck die Folsäure-Zink-Kombination, das Vitamin D, das Q10 und die TCM-Kapsel hinunter. Sie kniet sich auf den Teppich vor die schlafende Hündin, drückt die Nase in Lizzys Fell, saugt den Geruch ein, Regenluft und nasse Steine, und sie muss an Frauen denken, die mit ihren Lippen und Nasenspitzen den Haarflaum ihrer kleinen Kinder berühren.
Der Junge ist nicht mehr am Zaun der Nachbarn zu sehen. Durch das Gestrüpp am Ende der Sackgasse führt ein Pfad den Hang hinunter zum Kanal. Wer zu Fuß zum Anleger will, nimmt ihn als Abkürzung. Der Junge wird wahrscheinlich mit der Fähre rüberfahren und vor der Kirche auf der anderen Seite auf den Bus warten, der ihn in die Schule bringt.“

 

Kristine Bilkau (Hamburg, 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn blog van 19 oktober 2018 en ook mijn blog van 19 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Kees Fens, Jan Wagner

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: Kanttekeningen bij Van het Reves Brieven

De vorming van een zeer eigen wereld met name in de laatste brieven van Nader tot U wordt heel scherp zichtbaar in de wijze van hantering van religieuze elementen. Wanneer de auteur in het begin van de ‘Brief uit Edinburgh’ een passage afsluit met tussen haakjes de aanroeping ‘Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u over ons’, dan gebruikt hij een uit de katholieke liturgie bekend gebed wel op een eigen wijze – niet binnen de vaste context – en zeker niet ongeestig, gezien de voorgaande passage over de lelijke wandschilderingen in een bedevaartskapel, het gebed wordt evenwel niet op een eigen werkelijkheid toegepast; de woorden blijven die uit de katholieke liturgie; het gebruik ervan verwijst naar een bepaalde instelling bij de auteur; gezien de context kan het ‘Lam Gods’ naar niemand anders dan naar Christus verwijzen. Ik citeer nu de slotalinea van de ‘Brief door tranen uitgewist’: ‘Waar was de Meedogenloze Jongen op dit ogenblik? Ik bleef staan. Opeens zag ik hem liggen, en dat was het wonderlijke: in een kleine kaki tent, in de tuin van zijn paleis. Ik zag verder niemand. Eén van de helften van de voorhang van het tentje was opgeslagen, en daardoor kwam het, dat ik hem duidelijk kon zien liggen, in zijn deken gerold, op het grondzeiltje, en zonder matras. Er was een teer, roerloos licht van een stormlampje, dat heel laag brandde. Eén van zijn armen was bloot, en zijn hoofd was iets opzij gezakt, half weggegleden van de opgerolde trui die hem tot kussen diende. Zijn wimpers waren neergeslagen en hij sliep, zijn mond iets geopend. Wat kon het betekenen dat hij, de Meedogenloze Jongen, nu zelf even weerloos was als iedere jongen, die hij onderwierp en bezat? Zijn tent was onder de mensen. Het liet zich niet bevatten, want het was het Misterie aller misteriën, woordloos, maar toch zou ik het aan alle koningen, tongen en natiën moeten verkondigen, zo lang als ik nog adem had en leefde.’ Het zinnetje ‘Zijn tent was onder de mensen’ is een referentie aan het eerste hoofdstuk van het Johannes-evangelie: ‘het woord is vlees geworden en heeft (letterlijk) zijn tent onder ons opgeslagen.’ Hier nu wordt een bepaalde gebonden tekst niet alleen op eigen wijze gebruikt, maar ook toegepast binnen een zelf-opgeroepen werkelijkheid; bij het geval van het ‘Lam Gods’ heeft de auteur zich het gebruik in een bepaalde situatie toegeëigend; in de boven geciteerde passage heeft hij zich van de tekst zelf meester gemaakt; hij roept er een eigen religieuze of mythologische werkelijkheid mee op. Duidelijkheidshalve: de gebruikte tekst is geen beeldspraak; er wordt geen nieuwe werkelijkheid met verwijzing naar een gelijksoortige bekende opgeroepen, zoals dat bijvoorbeeld het geval is aan het slot van de ‘Brief uit Camden Town’. Een Stem heeft de auteur aangezegd, dat hij moet bewerkstelligen, dat Wim klassiek gitaar leert spelen. Hij schrijft op die influistering verder, vindt de raad om meerdere reden acceptabel; een ervan is: ‘Ook zou hij, telkens als een boze geest der godheid op mij zou zijn, door zijn spel mijn ziel weer kunnen genezen en tot kalmte brengen -.’ Hier denkt men direct aan de harpspelende David voor koning Saul. Niet alleen denkt men eraan; in de door de tekst opgeroepen tweede werkelijkheid krijgt de nieuwe pas zijn werkelijke gestalte en betekenis. Dat laatste nu kan van ‘Zijn tent was onder de mensen’ niet gezegd worden.”

 

Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

botanische tuin

bezig de woorden aan jou te overwegen –
de paren zwijgend op geharkte wegen,
de perken bladbedekt, de bomen kaal,
de hekkenbloesem smeedijzer koel,
het licht als was aristokratisch bleek –
zag ik op de heuvel glazig de kweek-
kas, zijn witte ribben, fin de siècle,
en dacht prompt aan die walvisskeletten,
waarvoor je als kind je nek verdraaide
in de musea, aan onzichtbare draden,
zodat ze leken te zweven, opgeheven,
aan die gedrochten, aangedreven
uit oertijddiepten in een kustgebied,
gestikt door hun eigen gewicht.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e oktober ook mijn blog van 18 oktober 2020 en ook mijn blog van 18 oktober 2018 en ook mijn blog van 18 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 18 oktober 2015 deel 2.

Deutscher Buchpreis 2023 voor Tonio Schachinger

Deutscher Buchpreis 2023 voor Tonio Schachinger

De Oostenrijkse schrijver Tonio Schachinger is de winnaar van de Deutscher Buchpreis. Hij krijgt de prijs voor zijn tweede roman “Echtzeitalter”. Het werk speelt zich af op een elitaire Weense kostschool en gaat over de 15-jarige Till, die na de dood van zijn vader zijn toevlucht zoekt in de wereld van computerspellen, vooral “Age of Empires II”. De jury prees “Echtzeitalter” als een ‘sociale roman’ en benadrukte onder meer de subtiele ironie waarmee Schachinger ‘de politieke en sociale omstandigheden van het heden’ weerspiegelt. Tonio Schachinger werd geboren op 29 januari 1992 in New Delhi, India. Zie ook alle tags voor Tonio Schachinger op dit blog.

Uit: Echtzeitalter

„Sieht man diesen Ort zum ersten Mal, das Schloss mit der schönbrunnergelben Fassade und der abbröckelnden graugelben Rückseite, den Park mit seinen Wiesen und Sportplätzen, seinem bewaldeten Hügel und seiner Grotte, dann ist die Mauer, die ihn umgibt und deren Höhe je nach Steigung der Argentinier- und Favoritenstraße zwischen zwei und vier Metern schwankt, wahrscheinlich das Letzte, was einem auffällt. Warum sollte man auch an die Mauer denken beim Tag der offenen Tür? Die Kinder sehen ja so viel anderes, die Tennis- und Beachvolleyballplätze, das Hallenbad, den Parkettturnsaal, die Multifunktionshalle, die Sala terrena und, wenn sie ihren Blick nach unten auf die eigenen Füße richten, den Steinboden, dessen große Platten über die Jahrhunderte von Tausenden Schlapfen glatt geschliffen wurden. Außerdem zeigt man den Kindern die Fußballplätze, die zwei Flutcourts, den Hartplatz, den Firsty-Platz und vor allem den Großen Platz, der auf allen Fotos abgebildet ist und dem Park, gemeinsam mit der ihn umgebenden Laufbahn, etwas Offizielles, etwas Highschoolhaftes verleiht, auch wenn sie nach dem Tag der offenen Tür nie wieder dort spielen werden, weil der Große Platz Gegenstand eines seit Jahren andauernden Rechtsstreits ist, dem mit dem Hinweis: Platz gesperrt, Betreten auf eigene Gefahr! Rechnung getragen wird. Von alldem wissen die zukünftigen Marianisten noch nichts. Man erzählt ihnen vom Fremdsprachenangebot, von Schulreisen, Austauschprogrammen, sogenannten Unverbindlichen Übungen, in denen die Schüler jeder denkbaren Leidenschaft von Schach über Skifahren bis Aquaristik nachgehen können, aber man zeigt ihnen nicht die Stelle beim Konferenzzimmer, an der trotz einer zusätzlichen Schicht Farbe noch immer der Name des ehemaligen Erziehungsleiters durchscheint, begleitet von den Worten: du Kinderticker! Den Firsty-Platz zeigt man ihnen zwar, aber ohne zu erklären, was das ist, ein Firsty, was es bald für jeden von ihnen bedeuten wird, von Älteren als Firsty behandelt zu werden, ein ganzes Jahr lang, und dass sie selbst sich gegen alle Vorsätze in diese nach Alter gegliederte Nahrungskette einfügen und schon ein Jahr später den neuen Firstys gegenüber genauso verhalten werden: Weil sie anderen nicht ersparen wollen, was ihnen nicht erspart geblieben ist. Der Waldplatz ist nicht einmal Teil der Tour, dieser hinterste und schlechteste aller Fußballplätze, der keine Banden und keine Netze hat, in dessen Mitte ein einzelner Baum steht, der gleichzeitig aber auch der beste Platz ist, weil man sich nirgendwo sonst auf dem Schulgelände weiter von allem anderen entfernen kann und weil direkt dahinter, beim Theater Akzent, in Sichtweite der Nuntiatur, der päpstlichen Botschaft, die beste Stelle liegt, um über die Mauer zu klettern.“

 

Tonio Schachinger (New Dehli, 29 januari 1992)

Simon Vestdijk, Jan Wagner

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Kale Takken op Muur

Met fijne zorg op ’t witte vlak gebracht
Betreden zij den kruisweg der dendrieten,
Gearmd met haar’ ge vogelspinnen sprieten
De twijgen, knoopig als een monniksdracht,

En diep vallen bij mieren en termieten
Hun bruine schubjes, – als een Juraschacht,
Waarin reptielen wiss’len van geslacht,
Laat hen de kalkmuur langs zijn schilfers schieten.

Zij breken, knikken, knielen; bij het raam
Vormen ze klauwen, worden vogelvrij,
Maar keeren weer terug tot bes en braam.

En van de stronk tot aan hun Golgotha
(Bespijkerd latwerk wacht hen reeds opzij)
Bootsen zij sluw de meeste dieren na.

 

De dood van Judas

Uit wroeging smolt hij al zijn zilverlingen
Om tot een kruisbeeld, dat hij met zich droeg
Ter woestenij, waar hij de lend’nen sloeg
In haren boetepij bij ’t handenwringen.

Eerst eeuwen lang bij Thebaï gezwoegd,
Geknield voor ’t beeld, in sluwe folteringen, –
Kerkvader dan, of prior, – onder ’t zingen
Van een Te Deum nimmer leeds genoeg

In zijn rouwmoed’ge keel tezamenschrapend, –
Dan kluiz’naar weer, of milde Franciscaan, –
En nooit één stap van ’t zilv’ren beeld vandaan! –

Totdat hij voor zijn dood weer Judas wordt
En ’t beeld verkoopt dat hem heeft uitgedord,
Zijn zilverlingen dankbaar samenrapend.

 

Leda en de zwaan

De vijver had hij zelf gekozen, maar
De snit van hals en vleugels liet hij over
Aan ’t toeval van de zoete liefdestover.
Aan de bevreemdheid van een zwanenpaar,

Dat met hem meegleed, aarzelend, tot waar
Hij op de oever klom als vrouwenrover,
Zag hij maar al te goed: zij waren grover,
Veel grover dan de witte wandelaar.

Zo schoon was hij als zwaan, zo vreemd vervoerend,
Dat zij, hem op haar legerstee beloerend,
Een zwaan wenste te zijn die hem ontving.

Als bronstig manslijf lag hij in haar armen,
Ongodd’lijk zwetend, en zonder erbarmen
De droom vermoordend die zij onderging.

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

störtebeker

Ik ben de negende, een slechte plaats.
maar nog steeds loopt hij.
(Günter Eich)

nog steeds loopt hij, ziet het hoofd het lichaam aan
bij zijn tuimelen vooruit. maar waar
is hij, hijzelf? in deze laatste blikken
vanuit de mand of in het blinde hinken?
ik ben de negende en het is oktober;
de kou en het touw van hennep snijden dieper
in het vlees. wij knielen, op een rij, in plukken
wit de wolken boven ons, als plukte
men pluimvee daarboven – zoals voor feesten
de vrouwen. vader, die met bleke vuisten
de steel vasthield, en de glimmende bijl,
die knipperde in het licht. de kip onderwijl
liep bloedig, fladderend, zijn weg te vinden
tussen twee werelden, langs ons jolende kinderen.

 

Vertaald door Monique de Waal

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2018 en ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Alma Mathijsen, Günter Grass

De Nederlands schrijfster en journaliste Alma Mathijsen werd geboren in Amsterdam op 16 oktober 1984. Zie ook alle tags voor Alma Mathijsen op dit blog.

Uit: Ik wil geen hond zijn

“Je kijkt anders, iets maakt me bang. Je draait de pasta met vlotte bewegingen om je vork en schuift de ragout met je mes erbij. Je hebt haast om alles binnen te krijgen, terwijl ik meestal jouw bord leegeet. Lange tijd heb ik me daarvoor geschaamd, moest ik niet minder eten? Na een tijd liet ik dat los, ik kreeg in zekere zin alles. De liefde en het eten. `Ik weet het niet,’ zeg je. Je bord is leeg en je kijkt me aan. Al meer dan een jaar heb ik die woorden gehoord op elke vraag die ik je stelde. Waarom wil je nu niet praten? Waarom mag ik je niet aanraken? Waarom mag ik niet meer dicht tegen je aan kruipen? Ik weet precies wat je bedoelt maar durf het nog niet te horen. Nu ga ik niks terugzeggen, denk ik. Nu ga ik er heel lang over doen om mijn pasta op te eten. Ik heb me dat eerder voorgenomen, toen lukte het me nooit, ik ben te gretig en te gulzig. Mijn keel vernauwt. Elk hapje is te groot, het deeg raakt mijn gehemelte. Is dit hoe het voelt om niet van eten te houden? Je zei ooit dat je liever een pil zou slikken in plaats van alle maaltijden op een dag te moeten eten. Ik denk dat ik liever dood zou willen als ik niet zou mogen eten. `Ik weet het echt niet meer,’ herhaal je. Ik had gedacht dat je het nooit een tweede keer durfde te zeggen. Mag ik doen of ik het niet gehoord heb? Zodat we door kunnen leven? Zodat ik morgen mijn stuk voor de krant kan afmaken, terwijl jij de dekens nog wat hoger trekt om door te kunnen slapen. Ik weet het immers ook niet. Waarom we hier zijn, wat voor zin het heeft en of er een einde aan het heelal is. Al bedoelde je dat niet. Je bedoelde dat je echt niet weet hoe je ons beter moet maken, hoe wij gerepareerd moeten worden. Dat woord stoort me: echt. Dat je het écht niet meer weet. Alsof je het anders niet kan weten dan echt niet. `Ik ook niet,’ lieg ik. Ik weet duizend manieren en ik heb ze jarenlang aan je voorgelegd. Nog meer zomers in Italië, meer Aperol Spritz, de volgende dag  nog meer paracetamol, minder kleren, meer vuur en dan heb ik het over echte vuren die we zelf maken in de nacht, zelfs als de brandweer moet komen en wij ons verstoppen achter de rotsen. Nog meer eten dat jij niet op kunt en dat ik allemaal zal opeten zodat jij je niet hoeft te schamen voor de ober. Juist meer op de bank, in elkaar gevlochten, nog een keer The Lobster kijken, popcorn vinden tussen de kussens, die opeten en dan de hele avond peuteren tussen onze kiezen. Nog meer liedjes aan elkaar laten luisteren en ook dat ene waar ik me voor schaam. Ik zal meedrinken van de whisky die mijn keel rokerig en gebruikt achterlaat. Nog meer `fluit en andere namen voor mij die nergens op slaan maar uit jouw mond elke keer weer klinken als een liefdesverklaring. Meer vingers in mijn oor en op andere plekken. Nog meer spiegels en daarin kijken als je me vasthoudt of als je me neukt, liever dat, veel vaker dat. Toch praten, met anderen die we niet kennen, nog nooit ontmoet hebben, die zichzelf een therapeut noemen en niet luisteren naar wat we zeggen maar naar wat we bedoelen. En daarna overdag naar de bioscoop als de zon het felste schijnt. Nog meer op elkaars telefoon om de verhalen van anderen te bekijken, jouw feed is sowieso leuker dan de mijne. Nog meer rijden in de regen en nergens heen gaan. Nog een keer boven op me komen liggen, doodstil, alleen om je gewicht te voelen en dan uiteindelijk toch dat ene. Je rekent af. Ik moet huilen en jij kijkt. Ik durf niet nog een keer op te kijken omdat ik het niet aankan om te zien dat jij nog steeds niet huilt. Terwijl we naar huis lopen bekruipt me een heel ander gevoel. Plotseling heb ik geen zin meer.”

 

Alma Mathijsen (Amsterdam, 16 oktober 1984)

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

Kersen

Als de liefde op stelten
over de grindpaden port
en tot in de bomen reikt,
zou ik ook graag kersen
in kersen als kersen herkennen,

niet langer met armen te kort,
met ladders waaraan altijd
een sport ontbreekt
leven van gevallen fruit, compote.

Zoet en zoeter, haast zwart;
merels dromen zo rood
wie kust hier wie,
als de liefde
op stelten tot in bomen reikt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e oktober ook mijn blog van 16 oktober 2021 en ook mijn blog van 16 oktober 2018 en ook mijn blog van 16 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 16 oktober 2016 deel 2.

In Memoriam Louise Glück

In Memoriam Louise Glück

Vrijdagavond, 13 juli, werd bekend dat de Amerikaanse dichteres, essayiste, schrijfster en Nobelprijslaureaat Louise Glück dichteres op 80-jarige leeftijd is overleden. Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

 

Afterword

Reading what I have just written, I now believe
I stopped precipitously, so that my story seems to have been
slightly distorted, ending, as it did, not abruptly
but in a kind of artificial mist of the sort
sprayed onto stages to allow for difficult set changes.

Why did I stop? Did some instinct
discern a shape, the artist in me
intervening to stop traffic, as it were?

A shape. Or fate, as the poets say,
intuited in those few long ago hours—

I must have thought so once.
And yet I dislike the term
which seems to me a crutch, a phase,
the adolescence of the mind, perhaps—

Still, it was a term I used myself,
frequently to explain my failures.
Fate, destiny, whose designs and warnings
now seem to me simply
local symmetries, metonymic
baubles within immense confusion—

Chaos was what I saw.
My brush froze—I could not paint it.

Darkness, silence: that was the feeling.

What did we call it then?
A “crisis of vision” corresponding, I believed,
to the tree that confronted my parents,

but whereas they were forced
forward into the obstacle,
I retreated or fled—

Mist covered the stage (my life).
Characters came and went, costumes were changed,
my brush hand moved side to side
far from the canvas,
side to side, like a windshield wiper.

Surely this was the desert, the dark night.
(In reality, a crowded street in London,
the tourists waving their colored maps.)

One speaks a word: I.
Out of this stream
the great forms—

I took a deep breath. And it came to me
the person who drew that breath
was not the person in my story, his childish hand
confidently wielding the crayon—

Had I been that person? A child but also
an explorer to whom the path is suddenly clear, for whom
the vegetation parts—

And beyond, no longer screened from view, that exalted
solitude Kant perhaps experienced
on his way to the bridges—
(We share a birthday.)

Outside, the festive streets
were strung, in late January, with exhausted Christmas lights.
A woman leaned against her lover’s shoulder
singing Jacques Brel in her thin soprano—

Bravo! the door is shut.
Now nothing escapes, nothing enters—

I hadn’t moved. I felt the desert
stretching ahead, stretching (it now seems)
on all sides, shifting as I speak,

so that I was constantly
face to face with blankness, that
stepchild of the sublime,

which, it turns out,
has been both my subject and my medium.

What would my twin have said, had my thoughts
reached him?

Perhaps he would have said
in my case there was no obstacle (for the sake of argument)
after which I would have been
referred to religion, the cemetery where
questions of faith are answered.

The mist had cleared. The empty canvases
were turned inward against the wall.

The little cat is dead (so the song went).

Shall I be raised from death, the spirit asks.
And the sun says yes.
And the desert answers
your voice is sand scattered in wind.

 

Louise Glück (22 april 1943 – 13 oktober 2023)

A. F.Th. van der Heijden, Katha Pollitt

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

Uit: Gedichten Gods

“Je haalt het, pap. Je moet de Schepselen Gods nog schrijven.”
Hij richtte zijn kin op van zijn borst, en voor even ging het licht weer aan in zijn ogen, als achter vuil vensterglas. “In de Griekse grondtekst staat…”
“Rustig nou. Scheppingen Gods, ik weet het.”
“Gedichten Gods, Jol.”
“Zie je wel. Die moeten nog op papier. Je kunt nu niet doodgaan.”
“Lieve Jolente, stel je een man voor, en die man is je vader, en die heeft zich… na een wanhopige innerlijke strijd…”
“Telegramstijl. Je komt asem tekort.”
“Het onvermijdelijke. Legt zich erbij neer. Dan… respijt. Diagnose te voorbarig. Of… medicijn gevonden. Geen direct stervensgevaar meer. Familie in tranen van geluk. Vrienden feliciteren hem. Zijn verzwakte hart, dat juicht. Waarom? Die man, hij heeft zwaar werk verricht. Nu eens waardig, dan weer laf, zo heeft hij zich…”
“…voorbereid op de dood. Korte zinnen, pap.”
“Ja, met vallen en opstaan, zogezegd. En dan doen ze net alsof… de dood, nou, die is zijn deur voorbijgegaan… die is” – hier hoestte hij kort – “uit zijn balboekje geschrapt. Vreugde? Kom nou. Neerslachtigheid. Nu moet hij het hele proces straks nog een keer doormaken. Van voren af aan. Terwijl die eerste keer, toen hij het karwei niet mocht afmaken… dat ging zijn krachten al te boven.”
“Kort, lieverd. Je hebt weer halvemaantjes in je mondhoeken.”

“Met de dood in het reine… een tweede poging, dat overleeft hij niet. Dus, mijn lieve Jol, dus… mondje dicht. Probeer het me niet… uit het hoofd… Is goed zo. Vrede ermee. Een volgende keer, nee, dan zou ik er geen puf in hebben… er nog eens vrede mee te krijgen.”
“De Gedichten Gods, papa. Volhouden. Ooit vertelde je over die wandeling, van Freud met James. Ze kletsten over de laatste nieuwtjes uit de psychiatrie. Zo was het toch? En William James, die leed aan angina pectoris of zo, en die krijgt opeens een geweldige pijn in de borst, en die blijft stokstijf staan. Hoe ging het ook weer verder?”
De oude man had zijn ogen dicht. “James geeft zijn aktetas aan Freud… en zijn paraplu… en hij verzoekt Freud om door te lopen.”
“O ja, en dan blijkt dat de aanval niet meteen dodelijk is. De pijn zakt. William James zet er de sokken in, en haalt Freud weer in. Hij neemt zijn plu en zijn tas weer van Freud over, en ze kletsen verder. Dat verhaal, pap, dat heb je me niet voor niets verteld. Freud leed tot op dat moment aan verschrikkelijke doodsangsten. Toen hij James zo zag reageren, wilde hij de dood ook zo in de poppetjes van de ogen kunnen kijken. Net zo onverschillig. Dus, pap, of het nou bij die ene keer blijft, of dat je er vaker doorheen moet… God, papa, denk aan de Gedichten Gods. De mensen hebben nog iets van je tegoed.”
“Of Freud, toen die dacht dat het zijn tijd was… of die zijn aktetas en zijn paraplu heeft afgegeven…” Hij praatte nu heel zacht. “De geschiedenis, nee, die vermeldt het niet.”
“Put je toch niet zo uit, lieverd. Freud stierf in Londen. Daar heb je een plu tot het laatst toe hard nodig.”

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

Amor fati

Overal waar ik kijk, zie ik mijn lot.
In de metro. In een steen.
Op de stoeprand waar mensen in de regen op de bus wachten.
In een wolk. In een glas wijn.

Als ik in het park ga wandelen, is het een plataanblad.
Op kantoor, een saai potlood.
In de etalage van Woolworth kijkt mijn lot mij aan
door de sluwe ogen van een stoffige parkiet.

Stukje krant, dubbeltje in een handvol kleingeld,
Door welke drukke straat haast je je vanochtend,
een overjas tussen de overjassen,

met een trein die moet worden gehaald, een agenda vol afspraken?
Als ik je bij mijn naam zou noemen, zou jij je omdraaien
of om de hoek verdwijnen,
een zwakke geur achterlatend van oranjebloesemwater,
tabak, schemering, sneeuw?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katha Pollitt (New York, 14 oktober 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e oktober ook mijn blog van 15 oktober 2018 en ook mijn blog van 15 oktober 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten van der Graaff, Katha Pollitt

De Nederlandse dichter en schrijver Maarten van der Graaff werd geboren op 14 oktober 1987 in Dirksland. Zie ook alle tags voor Maarten van der Graaff op dit blog.

 

Eerste document

Ruimtelijke hoofdstructuur. Gloeiende onrust. Dat wil
zeggen. Je lezende schouders. Lezende rug. Waarom je dit leest. Rutger
Hauer. Jong. Lachend. Acht jaar. Naoorlogs. Uit feestgedruis. In je kinderkamer.
Bloed door de aderen. Der onleesbaarheid. Licht.
Aan de mouw van zijn shirt. Zaad. Driekleur.
Misschien te laat geboren. Van Heuven Goedhartlaan. Vloeit.
Een menigte. Nergens verankerd. Of in een land. Hoorde
daar. Een land. Ander licht. Dan woont hij hier. Acht.
Ideologische veren. Hij blijft voorlopig nog.
Zanger. In deze tijd. Lik de stront van je. Puinhopen. Op weg
naar. Extra. Alternatieve
parkeerplaats. Maar ook. Het goede.
Steeds één gezin. Wat men altijd noemde. Paars.

 

Tweede document

Wegwijzer voor de insprekers. Schriftelijke reacties indienen voor januari
1991. Blanje. Evidencebased. Oranje. Ik werd wakker in je. Verordening.
Westelijke randweg. Kan ik niet boos zijn. Op jou. Intensivering
van leerroutes. De inburgeraar is eigenaar
van zijn inburgering. Iedereen één oog sluiten. Nota. Fraai symbool.
Wat ook een ander van je zegt. Derde oplevering. Corredor Norte.
Conformité Européenne. Hergebruik.
We deelden krenten uit. Etymologisch.
Corinthe. Vriendschap. Die uit werk ontstaat. Stakeholders. Robuust.
Adaptief. Maar vooral een stelsel dat werkt. Brede
intake. Op andere manieren gelukkig. Collegiaal
bestuur. In het straatje. Of plotseling in de dode hoek. Opstaan.
Filerijden. Iedereen doet mee. Het liefst via betaald werk.
Nederland distributieland. Denk toch eens aan. Hergebruik.
Nieuwe tracés en halteplaatsen. Diep in mijn hart.

 

Derde document

Als ik vroeger terugkwam van vakantie en bij Zwijndrecht
de neonletters Van Leeuwen Buizen zag. Wist ik dat ik thuis was. Bovenbouw.
Die vanbinnen dingen doet. Alle lichtjes. Alle auto’s. Met een daktuintje. Het verleggen
van patronen. Van geluk. Volgende week. Staat in de agenda.
Van vorige week. Paradijsvogels. In dit. Privé-domein. Nu wil je weer
contact. De stad beloont creativiteit. Vrijwillig of anderszins. Driel-
Oost. De corridor Eindhoven/Veldhoven/
Welschap. Herneemt zich. En is daarin. Vier koersen. Dat voel ik.
Een gemiddelde huiskamer is voor zover ik gezien heb dan ook
een rare combinatie van nieuwe apparaten en oude gehechtheden.
Reusachtige encyclopedie van variaties. Kolommen. Aard en structuur.
Van heel mijn. Compagnie. Illusieloze witte steden. Schepen
zich in. Elk huis is tot barstens toe vol. Ruimtevreters. Een
watercorridor. De blauwe koers. Nu leest hij
oude formulieren. Intimiteiten. Dit is het lastigst. Het laatste woord. Te veel.
Schrijven.

 

Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

De oude buren

Het weer is omgeslagen en de oude buren sluipen naar buiten
vanuit hun overvolle kamers om te knipperen in de zon, alsof
ze tot hun verrassing merken dat ze weer een winter hebben meegemaakt.
Hoewel de hitte van de stoom ze bleek en gekrompen heeft gemaakt
zoals oude wortelgroenten,
zijn meneer en mevrouw Tozzi al
hard aan het werk in hun voortuin mini-Sicilië:
een Maagd Maria vogelbad, een struikgewas van rozen,
en de enige buitenaloë’s in Manhattan.

Het is het oude immigrantenverhaal,
de prachtige baby’s
opgegroeid tot buitenlanders. Niets
verliep zoals ze hadden gepland
als liefjes in de goten van Palermo. Maar toch,
elk zwaait met een met vuil aangekoekte hand
in geriatrische gemeenschap met Stanley,
de voormalige tattoo-koning van de Merchant Marine,
die de hoek omslaat met zijn ruige collie,
die nauwelijks drie is, maar artritisch
draaft uit sympathie. Het zijn alleen
de jongeren die zich afvragen of het leven de moeite waard is,
niet mevrouw Sansanowitz, die het afgelopen uur
langzaam over het trottoir schuifelde,
haar nieuwe aluminium rollator even voorzichtig
ophief en neerzette

als een spin die zijn web test. Op dagen als deze,
blijf ik lang staan
onder de wilde knoestige wortel van de oude blauweregen,
droge takjes die binnen een week
een zwakke regen van paarse bloesem zullen aankunnen,
en ik geloof het: dit is alles wat er is,
alle geschiedenis heeft ons hier naar ons enige leven gebracht
dat we konden vinden, als überhaupt al ergens,
onze hangende tuinen en onze straat van goud:
gebarsten stoepen, geraniums, brandtrappen, deze oude
achterblijvers die zich koesteren in hun beetje zon.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Katha Pollitt (New York, 14 oktober 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e oktober ook mijn blog van 14 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.