Manfred Flügge, Hans Verhagen, Tjitske Jansen, James Merrill, Kola Boof, Clifton Snider, Gudrun Pausewang

De Duitse schrijver Manfred Flügge werd geboren op 3 maart 1946 in Kolding, Denemarken. Zie ook alle tags voor Manfred Flügge op dit blog.

Uit: Das Jahrhundert der Manns

„Im Sommer 1997 reiste Frido Mann zum ersten Mal nach Nidden, einem kleinen Ort auf der Kurischen Nehrung. Oberhalb des Ostseestrandes stand noch immer das geräumige Sommerhaus seiner Großeltern. Bei einem Abstecher von Königsberg aus hatten sie den Ort im Jahr 1929 entdeckt und beschlossen, dort ein Feriendomizil zu errichten. Als das braungestrichene Holzhaus mit Strohdach und blauen Fensterläden im Sommer 1930 bezogen wurde, kam es zu einem Auflauf wie bei einem Volksfest. Die Einheimischen feierten den zum Nobelpreisträger avancierten Autor und seine Angehörigen. Auch in den beiden folgenden Jahren verbrachten die Manns hier ausgedehnte Ferien, dann beendete das Exil diese Phase. In wechselndem Besitz überdauerte das Gebäude die Jahrzehnte und Regime, ehe es im souveränen Litauen restauriert und als Thomas-Mann-Kulturzentrum eingeweiht werden konnte.
Frido Mann ist mehrmals wiedergekommen und konnte erleben, wie sich an diesem Ort auf der schmalen Landzunge zwischen Meer und Haff die Epochen überlagern und alle noch spürbar sind. 1997 reiste er auch in den brasilianischen Küstenort Paraty, wo seine Urgroßmutter Julia da Silva-Bruhns geboren wurde, die Mutter von Heinrich und Thomas Mann. Von Nidden bis Paraty, von Lübeck bis Venedig, von München bis Los Angeles, von Capri bis Halifax reichen die Schicksalswege der Mitglieder dieser besonderen Familie, deren Erlebnisse ein Jahrhundert beleuchtet und deren Werke alle Themen ihrer Zeit berührt haben.
»Die Manns kommen!« Dieser Schreckensruf tönte Thomas Mann entgegen, als er eines Tages in der Nähe seines Münchner Hauses mit seinem Hund spazieren ging. Ein paar Kinder flüchteten … vor seinem eigenen Nachwuchs. »Die Mannkinder«, wie man auch sagte, ärgerten ihre Nachbarschaft mit Telefonterror, Ladendiebstählen und anderen bösen Streichen (vielleicht weil im Haus des Vaters immer Ruhe herrschen musste). Kadidja Wedekind erinnerte sich: »Zuweilen, wenn wir so am Isarufer hinpilgerten, begegneten wir vor einer eleganten Villa einigen finster blickenden, etwas verwahrlosten Kindern, und wir erfuhren, daß dies ›Thomas Manns‹ seien.«
Der Roman, der den Grundstein für den Mythos der Familie Mann bildete, trägt in seinem Titel keinen bestimmten Artikel: Buddenbrooks.“

 
Manfred Flügge (Kolding, 3 maart 1946)
Cover 

Lees verder “Manfred Flügge, Hans Verhagen, Tjitske Jansen, James Merrill, Kola Boof, Clifton Snider, Gudrun Pausewang”

Chris Kraus

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster en filmmaakster Chris Kraus werd geboren in 1955 in New York en bracht haar jeugd door in Connecticut en Nieuw-Zeeland. Na het behalen van een BA aan Victoria University of Wellington, Nieuw-Zeeland, werkte Kraus vijf jaar als journaliste en vervolgens verhuisde zij naar New York City. Kraus was 21 jaar oud toen ze aankwam in New York en begon te studeren bij acteur Ruth Maleczech en regisseur Lee Breuer, wiens studio in de East Village Recherchez werd genoemd. Zij maakte deel uit van de toenmalige groeiende kunstscène van de stad rn maakte films en videokunst, ensceneerde voorstellingen en speelde op vele podia. In de late jaren 1970 was zij lid van The Artists Project, een door de stad gefinancierde onderneming van schilders, dichters, schrijvers, filmmakers en dansers. In haar werk als performance- en videokunstenaar hekelde zij de gender politiek van de Downtown scene waarbij zij een voorkeur had voor literaire stijlfiguren en theatrale technieken mengde met Dada, literatuurkritiek, sociaal activisme, en performance art. Kraus bleef tot het midden van de jaren 1990 films maken. Tot haar romans behoren “I Love Dick”, “Aliens & Anorexia”, “Torpor” en “Summer of Hate”. In “Video Green”, Kraus ‘eerste non-fictie boek onderzoekt zij de explosie van de kunst van de late jaren 1990 door high-profile graduate programma’s, die Los Angeles in het centrum van de internationale kunstwereld gekatapulteerd hebben.

Uit: I Love Dick

“My love for you was absolutely groundless, as you’d pointed out that night in January in the company of my husband. It was about the only time you ventured an opinion past your sexy cryptic silence, the silence that I’d written on. But what does “groundless” really mean? My love for you was based upon a single meeting in December which you finally described in an exasperated letter to my husband as “genial but not particularly intimate or remarkable.” Yet this meeting had driven me to write more words to you than there were numbers on that EDL, 250 pages and still counting. Which in turn led to the rental car, this rainy drive along Route 126, this plan to visit you.
At that time in your life, you said, you were experimenting with never saying No.
I got off the plane at 7 buzzed with warm air, palms and jetlag serotonin, picked up a rental car and started north on 405. But I was nervous too, like walking through a script you know’s already been written except the outcome’s been withheld. Not giddy nervous. Nervous as in dark with dread. My outfit’s dreadful. I watch the road, smoke and fiddle with the radio. I’m wearing black Guess jeans, black boots, an iridescent silver shirt, the black bolero leather jacket that I bought in France. It’s what I planned but now it’s making me feel gaunt and middle-aged.
Eleven weeks ago I’d tailed your gorgeous car along 5 North en route to that “genial but not particularly intimate or remarkable meeting” at your house between my husband, you and I. And everything then seemed different: delicious, charged. The three of us got very drunk and there was all this strange coincidence. There were just three books in your living room. One was Gravity & Grace, the title of my film. I was wearing the snake pendant that I’d bought in Echo Park; you told a story about shooting a video outside your house when a snake magically appeared. All night I was playing Academic Wife, helping you and Sylvère Lotringer exchange ideas and then you mentioned David Rattray’s book and that was very weird. Because all night long I’d felt his ghost beside me and David had been dead almost two years. You looked at me and said: “You seem different than the last time that we met. As if you’re ready to come out.”

 
Chris Kraus (New York, 1955)

Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit:Moeder de gans
     Over sprookjes in het algemeen en over Charles Perrault in het bijzonder

“Wie herinnert zich niet haar wonderlijke stem, murmelend in onze verre, verre kinderjaren? Wie heeft niet gezucht van opwinding als de arme vrouw van Blauwbaard (was het zijn tiende? was het zijn twaalfde?) daar hoog op de toren roept: ‘Zuster Anna! Zuster Anna! Ziet gij nog niets komen?’ Nu, zolang zuster Anna nog niets ziet mogen wij opblijven, dat is zeker. Want zelfs uw oudste broer, die geheimzinnige bezigheden heeft op een groot kantoor ergens in de wereld, heeft zijn pijp laten uitgaan en luistert met een vreemde glimlach. Doch als hij zich betrapt ziet, schrikt hij en duikt weg achter zijn krant, want sprookjes vindt hij onzin.
Dat zijn ze ook. Maar we zijn ermee groot geworden en er is iets van die onzin diep in ons zelf blijven zitten. Op sommige zomeravonden komt dat nog wel eens naar boven en dan weten we zelf niet goed hoe we het hebben. Het kan dan gebeuren, dat een ernstig makelaar in effecten plotseling achter het rozenboompje in zijn tuin een kabouter meent te zien; hij wrijft zijn ogen uit en de kabouter is weg. Wat was dat? Het was veel meer van Moeder Gans in ons gebleven dan wij zelf wel weten. […]
Hoe oud ze precies zijn weet geen sterveling, evenmin als men de plaats kent waar ze vandaan komen. Hierover zijn boeken geschreven, veel dikker dan de sprookjes zelf, maar ik moet mijn lezers waarschuwen: ze zijn niet zo spannend. Het eerst hielden Duitse vorsers zich met deze vraag bezig en zij kwamen na veel nadenken tot de natuurlijke slotsom, dat de sprookjes uit Duitsland stamden. Zo zegt bijvoorbeeld Franz Linnig in zijn Deutsche Mythenmärchen (1883), over Roodkapje sprekend: ‘Das Märchen von der kleinen süssen Dirne, die alle Leute so lieb haben, ist den deutschen Kinderherzen so innig verwachsen, das mann an einen fremden Ursprung kaum zu denken wagt’ Niet treffender kan worden aangetoond dat de wens de vader van gedachte is! Een andere Duits geleerde Theodor Pletscher, tekent tegen deze doorzichtige inbeslagneming dan ook protest aan [en merkt op dat de bekendste sprookjes, ook die in Duitsland het bekendst zijn, al lang in Frankrijk hun definitieve vorm hadden gevonden voor zij in Duitsland als volkssprookjes werden opgeschreven].”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Lees verder “Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany”

Rinske Kegel

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres, schrijfster en illustratrice Rinske Kegel werd geboren in Haren in 1973. Zij werkt als trainingsactrice en op het gebied van communicatie en groepswerk. Daarnaast geeft zij schrijf- en voordrachtworkshops. Kegel publiceerde onder andere bij literair tijdschrift Op Ruwe Planken, De Gids, Extaze, Het Liegend Konijn en De Uitvreters. Ze won de derde prijs van de Oostende Poëzieprijs 2013/2014 en de eerste prijs van de VUMC Poëzieprijs 2015.  Ze trad op bij onder andere Onbderf’lijk Vers en Dichters in de Prinsentuin. Ze bracht onlangs zelf een bundel uit met tien gedichten: “Als ik win verlies ik mijn reputatie als verliezer”.

Toen je al weg was

Bij de flessen water kon je niet kiezen welke
ik wilde zo graag dat ik niet hoefde te kiezen
toen we in het park aankwamen jij bij mij
achterop en er van dronken zaten er bubbels in

we kochten aardbeien
ik kocht aardbeien
ik kocht alles
ik betaalde alles en mijn fiets viel om
en die raapte ik zelf op
er vielen nog meer fietsen om
ik raapte alle fietsen op

jij wilde liggen je wilde in de aarde
zakken en ik wilde je hier houden
maar de zwaartekracht had zijn
werk al gedaan en je lachte naar me
als een vader naar een kind dat knoeit

Je deelde aardbeien uit aan andere mensen
in het Vondelpark
je zei zo doen ze dat in Berlijn

 

Slaap je 

als ze niet meer brabbelt en lege dromen
inademt, onder handen wordt genomen,
weg genomen terwijl ze nog een luier draagt
trekt de navelstreng zich om mijn moederhart

als ze wakker wordt, niet klaagt maar speelt
met slangetjes en stethoscoop klopt alles weer
harder dan daarvoor, wat zijn de ramen groot

we tekenen met pen haar lijfje vol
met littekens, nu valt dat ene het niet meer op

slaap je, je lijkt wel dood.

 
Rinske Kegel (Haren, 1973)

Jan Eijkelboom, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

De kunst

In die tijd trokken amateurs
met zwarte kastjes er op uit
om in een poortdoorgang
het tegenlicht te vangen

dat door de lindeblaadjes scheen.
Of ze betraden gretig het park
op de dag van de eerste sneeuw.
Vanaf meegenomen keukentrapjes

legden zij vast hoe ijzel of rijp
van takjes toverstokjes maakte.
Ook ik verbalisant betrapte

dat voortvluchtig licht en
sloot het op in een sonnet
waaruit het ijlings is ontsnapt.

 

Hij had geen talent

Hij had geen talent voor tragiek,
verdonkeremaande rampspoed
bij het leven, meanderde
door een landschap tot aan
een toevallige stad
waar hij plotseling zag:
hier kom ik vandaan.

Af en toe viel hem in
dat hij misschien wel bestond.
Ook zag hij een vrouw
van wie het bestaan
met geen pen
te ontkennen.

Ze paarden en hadden geluk.
Toen hij later tot zijn verbazing
het leven moest laten
liet hij één boodschap na:
als jullie mij gaan verstrooien
ga dan met je rug naar de wind toe staan.

 

Vox humana

In een klein dijkhuis staat,
ziet hij door ’t uitvergrote raam,
het oude orgel bijna naakt.
Over de toetsen ligt een loper.
Tussen de twee koop’ren kandelaars
staat een gezangboek open.
Hij hoort weer het asmatisch steunen:
loflied of klaagzang – eender zeurt
deze muziek, tot hij die deur
snel weer vergrendelt. En toch,
o mocht hij nog een keer,
geknield voor ’t orgelfront,
de trappers voor de vrouw bewegen
die boven hem haar psalmen zong.

 

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Lees verder “Jan Eijkelboom, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer”

Delphine de Vigan

De Franse schrijfster en filmmaakster Delphine de Vigan werd geboren op 1 maart 1966 in Boulogne-Billancourt. Na haar studie letterkunde en toepaste wetenschappen werd ze directrice studies aan een instituut voor enquêtes. Onder het pseudoniem Lou Delvig, schreef ze haar eerste autobiografisch geïnspireerde “Jours sans faim” (2001), waarin de strijd van een jonge vrouw tegen anorexia vertelt wordt. Een verhalenbundel en een tweede roman volgden in 2005, gepubliceerd onder haar echte naam. In augustus 2007 publiceerde de Vigan “No et moi” waarvoor zij de Prix des Libraires en de Prix du Rotary kreeg en die bewerkt werd voor de film door Zabou Breitman. In “Les heures souterraines”, genomineerd voor de Goncourt, hekelt zij de intimidatie op de werkplek. In 2011 verscheen “Rien ne s’oppose à la nuit“, waarin zij vertelt over haar moeders lijden aan een bipolaire stoornis. Daarmee won zij de Prix du Roman Fnac, de Prix des lectrices de Elle, de Prix Roman France Télévisions en de Prix Renaudot des lycéens. In hetzelfde jaar schreef zij samen met Gilles Legrand het scenario voor “Tu seras mon fils”. In 2013 regisseerde Delphine de Vigan haar eerste film “A coup sûr”,waarvoor zij samen met Chris Esquerre het scenario schreef. In 2015 won ze de Prix Renaudot en de Prix Goncourt des lycéens voor haar roman « D’après une histoire vraie”.

Uit : D’après une histoire vraie

“Quelqucs mois après la parution de mon dernier roman, j’ai cessé d’écrire. Pendant presque trois années, je n’ai pas écrit une ligne. Les expressions figées doivent parfois s’entendre au pied de la lettre : je n’ai pas écrit une lettre administrative, pas un carton de remerciement, pas une carte postale de vacances, pas une liste de courses. Rien qui demande un quelconque effort de rédaction, qui obéisse à quelque préoccupation de forme. Pas une ligne, pas un mot. La vue d’un bloc, d’un carnet, d’une fiche bristol me donnait mal au cœur.
Peu à peu, le geste lui-même est devenu occasionnel, hésitant, ne s’exécutait plus sans appréhension. Le simple fait de tenir un stylo m’est apparu de plus en plus difficile.
Plus tard, j’ai été prise de panique dès que j’ouvmis un document Word.
Je cherchais la bonne position, l’orientation optimale de l’écran, i’e‘tirais mes jambes sous la table.
Et puis je restais là, immobile, des heures durant, les yeux rivés sur l’écran.
Plus tard encore, mes mains se sont mises à trembler dès que je les approchais du clavier.
J’ai refusé sans distinction toutes les propositions qui m’ont été adressées : articles, nouvelles de l’été, préfaces et autres participations à des ouvrages collectifs. Le simple mot écrire dans une lettre ou un message suffisait à me nouer l‘estomac.
Écrire, je ne pouvais plus.
Écrire, c’était non.
Je sais aujourd’hui que différentes rumeurs ont circulé dans mon entourage, dans le milieu littéraire et sur les réseaux sociaux. Je sais qu‘il a été dit que je n’écrirais plus, que j’étais parvenue au bout de quelque chose, que les feux de paille, ou de papier, toujours, finissent par s’éteindre. L‘homme que j’aime s’est imaginé qu’à son contact j’avais perdu l’élan, ou bien la faille nourricière. et que par conséquent je ne tarderais pas à le quitter.
Lorsque des amis, des relations, et parfois même des journalisres se sont aventurés à me poser des questions sur ce silence, j’ai évoqué différents motifs ou cmpêchements parmi lesquels figuraient la fatigue, les déplacements à l’étranger, la pression liée au succès, ou même la fin d’un cycle littéraire.”

 

 
Delphine de Vigan (Boulogne-Billancourt, 1 maart 1966)