Bij het kruis (Willem de Mérode),Tomas Tranströmer

 

Bij Goede Vrijdag

 

Christus gekruisigd met de Maagd, Johannes en Maria Magdalena door Anthony van Dyck, ca. 1622

 

Bij het kruis

Dwaasheid, ergernis, kracht Gods”
PAULUS

Ik heb op Golgotha gestaan
En zag ’t gelaat van Jezus aan,
Dien men als een ellendeling
Aan ’t kruishout hing.

Daar rees zijn lichaam angstig bloot,
Zijn oogen duistrend naar den dood,
Handen en voeten smart-gekromd,
Den mond in drogen dorst verstomd.

Is dit een Heiland naar mijn wensch,
Een veeg en afgefolterd mensch?
En kan dit zwartgeronnen bloed
Een balsem zijn voor mijn gemoed?

Toen heeft mijn ziel tot U geschreid
In groote godverlatenheid:
Heb met ons beiden medelij,
O Heer, verlos Uzelf en mij.

Toen doofdet Gij der zinnen schijn
Als lampen die niet noodig zijn.
En als een lauwe regen viel
Uw bloed in mijn verlepte ziel.

Toen zag ik dwaze zwakkeling
Den Heer, Die voor den hemel hing,
Die al mijn zonden en mijn smart
Leed aan zijn doodbekropen hart.

Wat wordt Uw bitterheid mij zoet!
O Heer, er daalt een honingvloed
Van liefde uit Uw gescheurde zij.
Gij dorst en derft en lenigt mij.

Ik weet, voor wien Gij sterven woudt,
Aan dit van God vervloekte hout.
Ik moest daar hangen, ziel en lijf
Der wereld tot een tijdverdrijf.

Gij wilt U geven, en Gij sterft
Voor mij, die dikwijls van U zwerft.
Maar in mijn weergekeerd gemoed
Leeft Gij, en Gij leeft mij voorgoed.

Aanzie, aanzie mijns harten rouw
En ken, die U niet kennen wou.
En gun uw fellen moordenaar
Een woord van troost, een enkel maar.

Ik weet wel, dat Gij mij bemint,
Maar ach, een ongehoorzaam kind

Zal schreien en niet zijn gerust
Eer ’t is getroost en afgekust.

Wat wordt Uw bitterheid mij zoet.
O Heer, er is een honingvloed
Voor mij, die overal U zocht
En aan het kruis U vinden mocht.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk, Groningen, de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

De Zweedse dichter en schrijver Tomas Tranströmer werd geboren in Stockholm op 15 april 1931. Zie ook alle tags voor Tomas Tranströmer op dit blog.

 

WOLKBREUK BOVEN HET BINNENLAND

De regen hamert op de autodaken.
Het onweer rommelt. Het verkeer mindert vaart.
Autolichten midden op de zomerdag ontstoken.

De rook slaat neer in de schoorstenen.
Alles wat leeft duikt in elkaar, sluit de ogen.
Een naar binnen gekeerde beweging, voel het leven heviger.

De auto is bijkans blind. De man stopt,
ontsteekt zijn eigen vuur en rookt
terwijl het water langs de ruiten stroomt.

Hier op een bosweg, kronkelend en afgelegen
vlakbij een meer met waterlelies en
een langgerekte berg verdwijnend in de regen.

Daarboven liggen de steenhopen
uit het ijzeren tijdperk toen dit een plek was
voor stamtwisten, een koudere Kongo

en het gevaar dreef vee en mensen bijeen
tot een gemurmel achter muren,
achter de struiken en stenen op de bergkam.

Een donkere helling, iemand die log
omhoog klimt met zijn schild op zijn rug
daaraan denkt hij terwijl de auto staat.

Het wordt licht, hij draait het raampje open.
Een vogel fluitkletst in zichzelf
in een steeds dunnere stille regen.

Het meeroppervlak staat gespannen. De onweershemel
fluistert dwars door de lelies tegen de modder.
De ramen van het bos gaan langzaam open.

Maar de donder knalt regelrecht uit de rust!
Een oorverdovende klap. En daarna de leegte
waarin de laatste druppels dalen.

In de stilte hoort hij een antwoord komen.
Van verre. Een soort ruwe kinderstem.

Vanaf de berg stijgt een geloei op.

Een gejammer van samengekitte tonen.
Een lange hese trompet uit de ijzertijd.
Misschien vanuit zijn eigen binnenste.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Tomas Tranströmer (15 april 1931 – 26 maart 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e april ook mijn blog van 15 april 2020 en eveneens mijn blog van 15 april 2019 en ook mijn blog van 15 april 2018 deel 3.

Gethsemane (Mary Oliver), Seamus Heaney

 

Bij Witte Donderdag

 

Jezus wast de voeten van de apostelen door Duccio di Buoninsegna, 1308-11

 

Gethsemane

The grass never sleeps.
Or the roses.
Nor does the lily have a secret eye that shuts until morning.
Jesus said, wait with me. But the disciples slept.
The cricket has such splendid fringe on its feet,
and it sings, have you noticed, with its whole body,
and heaven knows if it ever sleeps.
Jesus said, wait with me. And maybe the stars did, maybe
the wind wound itself into a silver tree, and didn’t move,

maybe, the lake far away, where once he walked as on a
blue pavement, lay still and waited, wild awake.
Oh the dear bodies, slumped and eye-shut, that could not
keep that vigil, how they must have wept,
so utterly human, knowing this too
must be a part of the story.

 

Mary Oliver 10 september 1935 – 17 januari 2019)
St. Andrew Church in Maple Heights, Ohio, de geboorteplaats van Mary Oliver

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

 

De rugwaartse blik

Wankeling in lucht,
alsof een taal hier
te kort schoot, kunst-
greep van vleugels.

Het geblaat van de snip,
de nestgrond ontvluchtend
naar een dialect,
naar varianten,

transcripties gonzend
op de natuurmonumenten –
kleine geit van de lucht,
van de avond,

kleine geit van de vorst.
Zijn staartveren zijn ’t die,
elegiëen trommelend
in de slipstroom

van wilde gans
en gele roerdomp,
zich een weg wentelend
door de gewelven

waarop wij teren, zijn vlucht
door sluipschutters schuilhoek,
over schemerige schansen
en wallen van aarde,

verdwijnen tussen
de resten, glimmend
in de nissen
van een veldwerkersarchief.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Seamus Heaney (13 april 1939 – 30 augustus 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e april ook mijn blog van 14 april 2020 en eveneens mijn blog van 14 april 2019.

Nachoem Wijnberg, Seamus Heaney

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

 

Niet als een vogel

In vrouwen zijn
kleineren vrouwen,
soms grotere vrouwen
en nog grotere vrouwen in die vrouwen.

De mannen
laten zien aan wie niet kan
door te doen alsof zij bijna niet kunnen
tussen schaduwen stil zitten.

Zij laten zien aan wie kan vliegen,
niet als een vogel
maar als een vogel die uit een vogel
gehaald wordt en weer teruggezet.

 

Eerst dit dan dat

Allebei de schoenen?
Een schoen doe je uit
als een vrouw bij je op bezoek komt
en je niet met haar wilt trouwen.

Eerst stilte, dan uitleg;
eerst duidelijk, dan verbazend;
eerst de rechterschoen, dan de linkerschoen,
dan de linkersok, dan de rechtersok.

Is er iemand die daarover geen gedicht zou willen schrijven?
Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken.

 

Het paard

Een rechtvaardig man kwam op een paard aan.
Hij sliep met alle vrouwen uit een dorp
zonder te letten op een gezicht of een hand.
Het paard stond over hem als hij in een veld
met een vrouw lag. Als hij in een huis
verdween wachtte het paard voor de ingang.

Als men het paard alleen zag wierp men
scherpe stenen en zand naar hem. Het voedsel
nam men weg dat de man voor het paard neerlegde.
De huid van het paard ging kapot en het paard
werd steeds magerder. Ten slotte kon het paard
niet meer rechtop staan met de man in het zadel.

Daarom liepen zij voortaan naast elkaar
door het dorp. Zelfs de jongere vrouwen
deden het hinken en angstig kijken van het paard na.

 

Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

 

Spitten

Tussen mijn vinger en mijn duim
rust de gedrongen pen, knus als een buks.

Onder mijn raam een helder raspend graven
als de spa zinkt in grinderige aarde:
mijn vader die spit. Ik kijk ernaar

tot zijn gespannen romp zich laag over
de bloembedden buigt, twintig jaar verder weer
opduikt, ritmisch bukkend tussen aardappelrijen
waar hij spitte.

De lompe schoen op het ijzer genesteld, de steel
stevig kantelend over binnenkant knie.
Hij ontwortelde hoog loof, begroef de scheprand diep
om nieuwe aardappels rond te strooien die wij raapten,
genietend van hun koele hardheid in onze handen.

Mijn god, kon die ouwe een spa hanteren.
Net als zijn ouwe.

Mijn grootvader stak meer turf op een dag
dan alle andere mannen op Toners veld.
Eens bracht ik hem melk in een fles,
morsig gekurkt met papier. Hij strekte zich
om hem leeg te drinken, ging toen meteen weer aan ’t werk,
afgepast stekend en snijdend, plaggen over
zijn schouder gooiend, omlaag en omlaag
naar de goede turf. Spittend.

De koude geur van teelaarde, het zuigen en kletsen
van slappen turf, het straffe snijden van een scheprand
door levende wortels, worden wakker in mijn hoofd.
Maar ik heb geen spa om zulke mannen op te volgen.

Tussen mijn vinger en mijn duim
rust de gedrongen pen.
Ik zal ermee spitten.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Seamus Heaney (13 april 1939 – 30 augustus 2013)
Portret door B. Mullan, 2020

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e april ook mijn blog van 13 april 2019 en ook mijn blog van 13 april 2018 en ook mijn blog van 13 april 2014.

Antje Rávic Strubel, Mark Strand

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Blaue Frau

Jede Nacht sind die Autos zu hören. Das Rauschen der Autos auf den dreispurigen Straßen und das Rascheln der Blätter am Vogelbeerbaum. Das sind die Geräusche. Sie dringen durch das Fenster herein, das einen Spaltbreit geöffnet ist. Das Meer hört man nicht. Die Ostsee, die im Süden liegt, jenseits der Plattenbauten, in einer Bucht mit verschilften Ufern, die im Winter schnell zufrieren wird. Peitschenlampen säumen die Wege. Nachts fällt ihr bleiches Licht auf den Bordstein und auf den Balkon der kleinen Wohnung, der zur Straße zeigt. Die metallenen Lampenschirme schwanken im Wind. Das Schlafzimmer zeigt zum Hof, wo es einen Spielplatz gibt, einen Verschlag für die Fahrräder und den Vogelbeerbaum. Die Wände der Wohnung sind weiß und leer bis auf den Spiegel im Flur. In der Küche hängen zwei Postkarten über der Spüle. Auf der einen Karte fahren gelbe Taxis durch eine Straßenschlacht in New York. Auf der anderen, einer Schwarzweiß-aufnahme, sitzen zwei Frauen in einem Pariser Straßencafé. Sie tragen Glockenhüte aus den zwanziger Jahren des letzten Jahrhunderts und elegante Röcke. Das sind die Bilder. Die Blumentöpfe im Metallregal auf dem Balkon sind unbenutzt Spinnweben haben sich dort verbreitet Die Spinnen leben noch. Es ist September. Am Horizont, wo Lagerhallen und ein riesiger Sendemast die Reihen der Plattenbauten begrenzen, türmen sich Wolken-berge auf. Der Sendemast ist der einzige Orientierungspunkt in den identischen Straßen.
Niemand weiß, wo sie ist. Die Wanduhr zeigt halb drei. Das silberne Zifferblatt stellt den Weltatlas dar. Einen Sekundenzeiger gibt es nicht, nur ein kleines rotes Flugzeug, das die silberne Welt umrundet. Jede Weltumrundung dauert bloß eine Minute, und doch sieht es langsam, fast gemächlich aus. Ein Schatten fliegt unter dem Flugzeug mit und ist ihm manchmal ein kleines Stück voraus, je nachdem, wie der Lichteinfall ihn auf die glänzende Erde wirft. Sie könnte überall sein. Nina. Sala. Adina. In der Küche gibt es ein paar Töpfe, einen Wasserkocher und eine fleckige Espressokanne. Die Kanne fiept, wenn unter Druck Wasserdampf aus dem Ventil am Kessel tritt. Auf den Tassen im Schrank steht in Großbuchstaben IKEA. Die Wohnung sieht nach einer echten Wohnung aus, nach einem Menschen. Ein paar Bücher sind da, Kerzenständer, Hochglanz-magazine übers Kochen und Reisen. Im Flur liegt ein abgewetzter Läufer. Walkingstöcke stehen an der Garderobe. Das sind die Gegenstände. Sie stellt die Walkingstöcke in den Schrank im Flur. Aus dem Bad ist einlaufendes Wasser zu hören.“

 

Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

Het nieuwe poëziehandboek

1
Als iemand een gedicht begrijpt
zal hij problemen krijgen.

2
Als iemand met een gedicht leeft
zal hij eenzaam sterven.

3
Als iemand met twee gedichten leeft
zal hij er een ontrouw zijn.

4
Als iemand een gedicht ontvangt
zal hij een kind minder krijgen.

5
Als iemand twee gedichten ontvangt
zal hij twee kinderen minder krijgen.

6
Als iemand een kroon op zijn hoofd draagt als hij schrijft
zal hij worden betrapt.

7
Als iemand geen kroon op zijn hoofd draagt als hij schrijft
zal hij niemand misleiden buiten zichzelf.

8
Als iemand kwaad wordt op een gedicht
zal hij door mannen worden veracht.

9
Als iemand op een gedicht kwaad blijft
zal hij door vrouwen worden veracht.

10
Als iemand poëzie publiekelijk beschuldigt
zullen zijn schoenen zich met urine vullen.

11
Als iemand poëzie voor macht opgeeft
zal hij heel machtig worden.

12
Als iemand over zijn gedichten opschept
zal hij door dwazen geliefd worden.

13
Als iemand over zijn gedichten opschept en van dwazen houdt
zal hij niet meer schrijven.

14
Als iemand vanwege zijn gedichten naar aandacht hunkert
zal hij als een onbenul in maanlicht zijn.

15
Als iemand een gedicht schrijft en het gedicht van een collega prijst
zal hij een beeldschone minnares krijgen.

16
Als iemand een gedicht schrijft en het gedicht van een collega overdreven prijst
zal hij zijn minnares verjagen.

17
Als iemand het gedicht van een ander opeist
zal zijn hart in omvang verdubbelen.

18
Als iemand zijn gedichten bloot laat zijn
zal hij de dood vrezen.

19
Als iemand de dood vreest
zal hij door zijn gedichten worden gered.

20
Als iemand de dood niet vreest
wordt hij al dan niet door zijn gedichten gered.

21
Als iemand een gedicht afmaakt
zal hij baden in het blanke spoor van zijn passie
en door het witte papier worden gekust.

 

Vertaald door Mischa Andriessen

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e april ook mijn blog van 12 april 2019.

Leonard Nolens, Mark Strand

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

 

De infinitief

Jezelf zijn.
Jezelf zijn om het even wie.
Maar jezelf zijn.

Je rechterhand verkwanselen
Aan vreemden, je geboorterecht vertalen
In een ander, tot huilens toe trainen
In scheelzien naar doelen, je kop
Verliezen in muizenissen van vrienden,
Maar jezelf zijn.
Jezelf zijn om het even wie.
Maar jezelf zijn.

Je eigenliefde kopen
Van straatventers, met je zelfhaat
Honden dresseren, met je hartaandoening
Honderden klokken gelijkzetten daar
In een land overzee, in het holst
Van de nacht elektronisch bankieren
Als snotaap van zeven, verdwaald
In zijn verdwenen ouderhuis.

Maar jezelf zijn.
Hoe prachtig, hoe vermoeiend,
Jezelf zijn om het even wie.

 

God

Ik kwam aan het licht in het gat van je afwezige natuur.
Ik lag er blind in de armen van moeder en las je boek.
Ik was doof in de pot van de wereld en hoorde je naam.

In dat donker werd ik groot van je natuurlijke afwezigheid.
Ik hield er al mijn kracht verzameld rond je leegte.
Zo werd me vroeg geleerd te geloven in het onbestaande,
In de droom die als een aftelvers door alle generaties gaat.

 

Schemering

Ik ben de zoon van hem die morgen wordt geboren
En de vader van de jōngen die mijn ouders verwekt.
Ik ben de dochter van het inzicht dat moet komen
En de moeder van de hoop die mij nu schept.
Ik ben de oudste minnares van de knaap die ik was
En de trouwste weduwnaar van ieder lief in zak en as.

Ik leef niet en ik ben niet dood, ik waak noch slaap,
En in die derde wereld moet ik altijd wonen.
Ik ben er als een vreemde kind aan huis, begaap
De penningmeester van mijn voddenbak met dromen,
De beheerder met mijn broodzak in zijn hoofd.
Ik ben hun luis, hun muis, en leef niet, kan niet dood.

 

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

Die laatste ogenblikken

We waren in een ander land, spraken over de oorlog
Waar wel geen eind aan zou komen en over onze leiders
Die niets ondernamen, toen we het uur naderbij
Voelden kruipen en bedachten hoe mensen overal
Langs de kust langzaam de slaap in versuften.
De wind wakkerde aan, regen striemde het leien dak
En het uitzicht op zee, plette distels en gras.
Opeens stopte de regen en even was alleen
Het doffe gebeuk van golven tegen de kust te horen.
Ik zat aan tafel, leegde mijn glas, draaide me om
En zag je staan in de gang voor de spiegel alsof
Je op zoek was naar iemand die hier ooit was geweest.
De katoenen paarsblauwe jurk gleed schouder na schouder
Van je af op de grond. Ik keek hoe de nachtschaduw
Je bleke vleesplooien rondde. Het restant
Van de dag – een dunne streep licht in het westen –
Gleed stil in de zee en de wereld waarover we hadden
Gesproken was nog altijd gevaarlijk, leek buiten bereik.

 

Vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2020 en eveneens mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Palm-Sunday (Henry Vaughan)

 

Bij Palmzondag

 

Palmzondag door Albert Stevens, 1862

 

Palm-Sunday

Come, drop your branches, strow the way
Plants of the day!

Whom sufferings make most green and gay.

The King of grief, the man of sorrow
Weeping still, like the wet morrow,
Your shades and freshness comes to borrow.

Put on, put on your best array;
Let the joy’d rode make holy-day,
And flowers that into fields do stray,
Or secret groves, keep the high-way.

Trees, flowers & herbs; birds, beasts & stones,
That since man fell, expect with groans
To see the lamb, which all at once,
Lift up your heads and leave your moans!
For here comes he
Whose death will be
Mans life, and your full liberty.

Hark! how the children shril and high
Hosanna cry,
Their joys provoke the distant skie,

Where thrones and Seraphins reply,
And their own Angels shine and sing
In a bright ring:
Such yong, sweet mirth
Makes heaven and earth
Joyn in a joyful Symphony,

The harmless, yong and happy Ass,
Seen long before this came to pass,
Is in these joys an high partaker
Ordain’d, and made to bear his Maker.

Dear feast of Palms, of Flowers and Dew!
Whose fruitful dawn sheds hopes and lights;
Thy bright solemnities did shew,
The third glad day through two sad nights.

I’le get me up before the Sun,
I’le cut me boughs off many a tree,
And all alone full early run
To gather flowers to wellcome thee.

Then like the Palm , though wrong, I’le bear,
I will be still a childe, still meek
As the poor Ass, which the proud jear,
And onely my dear Jesus seek.

If I lose all, and must endure.
The proverb’d griefs of holy Job ,
I care not, so I may secure
But one green Branch and a white robe .

 

Henry Vaughan (17 april 1622 – 28 april 1695)
St. Ffraid, de parochkerk in Llansanffraid, de geboorteplaats van Henry Vaughan

 

Zie voor de schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2021 en ook mijn blog van 10 april 2020 en eveneens mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2.

Eva Gerlach, Johannes Bobrowski

De Nederlandse dichteres en vertaalster Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) werd geboren in Amsterdam op 9 april 1948. Zie ook alle tags voor Eva Gerlach op dit blog.

 

Psalmen

1.
Leg je mij strikken, Heer? Moet ik als Job
mijn dag vervloeken? Ach, vernieuw mij. Neuken,
roulette spelen, op het orgel beuken –
in jouw dienst kan een mens zijn lol wel op.

2.
Als ik de kans maar kon berekenen
dat ik je tref. Je zou de bank zien springen,
en het zou niks voor ons betekenen.
We zouden buiten ‘Hai Boer Hai’ gaan zingen.

3.
Het vriest. Het gras wordt zwart. Ik hou niet meer

zoveel van je als vroeger, Heer. Ik ken je
beter, dat zal het zijn. Toch, met dit wee
wordt het mij koud om het hart. Kom op, waar ben je?

 

Incipit

Mijn vader heeft mij de doorgang versperd,
slagbomen zijn de spijlen van zijn bed:
ik ben zijn vlees, dat hem vijandig werd,
ik heb mijn hart tot zijn woord niet gezet.

Hij heeft zich voor het laatst aan mij gestoten,
hij staat niet op. Ook is hij niet verslagen.
Zijn koude aard ligt in mij opgesloten.
Zijn harde schedel wordt mij nagedragen.

 

Oppas

Bericht aan mijn lichaam. Regel de zaken
zoals je bent gewend; zet de deur vast
na donker, vertrouw niemand die aanklopt;
laat de hond uit, zorg’s avonds licht te maken
en maai het gras, dat ik niet word gemist.

Er staat vlees in de kelder, eet het op.
Schone handdoeken liggen in de kast.

Ik kom terug zogauw het mogelijk is.

 

Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948)

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Vlakte

Meer.
Het meer.
Verzonken
de oevers. Onder de wolk
de kraanvogel. Wit, oplichtend
de eeuwen
van herdersvolken. Met de wind

kwam ik omhoog de berg.
Hier zal ik leven. Een jager
was ik, hield mij
echter het gras.

Leer mij spreken, gras,
leer mij dood zijn en luisteren,
lang, en spreken, steen,
leer jij mij blijven, water,
vraag, en wind, niet naar mij.

 

Vertaald door Hanna Kok-Ahrens

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e april ook mijn blog van 9 april 2020 en eveneens mijn blog van 9 april 2019 en ook mijn blog van 9 april 2018 en ook mijn blog van 9 april 2017 deel 2.

Hanz Mirck, Johannes Bobrowski, Gerard Reve

De Nederlandse dichter Hanz Mirck werd geboren op 8 april 1970 te Zutphen. Zie ook alle tags voor Hanz Mirck op dit blog.

 

Gebaren

Onze vader beheerste de redenaarskunst
van de grote werkgevers en nutsbedrijven
vragen maar niet antwoorden

Onze vader gaf mij speelgoed
en pakte het weer af
om het opnieuw te geven als ik dat verdiende
en opnieuw

Geen man van gebaren:
de wonderbaarlijke vermenigvuldiging
niet voor steeds meer kinderen
maar voor een steeds meer enig kind

 

Blijf weg uit de bossen (Spoorloos)

……..But there is no road through the woods.
……..Rudyard Kipling

Hij en de piano
ze zijn niet voor elkaar.

De handen van boogiewoogiebeest (niet aaien!)
ze zijn te groot, te groot!
Na elk stuk lacht hij droef
dan weer kruist hij de zware enkels. En dof
zingt Rippen van olifanten op gloeiende platen
beren met plastic tanden, diep in de spaanplaatwouden.

Blijf er weg, onzalig is het er, een stam komt nooit alleen,
altijd met z’n allen en bossen kunt u nooit vertrouwen, mevrouwen.
Het groen draait er steeds omheen wat open plek is;
een bos is niets dan doorzagen op hetzelfde ritme.
Nooit eerder heb ik jou ontmoet en toch: ik ken je goed,
Big Hand Tom, nooit vind je meer de weg terug.

Doe dicht die klep!

 

Kill devil hills

Bidt dat dit nooit af is
maar onderweg blijft en niet stopt

Vroeger heette het hier Kitty Hawk,
was het maanden wachten op de goede wind.
Een circus, een fietsenfabriek, een leven voor twaalf seconden
zweven. Daarna sterft één van ons aan tyfus.

De lucht is groter dan de aarde
voor wie voor ’t eerst echt vliegt.

Nu is er niemand meer die helpen kan,
die zo weet hoe de aanloop moet.
Nu moet het geheim verstopt.
Twaalf seconden. Dat was genoeg.

Bidt dat dit nooit af is
maar blijft hangen en niet –

 

Hanz Mirck (Zutphen, 8 april 1970)

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

 

Kindertijd

Toen hield ik van
de wielewaal –
het klokkenspel, boven
opklonk het, neerzonk het
door het bladerhuis,

als we hurkten aan de bosrand,
aan een grashalm regen
rode bessen; met zijn
karretje trok de grijze
jood voorbij.

’s Middags dan onder de elzen
in zwartschaduw stonden de dieren,
verjoegen met toornige staartslag
de vliegen.

Dan viel de stromende, brede
regenvloed uit de open
hemel; naar al het donker
smaakten de druppels,
als aarde.

Of de jongens kwamen
het oeverpad langs met de paarden,
op de glanzende bruine
ruggen reden zij lachend
boven de diepte.

Achter de heining
wolkte bijengegons.

Later, door ’t struikgewas bij de rietplas,
streek zilver de ritsel
van angst.
Dichtgroeiden, een haag,
in het duister venster en deur.

 

Vertaald door C. O. Jellema

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Herinnering aan Gerard Reve

Vandaag is het precies 16 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

 

Ballade van het eenzame hart

Als je alles van je kwijt bent
En verloren hebt, voorgoed,
Weet je niet wat te beginnen,
Weet je niet meer wat je doet.

Ga je ’s avonds, na het donker,
Maar wanhopig op bezoek,
Want alleen is ’t niet te dragen,
Met die stoel leeg in de hoek.

Zondags ga je naar het kerkhof,
Staar je op een stomme steen;
Door de regen weer naar huis toe –
In de kamer weer alleen.

Soms dan denk je dat je gek wordt,
Schreeuw je het haast uit van pijn;
Nee, dat had je nooit geweten:
Wat het is alleen te zijn.

Maar op ’t laatst dan krijg je vrede,
Want dan weet je, het is waar:
Nog een poosje, nog wat jaren,
Dan zijn wij weer bij elkaar.

Op de steen komt er jouw naam bij,
Alle smart is heen, voorgoed:
Daarvoor zal Hij eenmaal zorgen,
Hij Die alle dingen doet.

 

Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e april ook mijn blog van 8 april 2020 en eveneens mijn blog van 8 april 2019 en ook mijn blog van 8 april 2018 deel 2.

William Wordsworth

De Engelse dichter William Wordsworth werd geboren op 7 april 1770 in Cockermouth, Cumberland. Zie ook alle tags voor William Wordsworth op dit blog.

 

Character of the Happy Warrior

Who is the happy Warrior? Who is he
That every man in arms should wish to be?
—It is the generous Spirit, who, when brought
Among the tasks of real life, hath wrought

Upon the plan that pleased his boyish thought:
Whose high endeavours are an inward light
That makes the path before him always bright;
Who, with a natural instinct to discern
What knowledge can perform, is diligent to learn;
Abides by this resolve, and stops not there,
But makes his moral being his prime care;
Who, doomed to go in company with Pain,
And Fear, and Bloodshed, miserable train!
Turns his necessity to glorious gain;

In face of these doth exercise a power
Which is our human nature’s highest dower:
Controls them and subdues, transmutes, bereaves
Of their bad influence, and their good receives:
By objects, which might force the soul to abate
Her feeling, rendered more compassionate;
Is placable—because occasions rise
So often that demand such sacrifice;
More skilful in self-knowledge, even more pure,
As tempted more; more able to endure,
As more exposed to suffering and distress;
Thence, also, more alive to tenderness.
—’Tis he whose law is reason; who depends
Upon that law as on the best of friends;
Whence, in a state where men are tempted still
To evil for a guard against worse ill,
And what in quality or act is best
Doth seldom on a right foundation rest,

He labours good on good to fix, and owes
To virtue every triumph that he knows:
—Who, if he rise to station of command,
Rises by open means; and there will stand
On honourable terms, or else retire,
And in himself possess his own desire;
Who comprehends his trust, and to the same
Keeps faithful with a singleness of aim;
And therefore does not stoop, nor lie in wait
For wealth, or honours, or for worldly state;
Whom they must follow; on whose head must fall,
Like showers of manna, if they come at all:
Whose powers shed round him in the common strife,
Or mild concerns of ordinary life,
A constant influence, a peculiar grace;
But who, if he be called upon to face
Some awful moment to which Heaven has joined
Great issues, good or bad for human kind,
Is happy as a Lover; and attired

With sudden brightness, like a Man inspired;
And, through the heat of conflict, keeps the law
In calmness made, and sees what he foresaw;
Or if an unexpected call succeed,
Come when it will, is equal to the need:
—He who, though thus endued as with a sense
And faculty for storm and turbulence,
Is yet a Soul whose master-bias leans
To homefelt pleasures and to gentle scenes;
Sweet images! which, wheresoe’er he be,
Are at his heart; and such fidelity
It is his darling passion to approve;
More brave for this, that he hath much to love:—
‘Tis, finally, the Man, who, lifted high,
Conspicuous object in a Nation’s eye,
Or left unthought-of in obscurity,—
Who, with a toward or untoward lot,
Prosperous or adverse, to his wish or not—
Plays, in the many games of life, that one
Where what he most doth value must be won:

Whom neither shape or danger can dismay,
Nor thought of tender happiness betray;
Who, not content that former worth stand fast,
Looks forward, persevering to the last,
From well to better, daily self-surpast:
Who, whether praise of him must walk the earth
For ever, and to noble deeds give birth,
Or he must fall, to sleep without his fame,
And leave a dead unprofitable name—
Finds comfort in himself and in his cause;
And, while the mortal mist is gathering, draws
His breath in confidence of Heaven’s applause:
This is the happy Warrior; this is he
That every man in arms should wish to be.

 

In eenzaamheid doolde ik rond

In eenzaamheid doolde ik rond,
Zoals een wolk boven vallei
En heuvel zweven kan. Plots vond

Ik narcissen, een hele rij,
Onder de bomen langs het meer;

Een bries bewoog ze heen en weer.
Als ’t fonkelende sterrenlicht
Dat immer langs de melkweg brandt
Was hun oneindig lint dat zich
Uitstrekte langs de waterkant:
Tienduizend, zag ik, dansten hier,
Hun kopjes schuddend van plezier.

De golfjes dansten lustig mee,
Al sprankelden zij minder dan
De uitgelaten bloemenzee.
Daar wordt een dichter vrolijk van!
Ik keek – en keek – maar ik bedacht
Niet welke schat mij ’t schouwspel bracht:

Want zit mij sedertdien iets hoog
Of lig ik peinzend neergevlijd,
Dan flitst het voor mijn geestesoog
Als zegening der eenzaamheid;
Mijn hart wordt dan met vreugd omkranst,
Waarna het met narcissen danst.

 

Vertaald door Victor Bulthuis

 

William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850)
Portret door Samuel Crosthwaite, ca. 1844

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e april ook mijn blog van 7 april 2021 en ook mijn blog van 7 april 2020 en eveneens mijn blogs van 7 april 2019.

Kazim Ali

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Uit: Northern Light: Power, Land, and the Memory of Water

“On our drive, I am captivated anew by the quality of the northern light. It always looks like it’s been raining: the yellow-white golden color of the dry grasses; the muted green of fir trees and the wet black of their trunks, with pale, dirty-white paper birches interspersed; blue smoke of the clouds, and then luminous and dark gray, the soft heavy sky billows pulsing with incipient light above. The lake–broken branches rising here and there above the water–seems resentful, treacherous, resigned.
At Jackson’s direction, Donald pulls over and we clamber out of the car. “Okay, now close your eyes,” Jackson instructs, then guides me across the road to its shoulder, facing the lake. “Now open your eyes.”
Jackson is holding up a photograph in front of my face. I can see the actual lake to the left and right, and he is holding the picture so I can see the continuous shoreline and a small sandy beach with a promontory of three large boulders. “This picture is from ten years ago,” he says.
“Now look.” And his arm drops away so I can see the shore now.
“The whole beach is gone!” I exclaim. “Those protruding rocks too.”
“They’re all underwater,” Jackson says, pointing in the direction where the rocks lie submerged.

During construction of the Jenpeg Generating Station, Manitoba premier Ed Schreyer promised that water levels would not change beyond the negotiated limits, and this provision was written into the Northern Flood Agreement. During a 1975 press conference announcing the plan, he famously held up a pencil to reporters and vowed that the water level would only fluctuate the length of that pencil. Forty years later, in response to the 2014 occupation of the Jenpeg Generating Station and the Pimicikamak council serving eviction papers to the province and Manitoba Hydro, Premier Greg Selinger issued a formal apology for the economic and social damage from hydroelectric development, acknowledging that the province had vastly underestimated the impact of the dam. Jackson Osborne commented at the time, “The premier should apologize to the muskrats, to the beavers, to the fish, to the moose.”

 

Ramadan

Je wilde zo hongerig zijn, dat je in takken zou breken,
en tussen de negentiende, eenentwintigste en drieëntwintigste avond

van de hongermaanden zou moeten kiezen.
De liturgie begint zichzelf te herhalen en waarom doet het ertoe?

Als het grondwater te schaars is kan men netten spannen
in de lucht en de mist oogsten.

Honger stelt je open voor analfabetisme,
dorst maakt het hongerpatroon duidelijk,

de dikke nacht is zo stil, dat de spinnende spin pauzeert,
de engel moment ophoudt met fluisteren –

De geheime nacht kan al voorbij zijn,
je zult heel aandachtig moeten luisteren –

Je zult nooit weten van welke nacht de mond in heiligheid reciteert
en van welke nacht de recitatie in het geheim louter wind is –

 

vertaald door Frans Roumen

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e april ook mijn twee blogs van 6 april 2019.