Fernando Arrabal, Mark Doty

De Spaanse schrijver, dichter, dramaturg en cineast Fernando Arrabal werd geboren in Melila, Spaans Marokko op 11 augustus 1932. Zie ook alle tags voor Fernando Arrabal op dit blog.

 

Il est parti sans faire cygne

(Méditation au bord de l’eau pour Chan Ky Yut)

Le noyé danse au fil des eaux
Sous le saule qui le caresse.
L’homme passe entre les roseaux
Il semble en proie à la paresse.

Il ne peut voir le nuage
Qui dessine des barbes blanches
Il n’est plus qu’un corps qui surnage
Ou qui dérive entre les branches.

La forêt se devine au loin
Sous une gaze de lumière.
Il ne sera bientôt qu’un point
Qui disparaît dans la poussière.

La roche surplombe la rive
Et l’herbe croît le long des berges.
On n’entend plus la voix naïve
Des oiseaux dans les hauteurs vierges.

Le vent s’est tu et se souvient
De tant de cortèges funèbres.
Mais l’homme est seul et rien ne vient
L’accompagner dans les ténèbres.

Le silence pèse sur l’eau.
Le temps trône sur sa balance.
Il n’est pas meilleur tombeau
Que celui où l’on flotte et danse.

Que d’Ophélie s’en sont allées
Lovées dedans leurs tresses blondes !
Mais l’homme ignorait les allées
Qui mène au meilleur des mondes.

Il est parti sans faire cygne
Dans le paysage serein.
On ne sait ce que la mort signe
Dans ce tableau au bord du rien.

 

Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

Kleine George


……………………………..blaft naar wat dan ook
niet de wereld is zoals hij die liever kent:
vuilniszakken, steekwagens, zwarte hoeden, wandelstokken
en mutsen, spaden, iemand die een joint rookt
onder het afdak van de Haïtiaanse Evangelicale,
iedereen die – hoe durven ze – een hond uit laat.
George blaft, de gespannen witte komma
van zichzelf gekromd in waakzaamheid.
.…………………………………………………………………..Thuis zweeft hij

in de huislijkheid van het dier: gekruld in de warme
driehoek achter de knieën van een slaper,
wiebelend op zijn rug op de bank, helemaal lillend
en zuchtend, vragend/ontvangend een aai over de buik.
Zorgeloos. Maar buiten de metalen deur
van het appartement, gaat de onhandelbare dag uit
van zijn vage en oneindige vermommingen.
………………………………………………………….Het beste maar blaffen.

Maakt niet uit dat hij nauwelijks groter is
dan een broodrooster; hij gaat te werk alsof hij over
een rechthoek van twee blokken groot regeert, begrensd naar het westen
en naar het oosten door Seventh Avenue en Union Square.
Wat er ook is, het is er met zijn toestemming,
en onder voorbehoud van de straf van zijn weigering
hoewel, wanneer hij zijn wil doet gelden
beeft hij. Was hij maar niet alleen
verantwoordelijk voor het opwekken van verontwaardiging
bij elk voorgevoel van problemen
op West 16th Street, of kon hij maar rechtuit
op de stoep, het rammelende harnas
van zijn geraas afleggen.

Op sommige avonden, als hij de trap oploopt
na onze late wandeling en de bocht neemt naar
de overloop en de kant opdraait
van zijn vaste slaapplaats, zou ik willen dat hij
bezocht werd door een droom van een aardige wereld,
hoe zou blijken dat wat voor dreigende
vreemde dan ook- het aprilgroen van een onbezoedelde
tennisbal vasthoudt? Lieverd, de toekomst zal er toch
absoluut niet op uit zijn om ons te pakken te krijgen?
En als dat wel zo is, zal blaffen niet veel helpen.

Maar helaas, nog niet.
Hij neemt aanstoot, vanmorgen,
aan een stenen beeld sereen in de tuin van een buurman,
en verstijft en fixeert en laat
zijn woeste alarm klinken: verdomme,
Boeddha, maak dat je wegkomt, ga weg!

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Weesboeken te vondeling (Hartstochtjes)

“De Nederlandse uitgever was de Zuid-Hollandsche Uitgevers maatschap pij van Ad. M.C. Stok, die als slagzin voerde: ‘Een boek uit de Cultuur serie is een geschenk voor het leven’. Dit werd pijnlijk bewaarheid, want hoewel mijn beide ouders allang zijn overleden, heb ik die trilogie nog altijd in mijn bezit en vaststaat dat ik er pas na mijn dood afstand van zal kunnen doen, terwijl ook zeker is dat ik ‘En eeuwig zingen de bossen ‘, ‘Winden waaien om de rotsen’ en ‘De weg tot elkander’ ongelezen zal laten. De rest van de ouderlijke bibliotheek zal ik u besparen, hoewel ik alle circa driehonderd boeken nog in huis heb.
Gelukkig is mijn vrouw minder sentimenteel. Die heeft uit de boekenkast van thuis maar een stuk of tien exemplaren bewaard, ook al omdat de leespatronen van onze generatie ouders elkaar grotendeels overlapten: ieder lezend echtpaar had Jan Mens in de kast, ‘Frank van Wezel’s roemruchte jaren’ van A.M. de Jong, ‘Armoede’ van Ina Boudier-Bakker, ‘Kruis of Munt’ van Jo Boer en ‘Schip zonder haven’ van Willy Corsari, en omdat de leesgrenzen nog gesloten bleven voor de legers van Zweedse en Amerikaanse thrillerschrijvers, zorgde Hans van der Kallen (Havank) met
‘De Schaduw’ in zijn eentje voor de spanning in onze huiskamers.
Dan herbergen wij in de fietsenbox, onder het motto ‘leuk voor later’, nog acht verhuisdozen propvol met van onze wederzijdse ouders en grootouders cadeau gekregen en vaak van liefdevolle opdrachten in niet langer bestaande prachthandschriften voorziene jeugd- en schoolboeken van onszelf en van onze kinderen, en zo weten wij ons omringd door, nee, zitten wij ingeklemd tussen, pak hem beet, drieduizend boeken en nu het ernaar uitziet dat de bibliotheek die de kleinkinderen zullen opbouwen in hoofdzaak digitaal zal zijn, achten wij het de allerhoogste tijd om onze voorraad definitief te kortwieken, teneinde te voorkomen dat onze nabestaanden op hun beurt verdrinken in deze almaar voortwoekerende boekenvloed.
Toen de dichter-schilder Lucebert in 1994 overleed, telde zijn huisbibliotheek in het Noord-Hollandse Bergen ruim 6500 titels.
‘Je hoeft al deze boeken niet te hebben gelezen om toch beïnvloed en gevormd door ze te zijn,’ stelde hij bezoekers gerust, wanneer dezen zich klein, dom en overdonderd voelden ten overstaan van die tientallen meters wijs- en schoonheid.”

 

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

Kant

Minstens een maand voor de bloei
en al vijf ontblote kersen
bij de snelweg omringd door een waas
van beginnend vuur
— midden in de middag,
een vage roze-bronzen gloed. Sommige dingen
dragen hun wording:
die nacht dat we ,
als vreemden haast, liepen van een koortsachtig feestje
naar de hoek waar je je motor had achtergelaten,
bang dat een ruwe wind hem tegen de stoeprand zou smakken,
stond jij aan de andere kant
van de rechtopstaande machine, de andere kant:
van wat wij zouden zijn, en boog je hoofd
naar mij toe over de natte leren zitting
terwijl je je helm vastmaakte,
motorlaarzen stevig op de zwarte stoep.

Hadden we vermoed dat we het vuur van het feest hadden meegenomen,
terwijl ergens achter ons dat donkere appartement
afkoelde rond de kern als een steen?
Kun je het weten, wanneer je niet eens een knop bent
maar een mogelijkheid balancerend op een of andere rand?

Natuurlijk konden we onszelf niet zien,
hoewel liefde de sjabloon en herhaling is
van al het zijn, iets dat gaat gebeuren
waar niets was…
Maar net nu
dacht ik aan een onrustige corona van een nieuwe kleur,
zichtbare echo, en vroeg me af of iemand
die door de wegvliegende windvlaag en spatten reed
op Seventh Avenue de wolk had kunnen zien
die om ons heen ademde
alsof we – zou het kunnen? – een paar
bomen waren die binnenkort zouden bloeien.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Luuk Gruwez, Philip Larkin

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Aan een collega

I

Ik durf je amper te vertellen, kameraad,
tijdens hoeveel van mijn dagen ik haar haat,
die oudste industrie van het verdriet, de poëzie.
Dat ik haat hoe zij met mij brutaal aan de haal gaat,
hoe zij mij struikelen doet over mijn
enjambementen, mijn chiasmen, assonanties
en tegen het scheenbeen van mijn eerste liefde schopt.
Dat zij helemaal geen rekening wil houden

met de noden van mijn darmen en de doden
in mijn ziel en de zaden op een plek
waar eeuwigheid een poging tot ontspringen doet.
Gister nog, bij Osman, die mijn kapper is,
kroop zij ongevraagd en naakt bij mij op schoot
terwijl het scheermes langs mijn slapen gleed.
En nog diezelfde dag, terwijl ik boven op een ladder stond,
strooide zij schaterend voetzoekers in het rond.

Wij mogen dan wel in een zuiderse patio liggen,
er fanatiek naar strevend onder een zwijgzame
sterrenhemel gelukzalig niets en niemand te zijn,
maar daar zelfs komt zij langs, de poëzie, la poesia,
met het bon chic, bon genre van een tettertrien.
Zij vindt het helemaal niet erg – wat dacht je wel? –
de beste coïtus ter wereld te verstoren
om te zeggen dat zij niets te zeggen heeft.

Rot op, roep ik, de pot op, rot toch op!
Maar daar propt zij al een vod
diep in de strot van mijn geliefde,
die haar terecht van oudsher wantrouwt.
Ik durf je amper te vertellen, kameraad,
hoezeer en tijdens hoeveel van mijn dagen ik haar haat,
de poëzie, dat ik haar haat met hart en ziel.
En dat, als ik haar liefheb: hoogstens per vergissing.

 

Scheppingsverhaal

misschien was god wel onvoorzichtig
toen hij het zoogdier schiep
de leeuw, akkoord, een meesterwerk
maar wat te zeggen van de mens?

en had de olifant niet moeten briesen
de dashond met zijn trieste blik
niet moeten piepen als een muis?
had die mens niet moeten mekkeren?

er waren dichters nodig, beter in geluid
zangers met perfecte strot
om wat verkeerd ging te herstellen:
constructiefouten in zijn schepping

hij schiep er enkele, mijn god
en met zijn vette schommelende lijf
deed hij, tot iedereens vermaak
een walsje in de balzaal op aarde

en of het goed was, zag hij niet

 

Tafereeltje

vanuit de kamer waait een fijne harpmuziek al aan
terwijl ik in de tuin in Du Perron te lezen zit
en slechts gestoord word door een karig briesje
dat zich met klaprozen en duizendschoon verlooft,
vandaag pluist Mieneke in purperen japon
een dagboek van een afgestorven dichter na
die, door de dood nochtans sinds lang omhelsd,
nog steeds uitstekend past bij haar verdroomde blik.

de merel fluit, de hagedoom bloeit,
de avond voert misschien nog onweer aan;
en ik die nergens iets aan heb verdiend
kan morgen best weer aan verwelken denken.

 

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

Hoge ramen

Als ik een jong paartje zie
En vermoed dat hij haar neukt en zij
Pillen slikt of eens spiraaltje draagt,
Weet ik dat dit het paradijs is.

Waar iedereen die oud is het hele leven van gedroomd heeft?
Verbintenissen en gebaren van de hand gedaan
Als een verouderde maaidorser
En iedereen die jong is glijdt de lange glijbaan

Af naar geluk, eindeloos. ik vraag me af of
Iemand naar mij keek, veertig jaar geleden,
En dacht: zo zal het leven zijn;
Geen God meer, of zwetend in het donker;

Over de hel en zo, of moeten verzwijgen;
Wat je van de priester vindt. Hij
En zijn kliek zullen allemaal de lange baan afglijden
Als verdomd vrije vogels. En onverwijld
Komt in plaats van woorden de gedachte aan hoge ramen:
Het zon-begrijpende glas,
En daarachter, de diepblauwe lucht, die niets
Laat zien, en nergens is, en eindeloos.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Portret door Humphrey Ocean, 1984

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Jostein Gaarder, Philip Larkin

De Noorse schrijver Jostein Gaarder werd geboren op 8 augustus 1952 in Oslo. Zie ook alle tags voor Jostein Gaarder op dit blog.

Uit: The Orange Girl (Vertaald door James Anderson)

“But Georg, a new dilemma can emerge here, and one that possibly isn’t so difficult — or malignant —as the first one. If you answer that, despite everything, you would have chosen to live, even if only for a short while, then I don’t really have any right to wish I hadn’t been born. So there can be a kind of balancing of accounts, one item can mitigate the other. Of course that’s what I’m hoping for. Indeed, that’s why I’m writing. You can’t give me a direct answer to the great question I’ve posed. But you can reply indirectly. You can answer in the way you choose to live this life you began when Veronika and I and a disobedient hospital doctor drank your health in champagne. That champagne doctor was a good omen for you, I’m certain of it.
Now you can lay aside this greeting from me. Now it’s your turn to live.
As for me, I’m being admitted to hospital tomorrow. That was the important appointment. Mum will be taking you to nursery school from now on. I had to write that too. And I must add: I can’t promise that I’ll ever return to Humleveien. Georg! I have one final question: can I be certain that there is no life after this one? Can I be totally sure that I won’t be somewhere else when you come to read this letter? No, I can’t completely exclude the possibility. Because the world exists, the limits of probability have already been exceeded. Do you know what I mean by that? I’m already so full of amazement that there is a world, that I have no room for more amazement should there turn out to be another one afterwards.

I remember how, a couple of days ago, you and I killed a couple of hours with a computer game. Perhaps the game amused me more than it did you; I desperately needed a little respite from all my thoughts. But each time we ‘died’ in that game, a new screen immediately came up, and we were off again. How can we know that there isn’t a ‘new screen’ for our souls as well? I don’t think there is, I really don’t. But the dream of something unlikely has its own special name. We call it hope.
I REMEMBERED THAT NIGHT OUT ON THE PATIO! It had penetrated my marrow, been etched on my heart. And reading about it now made the hairs on the back of my neck stand up more than once. Until then I’d sort of forgotten everything, because I’d never have remembered that starry night if I hadn’t read about it, but now I recalled it almost too vividly. PERHAPS THIS IS THE ONLY GENUINE MEMORY I HAVE OF MY FATHER. I couldn’t remember him at Fjellstolen. However hard I tried, I couldn’t bring back any of the walks around Lake Sognsvann, either. But I remembered that enchanted night on the patio. That is, I remembered it in a totally different way. I remembered it like a fairytale, or like some motley-coloured dream. I had woken up. Then Dad came in from the conservatory and lifted me high in the air. He said we were going out to fly. We were going to look at the stars, he said. We were going out to fly through space.”

 

Jostein Gaarder (Oslo, 8 augustus 1952)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

Aubade

Ik werk de hele dag, word ’s avonds halfdronken,
ontwaak om vier uur in het donker. Ik staar.
Om de gordijnen wordt het licht ten slotte.
Tot dan zie ik wat ik als echt ervaar:
de rusteloze dood, opnieuw een etmaal nader,
die maakt dat ik slechts denken kan aan waar
en hoe, wanneer ik zelf zal sterven.
Vruchteloze vragen – toch speelt de vrees
om dood te gaan en dood te wezen
opnieuw, vervult me met ontzetting.

Heel je verstand staat stil. Niet uit wroeging
om dingen niet gedaan, om liefde niet gegeven,
tijd niet benut, ook niet uit spijt omdat
één leven er zo lang over kan doen om uit
een fout begin verlost te raken, of zelfs dat niet,
maar om totale leegte voor altijd,
de zekere vernietiging voor eeuwig waarnaar
wij toegaan. Niet meer hier zijn.
Nergens meer zijn.
Niets is erger, niets méér waar.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Standbeeld in Kingston upon Hull, waar Larkin meer dan 30 jaar woonde.

 

Zie voor meer schrijvers van de 8e augustus ook mijn blog van 8 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 8 augustus 2019 en ook mijn blog van 8 augustus 2017 en ook mijn blog van 8 augustus 2015 deel 2.

John Birmingham, Philip Larkin

De Australische schrijver John Birmingham werd geboren op 7 augustus 1964 in Liverpool, Engeland. Zie ook alle tags voor John Birmingham op dit blog.

Uit: On Father

“Andrew had snuck a small bottle of whisky into the room and at some point we poured one out for the old man, toasting him from disposable plastic cups liberated from a coffee machine.
He was shrunken in death.
Diminished even beyond the ravages of his long struggle. Grey in pallor, sunken-cheeked, mouth open but eyes mercifully closed. I stared at the dressing on his chest, the last he would ever need to close up the maw of the gaping wound that a runaway ulcer had eaten into his flesh. The cancer was still in there, I thought. His killer.
And now, finally, it was defeated. It had run wild through his body, up and down his spine, through his flesh, into his bones. But now it had nowhere left to run. It would go with him from this place to another place and it would burn. I imagined it, sentient and cruel, screaming as it died in the fire of the crematorium.
Disturbed and aberrant thoughts, but satisfying.
That feeling of vengeful contentment recurred a week later, when I knew he had indeed been given to the flames. And it was even more satisfying then.

I suppose I should have realised that something was amiss, given the powerful irrationality of such thoughts, but I did not otherwise suffer from the magical thinking that Joan Didion described as stealing over her in the year after her husband, the writer John Gregory Dunne, died at their dinner table in front of her while she mixed a salad. I liked to think of myself as an empiricist. The material realm had always been more comfortable to me than the spiritual. Life might not run in straight lines, but the angles would always be measurable.
Over the following days and weeks, however, I slipped into a waking fugue state, passing from grief to depression; or from mourning to melancholia, as Sigmund Freud once put it. I was bereft, unmanned. It was not simply a matter of suddenly finding myself wailing uncontrollably behind the wheel of my car as I drove back from the supermarket with pet food or garbage bags. I was always haunted, always lost. Like poor emo Hamlet, the outward measure of my sorrows did not begin to gauge the depths of misery beneath:
For they are the actions that a man might play, But I have that within which passes show, These but the trappings and the suits of woe.
Before I was done with grief I would fall from the normal and expected purgatory of bereavement to a lower level of Hell, into what J.K. Rowling calls the “deadened feeling”, which whenever it appears for Paulo Coelho “demolishes all the old things it finds in its path”.
Grief is an ocean, fathomless and wide, and on the surface its most impelling forces arrive in waves. I was first inundated by a surge of howling grief a few hours later, when alone. I had driven back to our house to feed the cats and pick up a few things to take down to Byron Bay. Jane and the kids, and some of their friends, and Sophie, our ageing Labrador, were all still there. I drove into the garage, turned off the engine and sat, not moving, under the empty house.”

 

John Birmingham (Liverpool, 7 augustus 1964)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

De literaire wereld

II

De vrouw van Alfred Tennyson

Beantwoordde
bedelbrieven
fanbrieven
….scheldbrieven
….brieven met vragen
….brieven over zaken
….en uitgeversbrieven.
Daarbij
….zag ze toe op zijn kleren
….zorgde voor zijn eten en drinken
….ontving de bezoekers
….beschermde hem tegen roddel en kritiek
En tenslotte
….(nog afgezien van het huishouden)
….voedde ze de kinderen op en gaf ze les.

Terwijl dit alles plaatshad
Zat de heer Alfred Tennyson als een dreumes
Op zijn poëtische potje.

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e augustus ook mijn blog van 7 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 7 augustus 2017 en ook mijn blog van 7 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2.

Kjell Westö, Martin Piekar

De Finse schrijver Kjell Westö werd geboren op 6 augustus 1961 in Helsinki. Zie ook alle tags voor Kjell Westö op dit blog.

Uit: The Referee (Vertaald door Roy Hodson)

“Fernström would remember later that he had been thinking back to his own playing career while driving through the city that morning. He had felt restless all autumn, but without understanding why. The previous evening, after an early dinner, he told Marjut and Jere that he needed a breath of fresh air, and then he got into the old dark blue Escort, even though he had drunk several glasses of wine with the fish. He had driven from their home in Alppila down to the beach between Merisatama and Munkkisaari, where he stood for a long time by the monument to those lost at sea, watched the eternal flame flickering in the wind, and squinted in the darkness trying to read the text on the marble tablet: it gave the names of the men and women who had gone down with the SS Malmi in the Baltic on December 7, 1979, nearly a quarter of a century earlier. Fernström stood in the chill of the November evening and looked at the blazing sky out to sea as it lost its color and darkened; he watched the angry waves as they turned black, felt the wind bite his cheeks, and thought of the terror the seamen must have felt as they fought in vain for their lives. But now, on this Saturday morning, the clear sky and icy cold wind of the previous day had been replaced by fog and calm, and while Fernström drove along the empty Mannerheimintie toward the covered football pitch in Tali, he thought about the God-forsaken suburban football pitches where he had rounded off his career: he heard the wind whine through the moth-eaten goal nets, he heard the dry, creaking sound when the ball hit a rickety crossbar after a well-struck shot, and he remembered how the holes in the net had sometimes been so big that the ball had flown straight through, and how that had ignited heated debates and sometimes downright fights between the teams: had the ball gone straight through the net or had the shot missed? And once Fernström got going, he remembered more and more; he remembered the tinder—dry, yellow grass pitches that were crisscrossed by paths that the dog-owners and teenagers had trampled, and he remembered the dog turds he sometimes slipped on when he had been forced to play left- or right-back and to keep close to the touchlines. He remembered the sand pitches that hadn’t thawed properly in the spring, were pitted and dusty in the summer, and then in the autumn they either became clingy and smelly or froze hard again. He pictured the rotting wooden terracing at the pitches in the suburbs, with room for about a hundred people; he thought of the handful of relations and wives and girlfriends who came to watch the matches, and then he remembered the friendly side he’d played for in his final season—how there were never more than seven or eight of them when the match was due to start, and they had to ask some passing dog owner to stand inside the left touchline for the first fifteen minutes so that the game could get going, and after the first quarter of an hour the dog owner went and the team collected its habitual eight-goal defeat.”

 

Kjell Westö (Helsinki, 6 augustus 1961)

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Frankfurt Centraal Station IV

IV

Onze ademontsporing. vette talen,
Die over mijn oor gaan liggen. – aankondigingen
Mislukken als water. – laat het.
We kijken graag omhoog. aan de balken
Herkent men vertakkingen. en
Treinbanen. Wanhoop
Onder de koepel als een schaduw van stoom.
Bordenmaniak; berichten
Wisselen in het richtingsgevoel.
Voor ons allebei. Ffm is ons
Uitwisselingscentrum voor gijzelaars. Zo hebben wij
Nauwelijks onszelf. De tragedie
Van de verdiepingen maakt ons verdacht
Verleidelijk. Inademen is een schemering
– hoe wil je hem vasthouden? –
Voor de nestgevoelens; de overige -.
We sluiten onze handen, houden ze
Rond de taille van de zandloper.
Houden een korset vast. totdat we merken:
Tijd kan overstromen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

Zie voor de schrijvers van de 6e augustus ook mijn blog van 6 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 6 augustus 2019 en ook mijn blog van 6 augustus 2017 en mijn blog van 6 augustus 2016 en ook mijn blog van 6 augustus 2015 en ook mijn blog van 6 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Martin Piekar

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

An die Kinder des Lichts


Oder zur brandheißen Neueröffnung der EZB

Und es macht euch nicht schöner
Was ihr mögt
Nicht greller, nicht verheißender
Ich wollte nie schön, nicht
Schön für das TV-Licht sein
Die Korruption ist ein Mob
Ein Knall
Eine Gewalt im Licht
Ihr wollt Kredit?
Zieht lieber
Eure teuersten Schuhe an
Denn ihr geht nicht auf die Knie
Nicht vor einem Staat
Nicht vor zwei
Oder vor der
Erhabenheit der Kontobewegungen
Wer EinwegProtestler ist
Bleibt nicht standhaft
Wer EinwegProtestler ist
Vergreift sich
Ein brennendes Auto
Hat noch niemanden zu
Prometheus gemacht
Wann erkennt ihr das?
Wann erkennt ihr ihn?
Verpiss dich Idol,
Du machst alles nur noch schlimmer
Wie SplatterPropheten
Verblendet TV-Licht
Und das wisst ihr
Haltet euch die Ohren zu,
Ich schlage dem TV in seinen
Scheißscreen, weil meiner alt ist
Und ich mir keinen neuen leiste
Die größte Kapitalismuskritik sollte
Ein bisschen Armut sein, ein
Bisschen Dumping
Auf endzeitlich, ein bisschen Discount
Auf Leben
Trollende Krawalliere auf Europatournee
Eure Penetrationsstrategie ist leck
Ich wollte nie schön sein, ich bin
Im Schatten zu gern die Stimme
Ich ist ein
Schwarzer Block
Da ist doch keine Vermassung nötig
Ich kann mich selbst revoltieren
Mich umarmen und weiter
Wer sein eigener schwarzer Block ist
Weiß um den Rückblick des Lichts
Wer Revolution fordert
Will vernascht werden
Wofür ich demonstriere
Weiß keiner
Außer mir, komm doch her
Wenn du mehr wissen willst
Wenn du versprichst
Mit leeren Händen
Deine Meinung ändern zu können
Das Verreckbare will ich feiern
Es ist, was uns erhält
Mehr noch
Was uns belebt, auch wieder-
Lass es in Ruhe, es verreckt grade
Ihr Kinder des Lichts
Lasst euch nicht
Zu Kapital schlagen
Ihr Kinder des Lichts
Zieht euer Schwarz aus
Es ist keine Meinung
Noch nötig
Ihr habt die Verschiedenheit
Des Schwarz noch nicht erkannt
Folgt mir nicht
Es gibt Pfade an Orte
An denen ihr nichts zu sehen habt
Keine Flamme im Auto oder Auge
Keine Banken
Fragt Prometheus nach dem Weg
Und ihr seid entfacht.

 

dat het abstracter is

dat het abstracter is als ik
over neuken spreek, weet alleen jij

het is een verklonken droom
tussen ons

met weerhaken haken we in emoties
en weerspreken Epicurus

zo’n beetje punkromantisch
de panchromatische nacht van Frankfurt

zet de tijd op een zijspoor
en verzet voor ons de wissels om, frivool en zorgeloos

te ontsporen in zijstraten
getatoeëerd met schaduwgraffiti

en ze serveren ons een slingerbeweging
van ideeën totdat we van de top van de stratengolf

de ochtend in slingeren
Ik wou dat Caravaggio ons zo kon schilderen

nee, alleen hij, dronken danst de nacht door
hé – hé, jij, je dromen

wandelen als spinnen uit je hoofd
door je waaiende haar als arcering

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 5 augustus 2019 en ook mijn blog van 5 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

Cees Nooteboom, Jill McDonough

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

Something like that. Marks of power and heritage trying to tell me a story in a language I can no longer understand. The arms are surmounted by a hat with twenty tassels, held up by two minute angels whose defiance of the force of gravity does not appear to exact much effort. Cardinal or archbishop? I can’t remember. I stand there and look, and what I hear is what the early settlers in the twelfth century heard. I am inclined — accustomed as I am to so much more noise than they ever knew — to call that lack of noise “nothing”, but after lingering a while I begin to distinguish all those nuances of nothing which together make up the silence, all those early, non-existent noises, the hum of distant insects, the slow wingbeat of a pair of doves, the wind in the poplars.
I pull once more on the bell and hear unhurried footsteps. Leather on stone. A monk opens the door. He tears a ticket off a pristine booklet and indicates the monastery with a vague wave: go ahead and take a look. He doesn’t come with me, he doesn’t speak. I wander around. The late Romanesque facade of the abbey church is decorated with a row of frail columns lacking a base. Not touching the ground, supporting nothing, they simply frame the semi-circular arch through which I enter. The coolness of the garden contrasts with the heat of the landscape, the coolness of the church contrasts with that of the garden, it is almost chilly where I am now. The thick walls of a church prevent the outside air, the ordinary air, from having its way. Suddenly I am standing before an arbitrary structure made of stone; its mere presence alters the quality of what little air has managed to come in. This is no longer the air wafting in poplars and clover, the air that is moved this way and that in the breeze. This is church air, as invisible as the air outside, but different. Church-shaped air, permeating the space between the columns and, deathly still, like an absent element, rising up to fill the pointed vaulting constructed of rough-hewn blocks of stone. There is no one in the church. Enormous columns rise directly from the paved floor, the position of the sun casts a strange, static pool of light through the oculus somewhere on the right of the church. It’s a little ghostly. I hear my own footsteps. This space distorts not only the air, but also the sound of each step I take — they become the steps of someone walking in a church. Even if one subtracts from these sensations all that one does not in fact believe in oneself, then there’s still the imponderable factor that other people do believe, and especially have believed, in this space.
The notions one might entertain about architectural purism, which invariably arise when someone tries to put an office block up next to a seventeenth-century canal house, do not function in this sort of space. The exterior of the building is Romanesque, the cross-vaults are Gothic, the tomb of Don Lupo Marco is a masterpiece of Renaissance art, the sacristy door is particularly exuberant baroque, but still the eye does not balk. All those mad, baroque angels set against the rough, irregular thirteenth-century stonework, fan out and up like rampant ivy, to form the entrance to the purest Cistercian chapterhouse: low, clear and still.”

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Jill McDonough werd geboren in Hartford, Connecticut in 1972 en groeide op in North Carolina. Zie ook alle tags voor Jill McDonough op dit blog.

 

Drie uur ‘s morgens

Onze taxichauffeur vertelt ons waarom Somalië beter is
dan hier omdat we in de islam moordenaars executeren.
Dus minder moorden. Maar is er geen burgeroorlog
daar nu? Zijn er niet veel moorden?
Ja, maar over het algemeen is het beter. Niet
nu, maar meestal. Hij vertelt ons hoe
slim het systeem is, hoe moeilijk het is om een vals getuigenis
af te leggen. Wij knikken. We leren veel.
Ik zeg – zodra we dicht bij huis zijn – zeg ik: Hoe zit het
met ons? Twee vrouwen, met elkaar getrouwd.
Wees niet beledigd, zegt hij ernstig. maar een man
met een man, een vrouw met een vrouw: dat zou
een openbare executie worden. Wij knikken. Even een stilte langs
de Southeast Corridor. Dan zeg ik: ja,
ik hou van mijn land. Dit maakt hem aan het lachen; we lachen allemaal.
We zijn niet beledigd, zegt Josey. Wij houden van u. Soms
heb ik het gevoel dat we missioneren, het Woord van Homo verspreiden.
De taxi trilt van het lachen, de arme man,
opgelucht dat we niet boos zijn omdat hij ons eigenlijk dood wil hebben.
Wij tweeën kalmeren hem, willen dat hij zich op zijn gemak voelt,
willen dat hij lacht. Wij houden van ons land,
wij vertellen het hem. En Josey geeft hem een fooi. Ze geeft hem een grote fooi.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jill McDonough (Hartford, Connecticut, 1972)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2020 en eveneens mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Maja Lunde, Thomas Rosenlöcher

De Noorse schrijfster en scenariste Maja Lunde werd geboren in Oslo op 30 juli 1975. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog. Zie ook alle tags voor Maja Lunde op dit blog.

Uit:  Het einde van de oceaan (Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink)

“Niets hield het water tegen, je kon het vanaf de berg tot aan de fjord volgen; van de sneeuw die uit de wolken viel en zich op de top neervlijde tot de mist die boven de zee zweefde en weer in wolken veranderde.
Elke winter groeide de gletsjer, verzamelde hij sneeuw, elke winter groeide de gletsjer zoals het hoorde en elke zomer smolt hij weer, werd kleiner, stond water af, water dat in beken veranderde, het zocht zich een weg naar beneden, voortgestuwd door de zwaartekracht, de beken kwamen samen, werden watervallen, rivieren.
Er waren twee dorpen die een berg en een gletsjer deelden, we deelden de berg en de gletsjer al zolang we ons konden herinneren. De ene zijde van de berg was loodrecht, daar viel het water van Søsterfossene naar beneden, het stortte 711 meter recht omlaag, naar het Eidemeer, een diepgroen water dat de naam aan het dorp gaf, Eidesdalen, en dat de omgeving vruchtbaar maakte voor mens en dier.
Eidesdalen, het dorp van Magnus.

In Eidesdalen kon je de fjord niet zien, de zilte smaak niet op je lippen proeven, het zout werd niet door de wind meegevoerd, het bereikte het dorp nooit, ze roken de zee daarboven niet. Zo groeide hij op. Maar ze hadden water, smakeloos water, water dat alles liet groeien, en hij had de zee nooit gemist, zei hij later.
De andere kant van de berg was milder, zachter, hier verzamelde het water zich in de rivier Breio, de zalmrivier, de rivier van de Fossegrim, de rivier van de zoetwatermosselen, die zich via een breuk een weg baande door het landschap, die deze breuk ook gevormd had, met miljoenen druppels per seconde, op hellingen, in stroomversnellingen en in rustige, gladde stukken. Als de zon scheen, veranderde de rivier in een lichtgevend lint.
Breio liep helemaal tot aan Ringfjorden en daar, in het dorp op zeeniveau, kwam de rivier in contact met het zoute water. Daar werd het gletsjerwater één met de zee.
Ringfjorden, mijn dorp.
Zo werden ze verenigd, het water van de gletsjer en het water uit de zee, voor de zon de druppels weer opnam, ze de lucht in zoog als waterdamp, verder omhoog, tot de wolken waar ze zich onttrokken aan de zwaartekracht.
Nu ben ik terug, Blåfonna heeft me hierheen gelokt, de gletsjer die ooit de onze was. Het is windstil als ik bij Ringfjorden aankom, ik moet noodgedwongen het laatste stukje op de motor varen, het gebrom overstemt al het andere, Blå glijdt door het water en laat kleine draaikolkjes achter aan het oppervlak.”

 

Maja Lunde (Oslo, 30 juli 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

De koop van een huis

“Nu zal ik u iets speciaals laten zien,” zei
de makelaar en reed meteen door de tuinpoort tot onder
de hoog boven het verzakte dak
bloeiende perenboom. Achter het keukenraam
een bord met de lepel er nog in,
een bundel brieven, de bril die iedereen
een keer in zijn leven voor eens en altijd vergeet.
In het puin bij de haard de esdoorn, die dansend
groen kleurt, zijn doorschijnende bladeren
uitstrekkend naar de keukenkast. “Wilde u
niet iets idyllisch? ”vroeg de makelaar
en gaf me de sleutel. Waarop ik prompt met
de deur in huis viel. Echter, hoe aarzelender
ik mij, rondom door kindertijd en poepdoos omwaaid,
gedroeg, hoe existentiëler het harde
kreunen van de trap, nakrakend bekrachtigd
door de klompvoet van de makelaar. Boven in de kamer
bloemetjesbehang, waskom, nachtkastje.
In bed lag een dode man naar me te kijken.
In het krijtwitte gezicht, de keizerlijke
kin wiebelde plotseling, de gerimpelde mond
begon zich uit te spreken: “Dat wordt ook tijd,
dat jullie me bezoeken. “Aanhoudend gerommel
te duiden als val van de trap. De achter mij aan
hinkende makelaar halveerde de prijs.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e juli ook mijn blog van 30 juli 2020 en eveneens mijn blog van 30 juli 2019 en ook mijn blog van 30 juli 2017 en ook mijn blog van 30 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Harry Mulisch, Thomas Rosenlöcher

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook alle tags voor Harry Mulisch op dit blog.

Uit: De Aanslag

“Het was januari 1945. Bijna heel Europa was bevrijd, vierde feest, at, dronk, bedreef de liefde en begon de oorlog zoetjesaan al te vergeten; maar Haarlem veranderde steeds meer in een grauwe sintel, zoals die uit de kachel te voorschijn kwamen toen er nog kolen waren. Zijn moeder had een donkerblauwe trui voor zich op tafel liggen. De helft er van was al verdwenen. In haar linkerhand hield zij de groeiende knot wol, waar zij met haar rechter snel de draad uit de trui omheen wond. Anton keek naar de heen en weer schietende draad, waardoor de trui uit de wereld verdween, haar vorm, met de plat uitgespreide mouwen, als iemand die iets tegen wil houden, en veranderde in een bol. Toen zijn moeder even tegen hem glimlachte, keek hij weer in zijn boek. Haar blonde haren zaten in opgerolde vlechten over haar oren, als twee ammonshorens. Nu en dan stopte zij even en nam een slok van haar koudgeworden surrogaatthee, die zij had gezet met gesmolten sneeuw uit de achtertuin. De waterleiding was weliswaar nog niet afgesloten, maar nu was zij bevroren. Zijn moeder had een gat in haar kies, waar momenteel niets aan gedaan kon worden; net als haar grootmoeder placht te doen, had zij er tegen de pijn een kruidnagel in gestopt, waarvan zij er nog een paar in de keuken had gevonden. Zo rechtop als zij zat, zo gebogen zat haar man tegenover haar een boek te lezen. Zijn donkere, grijzende haar stond als een hoefijzer rond zijn kale kruin; van tijd tot tijd blies hij in zijn handen, die groot en lomp waren, ofschoon hij geen werkman was maar griffier bij de arrondissementsrechtbank. Anton droeg kleren waar zijn broer uit gegroeid was, Peter op zijn beurt had een te groot, zwart pak van zijn vader aan. Hij was zeventien, en omdat hij plotseling was beginnen te groeien toen er steeds minder eten was, leek het of zijn lichaam was samengesteld uit vurenhouten latten. Hij maakte zijn huiswerk. Sinds een paar maanden kwam hij niet meer op straat: langzamerhand had hij de leeftijd om bij razzia’s opgepakt te worden, voor de tewerkstelling in Duitsland. Omdat hij twee keer was blijven zitten, zat hij pas in de vierde klas van het gymnasium en kreeg nu les van zijn vader, met huiswerk en al, opdat hij niet nog verder achterop zou raken. De broers leken even weinig op elkaar als hun ouders. Er zijn echtparen die sprekend op elkaar lijken, en dat betekent misschien, dat de vrouw lijkt op de moeder van de man en de man op de vader van de vrouw (of iets ingewikkelder, wat het waarschijnlijkst is), maar het gezin Steenwijk bestond uit twee duidelijke delen: Peter had het blonde en blauwe van zijn moeder, Anton het donkere en bruine van zijn vader, ook de notenkleurige huid, die rondom zijn ogen nog iets donkerder was. Ook hij ging momenteel niet naar school. Hij zat in de eerste klas van het lyceum, maar wegens kolengebrek was de kerstvakantie verlengd tot het einde van de vorstperiode.”

 

Harry Mulisch (29 juli 1927 – 30 oktober 2010)
Beeld op de Grote Markt in Haarlem

 

De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook alle tags voor Thomas Rosenlöcher op dit blog.

 

Hoeve

Betreed de binnenplaats. De ploeg,
overwoekerd, zinkt in de aarde, de wagen
valt uit elkaar, onmerkbaar, de paarden
knikken in hun graf.
Vul je zakken, de perenboom
zal spoedig zijn omgevallen, het huis,
verslaafd aan aarde, zakte al door de knieën.
Klim door de kapotte muren,
ontsteek in de gebarsten kachel
een vuur, wees onbevreesd, wie naast je hurkt,
hurkt om met jou te zwijgen,
terwijl de hemel boven jullie staat
als dak voor de schedeldaken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947) 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e juli ook mijn blog van 29 juli 2020 en eveneens mijn blog van 29 juli 2019 en ook mijn blog van 29 juli 2017 deel 1 en ook deel 2.