Dimitri Verhulst, John Hegley

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook alle tags voor Dimitri Verhulst op dit blog.

Uit: In weerwil van woorden

“Straks komen ze me halen. Ik voel het, ik weet het, en het kan me weinig schelen. Ergens zal ik zelfs opgelucht zijn, zoals, naar ik me liet vertellen, ook pedofielen opgelucht zijn wanneer ze ’s nachts door de politie uit hun bed worden gelicht. Het besef dat alles voorbij, eindelijk voorbij is, verklaart de lethargische glimlach die je vaak ziet bij mensen die in de boeien worden geslagen.
Zoals ik mij dat voorstel zullen ze met velen zijn. Onder hen een bemaskerde man in een wit pak, omdat men er rekening mee hield dat ik hier al enige poos dood en rottend ratten en kevers behaag, mijn tapijten bevuilend met alles wat ik nog te lekken heb. Zwaarbewapende jongens zullen uit hun computerspellen stappen en mijn eikenhouten deur stukstampen, de schietvizieren van hun lekkere speelgoed zenuwachtig zoekend naar mijn kop. Immers ben ik een man die zich door zijn gedragingen eigenhandig uit de wereld heeft gezet, dus zeker gek, en derhalve mogelijks gevaarlijk. Er zal een psycholoog zijn, wellicht een vrouw, mooi als de moeder die we voor onszelf zouden kiezen als we ook maar konden, en met een stem die de duisterste denker doet besluiten die stoel dan toch maar niet uit de loodlijn van zijn strop te schoppen. En zeer zeker ook een deurwaarder zal, zonder eerst zijn voeten te hebben geveegd, aan een mat die nochtans het woord ‘welkom’ ontbeert, fluks naar binnen komen gestapt, blocnote en pen in de hand, hopend op een confiscabel schilderijtje aan de muur, een zeldzaam incunabel, een antiquarisch meesterstuk, een tandartsstoel, een volledig kavel aan zilveren kandelaars. En terwijl hij zal schrijven, hoort hij zichzelf in versvoeten praten met al mijn schuldeisers. op de piano ligt, dat de vaatwas is gedaan, geen spinnenweb is te bespeuren. Een beetje tuberculeuze geuren zullen ze wel opsnuiven, maar die hebben ze louter aan zichzelf te danken, of dan toch aan het systeem dat ze dienen, omdat ik werd afgesloten van water, verwarming en elektriciteit. Dit klimaat is beter voor mensen dan voor huizen, mijn muren zijn er erger aan toe dan mijn huid. De indruk dat ik in onhygiënische omstandigheden leef zal zijn gevoed doordat ze mij aantreffen in een huis dat van onder tot boven is volgestapeld met papier. Om preciezer te zijn: ongeopende brieven. En ziedaar de eigenlijke reden van hun komst. Ik ben de man die schrik kreeg voor post. De man die er gaandeweg mee is gestopt zijn brieven te openen. Met alle voorspelbare gevolgen van dien. Mijn eettafel kan amper het gewicht van al die post nog dragen; ze zakt door zoals op de mezzanine, maar dan mooier, al mijn boekenplanken doorzakken. Indien te zwaarbeladen, kennen boekenschappen de prachtige kromming die men in de wiskunde, als ik mij dat goed herinner, een deltoïde noemt.”

 

Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972)

 

De Engelse dichter John Hegley werd geboren op 1 oktober 1953 in Londen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor John Hegley op dit blog.

 

Een kort testament van Wil

Ik Wil dat de jongeling met het talent in de verwaarloosde ader
zal worden ontdekt.

Ik Wil dat het kind zoals ik, wiens stem klonk als een lied
maar dat niet gehoord werd, gehoord zal worden.

Ik Wil dat degenen op de plaats waar de leraren niet
de middelen hebben om de gouden stem in de duisternis
van de schooldagen op te roepen, geholpen zullen worden bij het vinden van de juweeltjes die verborgen liggen.

Ik Wil dat deskundigen op het gebied van de graafkunst naar de niet-gegraven plaatsen gaan
en de zingende zielen opdelven.

Ik Wil dat de verspreiding van het ongekende talent wordt bevorderd en gevoed
en gevierd.

Ik Wil dat degenen die aldus vóór ons zijn gebracht om te helpen bij
onze vooruitgang, worden bijgestaan in het beheer
van hun genialiteit.

Ik wil proberen een handje te helpen bij het aansturen
van deze zaken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Hegley (Londen, 1 oktober 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e oktober ook mijn blog van 2 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 2 oktober 2018.

October (P. C. Boutens), John Hegley, Wallace Stevens

 

Bij het begin van oktober

 

Veere (Nederland) Oktobernevels door Théo van Rysselberghe, 1906

 

OKTOBER

Getij van Westerstorm en stille wolkendagen,
Van zondoorvloeide nevel, mistvergulde dauw, –
Alleen de blijdschap van een god kan lachend dragen
De zijden weelde van uw weemoeds kleurge rouw.

Geen mens doorproeft zo zoet als de eerste rode kersen
Der lenten in wier eeuwigheid hij had geloofd,
De rijpe wijn die gist in uwe volle persen,
De koele blanke vlezen van uw meluw ooft.

Om ons en in ons zijn zovele jarenkeren
Zomer en lente en liefde ontloken en verdord:
Om tegelijk de dood en de eeuwigheid te leren
Lijkt leven eerst te lang, is leven haast te kort.

Wij dolen, onvervulde stoffelijke schimmen,
Door de verluchte brand van hof en tuin en laan,
En breiden moeizaam vochte vleugelen tot klimmen,
Als heemlen in uw laaiende avond opengaan.

Om ’t helle sterven van wat niets verstond dan leven,
En nu niet verder dan zijn schone dood vermoedt,
Zouden wij rede als vreemd en onbegeerlijk goed
De zekerheid van alle komend voorjaar geven.

 

P. C. Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Middelburg, de geboorteplaats van P. C. Bouten, in de herfst

 

De Engelse dichter John Hegley werd geboren op 1 oktober 1953 in Londen. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2010 en eveneens alle tags voor John Hegley op dit blog.

 

Smelly

One playtime, staying out of the rain,
His heart sank, Someone sniffed his seat,
And said it stank,
A ritual followed,
in which you had to dare,
To whiff the niffy chair,
Requeling from the squeling,
In jubilant despair,
From that day on we called him smelly,
But one day Smelly wasn’t there,
Gone for good and noone knew where,
But you could still smell smelly,
If you smelt his chair.

 

John Hegley (Londen, 1 oktober 1953)

 

De Amerikaanse dichter en essayist Wallace Stevens werd geboren op 2 oktober 1879 in Reading, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Wallace Stevens op dit blog.

 

The green plant

De stilte: een gestalte
Die voorbij is.
Leeuwgele rozen van oktober zijn
Papier geworden.

Schaduwen van bomen
Als vernielde paraplus.

De afgeleefde woordenschat
Van zomer heeft ons niets meer
Te zeggen.

Het bruin onder het rood,
Goud onder het geel zijn
Vervalsingen, zon zonder
Warmte, in een spiegel –

Behalve dat een groene plant
Gloeit terwijl je kijkt naar
De mythe van het paarsgroene woud –

Gloeit boven legende,
Heidens in het groene
Van de harde werkelijkheid waartoe
De groene plant behoort.

 

Vertaald door Lloyd Haft

 

Wallace Stevens (2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e oktober ook mijn blog van 1 oktober 2021 en ook mijn blog van 1 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 1 oktober 2018 en ook mijn blog van 1 oktober 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Hendrik Marsman, Rudolf Karl von Gottschall

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist. Zie ook alle tags voor Hendrik Marsman op dit blog.

Uit: Tempel en kruis

II

De toren slaat.
hij ziet hem echter niet.
alleen den dunnen gouden ring
der wijzerplaat, een roerloos rad,
dat in het hart staat
van het zwarte niets:
de windroos van den tijd,
als een rozet
tegen het dof fluweel der eeuwigheid.
dan, onder ’t verder gaan,
voelt hij de slagen door zijn lichaam gaan
en denkt: de Vader dus, geradbraakt in den Zoon,
en opziend naar de middernachtelijke zon,
ontwaart hij ’t draaiend kruis,
dat de apostelen als cijfers draagt,
een medaillon, God met den doornenkroon.
Dus zoo ondraaglijk werd de eeuwigheid
dat zij zich grijpen liet
door ’t vliegwiel van den tijd
en in een speeldoos zich vermalen deed!
door ’t vliegwiel van den tijd?
als hij het kruipen van de naalden ziet
beseft zijn trots met een rebelschen spijt
dat ook die ongeboren duizeling,
gebroken en gestremd,
den mensch wordt voorgezet
in ’t drama van de kreeft op het tapijt,
en waar eens God in de arena stond
en met een weerbaar man den strijd aanbond
onder de vlaggen van het morgenrood,
knielt nu een schaaldier traag den kruisweg rond
en bidt de staties van de wijzerplaat.

 

Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)

 

De Duitse schrijver, dichter, literair historicus en criticus Rudolf Karl von Gottschall werd geboren op 30 september 1823 in Breslau als zoon van een Pruisische artillerieofficier. Von Gottschall bezocht de Herzog Albrechts School in Rastenburg, Oost-Pruisen. Nadat hij de middelbare school had afgerond, studeerde hij vanaf 1841 rechten aan de Albertus Universiteit van Königsberg. Daar sloot hij zich aan bij de studentvereniging Gothia. Ndat hij vanwege politieke onrust was weggestuurd uit Königsberg, vervolgde hij zijn studie aan de Silezische Friedrich Wilhelm Universiteit in Breslau. In 1843 werd hij lid van de Alte Breslauer Burschenschaft der Raczeks. Hij voltooide zijn studie aan de Friedrich Wilhelm Universiteit in Berlijn. Hij promoveerde in 1846 in Königsberg op een proefschrift over de Romeinse straffen voor overspel. In 1847 werd hij dramaturg bij de stadsschouwburg van Königsberg. Hij ging in 1848 naar Hamburg en in 1852 naar Breslau. Daar trouwde hij in hetzelfde jaar met Marie Freiin v.. Sehrer-Thoß en ging in 1862 naar Posen, waar hij korte tijd redacteur was van de Ostdeutsche Zeitung. Vanaf 1864 – het jaar waarin hij naar Leipzig verhuisde – tot 1888 was Gottschall redacteur van de “Blätter für literarische Unterhaltung” en “Unsere Zeit” in Leipzig. In 1877 werd Gottschall door koning Wilhelm I van Pruisen in de adelstand verheven vanwege zijn verdiensten voor de Duitse literatuur. Von Gottschalls vooruitstrevende werk werd tijdens zijn leven gerespecteerd en zijn toneelstukken waren populair.

 

Das Leben

Das Leben ist nur eine Schlacht!
Es sausen rechts und links
In leichtem Tanz vorüber die Geschosse
Wie Bälle, die ein spielend Schicksal schlägt.
Wer erst die Kugel tief im Herzen trägt,
dem gilt es gleich,
Von welchem Feind sie kommt.

 

Dem Mond

Ich flüchte aus der Welt der Sonnen
In deine bleiche Schattenwelt!
Erquickung strömt, ein frischer Bronnen,
Dein Strahlenquell am Himmelszelt.
Du wanderst über fernen Gipfeln
Wie ein geheimes Sehnen hin,
Und über den verklärten Wipfeln
Schwebst du, der Blüten Königin.

Aufdringlich ist des Tages Leuchte,
Die spähend ins Verborgne schaut;
Dich grüßt die Flur, die tränenfeuchte,
Die dir ein stilles Glück vertraut,
Und wachgeküßt von nächt’gen Winden
Erschließt die scheue Blume sich;
Wenn Schatten sich zu Schatten finden,
Ergreift’s die Seele heimatlich.

Ja leuchten mag den ewig Klaren
Das Taggestirn mit prächt’gem Schein
Ein ahnungsvolles Offenbaren
Quillt aus der Mondennacht allein.
Wenn zwischen Blumen unter Sternen
Der Falter durch den Dämmer schwebt,
Dann wirst du das Geheinnis lernen,
Das zwischen Erd’ und Himmel webt.

Dann schmilzt und löst sich alles Feste
Und jede starre Schranke bricht;
Dann scheint das Schlimmste und das Beste
Mir nur das gleiche Traumgesicht:
Der Mächt’gen Trotz, die Not der Armen,
Der Tugend Qual, des Frevels Lust,
Und mit unendlichem Erbarmen
Erfüllt der Menschheit Los die Brust.

 

Rudolf Karl von Gottschall (30 september 1823 – 21 maart 1909)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e september ook mijn blog van 30 september 2020 en eveneens mijn blog van 30 september 2018 deel 1 en ook deel 2.

Pé Hawinkels, W. S. Merwin

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter en vertaler Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook alle tags voor Pé Hawinkels op dit blog.

 

Het uiterlijk van de Rolling Stones (Fragment)
Een lyrisch-episch leerdicht

II De zwarte markies met suikerziekte

Er is iets misgelopen met de tijd:
Wie ooit dat heerschap, op zijn paasbest
In de paternalistische kleur van irissen,
Het verdachte huis van gisteren heeft zien uit-
Komen, zal dit beamen, met
Of zonder rozijnen glimlach. Het
Onmogelijke heeft plaatsgevonden, en zoiets kan
Niet pluis zijn, nu niet, hier niet, nooit.
En, zo gaat dat, terwijl de corruptie der polaire
Categorieën om z. heen grijpt als de populariteit
Van filterkoffie -: in ieders dromen,
Fragmentarische producten van smartelijk smeulen,
En op elk denkbaar perron treffen de genummerde
Employé’s liggende lichamen aan, waarboven
Het individu in ijdele suspensie
Vertwijfeld & vergeefs pogingen in het werk
Stelt om de afstand, ingeweekte tijd,
Te overbruggen. Maar het is als met een kind
Op zwemles, dat nog niet duiken kan en
Haar ringetje op de bodem weet van het bassin,
Met de geest van de ontslapen Pharao
Waarom sterven zij zo vredig als de geur
Aan een sering ontglijdt? – die boven
Zijn sarcophaag hangt in het tuigje van
’t Hiernamaals: de tijd, die saboteert dit,
Elk noemenswaard project. Er zit
Niets anders op dan om hem af te danken,
Te ontslaan, – in elk geval:
Zijn werktijd te bekorten, zoals maatregelen
Die men treft tegen een muitende bemanning:
Onwrikbaar, omdat het recht zijn loop
Hernemen zal & moet, maar toch met iets van spijt
Dat er van zulke kranige kerels niet wat meer
Terecht gebracht is kunnen worden.
Dat is, U zegt het goed, niet ieders werk.

 

Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927. Zie ook alle tags voor W. S. Merwin op dit blog.

 

Het is maart

Het is maart en er valt zwart stof uit de boeken
Binnenkort ben ik weg
De grote geest die hier logeerde is
Al vertrokken
Op de lanen ligt de kleurloze draad onder
Oude prijzen

Als je terugkijkt is er altijd het verleden
Zelfs als het verdwenen is
Maar als je vooruit kijkt
Met je vuile knokkels en de vleugelloze
Vogel op je schouder
Wat kun je schrijven

De bitterheid stijgt nog steeds In de oude mijnen
De vuist komt uit het ei
De thermometers uit de monden van de lijken

Op een bepaalde hoogte
Zijn de staarten van de vliegers even
Bedekt met voetstappen

Wat ik ook doen moet is nog niet begonnen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

W. S. Merwin (30 september 1927 – 15 maart 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 29e september ook mijn blog van 29 september 2020 en eveneens mijn blog van 29 september 2018 deel 1 en ook deel 2.

Jon Fosse

De Noorse schrijver en dichter Jon Fosse werd geboren in Haugesund op 29 september 1959. Hij groeide op in Strandebarm in Kvam in de provincie Hordaland. Door een ernstig ongeval toen hij zeven was heeft hij een bijna doodservaring gehad. Deze bijna-doodervaring heeft een grote invloed gehad op zijn latere werk. Fosse schreef zich in aan de Universiteit van Bergen en studeerde vergelijkende literatuurwetenschap. Zijn debuutroman “Raudt, Svart”werd gepubliceerd in 1983, geschreven in het Nynorsk, een van de twee officiële schrijftalen van het Noors en de taal waar hij hoofdzakelijk in schrijft.  Fosses werk is in meer dan 40 landen vertaald. In 2011 is hem de gunst verleend om te wonen in Grotten, een ereresidentie die de koning aan een kunstenaar toewijst. Het is een villa, gebouwd bovenop een kunstmatige grot, op het terrein van het Koninklijk Paleis in het centrum van Oslo. Wie deze eer wordt toebedeeld mag er blijven wonen tot aan zijn dood. Hij schrijft hoofdzakelijk in Nynorsk. In 2015 ontving Fosse de prestigieuze Literatuurprijs van de Noordse raad voor zijn trilogie “Andvake” (vertaald in het Nederlands als ‘Slapeloos’), “Olavs draumar” en “Kveldsvævd”.

Uit: Slapeloos (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Asle en Alida liepen door de straten van Bjørgvin, over zijn schouders droeg Asle twee bundels met alles wat ze bezaten en in zijn hand had hij de vioolkist met de viool die hij van vader Sigvald had geërfd, en Alida droeg twee netten met eten, en ze liepen nu al uren door de straten van Bjørgvin op zoek naar een plekje om te slapen, maar het leek onmogelijk ergens een plekje te vinden, nee, zeiden ze, we verhuren helaas geen kamers, zeiden ze, wat we hebben is al bezet, zeiden ze en dus moesten Asle en Alida verder door de straten en aankloppen bij deuren en vragen of ze daar in huis onderdak konden krijgen, maar in geen van de huizen was onderdak te krijgen, dus waar moesten ze nu naartoe, waar vonden ze beschutting tegen de kou en het donker zo laat in de herfst, ergens moesten ze toch een plekje kunnen vinden, en wat een geluk dat het niet regent, maar het gaat vast zo regenen ook, en zo konden ze niet rond blijven lopen, en waarom wilde niemand hun onderdak geven, kwam dat misschien omdat iedereen wel zag dat Alida nu gauw moest bevallen, want dat kon elk moment gebeuren, in haar toestand, of kwam het omdat ze niet waren getrouwd en dus niet voor fatsoenlijk getrouwde mensen, niet voor fatsoenlijke mensen doorgingen, maar was dat aan hen te zien, nee, dat was onmogelijk, of misschien toch, want er moest toch iets zijn waardoor niemand hun onderdak wilde geven, het kwam niet omdat Asle en Alida niet wilden trouwen dat ze de zegen van de dominee nog niet hadden, wanneer hadden ze dat moeten doen, ze waren net goed en wel zeventien, dus natuurlijk bezaten ze niet wat nodig was om een bruiloft te kunnen vieren, maar zodra ze dat hadden zouden ze trouwen zoals het hoorde, met een dominee en een ceremoniemeester en een feest en een speelman en alles wat erbij hoorde, maar zo lang moest dat wachten, moest het blijven zoals het was en het was toch eigenlijk goed zo, maar waarom wilde niemand hun onderdak geven, wat was er mis met ze, misschien hielp het als ze dachten dat ze getrouwd waren en man en vrouw waren, want als ze dat dachten was het vast niet zo gemakkelijk aan hen te zien dat ze als zondaars door het leven gingen en nu hadden ze al bij zo veel deuren aangeklopt en niemand die ze om onderdak vroegen had een plekje voor hen en zo kunnen ze niet rond blijven lopen, het wordt al avond, het is laat in de herfst, het is donker, het is koud en het gaat vast zo regenen ook.”

 

Jon Fosse (Haugesund, 29 september 1959)

Philip Huff, Albert Vigoleis Thelen

De Nederlandse dichter en schrijver Philip Huff werd geboren op 28 september 1984 in Zwolle. Zie ook alle tags voor Philip Huff op dit blog.

 

Handen

I

Ik hou mijn vaders hand vast terwijl de woorden
verdrinken in zijn hoofd.

In de zomertuin huppen twee ringmussen voorbij.
Wat zien zij? Wie onthoudt wat zij zien?

De geagiteerde vormen van het ruisend groen.
Een koraal van wolken

in een verzurende zee van lucht.
Het veldwerk in al zijn verschijningen.

Soms denk ik dat wat gebeurt op ons teert.
Niets is zonder ons.

De wereld heeft klerken nodig,
anders is alles voor niemand gebeurd.

Ik meld mij af, ik meld mij aan.

 

II

Jaren voor mijn geboorte reed hij in een Fiat 500
– kleiner dan het hart van een walvis – naar zijn ouders
in een land ver weg. Hij sliep bij onbekenden op de bank,

op de vloer, in een hangmat onder de sterren,
flakkerende motten in de nacht.

 

Bergscène

Toen ik vertrok, wist ik dat het najaar was.
Geen lichtblauwe augustusdagen die tintelen in je haarwortels,
geen sneeuw die een mens doet vergeten, maar
dode stroompjes regen onder je voeten.
Ik zocht niets – en zoek het nog.

Gisteren stampte hier een meisje met haar wantjes los
aan haar winterjas in een plas, grijs als de dag –
haar vader sprong op van zijn stoel, greep
haar bij de schouders. Er liep een dunne lijn
tussen haar en mij, en opnieuw valt
er een druppel inkt in elk glas: liefde, kind, ouder,

jij en ik.

 

Philip Huff (Zwolle, 28 september 1984)

 

De Duitse dichter, schrijver en criticus Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Zie ook mijn blog van 28 september 2010 en eveneens alle tags voorAlbert Vigoleis Thelen op dit blog.

 

Spiegelschrift

Het ongeschreven boek
is de enige lectuur
van de analfabeet
Waar hij het opent
herkent hij zichzelf
in archetypische naaktheid
en van top tot teen
is elk woord
aan hem waar.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 – 9 april 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e september ook mijn blog van 28 september 2020 en eveneens mijn blog van 28 september 2018 en ook mijn blog van 28 september 2017 en eveneens mijn blog van 28 september 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Antonio Soler

De Spaanse schrijver, scenarioschrijver en journalist Antonio Soler werd geboren in Málaga op 28 september 1956. In 1983 won Soler de Jauja-prijs voor korte verhalen met Muerte canina (De dood van een hond). Zijn carrière als schrijver kreeg in 1992 definitief een start met de publicatie van Extranjeros en la noche (Vreemdelingen in de nacht), een verzameling korte verhalen en een novelle – La noche (De nacht), die later als apart boek werd gepubliceerd. Na nog twee romans publiceerde hij Las bailarinas muertas (De dode dansende meisjes), waarmee hij de Premio Herralde won en zijn reputatie vestigde als een belangrijke exponent van het moderne Spaanse verhaal. Zijn volgende roman, El nombre que ahora digo (Soldaten in de mist), wordt door sommigen beschouwd als een van de beste weergaven van het leven in de Republikeinse sector tijdens de Spaanse burgeroorlog. El camino de los Ingleses (Zomerregen), gepubliceerd in 2004, werd in 2006 verfilmd door Antonio Banderas met behulp van Solers igen filmscript. Solers roman Sur (2018) beschrijft een dag uit het leven van de stad Málaga aan de hand van een cast van zo’n 250 karakters, terwijl ze de drukkende hitte van de landwind doorstaan. Soler was writer in residence aan het Dickinson College, Pennsylvania, en heeft cursussen en lezingen gegeven aan tal van universiteiten en culturele instellingen in Europa, Latijns-Amerika, de VS en Canada. Hij is een van de oprichters van de Order of Finnegans, een literaire groep opgericht ter ere van James Joyce’s roman Ulysses, die zijn naam ontleent aan een pub in Dalkey, Ierland. De andere vier stichtende leden zijn Eduardo Lago, Jordi Soler, Enrique Vila-Matas en Malcolm Otero Barral.

Uit: Yo que fui un perro

“Miraba a Yolanda en el reflejo de la ventanilla mecida por el autobús. Ella con expresión triste. Los árboles pasaban por su cara.  Su cara estaba hecha de edificios y balcones que pasaban por sus pómulos. Bajamos por la avenida, y el aire era entonces el cristal en el que se reflejaba su cara. Estábamos separados por un vidrio y más cerca que nunca antes lo habíamos estado. Así lo sentía yo. No importa lo lejos que ella se sintiera de mí. Estaba allí, a mi lado, y, por un instante, yo habría dado mi vida por ella. Con su falda blanca y su camisa rayada, los labios con el carmín borrado, y las pestañas como las palmeras de un oasis. Sus manos pequeñas, las uñas humildemente pintadas como las niñas que juegan a ser mujeres. No dije nada, seguí a su lado y respiré, fui consciente del aire, de la vida. Y podría haber gritado, pero me mantuve en silencio, oyendo sus pasos en la acera, los tacones, el aire que ya parece el aire del verano. Y le dije sí, que los días serían largos, y ella me miró sin entenderme y sin sonreír. Y yo podría haber dicho que en ese instante, solo en ese instante, era feliz. Porque aun sabiendo que muy pronto dejaría a Yolanda en el portal al girar la llave en la cerradura de mi casa, la felicidad se habría evaporado como si nunca hubiera existido. Y ya no volvería a sentirme vivo plenamente, como un animal, como una planta que crece sin conciencia y se alimenta del suelo, de la tierra, del oxígeno que la envuelve. Nos dijimos adiós con un beso suave. La vi caminar por el portal. El fuego es el único amigo del diablo…”.

(Ik was een hond:

“Ik keek naar Yolanda in de weerspiegeling van het raam dat door de bus werd geschud. Zij met een droevige uitdrukking. De bomen gingen langs haar gezicht. Haar gezicht bestond uit gebouwen en balkons die langs haar jukbeenderen liepen. We liepen de laan af en de lucht was toen het glas waarin haar gezicht werd weerspiegeld. We waren gescheiden door glas en dichterbij dan ooit tevoren. Zo voelde ik mij. Hoe ver ze zich ook van mij verwijderd voelde. Ze was daar, aan mijn zijde, en voor een moment zou ik mijn leven voor haar hebben gegeven. Met haar witte rok en gestreept overhemd, lippen met uitgewiste lippenstift en wimpers als de palmbomen van een oase. Haar kleine handen, haar nagels nederig gelakt als meisjes die spelen dat ze vrouw zijn. Ik zei niets, ik bleef naast haar staan ​​en ademde, ik was me bewust van de lucht, van het leven. En ik had kunnen schreeuwen, maar ik bleef stil, luisterend naar haar voetstappen op het trottoir, haar hakken, de lucht die al op zomerlucht lijkt. En ik zei ja, dat de dagen lang zouden zijn, en ze keek me aan zonder me te begrijpen en zonder te glimlachen. En ik had kunnen zeggen dat ik op dat moment, alleen op dat moment, gelukkig was. Want zelfs als ik wist dat ik Yolanda binnenkort bij de deur zou achterlaten als ik de sleutel in het slot van mijn huis zou omdraaien, zou het geluk verdampt zijn alsof het nooit heeft bestaan. En ik zou me niet langer volledig levend voelen, als een dier, als een plant die zonder bewustzijn groeit en zich voedt met de grond, de aarde, de zuurstof die hem omringt. Met een zachte kus namen we afscheid. Ik zag haar door de deuropening lopen. Vuur is de enige vriend van de duivel…”

 

Antonio Soler (Málaga, 28 september 1956)

Kay Ryan

De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.

 

The Obsoletion of a Language

We knew it
would happen,
one of the laws.
And that it
would be this
sudden. Words
become a chewing
action of the jaws
and mouth, unheard
by the only other
citizen there was
on earth.

 

ALMOST WITHOUT SURFACE

Sometimes before
going to sleep a person
senses the give
behind the last given,

almost physically,
like the strain
of plush against
a skin.

The person imagines
a fig or peach,
perhaps a woman or
a deep constellation:
some fathomless
fruit.

But we are each
that, while we live,
however much
we resist: almost
without surface, barely
contained,

but crazy
as clouds compounding
each other, refusing
to rain.

 

Bait Goat

There is a
distance where
magnets pull,
we feel, having
held them
back. Likewise
there is a
distance where
words attract.
Set one out
like a bait goat
and wait and
seven others
will approach.
But watch out:
roving packs can
pull your word
away. You
find your stake
yanked and some
rough bunch
to thank.

 

HOUDINI

Elke ontsnapping
had te maken met wat kunst,
wat bedrog, en
op zijn minst een korte
onbegrijpelijke
uitwisseling tussen
de man en het metaal,
gedurende welke de
kettingen niet
zozeer gebroken waren
als hij en zij
vermengd. Aan het
eind van elke
mix moest hij
zichzelf uitpakken. Het
was het moeilijkste
deel om routinematig
correct te doen: terug-
breken in de
dezelfde Houdini.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kay Ryan (San Jose, 27 september 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e september ook mijn blog van 27 september 2020 en eveneens mijn blog van 27 september 2018 en eveneens mijn blog van 27 september 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Bart Chabot, T. S. Eliot

De Nederlandse dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Zie ook alle tags voor Bart Chabot op dit blog.

Uit: Ome Jules

“Ik ontmoette hem voor het eerst tijdens de jaarwisseling. In de catacomben van het hoofdstedelijke Paradiso. Oudejaarsavond 1979. Ik had nog nooit van hem gehoord.
‘Het wordt tijd,’ had de in ons land niet geheel onbekende rock & roll-zanger Herman Brood enkele dagen eerder gezegd, ‘dat je Jules leert kennen. Deelder. Die gozer is te gek.’
Zoals wel vaker gebeurde, vertrouwde ik op Hermans oordeel. Ik werd niet teleurgesteld. Het was na middernacht, het nieuwe jaar was nog krakend vers, toen Herman me aan Jules voorstelde.
‘Jules, dit is Bart. Bart – Jules. Ook een dichter. Jullie redden je wel hè, jongens. Ik moet…’ Deelder droeg een lang vallende zwarte, glimmende jas. Zijn ogen gingen, ondanks het vergevorderde uur, schuil achter een zonnebril. Het klikte meteen. We hoefden geen moeite te doen om het met elkaar te kunnen vinden.
Jules praatte de eerste tweeënhalve uur na onze kennismaking geheel eigenhandig vol. Op zich misschien niet eens zo bijzonder, ik kende wel meer mensen die ‘gebruikten’ en je moeiteloos een dag of wat aan de praat hielden, maar Jules’ woordenstroom verveelde me geen seconde: wat mij betreft bleef hij nog geruime tijd aan het woord. Pas tegen het ochtendgloren verloor ik hem uit het oog en belandde met Evelien, een meisje dat bij Herman die nacht een blauwtje had gelopen, in een twijfelaar in Hotel Torenzicht, maar daar gaat het nu even niet om.
Toen ik de volgende ochtend beneden bij de balie zat te wachten op een taxi die nooit komen zou, dacht ik terug aan de ontmoeting met Deelder. Boven de gracht zwenkte traag een verdwaalde meeuw. Het water verroerde zich niet, kwam op zijn manier bij van het feestgewoel tijdens de afgelopen nacht. Iemand die voor mij onzichtbaar bleef, schopte een blikje over straat. Boven sliep Evelien nog. Ik moest denken aan Deelder: aan zijn verschijning en aan wat hij te vertellen had. Ik was van één ding overtuigd: die Deelder was een fenomeen.”

 

Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

 

De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor T. S. Eliot op dit blog.

 

TANTE HELEN

Mijn tante Helen Slingsby is nooit getrouwd.
Ze woonde in een klein huis bij een chic plein
Onder de hoede van een viertal knechten.
Toen zij stierf, werd het stil in de hemel
En stil aan haar eind van de straat.
De blinden gingen dicht en de lijkbezorger veegde zijn voeten –
Hij had zoiets al eerder meegemaakt.
Er werd naar behoren gezorgd voor de honden,
Maar kort daarop stierf ook de papegaai.
De Saksische klok op de schouw tikte door
En de huisknecht zat op de eettafel
Met op zijn knieën de tweede dienstmeid –
Die zo oppassend was geweest toen haar meesteres nog leefde.

 

Vertaald door Martinus Nijhoff

 

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e september ook mijn blog van 26 september 2021 en ook mijn blog van 26 september 2018 en ook mijn blog van 26 september 2017 en eveneens mijn blog van 26 september 2015 deel 2.

Niccolò Ammaniti, Dannie Abse

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Zo God het wil (Vertaald door Etta Maris)

“Er was niets te horen. Zelfs niet de auto’s die dag en nacht langs het huis raasden en die je, als je je ogen dichtdeed, het gevoel gaven dat ze de kamer binnenreden. Het is de sneeuw. Sneeuw dempt de geluiden. Zijn vader liep naar het raam en legde zijn hoofd tegen het glas dat vochtig was van de condens. Nu tekende het licht in de gang de driehoeksspier en de getatoeëerde cobra op zijn rug. ‘Jij slaapt veel te diep. In de oorlog ben jij er als eerste bij.’ Cristiano concentreerde zich en hoorde in de verte het schorre geblaf van de hond van Castardin. Hij was er zo aan gewend dat zijn oren het niet meer waarnamen. Hetzelfde gold voor het gezoem van de neonlamp in de gang en de kapotte spoelbak van de wc. De hond?'Het is je gelukt… Ik begon me al zorgen te maken.’ Zijn vader draaide zich opnieuw naar hem om. ‘Hij is geen minuut stil geweest. Zelfs niet nu het sneeuwt.’ Cristiano wist nog wat hij droomde toen zijn vader hem wakker had gemaakt. Beneden in de woonkamer, naast de televisie, stond een groot, lichtgevend aquarium met daarin een groene, glibberige kwal die een heel vreemde taal sprak met allemaal c’s, z-en en r-en. En het mooie was dat hij die kwal volledig kon verstaan. Hoe laat is het eigenlijk? vroeg hij zich gapend af. De lichtgevende wijzerplaat van de radiowekker op de grond wees drie uur drieëntwintig aan. Zijn vader stak een sigaret op en blies de rook uit. ‘Die hond hangt me de keel uit.’ `Die hond is gewoon gek. Komt door al die stokslagen die hij krijgt…’ Nu zijn hart niet meer zo bonkte, voelde Cristiano de slaap zwaar op zijn oogleden drukken. Hij had een droge mond die smaakte naar de knoflook van de kip van de snackbar. Misschien zou die vieze smaak verdwijnen als hij wat dronk, maar het was te koud om naar de keuken te gaan.
Hij was graag verdergegaan met zijn droom over de kwal op het punt waar hij gebleven was. Hij wreef in zijn ogen. Waarom ga je niet naar bed? De vraag kwam in hem op, maar hij slikte hem in. Uit de manier waarop zijn vader door de kamer liep viel op te maken dat hij niet van plan was te gaan slapen. Drie sterren. Cristiano had een schaal van nul tot vijf om de irritatie van zijn vader te meten. Of eigenlijk ergens tussen de drie en vier sterren. De gevarenzone van ‘alert zijn’, met als enige juiste strategie: hem altijd gelijk geven en zo min mogelijk irriteren. Zijn vader draaide zich om en schopte hard tegen een witte plastic stoel, die door de kamer rolde en tot stilstand kwam tegen een stapel dozen waarin Cristiano zijn kleren bewaarde. Hij had zich vergist. Dit was vijf sterren. Rood alarm. Hier gold als enige strategie: zwijgen en opgaan in de omgeving. Zijn vader was al een week zo onrustig. Een paar dagen eerder had hij zich gestort op de badkamerdeur die niet openging. Het slot was kapot. Een paar minuten was hij in de weer geweest met een schroevendraaier. Hij zat daar op zijn knieën te vloeken, schold op Fratini, de ijzerhandel waar hij het slot had gekocht, de Chinese fabrikant die een slot van blik had gemaakt, de politici die toestonden dat zulke rommel werd geïmporteerd, en het leek wel of ze daar allemaal voor hem stonden, maar niets hielp, die deur wilde gewoon niet opengaan.”

 

Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

Röntgenstraal

Sommigen jagen op de zeebodem, sommigen stormen naar een ster
en, moeder, sommige geobsedeerde mensen draaien elke steen om
of maken graven open om dat sterrenlicht binnen te laten.
Er zijn mannen die alles openmaken.

Harvey, de bloedsomloop,
en Freud, de circulatie van onze dromen,
nieuwsgierig, eervol en vereerd, zijn
als alle ontdekkingsreizigers. Mannen die mannen openmaken.

En die anderen, moeder, met ziektes
zoals grote straten die naar hen vernoemd zijn: Addison,
Parkinson, Hodgkin – artsen die snel en als eerste
zouden arriveren bij elke wrange sterfbedscène.

Ik ben hun slow coach-collega, half bang,
onnieuwsgierig. Als jongen was ik al zo: je weet hoe
mijn kleine hand nooit een wekker
uit elkaar haalde of een omgekomen muis vilde.

En deze grotere hand is hetzelfde. Hij steekt nu
uit een witte mouw om, moeder, je röntgenfoto omhoog
te houden tegen het gloeiende scherm. Mijn ogen kijken
maar willen het niet; Ik wil het nog steeds niet weten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e september ook mijn blog van 25 september 2021 en ook mijn blog van 25 september 2019 en ook mijn blog van 25 september 2018 en eveneens mijn blog van 25 september 2016 deel 2.