Ramsey Nasr, Maik Lippert

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

Broeders van liefde

Probeer het eens. Je neemt een kind op schoot
zo’n ding dat nog doorschijnend is en broos
liefst blind of doof. Geslachtloos bijna.
Het zit daar maar, een zuiglam voor het oog.

Pak nu het hoofdje. Leid het zacht omlaag
tot aan de uitgang onzer naastenliefde.
Schuif het, prop het erdoor desnoods, niet bang zijn.
Vandaag mag het. Er zijn geen ouders bij.

Dit is de kracht van elk geloof. Te groot
om te bevatten stoot het vroeg of laat
tot daar waar wij ons soeverein nog dachten.

Ze zeggen: God werkt slechts met onze handen.
Wel God, dit kun je dan: een kind van acht
mishandelen en jaar na jaar verkrachten.

 

Het lentekanon

en dan: ineens
geen gebeurtenis.

vandaag geen nieuws.
geen zwaailicht of wind.
ik sta zonder voelspriet stil.
enkel de zon die doorbreekt tussen mijn ribben.
verder niets. man op balkon.
in de verte: geschiet.

geen mensen hier.
enkel een kaasschaaf
blikkert in mijn hand
als een oudhollands wapen.

enkel wij tegenover elkaar.
minder dan iemand.

en ik denk nog
ik moet iets doen

maar de zon eet mijn mond
glipt naar binnen in horden
legt lobben rond mijn ogen
steekt het stuif in al mijn woorden
als kleine stokken.

we zijn begonnen.
’t kanon van de lente werd ingezet.

ik zwaai wat ik kan om haar te schaden
david met kaasschaaf
en zie: de stralen tuimelen omlaag…
of toch een paar. lullige lichtplakjes
krullen zich op mijn balkon.
aan mijn voeten brabbelt de kosmos
onverstaanbare peutertaal.

zonnetje wordt beetje boos.
ze groeit de katjes uit mijn oren
uit mijn navel, ellebogen
knoken, halfverstikte strot
rukt zij nu op in scherpe loten.
mannenlichaam staat in knop.

dat heb ik weer.
          en ik moet nog
orde op aarde scheppen
het licht van de duisternis
aftrekken, ik moet het heelal
als een hond doen kermen
mijn vijand verschroeien, mijn lief
de waarheid zeggen, ik moet
mijn tegenstem nog uitbrengen
de dood vergruizen met een lied
rouwen op rijm, sonnetten schrijven
heel dit volk met troost invetten.

heden geen nieuws.
geen mensen hier.
in de verte: geschiet.

en de winter doet niets.
en de bliksem doet niets.

enkel een heimelijk tikkende bloem
geil van onmacht.
          ik ben op zoek
naar een pen om mijn taal uit te likken.

 

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook alle tags voor Maik Lippert op dit blog.

 

nachtvorst

nachtvorst
en de vliegen op het raam
hangen zichzelf op
vermoeide zeelieden
aan tafel
net op tijd voor de val van de bladeren
wie gaf het bevel
tot de herfststerfte
gordijnen afhalen
en wassen
zo belanden ze toch niet
in de zee
alleen in de loog
en cirkelen
betoverde kompasnaalden
in chitinepantser
s

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn blog van 28 januari 2019 en ook mijn blog van 28 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Paolo Cognetti, Harvey Shapiro

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: De buitenjongen (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Een paar winters geleden maakte ik een moeilijke tijd door. Ha heeft nu denk ik weinig zin om te memoreren waar dat toenmalige gevoel van onbehagen uit voortkwam. Ik was dertig en voelde me futloos, verloren en ontgoocheld, zoals je je voelt wanneer iets wat je onderneemt op niets uitloopt In mijn ogen was de toekomst op dat moment net zoiets onbestaanbaars als de gedachte dat je op reis gaat wanneer je ziek bent en het buiten regent. Ik had veel van mezelf gegeven, en wat was mijn beloning? Ik sleet mijn dagen in boekhandels, in ijzerwinkels, in het café tegenover mijn huis en op bed, waar ik door het raam naar de witte lucht van Milaan staarde. En vooral schreef ik niet, wat voor mij gelijkstaat aan niet slapen of niet eten: het was een leegte zoals ik die nog nooit eerder had ervaren.
Romans stonden me in die maanden tegen, maar ik voelde me wel aangetrokken tot verhalen van mensen die de wereld hadden afgewezen en de bossen in waren gegaan om de eenzaamheid te ervaren. Ik las Walden van Henry David Thoreau en Geschiedenis van een berg van Elisée Reclus. Ik werd met name getroffen door de reis van Chris McCandless, die door Jon Krakauer is beschreven in De wildernis in. Misschien wel omdat Chris geen negentiende-eeuwse filosoof was, maar een tijdgenoot van me die op zijn tweeëntwintigste afscheid had genomen van de stad, zijn familie, zijn studie en een op klassieke westerse leest geschoeide briljante toekomst, en helemaal alleen aan een eenzame zwerftocht was begonnen die zou eindigen met zijn hongerdood in Alaska. Toen het verhaal bekend werd, meenden veel mensen dat hij waarschijnlijk uit idealisme had gehandeld, dat het een vlucht uit de werkelijkheid was geweest, of dat hij wellicht tot zelfmoord neigde. Ik had het gevoel dat ik zijn keuze begreep, en inwendig bewonderde ik hem erom. Chris had niet genoeg tijd gehad om een boek te schrijven, misschien was hij dat niet eens van plan geweest, maar hij hield van Thoreau en had diens manifest overgenomen: ‘Ik ging de bossen in omdat ik bewust wilde leven, om me alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had. Ik wenste niet te leven wat niet het leven was, en ook wilde ik me niet overgeven aan berusting, tenzij dat noodzakelijk was.”

 

Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Psalm

Ik sta nog steeds op een dak in Brooklyn
op uw heilige dag. De haven ligt voor mij,
Governor’s Island, Verrazano Bridge
en de Narrows. In mijn hoofd zit nog steeds
wat Rabbi Nachmann zei over de wereld,
dat het een smalle brug is en dat het het belangrijkste
is om niet bang te zijn. Dus op deze dag
zegen ik mijn moeder en vader, mogen ze
niet bevreesd zijn waar ze ronddwalen. En ik
vraag u om hen te zegenen en voor u
uw Boek des Levens sluit, uw Sefer Hachayim,
onthoud dat ik uw wereld altijd heb geprezen
en uw pracht en dat mijn tong
probeerde uw naam te zeggen in Court Street in Brooklyn.
Breng me veilig door de Narrows naar de zee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn blog van 27 januari 2019 en ook mijn blog van 27 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Jos van Daanen, Harvey Shapiro

De Nederlandse dichter en schrijver Jos van Daanen werd geboren op 26 januari 1959 in Kerkrade. Zie ook alle tags voor Jos van Daanen op dit blog.

Foto

Straks ben ik net zo oud
als jij en verwar ik oude foto’s
met die waarop je aan je einde bent.

Dan kijk ik in mijn spiegel
in jouw ogen en wen mijzelf
aan de rimpels in mijn hoofd,

en heb ik weer een grens verlegd
voor die man die aan mijn ziekbed zit,
wiens gezicht ik almaar niet herken.

 

Hij is de Millennial

Aan hem kleven veel te hoge verwachtingen.
Ze drijven hem tot wanhoop.
Maken dat hij zich wil verdrinken.

Hij is Jezus. Hij loopt over water.
Schuilt daar onder bomen.
Ontwijkt vluchtelingen. Bouwt kampvuren.
Vermaakt zijn volk.

Hij is de Illusionist.

 

Hollandse regen

I
Als ik met houtskool tekenen kon op glas
jouw vingervlugge tederheden, of hoe je
je liefde als een goedkope goocheltruc
op een heuphoog eenpootstafeltje
in een vlinder veranderde

had ik alle ramen tegen elkaar
geopend en de speld met
de strepen van de regen
onder een doekje weggewist,
als ik tekenen kon op glas?

 

Jos van Daanen (Kerkrade, 26 januari 1959)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

Zuiverheden

Wat ceremonieel onzuiver was, wist hij,
Was zijn leven. De wetten werden niet nageleefd.
De god werd niet geëerd.
Angst zat op elke weg.
Om zijn leven te veranderen, vond hij
Een baan uit die regelmaat en orde beloofde.
Hij vond liefde uit die vreugde beloofde.
In de zomer zat hij tussen groene bomen.
De familie lachte in het water.
Laat nu de ceremonie beginnen, zei hij,
In het hart van de zomer, in het pure groen
En het pure blauw.
Laat de god zijn berg betreden.
Hij kan naar beneden komen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 januari 2019 en ook mijn blog van 26 jauari 2016 en mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

David Grossman, Derek Walcott

De Israëlische schrijver David Grossman werd geboren op 25 januari 1954 in Jeruzalem. Zie ook alle tags voor David Grossman op dit blog.

Uit: Someone to Run With (Vertaald door Vered Almog en Maya Gurantz Picador)

“A dog runs through the streets, a boy runs after it. A long rope connects the two and gets tangled in the legs of the passersby, who grumble and gripe, and the boy mutters “Sorry, sorry” again and again. In between mumbled sorries he yells “Stop! Halt!”–and to his shame a “Whoa-ah!” escapes from his lips. And the dog keeps running.
It flies on, crossing busy streets, running red lights. Its golden coat disappears before the boy’s very eyes and reappears between people’s legs, like a secret code. “Slower!” the boy yells, and thinks that if only he knew the dog’s name, he could call it and perhaps the dog would stop, or at least slow down. But deep in his heart he knows the dog would keep running, even then. Even if the rope chokes its neck, it’ll run until it gets where it’s galloping to–and don’t I wish we were already there and I was rid of him!
All this is happening at a bad time. Assaf, the boy, continues to run ahead while his thoughts remain tangled far behind him. He doesn’t want to think them, he needs to concentrate completely on his race after the dog, but he feels them clanging behind him like tin cans. His parents’ trip–that’s one can. They’re flying over the ocean right now, flying for the first time in their lives–why, why did they have to leave so suddenly, anyway? His older sister–there’s another can–and he’s simply afraid to think about that one, only trouble can come of it. More cans, little ones and big ones, are clanging, they bang against each other in his mind–and at the end of the string drags one that’s been following him for two weeks now, and the tinny noise is driving him out of his mind, insisting, shrilly, that he has to fall madly in love with Dafi now–because how long are you going to try to put it off? And Assaf knows he has to stop for a minute, has to call these maddening tin followers to order, but the dog has other plans.
Assaf sighs–“Hell!”–because only a minute before the door opened and he was called in to see the dog, he was so close to identifying the part of himself in which he could fall in love with her, with Dafi. He could actually, finally, feel that spot in himself; he could feel himself suppressing it, refusing it in the depths of his stomach, where a slow, silent voice kept whispering. She’s not for you, Dafi, she spends all her time looking for ways to sting and mock everyone, especially you: why do you need to keep up this stupid show, night after night? Then, when he had almost succeeded in silencing that quarrelsome voice, the door of the room in which he had been sitting every day for the last week, from eight to four, opened. There stood Avraham Danokh, skinny and dark and bitter, the assistant manager of the City Sanitation Department. (He was sort of a friend of his father’s and got Assaf the job for August.) Danokh told him to get off his ass and come down to the kennels with him, now, because there was finally work for him to do.
Danokh paced the room and started explaining something about a dog. Assaf didn’t listen. It usually took him a few seconds to transfer his attention from one situation to another. Now he was dragging after Danokh along the corridors of City Hall, past people who came to pay their bills or their taxes or snitch on the neighbors who built a porch without a license.”

 

David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Liefde na liefde

De tijd zal komen
wanneer je, met opgetogenheid,
jezelf zult begroeten als je aankomt
bij je eigen deur, in je eigen spiegel
en elk zal glimlachen om het welkom van de ander,

en zeggen, ga hier zitten. Eet.
Je zult weer van de vreemdeling houden die jezelf was.
Geef wijn. Geef brood. Geef je hart terug
aan zichzelf, aan de vreemdeling die je hele leven

van je heeft gehouden, die je negeerde
ten gunste van een ander, waarmee je vertrouwd bent.
Haal de liefdesbrieven van de boekenplank,

de foto’s, de wanhopige aantekeningen,
pel je eigen afbeelding van de spiegel.
Ga zitten. Geniet van je leven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

E. Th. A. Hoffmann, Derek Walcott

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook alle tags voor E. Th. A. Hoffmann op dit blog.

Uit: Die Jesuiterkirche in G.

„Ganz, wie ihn mein Freund beschrieben, fand ich den Professor; hellgesprächig – weltgewandt – kurz, ganz in der Manier des höheren Geistlichen, der wissenschaftlich ausgebildet, oft genug über das Brevier hinweg in das Leben geschaut hat, um genau zu wissen, wie es darin hergeht. Als ich sein Zimmer auch mit moderner Eleganz eingerichtet fand, kam ich auf meine vorigen Bemerkungen in den Sälen zurück, die ich gegen den Professor laut werden ließ. »Es ist wahr«, erwiderte er, »wir haben jenen düstern Ernst, jene sonderbare Majestät des niederschmetternden Tyrannen, die im gotischen Bau unsere Brust beklemmt, ja wohl ein unheimliches Grauen erregt, aus unseren Gebäuden verbannt, und es ist wohl verdienstlich, unsern Werken die regsame Heiterkeit der Alten anzueignen.« – »Sollte aber«, erwiderte ich, »nicht eben jene heilige Würde, jene hohe zum Himmel strebende Majestät des gotischen Baues recht von dem wahren Geist des Christentums erzeugt sein, der, übersinnlich, dem sinnlichen, nur in dem Kreis des Irdischen bleibenden Geiste der antiken Welt geradezu widerstrebt?« – Der Professor lächelte. »Ei«, sprach er, »das höhere Reich soll man erkennen in dieser Welt und diese Erkenntnis darf geweckt werden durch heitere Symbole, wie sie das Leben, ja der aus jenem Reich ins irdische Leben herabgekommene Geist, darbietet. Unsere Heimat ist wohl dort droben; aber solange wir hier hausen, ist unser Reich auch von dieser Welt.« Jawohl, dachte ich: in allem was ihr tatet, bewieset ihr, daß euer Reich von dieser Welt, ja nur allein von dieser Welt ist. Ich sagte aber das, was ich dachte, keinesweges dem Professor Aloysius Walther, welcher also fortfuhr: »Was Sie von der Pracht unserer Gebäude hier am Orte sagen, möchte sich wohl nur auf die Annehmlichkeit der Form beziehen. Hier, wo der Marmor unerschwinglich ist, wo große Meister der Malerkunst nicht arbeiten mögen, hat man sich, der neuern Tendenz gemäß, mit Surrogaten behelfen müssen. Wir tun viel, wenn wir uns zum polierten Gips versteigen, mehrenteils schafft nur der Maler die verschiedenen Marmorarten, wie es eben jetzt in unserer Kirche geschieht, die, Dank sei es der Freigebigkeit unserer Patronen, neu dekoriert wird.« Ich äußerte den Wunsch, die Kirche zu sehen; der Professor führte mich hinab, und als ich in den korinthischen Säulengang, der das Schiff der Kirche formte, eintrat, fühlte ich wohl den nur zu freundlichen Eindruck der zierlichen Verhältnisse. Dem Hochaltare links war ein hohes Gerüste errichtet, auf dem ein Mann stand, der die Wände in Giallo antik übermalte. »Nun wie geht es, Berthold?« rief der Professor hinauf Der Maler wandte sich nach uns um, aber gleich fuhr er wieder fort zu arbeiten, indem er mit dumpfer beinahe unvernehmbarer Stimme sprach: »Viel Plage – krummes verworrenes Zeug – kein Lineal zu brauchen – Tiere – Affen – Menschengesichter – Menschengesichter – o ich elender Tor!« Das letzte rief er laut mit einer Stimme, die nur der tiefste im Innersten wühlende Schmerz erzeugt; ich fühlte mich auf die seltsamste Weise angeregt, jene Worte und der Ausdruck des Gesichts, der Blick, womit er zuvor den Professor anschaute, brachten mir das ganze zerrissene Leben eines unglücklichen Künstlers vor Augen.“

 

E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 – 25 juni 1822)
Portret door een onbekende kunstenaar, ca. 1795

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Na de storm

Zoveel eilanden als de sterren ’s nachts
op die vertakte boom waaruit meteoren worden geschud
als vallend fruit rond de schoener Flight.
Maar dingen moeten vallen, en zo was het altijd
aan de ene kant Venus, aan de andere kant Mars;
vallen, en zijn één, net zoals deze aarde één
eiland is in archipels van sterren.
Mijn eerste vriend was de zee, nu is het mijn laatste.
Ik stop nu met praten, ik werk, dan lees ik,
chillend onder een lantaarn die aan de mast is gehaakt.
Ik probeer te vergeten wat geluk was,
en als dat niet werkt, bestudeer ik de sterren.
Soms zijn het alleen ik, en het zacht geschoren schuim
als het dek wit wordt en de maan een wolk
opent als een deur, en het licht boven mij
een weg is in wit maanlicht die me naar huis brengt.
Shabine zong voor je vanuit de diepten van de zee.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Wouter van Heiningen, Derek Walcott

De Nederlandse dichter Wouter van Heiningen werd geboren op 23 januari 1963 in Leidschendam. Zie ook alle tags voor Wouter van Heiningen op dit blog.

 

Warme verleiding

In deze warme verleiding
klinkt je stem, zo bekend.
als een nieuw geluid in de morgen
Je huid ademt mist

wanneer
buiten de lucht zich vormt
rond je lichaam.

de verlegenheid langzaam
optrekt.

ogen verraden wat onze
woorden denken.

een druppel komt los van een
terloopse haarlok
kent de weg langs de glooiing
van je hals

daar onder ontsteekt een koorts
van razende vlammen
de brandstof van je kloppend hart

 

Lied

Wat de muziek losmaakt
voelt als je heupen onder mijn handen
het zet de beweging in vanaf het eerste begin
maakt de belofte waar van alle woorden
die afstand en tijd wegnemen

waar danst de bevrijdende gedachte
tussen ons in of aan je zijde.
legt het ritme haar wil aan je op.
wiegen de bastonen je langzaam
in een warme droom

hoe de kou ook briest en brult
de hitte zit verpakt in vele beelden
meegedragen naar een gul theater
waar open doekjes en staande ovaties
strijden om een plekje vooraan

Wanneer het lied klinkt van zoete
herinnering, van kruidig smaken
naar meer. leg ik mijn handen
op je wangen en klinkt zacht
een eindeloos mooie melodie

 

Weet wat je lippen doen

Ongedwongen praten ze je zinnen
aan elkaar met een glimlach om
de hoek van elk volgend woord

in stilte valt de vorm weer op
zo sereen en uitdagend lijken
alleen je ogen, dacht ik

je hand oog coördinatie wordt
begeleid door hun beweging
je mond in dirigenten modus

als ze mij dan claimen in een
liefdevolle verovering. afwachtend
dwingend, voel ik mij zo klein

kleiner dan de muis van jouw hand
breekbaar en onstuimig, sterker nog
voel ik me met ze verbonden

 

Wouter van Heiningen (Leidschendam, 23 januari 1963)

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

Donkere augustus

Zoveel regen, zoveel leven als de gezwollen lucht
van deze zwarte augustus. Mijn zuster, de zon,
broedt in haar gele kamer en komt er niet uit.
Alles gaat naar de hel; de bergen dampen
als een ketel, rivieren stromen over; nog steeds,
Ze wil niet opgaan en de regen uitzetten.
Ze is in haar kamer en streelt oude dingen,
mijn gedichten, bladert door haar album. Zelfs als er onweer
als een gedonder van borden uit de lucht valt,
komt ze er niet uit.
Weet je niet dat ik van je hou, maar dat ik hopeloos ben
in het repareren van de regen? Maar ik leer langzaam
te houden van de donkere dagen, de stomende heuvels,
de lucht met roddelende muggen,
en om van het medicijn van bitterheid te nippen,
zodat als je tevoorschijn komt, mijn zuster,
en de kralen van de regen scheidt,
met je voorhoofd van bloemen en ogen van vergeving,
alles niet zal zijn zoals het was, maar het waar zal zijn
(je ziet dat ze me niet laten liefhebben
zoals ik wil), omdat, mijn zuster, ik dan
zou hebben geleerd net zo van zwarte dagen te houden als van stralende,
de zwarte regen, de witte heuvels, terwijl ik ooit
alleen hield van mijn geluk en van jou.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Wilhelm Genazino, Rainer Stolz

De Duitse schrijver Wilhelm Genazino werd geboren op 22 januari 1943 in Mannheim. Wilhelm Genazino overleed op 12 december van het afgelopen jaar.Zie ook alle tags voor Wilhelm Genazino op dit blog.

Uit: Kein Geld, keine Uhr, keine Mütze

„Die Ankündigung eines Straßenfests bedeutete, dass die in einer Einkaufsstraße ansässigen Bäcker, Metzger, Juweliere, Optiker, Apotheker und so weiter für einen Tag ihre Ge-schäfte verließen und auf der Straße Holzbuden aufstellten und ihre Bratwürste, Vollkornbrote, Sonnenbrillen auf Holztischen verkauften, vieles etwas billiger als sonst. Andere Geschäftsleute verschenkten kleine Artikel, die sie das Jahr über nicht hatten verkaufen können. Ich gehörte zu den vielen Herumstreunern, die nicht recht wussten, was sie hier zu suchen hatten. Viele Streuner langweilten sich, andere verbrachten hier ihre Mittagspause, wieder andere ließen sich von dem Getümmel ein wenig abschrecken, um mit einem guten Grund an ihre Schreibtische oder Computer zurückzukehren.
Ich dagegen betrachtete dicke Frauen mit Schürzen, Prospektverteiler, bewaffnete Polizisten, Kinder und heraus-geputzte Mütter, die an normalen Tagen nicht geschminkt, nicht neugierig und nicht guter Laune waren. Da und dort spielten unbekannte Pop-Gruppen auf erhöhten Podien und versuchten, außerordentliche Augenblicke zustande zu kriegen. Ich stand unter einem Sonnenschirm, betrachtete Rentner, welke Blätter, nasse Taubenfedern, Gummi¬ flitschen, von Erstklässlern verlorene Schwämme. Manches Herabgefallene hob ich auf, drehte es um, schaute es an, trug es eine Weile mit mir herum und legte es an einer anderen Stelle wieder ab. Ich sah Leute, die ich nur wenig kannte und mit denen ich nicht unbedingt sprechen wollte, ich wich ihnen aus, weil ich mir nicht sagen lassen wollte, was ich mir ohnehin selbst dachte. Es erstaunte mich nicht, dass ich nach etwa einer halben Stunde meine ehemalige Ehefrau entdeckte, wobei mir zum ersten Mal auffiel, dass in dem Wort ›ehemalig‹ das Wort ›Ehe‹ aufgehoben ist, was ich gut gelaunt so deutete, dass in jeder Ehe ihre zukünftige Ehemaligkeit schon angekündigt sei. Meine ehemalige Ehe-frau schien, ebenso wie ich, keine besonderen Absichten zu verfolgen. In der Formulierung ›ehemalige Ehefrau‹ steckte auch die gewesene Ehefrau, und darin wiederum blitzte die Liebesverwesung auf, das einzig authentische Übrigbleibsel jeder Ehe. Ich meinte, sofort fliehen zu müssen, wozu ich jedoch zu feige und zu umständlich war. Da erkannte sie mich und kam sogleich auf mich zu. Wir begrüßten uns erstaunlich freundlich, sogar froh, als wäre unsere Ehe unterhaltsam gewesen. Oft fiel mir nicht auf, dass sich in meinem Bewusstsein an die Stelle der früheren Ehefrau mehr und mehr meine Mutter geschoben hatte. Und wer gleichzeitig gegen die Gespenster der Ex-Frau und der Mutter kämpft, hat den Kampf meistens schon verloren, noch ehe er begonnen hat. In meinem Kopf schwirrte jetzt gar zu heftig die Formulierung ›ehemalige Ehefrau‹ herum. Ich wollte über-legen, warum sich so viele ehemalige Ehepaare von diesen zwei Worten nicht hatten abschrecken lassen, da küsste mich Sibylle, so hieß meine ehemalige Ehefrau, auf beide Wan-gen, und gab damit (glaubte ich) zu verstehen, dass sie für erotisches Herumproblematisieren nicht in Stimmung war.“

 

Wilhelm Genazino (22 januari 1943 – 12 december 2018)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

Muziekanalyse

Het moet de muziek zijn, het moet
nu eindelijk gezegd: het spul
was erger dan alle medicijnen die we gebruikten
probeerde het toen niet eens – “Nee.
Toekomst! ” was voorbij en bood de jeugd aan
geen perspectief meer. Het werd weer gebeld
zichzelf spiegelen en feedback geven
Dat ben ik van plan, Pocket Jesus
en de basisprincipes van styling die elk
Bedreigde knuffelen. Het was waar
zet alle koplampen aan: Ja
was niet meer te zien dat niemand
er was omdat je je eigen ster was
en keek niet langer naar de sterren
een gerangschikt. Alles eraan was zo grijs
dan zong men te hoog of
te diep in de hitlijsten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

Louis Menand, Edward Hirsch

De Amerikaanse schrijver en letterkundige Louis Menand werd geboren op 21 januari 1952 in Syracuse, New York. Zie ook alle tags voor Louis Menand op dit blog.

Uit: The Women Come And Go

“It was in Eliot’s character to convert misfortune into fate, and he eventually undertook to normalize the abnormality. In 1927, he was confirmed into the Church of England, which made divorce essentially impossible; in 1928, he took a vow of chastity.
Four years later, Eliot went to the United States to teach and lecture, leaving Vivienne in England. While he was away, he had his solicitors send her a letter announcing his intention to separate, and when he returned, after a year, he went into hiding. If he imagined that a clean break would help Vivienne get over him faster, he miscalculated badly. The separation unhinged her. She stalked her husband, now a famous man, for five years. She was never able to find out where he lived, and he used to slip out the back of the office at Faber & Faber, where he was an editor, whenever she showed up asking for him. (The receptionist was on instructions to give him a special ring.) Most of the friends Vivienne had made through her marriage abandoned her, and her behavior grew increasingly bizarre. In 1934, she joined the British Union of Fascists; she liked to wear the uniform in public. In 1938, her brother, Maurice, had her committed to an asylum. She died there in 1947, at the age of fifty-eight, possibly from a deliberate overdose.
Eliot had meanwhile renewed his acquaintance with an American woman named Emily Hale, whom he had been in love with when he was a student at Harvard. At the time, she had declined to reciprocate his affections; now, an unmarried drama teacher at Scripps College, she found that her reasons for indifference had become less pressing. She devoted herself to Eliot. During the nineteen-thirties, she frequently spent the summer in England with him. Their relations were platonic. Hale was a proper Boston lady; Eliot’s Bloomsbury friends found her hideously dull. “That awful American woman Miss Hale,” Ottoline Morrell complained. “She is like a sergeant major, quite intolerable. However Tom takes her about everywhere.” Hale plainly believed that she was first in line to become the next Mrs. Eliot. But when Vivienne died Eliot told Hale that although he loved her, it was not, as she reported to a friend, “in the way usual to men less gifted i.e. with complete love thro’ a married relationship.” Hale was fifty-five. She decided to settle for incomplete love through an unmarried relationship.
Eliot had acquired another admirer, an Englishwoman named Mary Trevelyan. Their relationship, too, was asexual; apparently to discourage illusions of intimacy, Eliot made it a rule that they could not dine together on consecutive nights. They were friends for twenty years, during which Trevelyan proposed three times. Eliot demurred: after Vivienne, he explained, the idea of living with someone was a “nightmare.” Then, in 1957, at the age of sixty-eight, and without notifying Hale or Trevelyan, Eliot married his thirty-year-old secretary, Valerie Fletcher. Eliot and Mary Trevelyan stopped speaking to one another; Emily Hale had a nervous breakdown and ended up in Massachusetts General Hospital. Eliot was happy in his second marriage, which seems to have been a case of complete love of the married type. (“There was nothing wrong with Tom, if that’s your implication,” Valerie Eliot once told an interviewer who asked why Eliot’s first marriage had been a failure.) Eliot died in 1965; Valerie Eliot is still alive. She is her husband’s literary executor and, thanks to “Cats,” a very wealthy woman.”

 

Louis Menand (Syracuse, 21 januari 1952

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Na een lange slapeloze nacht

Ik liep vroeg in de ochtend naar de zee
na een lange slapeloze nacht.

Ik klom over de gigantische meeuwkleurige rotsen
en ging langs de bomen,
lange dansers die hun ledematen strekten
en zich opwarmden in het blauwe licht.

Ik ging het zoute water in, een boeteling
wiens lichaam was bezoedeld,
en zwom naar een opkomende rode ster
in het oosten – koninklijk, in paars gewaad.

Een oever verdween achter me
en een ander wenkte.
ik beken
dat ik de persoon vergat die ik was geweest
net zo gemakkelijk als de wolken die boven ons dreven.

Mijn handen scheidden het water.
De wind drukte tegen mijn rug, vleugels
en mijn ziel zweefde over de witkoppige golven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

Stefan Popa, Edward Hirsch

De Nederlandse schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: Of de oleander de winter overleeft

“De haan brak de zegel van stilte die de nacht had opgelegd aan het dorp dat Kruševo heette, maar Crushuva werd genoemd. Hij kraaide elke morgen slechts eenmaal, daar moesten de omwonenden het vervolgens mee doen. Veel had de haan niet op met zijn territorium. Liever zocht hij naar pieren.
Drie uur later tikte Pitu met zijn wandelstok tegen de drempel, die met de dag hoger leek te worden, en verliet zijn woning. De buurvrouw dook op in haar voortuin met in haar hand twee eieren, waarvan het linker een pluim droeg. Witte eieren. Haar vorige kip legde bruine eieren. Het beest was nog geen dag bij haar of ze moest alweer een nieuwe halen. Bruine eieren waren vervloekte eieren. Die at de buurvrouw niet. De mislukte kip at ze wel, gestoofd in een tomatensaus. Dat kon geen kwaad.
Pitu knikte naar haar. Hij beet in de beet van zijn lege pijp en daalde af door Crushuva. Nooit vergat hij om te genieten van de traptreden en de hellingen, die hem goedgezind waren zolang hij niet besloot terug te keren naar huis, bergopwaarts. Dit is mijn dorp, dacht Pitu. Met zijn vingertoppen beroerde hij de muur van een kerkje, dat met zijn toestemming was gerestaureerd. Zijn kuiten hadden zich naar deze schommelende en slingerende straten gevormd. Dit was zijn dorp, ja, maar meer nog was hij van het dorp.
‘Koffie?’ riep Anna nadat ze het laatste tafeltje op haar terras had neergezet. Sinds ze het koffiehuis van haar oom had overgenomen, rust in vrede, kwam Pitu er nog vaker.
‘Straks,’ antwoordde hij, terwijl hij op zijn horloge tikte. Hij had een afspraak. Anna wuifde hem uit met de doek waarmee ze de tafelbladen afnam. Op het pleintje verderop zag Pitu de jongen van Ilić een bal hooghouden. Het was een geel met rode bal. De jongen passeerde tegenstanders die alleen hij zag. Hij lachte ze uit, waarschijnlijk nog terecht ook. Mannen met notitieboekjes en oortjes in hun oren woonden tegenwoordig zijn wedstrijden bij. Die merkte hij dan weer niet op, in tegenstelling tot pa Ilić.
De jongen speelde de bal in Pitu’s voeten. ‘Kom, passeer me dan.’ Pitu zette zijn wandelstok tegen de muur en borg de pijp op in zijn binnenzak. Hij liet de bal van zijn ene naar zijn andere voet rollen, alsof hij wilde testen welk van zijn benen ook alweer het goede was, het minst slechte in zekere zin, en stormde op de jongen af. In plaats van de schijnbeweging die hij had bedacht, struikelde hij over de bal. Hij kon zich ternauwernood vastgrijpen aan een straatlantaarn. Hij rechtte zijn rug en wees naar beneden. ‘Ik begrijp niet dat ze die ballen tegenwoordig van die rare kleuren geven.’ Zijn woorden misten kracht. Twee meter sport en hij was al buiten adem.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Voor de slaapwandelaars

Vanavond wil ik iets geweldigs zeggen
voor de slaapwandelaars die zoveel geloof hebben
in hun benen, zoveel vertrouwen in het onzichtbare

pijl uitgehouwen in het tapijt, het uitgesleten pad
die naar de trap leidt in plaats van naar het raam,
de gapende deuropening in plaats van de naadloze spiegel.

Ik hou van de manier waarop slaapwandelaars bereid zijn
om uit hun lichaam de nacht in te stappen,
om hun armen op te heffen en de duisternis te verwelkomen,

de lege ruimtes palmen, alles aanraken.
Ze keren altijd veilig naar huis terug, als blinde mannen
die weten dat het ochtend is door schaduwen te voelen.

En altijd worden ze weer als zichzelf wakker.
Daarom wil ik iets verbazingwekkends zeggen
zoals: ons hart verlaat ons lichaam.

Onze harten zijn dorstige zwarte zakdoeken
’s nachts door de bomen vliegen, genieten
de donkerste stralen van het maanlicht, de muziek

van uilen, de beweging van door de wind verscheurde takken.
En nu zijn onze harten dikke zwarte vuisten
vliegen terug naar de handschoen van onze borst.

We moeten leren om op die manier op ons hart te vertrouwen.
We moeten het wanhopige geloof van slaap leren-
wandelaars die opstaan ​​uit hun rustige bedden

en loop door de huid van een ander leven.
We moeten de bedwelmende beker van duisternis drinken
en wakker worden voor onszelf, gevoed en verrast.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Edgar Allen Poe, Edward Hirsch

De Amerikaanse dichter en schrijver Edgar Allen Poe werd geboren op 19 januari 1809 in Boston. Zie ook alle tags voor Edgar Allen Poe op dit blog

Uit: The Devil in the Belfry

“Round the skirts of the valley (which is quite level, and paved throughout with flat tiles), extends a continuous row of sixty little houses. These, having their backs on the hills, must look, of course, to the centre of the plain, which is just sixty yards from the front door of each dwelling. Every house has a small garden before it, with a circular path, a sun-dial, and twenty-four cabbages. The buildings themselves are so precisely alike, that one can in no manner be distinguished from the other. Owing to the vast antiquity, the style of architecture is somewhat odd, but it is not for that reason the less strikingly picturesque. They are fashioned of hard-burned little bricks, red, with black ends, so that the walls look like a chess-board upon a great scale. The gables are turned to the front, and there are cornices, as big as all the rest of the house, over the eaves and over the main doors. The windows are narrow and deep, with very tiny panes and a great deal of sash. On the roof is a vast quantity of tiles with long curly ears. The woodwork, throughout, is of a dark hue and there is much carving about it, with but a trifling variety of pattern for, time out of mind, the carvers of Vondervotteimittiss have never been able to carve more than two objects—a time-piece and a cabbage. But these they do exceedingly well, and intersperse them, with singular ingenuity, wherever they find room for the chisel.
The dwellings are as much alike inside as out, and the furniture is all upon one plan. The floors are of square tiles, the chairs and tables of black-looking wood with thin crooked legs and puppy feet. The mantelpieces are wide and high, and have not only time-pieces and cabbages sculptured over the front, but a real time-piece, which makes a prodigious ticking, on the top in the middle, with a flower-pot containing a cabbage standing on each extremity by way of outrider. Between each cabbage and the time-piece, again, is a little China man having a large stomach with a great round hole in it, through which is seen the dial-plate of a watch.
The fireplaces are large and deep, with fierce crooked-looking fire-dogs. There is constantly a rousing fire, and a huge pot over it, full of sauer-kraut and pork, to which the good woman of the house is always busy in attending. She is a little fat old lady, with blue eyes and a red face, and wears a huge cap like a sugar-loaf, ornamented with purple and yellow ribbons. Her dress is of orange-colored linsey-woolsey, made very full behind and very short in the waist—and indeed very short in other respects, not reaching below the middle of her leg. This is somewhat thick, and so are her ankles, but she has a fine pair of green stockings to cover them. Her shoes—of pink leather—are fastened each with a bunch of yellow ribbons puckered up in the shape of a cabbage. In her left hand she has a little heavy Dutch watch; in her right she wields a ladle for the sauerkraut and pork. By her side there stands a fat tabby cat, with a gilt toy-repeater tied to its tail, which “the boys” have there fastened by way of a quiz.”

 

Edgar Allen Poe (19 januari 1809 – 7 oktober 1849)

 

De Amerikaanse dichter en letterkundige Edward Hirsch werd geboren op 20 januari 1950 in Chicago. Zie ook alle tags voor Edward Hirsch op dit blog.

 

Suikerspin

We liepen over de brug over de Chicago River
voor wat de laatste keer bleek te zijn,
en ik at een suikerspin, die zoete lucht,
dat zoete blauwe licht gesponnen uit het niets.
Het was maar een moment, echt niets meer,
maar ik herinner me dat ik me verwonderde over de stevige kabels
van de brug die ons droeg
en ik haakte mijn vingers door de lange
en slanke vingers van mijn grootvader,
een oude man uit de Oude Wereld
die lang geleden in het schimmenrijk verdween.
En ik herinner me die achtjarige jongen
die de zoetheid van lucht had geproefd,
die nog steeds aan mijn mond kleeft
en verdwijnt als ik adem.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Edward Hirsch (Chicago, 20 januari 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.