Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!
De geboorte van Christus door Frans Christoph Janneck, 1741
The Waits
At the break of Christmas Day, Through the frosty starlight ringing, Faint and sweet and far away, Comes the sound of children, singing, Chanting, singing, “Cease to mourn, For Christ is born, Peace and joy to all men bringing!”
Careless that the chill winds blow, Growing stronger, sweeter, clearer, Noiseless footfalls in the snow, Bring the happy voices nearer; Hear them singing, “Winter’s drear, But Christ is here, Mirth and gladness with Him bringing.”
“Merry Christmas!” hear them say, As the East is growing lighter; “May the joy of Christmas Day Make your whole year gladder, brighter!” Join their singing, “To each home Our Christ has come, All Love’s treasures with Him bringing!”
Margaret Deland (23 februari 1857 – 13 januari 1945) St. Peter’s Church in Allegheny, nu een wijk in het noorden van Pittsburgh. Margaret Deland werd in Allegheny geboren.
Kerstmis
Ja, Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar. Dan hoor je alle harten vurig slaan als klokken die de avond doen verstaan dat Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar.
Dan worden alle kinderogen groot, alsof de dingen groeiden die ze zien, en moederlijker worden alle vrouwen en alle kinderogen worden groot.
Dan moet je buiten in het wijde land, wil je de kerstnacht zien, de onbezeerde, alsof je zinnen nooit de stad begeerden, zo moet je buiten in het wijde land.
Daar schemert menig hemel boven jou die op de verre witte bossen staat. Onder de schoen de weg die groeien gaat waar menig hemel schemert boven jou.
En in de grote luchten staat een ster die opbloeit als een felle gentiaan. De verten rollen als een golfslag aan en in de grote luchten staat een ster.
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Kerstmis in Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke
Aan alle bezoekers en mede-bloggers Prettige Kerstdagen!
Aankondiging aan de herders door Govert Flinck, 1639
KERSTAVOND
Het is niet de mars van de kalender die een nieuwe geboorte inluidt het zijn de beijsde klanken van het carillon
niet het gedreun van een zware truck maar zijn zacht gerinkel in de glazenkast niet het licht dat de nacht om zeep brengt maar de kaars die het donker bijlicht
niet de manen van de allene ezel, maar hun verneveling in de schemer en het kind dat hem nog even aait
het is de sneeuwvlok die het water raakt, de geur van dennen in een stad de geopende deur van het dichte huis de roep van klokken in de stille nacht
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952) Kerstsfeer op het Bagijnhof in Dordrecht. Dubbeldam hoort sinds 1970 bij Dordrecht.
Der Gitarre Saiten schwingen, vorerst zaghaft angeschlagen. Noch kein feierliches Klingen, manche Töne schwächeln, klagen.
Bald jedoch ist festgelegt, was den Reim begleiten wird, was die ganze Welt bewegt, weil es ungemein berührt.
Männer aus dem Volk verbinden Trosteswort mit sanfter Note, fortan freudiges Verkünden, erdenweit als Friedensbote.
Aus der Leute Sorgental hebt ein Lied die Zuversicht, wie es da zum ersten Mal stille, heil’ge Nacht verspricht.
Santcta nox
Die Tannen, die Fichten, die Weite der Felder, sie tragen nicht Last sondern hüllende Pracht. Als Blickfang gefallen sie, eifrige Melder der Christen so stimmungsvoll heiligen Nacht.
Verschieden sind Glauben verkündende Lehren, ein Ja oder Nein kennt die Schöpfungsidee. Doch fühlt jeder Mensch auf der Welt ein Begehren nach Freude und Licht in des Seins Odyssee.
So feiern die Völker verschiedene Feste der Ankunft versprochenen Heiles zur Ehr. Versammelt euch fröhlich und ladet die Gäste, es dringt von den Wolken schon Harfenklang her.
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015) De Stille Nacht kapel in Oberndorf, de geboorteplaats van Ingo Baumgartner.
De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.
For the Old Gnostics
The Fathers put their trust in the end of the world And they were wrong. The Gnostics were right and not Right. Dragons copulate with their knobby tails. Some somnolent wealth rises unconcerned, Over there! In the world! Ponderous stubborn Sorrow weighs down the flying Gospels. Some enormous obstacle blocks our way. The untempered soul grumbles in empty light.
THE CONFUSION OF AMERICA
I The lace that lay around the bones of Danish kings Rises at dawn in the grass of North Dakota; The torture rack is the steering wheel of a Dodge, And the Assyrian lions blaze above the soybean fields; The last haven of Jehovah, down from the old heavens, Hugs a sooty corner of the murdered pine; Phoenician priests carrying Arabic numerals Walk the earth dressed as bankers and hunters of bear, And at night our sleep is invaded by stealthy diamonds.
II The old jewels of Charlemagne fall in the flakes of snow And lie drifted in the door of a pig-house, Left abandoned all winter in a barnyard in Montana; Our bodies are mingled among bills and relics Like Bibles and carbines in the Sears Roebuck catalog; Saxophones and gears fly together in the nightmares Rising, like feathers, from the grave of Hannibal, And tiny beetles, bright as Cadillac, toil down The long dusty roads into the mountains of South Dakota.
III We meet men who travelled in Canada for Astor, And also strange animals, men with wings of fur, Cars that fly through the air with the faces of women, Sheep come in hotels wearing crow feathers painted red, Rocks climb up stairs balancing on the feet of birds, Glasses of water swallow tiny cities with gypsy fairs, Poor accountants awake one day with the paws of bears; High in the beanplant that has grown from Carnegie’s dime, Tiny loaves of bread with ears lie on the President’s table.
Johnsons kabinet door mieren gadegeslagen
I Een open plek diep in een bos: overhangende takken Vormen een hut. Hier verschijnen de burgers van overdag, De ministers, de departementshoofden, Veranderd: de aandeelhouders van grote staalconcerns Op klompjes; hier gaan de generaals gekleed als dartelende lammeren.
II Vanavond verbranden zij de rijstvoorraden; morgen Spreken zij over Thoreau; vanavond sluipen zij rond de bomen; Morgen plukken zij de twijgjes van hun kleren; Vanavond gooien zij brandbommen; morgen Lezen zij de Onafhankelijkheidsverklaring voor; morgen zitten zij in de kerk.
III Mieren hebben zich rond een oude boom verzameld. Zij zingen in koor, met ruwe schurende stemmen, Oude Etruskisische liederen over tirannie! Dichtbij gezeten padden klappen in hun handjes en Zingen de vurige liederen mee, hun vijf lange tenen trillend in de doorweekte aarde.
Vertaald door J. Bernlef
Robert Bly (23 december 1926 – 21 november 2021)
De Nederlandse dichter en schrijver Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd geboren in Beverwijk op 23 december 1944. Zie ook alle tags voor Hans Tentije op dit blog.
Nog eenmaal
En met de honden ver vooruit ten slotte toch een plek te vinden, plaats misschien van bestemming
aan de rand ervan de takken uit elkaar te buigen
het uitzicht dat zichzelf schildert als iets wat niet, nee, nergens over gaat te beschrijven als niet net tussen vloeiblad en papier een vlieg was geplet
dichtgesneeuwd beeld later, voorstelling vastgepind aan waaiende struiken
hoe bijvoorbeeld blauwe regen klimt langs de vorst van het huis en pluizen die ik wegblaas omlaagzweven naar de aanlegsteiger beneden
ontsnapt me niet nu, maar voor altijd hierna
terwijl asbest krimpt en scheurt boven op de daken, groeien vlieren uit de laadruimten van achtergelaten wagons, zet ijzel zich af als glazuur op het steenslag, wuivend gras tegen dat het avond wordt
alles nog eenmaal in lichterlaaie
blad papier dat binnen zijn dubbele begrenzing de neerslag hiervan bewaart –
dat te beschrijven
Het onvoorstelbare
Je het onvoorstelbare proberen voor te stellen, het ogenblik waarop het plots tot je doordringt dat het over en uit is en je bevoorrecht bent nog even te mogen kijken
achter hoge ramen de als door een Hollandse meester geschilderde bleekveldwitte stapelwolken boven een weiland in de buurt van Haarlem, die hun schaduwen voortstuwen naar en over de omlijsting, de tocht bij kozijnen en sponningen
slecht toegerust zie je, vertwijfeld, hoe het werkelijke en het ingebeelde hechter en hechter met elkaar vervlochten zijn geraakt en met het soms zo schrijnend luisterrijke –
de gelukkig stemmende, licht droefgeestige, al herfstige nazomerse dagen, de zandbanken en tijd overspoelende onstuimige brandingen, oude vriendschappen, flarden door je hoofd spelende muziek, de aanstekelijke lach van je geliefde
maar wat moeten je kamers en hun voorwerpen straks als je ze eenmaal de rug toekeert en je woorden, herinneringen in je bloedsomloop, je hersenweefsel zullen stollen, om overgeleverd te worden
als kralen van de straal geslipt als strakke bessen die gestript na doffe plof op het zuurst van zoet keurliggen in korf of mand (en kolfjes naar zijn hand)
trek je gangen na immens koud is de tochtsluis van steen behang
en nacht die snood inplugt het rijggat het oud van beelden
geen darm-, silkwit weefsel dat zulks bedekken kan koud foedraal zonder kleppen het gans arsenaal dat optrekt spiraalt vanuit de voet vortex, dubbele schroef de spoelen moe
een trekveer die ratelt de afvoer stroef expander bleek vlees dat hikt zich verslikt
colon – van binnenuit houd ik mij stil mijn kleed zal rekken tot een kokon
één haal van ’t lemmet: strak-áf zal ik staan in de zon en me strekken
Gedichten
[I]
niets is pijnlijker dan werkeloos toezien bodembewonende zeediertes zijn massaal uit het slib gekropen het toneelgezelschap levert spontaan een snipperdag in om ruim voor de troonrede het offerfeest de hoedjesparade met transitie aan de slag te gaan het fijne van de monoloog is dat ie voor alles waarheidsgetrouw is kameleontisch in essentie een weinig babbelziek bloed zien angst ruiken defensief en moordlustig alleen zo begrijpen we de niche in de markt de vrijheid als constructie was dit een leerstuk we drukten pats boem afrika in het pluche en met twee vingers in de neus ‘peace man!’ halen we de tempest naar de biënnale van venetië dromen doen we (de kade splijt) de harde werkelijkheid
Ze vermoorden alle jonge mensen. Al een halve eeuw lang, elke dag, Ze hebben hen opgejaagd en vermoord. Ze vermoorden hen nu. Op dit moment, over de hele wereld, Vermoorden ze de jonge mensen. Ze kennen tienduizend manieren om hen te doden. Elk jaar bedenken ze nieuwe. In de jungle van Afrika, In de moerassen van Azië, In de woestijnen van Azië, In de slavenhokken van Siberië, In de sloppenwijken van Europa, In de nachtclubs van Amerika, Zijn de moordenaars aan ’t werk.
Ze stenigen Steven, Ze werpen hem buiten in elke stad ter wereld. Onder het welkomstbord, Onder het Rotary-embleem, Op de snelweg in de buitenwijken, Ligt zijn lichaam onder de naar hem gesmeten stenen. Hij was vol geloof en kracht. Hij deed grote wonderen onder de mensen. Ze konden niet tegen zijn wijsheid. Ze konden de geest waarmee hij sprak niet verdragen. Hij schreeuwde het uit in de naam Van het tabernakel der getuigenis in de woestijn. Ze waren in het hart geraakt. Ze knarsten hem toe met hun tanden. Ze schreeuwden het uit met luide stem. Ze stopten hun oren dicht. Ze liepen eensgezind op hem af. Ze jaagden hem de stad uit en stenigden hem. De getuigen legden hun kleren neer Aan de voeten van een man wiens naam jouw naam was – Jij.
Jij bent de moordenaar. Jij vermoordt de jonge mensen. Je bent Laurent aan het grillen op zijn rooster. Toen je erom vroeg, maakte hij de verborgen Schatten van de geest bekend, Hij toonde je de armen. Je keerde je hart tegen hem. Je greep hem vast en bond hem woedend vast. Je roosterde hem op een traag vuurtje. Zijn vet druppelde en spoot in de vlam. De geur was zoet voor jouw neus. Hij schreeuwde, ‘Ik ben aan deze kant gekookt, Draai me om en eet, Jij Eet van mijn vlees.’
Je vermoordt de jonge mensen. Je schiet Sebastiaan met pijlen neer. Vastberaden beschermde hij de getrouwen voor vervolging. Eerst schoot je hem met pijlen neer. Dan sloeg je hem met staven. Vervolgens gooide je hem in een riool. Er is niets dat je meer vreest dan moed. Jij die je ogen afwendt Van de moed van de jonge mensen.
Jij, De hyena met blinkend gezicht en vlinderdas, In het kantoor van een miljard dollar Onderneming gewijd aan dienstverlening; De gier druipt van het aas, Zorgvuldig en slordig gekleed in geïmporteerde tweeds, Lezingen houdend over het Tijdperk van Overvloed; De jakhals in gabardine met twee rijen knopen, Blaffend vanop gecontroleerde afstand, In de Verenigde Naties; De vampier die aan de kop van de bank zetelt, Notitieboekje ter hand, spelend met zijn hersenletsel; De autonome, ambulante kanker, Het Superego in wel duizend uniformen; Jij, die de kolos de slachtoffers aanwijst, De moordenaar van de jonge mensen.
Als deze trein sneller kon hield de zon hem misschien niet bij. Dat zou jammer zijn, want er lekken schitterende lichten uit de zon en die scheren over het water in de nauwste sloot.
Glijdt de zon zo zoetjes mee alleen voor mij? Omdat ze mij wil blijven zien? Misschien vindt ze me stiekem wel een mooi gezicht. Ik glimlach met mijn ogen bijna dicht.
Kerkhof in de regen
Wij gingen naar het kerkhof in de regen. Ze had gezien dat het zwart van de letters sleet. Ik durfde met mijn vinger modder weg te vegen.
Straks ziet alleen de schaduw nog door uitgehouwen woorden in de steen dat daar, tussen twee bejaarden in, mijn broertje ligt, keurig gerangschikt op data – dat is het gemene van de dood: niet iedereen krijgt tijd genoeg.
Soms droom ik dat wij allebei nog leven. Dan pesten wij elkaar gewoon. Dat mis ik als ik wakker word. In steen herken ik hem niet meer, alleen zijn naam.
Zelf wil ik later as zijn in de wind en dwarrelen op de kraag van mijn zusjes jas. Bah, zegt zij, een vuiltje en veegt me weg. Dan is alles weer normaal.
Moeders
Moeders worden vijf keer vierendertig als het moet, terwijl ik graai naar elk jaar dat ik te pakken krijg. Ik maai mij door de tijd.
Moeders willen verjaardagen overslaan (op cadeautjes na) maar jaren kwijt. Ik elleboog mij haar voorbij: dag mam, dag kleine meid.
Ted van Lieshout (Eindhoven, 21 december 1955)
De Tsjechische dichter Ivan Blatný werd geboren op 21 december 1919 in Brno. Zie ook alle tags voor Ivan Blatnýop dit blog. Zie ook alle tags voor Ivan Blatný op dit blog.
Op de Veranda
Op de veranda, in het geritsel van oude bonenpeulen en zaadcatalogi leest de jonge Everard oude detectiveverhalen Edgar Wallace Agatha Christie Simenon Twintigduizend mijlen onder zee De veranda vaart uit als de zomer de laatste zomer met kapitein Nemo dood in het zand onder de zee
Was het maar niet de laatste zomer konden we maar voor altijd blijven gelukkig in de moederschoot, in het geritsel van zaadcatalogi.
De P. C. Hooftprijs 2024 is afgelopen woensdag toegekend aan Nederlandse dichteres en schrijfster Astrid Lampe. De jury roemt Lampe omdat zij “met een diabolische intensiteit” dicht “over het moderne leven, in zinnelijke en ontembare taal die vraagt om herlezing en herbeluistering”. De prestigieuze literatuurprijs wordt afwisselend uitgereikt voor poëzie, verhalend proza en beschouwend proza. Astrid Lampe werd geboren in Tilburg op 22 december 1955. Zie ook alle tags voor Astrid Lampe op dit blog.
de grote en de kleine druppels de aerosolen
de nachtploeg verdrijft het spuug uit de podiumzaal jaagt narcis bij de manshoge spiegel vandaan
de nachtploeg boent de hoogmoed uit het visioen tot het maanverlicht blinkt de nachtploeg
ploegt
parkeert de schoonmaaktrolley parkeert de arabische lente het zuur
brandt het zuur vreet zich een weg: berg de bijtende
berg de bijtende licht ontvlambare middelen veilig op verstop de bleek jaag narcis bij de nachtspiegel vandaan voor de zoveelste keer verstop de bleek opdat het rif in bloei zal schieten
opdat het bleke rif opnieuw in bloei zal schieten opdat de tijd dit trauma
heelt
sluit de podiumzaal af en steek de sleutel tot de schone oceaan in je zak
Tol
niet zwicht of bezwijkt zij hier haar zwijm is meer een ópkrullen een roezen zacht
een stil zo van gewicht dat is ’t is zo zij dacht wat ijl van hoofd, bloei bloesemzacht zo voel ik mij en vlij mij hier
(schutblad hij/ de koele aarde/ dicht neigen naar een grond)
niet: vallen. –een opbloeien –een bloemen zacht
’t was NIET DAT HIJ haar ontweek in die hoedanigheid haar slechtsmaar voor een voetveeg zag het was meer in
alle talen dat hij zweeg, haar plette in onstuimigheid waarmee hij jachtliep op de plek waar zij zo laatst nog toch zo vol rechtop naar hém
mooi rechtuit rechtop gelachen had, ’t was meer in die hoedanigheid dat hij haar hier zo, stil -, zo héél niet zag, vertreedt, vertrad zij nimmer opkomt van die plek van
De Canadese dichter, schrijver en acteur Sky Gilbert werd geboren op 20 december 1952 Norwich, Connecticut. Zie ook alle tags voor Sky Gilbert op dit blog.
Uit: Ejaculations From the Charm Factory. A Memoir
“I write this with trepidation. Mainly, I wonder why you would want to read it. What is there about Sky Gilbert’s life that’s going to hold anyone’s inter-est through a whole book? I certainly don’t think my personal history is particularly fascinating to anyone but a dear friend. If this book has any value, it will be because of the important period of time onto which my life has trespassed. This memoir spans the 18 years, from 1979 to 1997, when I was Artistic Director of Buddies in Bad Times Theatre in Toronto. It was a time when my life intersected, intimately, with two worlds — theatre and sexual politics. And I was able to watch both change, gradually but fundamentally. What’s so important about the period from 1979 to 1997? March 18, 1979, was the closing night of the Broadway play On the Twentieth Century. This brilliant musical comedy was directed by Harold Prince, with lyrics by Betty Comden and Adolph Green, and music by Cy Coleman. On the Twentieth Century was one of the wittiest, “singingest” musical comedies to be born from the hothouse of American musical theatre. It was also a gigantic box office flop. Why? Because by 1979 Andrew Lloyd Webber was developing the “mega-musical,” and Michael Bennett’s A Chorus Line was already on its way to becoming one of the longest-running plays in Broad-way history. In 1979 the tide was changing in New York theatre; intelligent lyrics, good books — talent — didn’t matter anymore. Big bucks did. Not coincidentally, as the brilliant librettists seemed to disappear, so did the serious playwrights. Also not coincidentally, as New York was experiencing this dumbing down of the mainstream, there was a corresponding renaissance of the avant-garde. Richard Foreman, Lee Breuer, and Elizabeth LeCompte concocted astounding visions with experimental theatre companies like the Ontological Hysterical Theater and the Wooster Group. These fundamental changes in New York’s arts scene would eventually have their effect on my professional theatre life in Toronto. And two months later in San Francisco, on May 21, 1979, Dan White was given a lenient sentence for a heinous cold-blooded hate crime — the murder of gay city hall supervisor Harvey Milk. Near riots ensued outside San Francisco City Hall. The murder of Milk was symptomatic of the furious backlash that accompanied the rise of gay liberation in the ‘7os. From Anita Bryant’s rage against homosexuals (who, she said, “eat sperm”) to Toronto’s bathhouse raids, the war was on. Gay liberation changed its very nature during the ‘8os, especially when the hatemongers were given additional ammunition by the mysterious “gay epidemic” that was to surface two years after White’s sentencing. These changes had a significant effect on my work as an activist in Toronto. Through Buddies in Bad Times Theatre, these two worlds — theatre and sexual politics — intersected and sometimes merged. The most important and absolutely true thing I can tell you about that time is this: I was there.”
Onder de boomgaarden, onder De aan bomen geregen wijnstokken, Maken kleine blauwe gestalten hooi, hoog Op de steile hellingen erboven Palladio’s slaperige villa’s En de wervelende muren van Tiepolo. Op het hoogste veld staan ze Nog steeds te snijden met zwaaiende zeisen; Beneden gooien ze De grote balen hooi op om te drogen In de zon; verderop Schudden ze het of brengen ze het Weg in tweewielige ezelkarren. De Venetiaanse vlakte verdwijnt In nevel. De nabijgelegen Alpen zijn Onbepaalde blauwe vlekken, Afgedekt met vage oranje strepen Sneeuw. Wolken parfum rollen De heuvel op in golven. Alle vogels Zingen. Alle bloemen bloeien. Hier Aan een stenen tafel als deze, Op een kleine heuvel als deze, In een cirkel van cipressen En olijf zoals deze, bezocht Het oneindige Leopardi, En verrukte hem en droeg hem Hem weg de diepe zomer in. Het zou ook mij wegvoeren, Als ik wist waar ik heen wilde Of als ik gewoon Helemaal nergens heen wilde.
“In november 2015 belandde ik in Parijs om de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties bij te wonen. Ik zeg ‘belandde’, maar dat betekent niet dat ik die situatie niet zelf had opgezocht. Integendeel, de milieukwestie speelde al tijden een hoofdrol in mijn gedachten en alles wat ik las. Maar als er geen klimaatconferentie was geweest, had ik waarschijnlijk wel een ander excuus verzonnen om op pad te gaan, een gewapend conflict, een humanitaire crisis, wat dan ook, zolang ik maar kon opgaan in iets anders en groten dan mijn eigen zorgen. Misschien is dat wel het hele eiereneten, en is de obsessie van sommige mensen met dreigende rampen, die belangstelling voor tragedies die we aanzien voor onbaatzuchtigheid en die denk ik de kern van dit verhaal zal vormen, niet meer dan dat: de behoefte om bij elke lastige stap in ons leven iets nóg lastigers te vinden, iets nóg urgentere en dreigendere waarmee we ons persoonlijk lijden kunnen verzachten. En misschien heeft het wel helemaal niks met onbaatzuchtigheid te maken. Het was een vreemde tijd. Mijn vrouw en ik hadden meerdere pogingen gedaan om een kind te krijgen, we hadden wel drie jaar doorgezet en ons aan steeds vernederender medische behandelingen onderworpen. Of preciezer gezegd: vooral zij had zich aan die behandelingen onderworpen, want waar het mij betrof ging het er vanaf een bepaald moment voornamelijk om de rol van gekwelde toeschouwer te spelen. Ondanks onze blinde vastberadenheid en een behoorlijke financiële investering had het plan niet gewerkt. De injecties gonadotrofine niet, de ivf-behandelingen niet en evenmin drie wanhopige reizen naar het buitenland waarover we tegen niemand een woord hadden gezegd. De goddelijke boodschap die deze herhaalde mislukkingen bevatten was duidelijk: dit is gewoon niet voor jullie weggelegd. Aangezien ik weigerde dat te accepteren, had Lorenza ook voor mij besloten. Op een nacht, toen haar tranen al waren opgedroogd of zonder dat ze überhaupt had gehuild (dat zal ik nooit weten), deelde ze me mee dat ze niet meer van plan was om. Ze bezigde die onafgemaakte uitdrukking, ik ben niet meer van plan om. Ik draaide me op mijn zij, waarmee ik haar op mijn beurt de rug toekeerde, en voelde de stijgende woede opkomen over een keuze die me oneerlijk en eenzijdig leek.”
Uit: De openbaring(Vertaald door Gerda Baardman en Monique ter Berg)
“Woensdag 5 november 2008 De bar op de eerste verdieping van het Biltmore Hotel Phoenix, Arizona 01.00 uur Dit kan niet waar zijn. Hij zit nu anderhalf uur aan de bar; er is een tiental mannen gekomen en gegaan, ze hebben hun verdriet verdronken, her en der wat zaken gedaan en er een punt achter gezet. Voor hem bevinden zich vier glazen met verschillende whisky’s, geen van alle leeg. In de hoek staat een televisie zachtjes aan, het hoofd van de spreker met zijn postmortale nabeschouwing zal de hele nacht doorgaan. In een andere hoek, bij het raam, zit een stelletje te zoenen alsof het hun laatste dag is. En in het midden van de bar haalt een malloot zijn duim steeds opnieuw langs het wieltje van zijn Zippo, laat al schrapend het vuursteentje steeds vonken. “Windvast; zegt hij elke keer als de benzine vlam vat. “Windvast.” “Het ligt net zo goed aan mij als aan de anderen,” zegt Big Guy tegen de barman. “Bescheidenheid vereist in elk geval dat iemand verantwoordelijkheid neemt voor zijn fouten.” “Dat klinkt alsof u schuld bekent,” zegt de barman. “Ik ben ook schuldig.” “Een profeet wordt nooit geloofd in eigen land, een dokter behandelt nooit zijn eigen gezin.” “Ga je echt die kaart spelen?” “Op zaterdagavond werk ik altijd in een casino, in Desert Diamond of in Talking Stick. Ik heb mensen voor mijn neus nat zien gaan, maar bij het weggaan zijn ze nog steeds opgewonden. “Nog een kaart. Geef me nog een kaart.”“ Big Guy schudt zijn hoofd. “Iedereen maakt fouten, maar twee keer dezelfde fout is geen fout meer maar een patroon. Het leek vanavond wel alsof Fat Man Little Boy weer samen zijn en hier in Phoenix een nucleaire paddenstoelenkwekerij zijn begonnen. En toch worden we omringd door mensen die geen idee hebben wat ze over zichzelf hebben afgeroepen. Geen idee.” Een man gaat op de knik naast Big Guy zitten, kijkt naar de vier glazen whisky en geeft de barman een seintje. “Doe mij er maar zo een,” zegt hij. “Welke?” “Die in het midden.” “Er is geen midden,” zegt de barman. “De Highland Park.” Big Guy kijkt op. “Kun je dat zo zien?” “Sláinte”; zegt de man en hij slaat zijn whisky achterover. “Jij hoort toch niet bij hen, hè?” “Bij wie?” “Je haar is zo nat dat ik even dacht dat je een van die eikels was die een paar uur geleden champagne in de rondte sproeiden en een ovenvinningsdansje deden. “Dacht het niet,” zegt de man. “Ik ben eerder iemand die net een duik in het zwembad heeft genomen om weer helder in de kop te worden.” “Dat verklaart die lucht,” zegt Big Guy. “Chloor.” De man tikt tegen zijn glas om de aandacht van de barman te trekken. “Nog een, graag. Was je daarnet boven?”
Het is weer lente in het Kustgebergte Warm, geurig, onder de Paasmaan. De bloemen staan weer op hun plek. De vogels zitten weer in hun gebruikelijke bomen. De wintersterren gaan onder in de oceaan. De zomersterren rijzen op uit de bergen. De lucht is gevuld met atomen van kwikzilver. De opstanding omhult de aarde. Geometrisch, laaiend, onsterfelijk, Marcheren dieren en mensen door de hemel, In het tempo van hun geheime ceremonie. De Leeuw geeft de maan aan de Maagd. Ze staat op het kruispunt van de hemel, Met de volle maan in haar rechterhand, Een glinsterende tarweaar in haar linker. Het hoogtepunt van het ritueel van wedergeboorte Is opgestegen uit de onderwereld Wordt verkondigd in het licht vanuit het zenit. In de onderwereld zwemt de zon Tussen de vissen genaamd Ja en Nee.
“And the same John had his raiment of camel’s hair, and a leathern girdle about his loins, and his meal was locusts and wild honey.” Matthew iii. 4.
Afar, he took a gloomy cave, For his accustomed dwelling-place, As dark, as silent as the grave, As unfamiliar with man’s face;
The stern and knotted trees grew round, Blasted, and desolate, and grey, And ‘mid their sullen depth was found A home for birds and beasts of prey.
Morning broke joyless, for the land Knew no green grass, nor fragrant flower, The barren rock, the burning sand, Blessed not the sunshine, nor the shower.
Yet there the prophet dwelt alone, Far from the city and the plain; For him in vain their glory shone, For him their beauty spread in vain.
He left his youth and life behind; Each idol of the human heart, Pleasures and vanities resigned, Content to choose the better part.
Methinks, when hope is cold or weak, And prayers seem but unwelcome tasks, And worldly thoughts and feelings seek To fill the hours religion asks;
If when the light of faith is dim, The spirit would but ponder thus— How much there was required of him, How little is required of us!
All-Merciful, did we declare, The glories which to Thee belong, All life would pass in thankful prayer, All breath in one triumphant song.
Letitia Elizabeth Landon (14 augustus 1802 – 15 oktober 1838) Chelsea, de geboorteplaats van L. E. Landon in de kersttijd
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog.
Uit: Zoals ik jou ken, ken jij mij
“Een jaar later, op een zaterdagmiddag in mei 1965, werden Hella en ik aan elkaar voorgesteld. David Koning, hoofd van de afdeling Drama van de NCRV-televisie, had haar uitgenodigd voor een lunch in De Posthoorn, dat Haagser dan Haagse café-restaurant op het Voorhout. Hij wilde haar zijn nieuwe plannen voorleggen, een schrijfopdracht verlenen, haar overhalen om mee te doen aan zijn projecten. Hij dacht dat dat de beste methode was om deze prachtige vrouw regelmatig te kunnen zien. Want dat was wat hij wilde, haar zoveel mogelijk zien, haar om zich heen hebben. Daarom bood hij haar al die kansen. David, een man van bijna vijftig, was verliefd op de vrouw die hij openlijk `een klassieke schoonheid’ en ‘de Bloem van Nederland’ noemde. Hij was wel vaker verliefd. Hij was eigenlijk altijd verliefd. Tegenwoordig zou hij een womanizer worden genoemd. Zijn verliefdheden waren hevig, maar vooral van korte duur. Ze veroorzaakten meestal een hoop misère. Davids jachtterrein was tevens zijn werkplek, met als gevolg dat producties gestopt moesten worden wanneer zijn liefde voor een belangrijke medewerkster voorbij was. Stefan Felsenthal — regisseur, dramaturg en rechterhand van David — werd dan ingeschakeld als pseudo-psychotherapeut of in ieder geval als puinruimer. Aan hem de taak om te voorkomen dat de dame in kwestie te veel heisa maakte. Stefan hevelde haar soms over naar een andere omroep, maar ze kon ook in België belanden, bij de BRT. Daar werd dan door Hubert van Herreweghen, de pionier van de Vlaamse televisie maar vooral een groot vriend van David, een aantrekkelijke baan voor haar gecreëerd. Davids liefde voor de Bloem van Nederland was echter niét van korte duur. Hij vertoonde zich regelmatig met haar op recepties en bijeenkomsten en gedroeg zich dan opvallend hoffelijk. Hij hielp haar trap op, trap af, zorgde ervoor dat hij op straat aan de buitenkant, langs de stoeprand, liep, waarbij hij doorlopend in de pas springend om haar heen draaide, wat er nogal potsierlijk uitzag. Onder alle omstandigheden bleef Hella echter gereserveerd-vriendelijk, geen moment was bij haar iets van intimiteit te bespeuren. Hella had vast allang begrepen dat David haar adoreerde, of — laat ik maar zeggen — gewoon wilde hebben. Ze was natuurlijk gevleid. David Koning was niet de eerste de beste. Ze wilde het spel tot op zekere hoogte meespelen, maar ze wist dat ze niet op zijn avances kon en wilde ingaan. Ze zou haar carrière nooit in de waagschaal stellen. Ze was ambitieus, had een naam als schrijfster én ze was de vrouw van een alom gerespecteerd rechter.”
In dit dal Waar draken en monsters Ooit volwassenen en kinderen aten Valt nu de regen met bakken uit de hemel In een regenwoudduisternis Bij het vallen van de avond
De donder dreunt Heen en weer geworpen Tussen de rotswanden Sommige herten staan als versteend Nog steeds met overgeërfde Drakenangst in de ogen
Terwijl de bliksem In de boomtoppen slaat En onze kleine menselijke familie Over wankele hangbruggen En brullende beken In ganzenpas marcheert
Aan het einde van het dal treffen we onze auto aan Omringd door pauwen Die genieten ervan dat het stof Na maanden van droogte Eindelijk is weggespoeld
Opgelucht dat alles goed ging Rijden we over de bergen naar huis En zien een vuurkolom Achter ons omhoogschieten Als een afscheidsgroet van Ontwakende grotten van de nacht.