Jaap Harten, Dannie Abse

De Nederlandse dichter en schrijver Jacobus Cornelis (Jaap) Harten werd geboren in Blaricum op 22 september 1930. Zie ook alle tags voor Jaap Harten op dit blog.

 

Soldaten als een leuke stunt

Toen ik nog een fluit in de bergen
was, zilver en duisternis
bij steenresten achterlatend
en vaak sprekend met het dier Koekoek
of de krolse kooiwachter
groen en geel van nijd –

leefde ik bij brood alleen
of nog minder,
overdag plantte ik een jonge
totempaal voor vrijheid,
was ik grenspost in niemandsland,
kroop ik met het graan uit de aarde.

Natuurlijk kende ik
mijn erfvijand, drong ik binnen
in zijn kamp met populaire
wapenrustingen, helmen van regen
voor de zomerdag en
soldaten groen tot over hun oren.

Zij leerden een zwart liedje
tiktak, met de haan van een geweer,
tik: leven, tak: dood,
voor muzieknoten namen zij kogels
die het zeker ver zouden brengen en nu al
het land deden trillen als een duivenhart.

 

Noemen

Ik noem deze wereld
van plant tot dier
van steen tot olijf
van metaalblauwe golfslag
tot de boot van Odysseus.

En ik zing wel niet
als de sirenen
mijn taal te gekloofd
en hard van kou –
maar ik voer in dit land
van populieren en mest
hetzelfde gevecht
om muziek u te slingeren
in het fijngebouwde oor.

Maar wie in de morse steden
slaat acht op het vers?
Men eet, scheert zich,
tikt op de termometer
en herkauwt resten
nieuws uit het dagblad.
Men hoort zelfs de echo niet
van de harpslag der goden.

Maar de dichters gaan door
een magische cirkel te trekken
om de wereld van alledag
en tellen na de arbeid hun verzen
als een boer zijn veestapel.

Zij brengen tekens aan
op het gezicht van de woedende aarde.

 

Jaap Harten (22 september 1930 – 2 december 2017)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

FOTO EN GELE TULPEN

Een beetje dichterbij alsjeblieft. En een beetje dichterbij
lopen we naar het raam, naar de gepolijste tafel.
Objecten worden professioneel: mannequins die zichzelf gladstrijken
voor een publiek. Alleen de tulpen
stellen vragen aan de camera met gele bezweringen.

Glimlachen alsjeblieft. En dus glimlachen we. Pose die
er nooit was, tijd die er nooit kon zijn!
En de langhalzige tulpen die kronkelig uit de vaas komen
buigen zich over de gepolijste tafel in trance
door hun eigen opgezwollen en smoezelige reflecties.

Hou dat vast. Onze twee lachende gezichten betrapt
op een tak van stilte overwegen verlegen ledigheid.
Binnenkort zullen de tulpen, als gele zwanen,
hun hoofd in de gepolijste tafel dompelen,
ons verschrikkend, en dus glimlachen we echt.

Dank je. En later, volgend jaar of nog later,
zullen we hem in handen houden, deze meest droevige getuige,
en glimlach alsjeblieft en kom een beetje dichterbij
naar een tijd die er nooit twee keer was, naar een plaats
die nooit genoeg kan worden bedankt, zodat

we nu wel nooit meer zulke tulpen als tulpen zullen zien,
maar eerder als stralende zwanen,
zeilend door een geel interieur van lucht
waar gezichten en fantasieën voor altijd zullen worden gevangen
in die kleine zwarte kist die ons eerbiedig draagt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e september ook mijn blog van 22 september 20919 en ook mijn blog van 22 september 2018 deel 1 en deel 2.

Xavier Roelens, Owen Sheers

De Vlaamse dichter Xavier Roelens werd op 21 september 1976 in Rekkem (Menen) geboren. Zie ook alle tags voor Xavier Roelens op dit blog.

Uit: Stormen olievlekken motetten

iii
wat de zee opwerpt is wat we oprapen voor onze uitzet:
een bloempot, een breezer, een gloeilamp, een tetrabrik
met frambozensmaak, een plastic zak, een fles ketchup,
een ijzersponsje, brandhout in cellofaan, een schroefdop,
een jerrycan, bekers, een vuilniszak om alles te bewaren
en voor ‘s middags wier op een bedje van tamponhoesjes

wat de zee verzwijgt op zolder ingeduffeld tot wandaad
rusten onze slapen tegen elkaar in een afzetgebied
nemen onze lusten een onzichtbare hand te grazen
geen koehandel geen doelgroep zijn wij
wij schitteren in knulligheid leren we van ruis
te houden vandaag zijn wij twee dolfijnen

de sneeuw die we smelten op ons dak
sijpelt aan de voordeur tot ijs

ii

uit de trevifontein stijgt stank van muntstukken;
een in flarden aan elkaar genaaide profeet wenst dat geen vreemde mogendheid
zijn geboorteland binnenvalt deze zomer;
zijn geluiden absorberen permanent metalen zoals lood, koper en aluminium;
het neusje van de zalm dat de vent is, huilt dat het nog goed komt tussen hem en
haar;
hij bevochtigt wat plooibaar aan hem is: oksel, binnenelleboog, binnen elleboog,
halsputje, oogholte, binnenelleboog, oksel, halsputje;
hij vermindert chloor en kalk voor een heerlijke, natuurlijke smaak,
puur en helder gefilterd;
het 5 km lange droomstrand met zijn exotische palmbomen doet
zich als absoluut highlight kennen en biedt optimale omstandigheden voor
ultimatief badplezier;
we zijn allemaal toeristen bij zijn welzijn;
een hand, losgeslagen van haar alledaagse, functionele context, op zoek naar
het vergetene, het afwezige, het anders onzichtbare, het sociaal plooibare;
Onder plaatselijke verdoving wordt de zwelling geopend en de aanwas
verwijderd, waarna pijn en zwelling snel afnemen;
Door de tropische warmte gaan de poriën wijd openstaan;
zij ligt met haar ene been uit de bank na te hijgen van de opgedane indrukken;

 

Xavier Roelens (Rekkem, 21 september 1976)

 

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

 

De zingende mannen

Het zijn de zingende mannen. Elke stad heeft ze,
zingend voor hun avondeten of gewoon voor de lol.

Hoeken en open deuren zijn goede plaatsen om ze aan te treffen,
aan de randen van de dingen, neuriënd, neuriënd.

Of uit volle borst zingend om de maan op te slokken,
de pezen in hun nek maken valleien in hun stoppels

en de liedjes uit het geheugen,
uit een tijd dat ze niet slechts de zingende mannen waren,

maar levens hadden waarin ze, als ze geluk hadden, een beetje muziek
persten, tussen de geliefden, de kinderen, de vrouwen door.

Maar nu zijn het alleen nog de liedjes die overblijven
om ze geketend te houden aan de aarde,

’s werelds grootste groep, die liefdesballaden op de veerboot van Staten Island meeneemt,
slavenliedjes in New Jersey, folk in Moskou, blues in Leeds

en natuurlijk hier, aan de rand van de metro,
opera zingend op de trappen van Balham-station,

de solo’s weergalmend tot aan de controlepoortjes van de Greyhound haltes
en perfect gekleed— een gouden blikje Extra,

de baard over zijn kin gekrabbeld, vuil als nerven in het hout,
terwijl hij daar zit, benen gespreid, en de forenzen welkom heet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e september ook mijn blog van 21 september 2021 en ook mijn blog van 21 september 2020 en eveneens mijn blog van 21 september 2019 en ook mijn blog van 21 september 2018.

Owen Sheers, Joseph O’Connor

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

 

Last Act

Don’t be surprised it has taken so long
to show you these:
the gaps like missing teeth
in the face of my speech,
the silent mouthing 0,
the stuck record of my tongue
and the countdown through the page
to the zero of the word
failing to catch. Because
isn’t this always the last act?
The drawing back of the curtain
to show the parts we’ve played.
The previous scenes stacked in the wings
and at the centre, under the spotlight,
the actor, bowing as himself
for the first time all night.

 

Marking Time

That mark upon your back is finally fading
in the way our memory will,
of that night our lust wouldn’t wait for bed
so laid us out upon the floor instead
where we worked up that scar —
two tattered flags flying from your spine’s mast,
a brand-burn secret in the small of your back.

I trace them now and feel the disturbance again.
The still waters of your skin broken, the volte engaging
as we make our marks like lovers who carve trees,
the equation of their names equalled by an arrow
that buckles under time but never leaves,
and so though changed, under the bark, the skin,
the loving scar remains.

 

The Singing Men

They are the singing men. Every city has them,
singing for their supper or just for the hell of it.

Corners and doorways are good places to find them,
on the edges of things, humming, humming.

Or full-throated, singing to swallow the moon,
the tendons in their necks making valleys in their stubble

and the songs from memory,
from a time when they weren’t just the singing men

but had lives, in which, if they were lucky, they’d squeeze
a little music in, between the lovers, the kids, the wives.

But now it’s just the songs that are left
to keep them threaded to the earth,

the world’s greatest group, toting love ballads on the Staten Island ferry,
slave songs in New Jersey, folk in Moscow, blues in Leeds

and of course here, on the edge of the underground,
singing opera on the steps of Balham tube,

his solos resounding down to the ticket barriers’ greyhound stalls
and his costume perfect — one gold can of Extra,

beard scribbled over his chin, dirt like grain in the wood,
as he sits there, legs open, welcoming the commuters home.

 

Bomen

Je zegt me dat je een eik hebt geplant
In het midden van het bovenste veld.

Als ik vraag hoe lang het duurt voordat
hij zal zijn uitgegroeid, knik je met je hoofd

en zegt ‘wel even’
en ik besef dat ik dat had kunnen weten.

Je plantte tenslotte bomen voor onze aankomsten,
één voor elk van ons in het noorden, zuiden en westen van het huis,

en nu heb je deze geplant —
een vingerdikke jonge boom, door de wind in een lange boog getrokken,

geladen met de belofte van wat hij zal worden,
afgetekend tegen een rood wordende lucht

die de ondergang of opkomst van een zon zou kunnen zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

De Ierse schrijver Joseph Victor O’Connor werd geboren op 20 september 1963 in Dublin. Zie ook alle tags voor Joseph O’Connor op dit blog.

Uit: De verkoper (Vertaald door Aad van der Mijn)

“Proloog. Glen Bolcain Dalkey Avenue November 1994.

Lieveling, als ik in mijn dagboek die laatste, vreselijke maanden van vorig jaar opsla, lees ik weer dat ik Donal Quinn voor het eerst heb gezien op die ochtend in oktober in zaal 29 van de Four Courts, waar het stonk naar schimmel en oude, stoffige, in leer gebonden boeken. Ik was verbaasd toen hij binnenkwam. Ik had waarschijnlijk verwacht dat iedereen toch minstens stil zou worden en op zou kijken op het moment dat de drie bewakers hem de zaal in brachten en naar de beklaagdenbank leidden; maar zo was het niet, er werd gewoon doorgepraat. De gerechtsbeambten en de advocaten gingen verder met het uitwisselen van paperassen en dikke mappen, de eerstaanwezende advocaat verboog met zijn tanden al grinnikend een paperclip, de agenten in de zaal lachten zachtjes, knikten of liepen drukdoende en gewichtig heen en weer alsof zij door een belangrijk persoon opgemerkt wilden worden. Daar kwam hij, brutaal haast en met een houding alsof de hele zaak van hem was, terwijl de potige mannen in donkere uniformen meer een vorstelijk gevolg dan een stel gevangenbewaarders leken. De eerwaarde Seánie legde zijn vingertoppen op de bovenkant van mijn pols en zei dat ik moest proberen kalm te blijven. Het eerste wat me geloof ik aan hem opviel toen hij de treden van de beklaagdenbank op liep, was dat hij zo klein was. Hij had tengere handen en bevallige voetjes. Hij bewoog snel en schoksgewijs, als een schuw wintervogeltje. Hij droeg een blauwe das met een vaag zwart-wit ruitjesmotie zo’n pak uit een winkelketen dat er in de etalage mooi uitziet,  maar dat bij daglicht goedkoop, kleurloos en slobberig blijkt te zijn, en verder een paar versleten sportschoenen, wat mij onder deze omstandigheden een beetje vreemd voorkwam. Hij had bakkebaarden. Zijn armen waren kort en dik. Hij had iets weerzinwekkend efficiënts over zich. Hij had zo voor een bokser kunnen doorgaan. Zijn haar was veel lichter van kleur dan het op de krantenfoto’s leek: rossig, slecht geknipt in een ouderwets bloempotmodel en al wat dun op de kruin. Het leek of hij het zelf had geknipt. Hij reageerde nauwelijks toen de drie andere beklaagden werden binnengebracht en naast hem in de beklaagdenbank werden gezet. Ik heb hem geen moment naar de juryleden — acht mannen en vier vrouwen — zien kijken. Hij zat er verveeld bij, met afhangende schouders en zijn hoofd een beetje schuin, de lusteloosheid in persoon. Het had bijna een hele week onafgebroken geregend, maar toch was het warm voor oktober. In de rechtszaal hing een benauwde, bedompte lucht, het leek een plek die in feite al niet meer van deze wereld was. De gezette gerechtssecretaris zat achter zijn lessenaar voor de rechter hevig te zweten, en ik kreeg de stellige indruk dat de gerechtsdienaren bij de zijdeur gewoon zaten te slapen. Ik herinner me dat een van de advocaten aan de rechter vroeg of er iets gedaan kon worden aan wat zij de atmosfeer in de rechtszaal noemde en de rechter begreep niet meteen wat zij bedoelde.

 

Joseph O’Connor (Dublin, 20 september 1963)

 

Zie voor de schrijvers van de 20e september ook mijn blog van 20 september 2021 en ook mijn blog van 20 september 2020 en eveneens mijn blog van 20 september 2019 en ook mijn blog van 20 september 2018.

Crauss

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.

 

bunte socken tragen heisst, schüchtern sein und es zuletzt
auf englisch versuchen: weann. g colourful socks.

bunte socken tragen, heisst: oranges haar haben, gehänselt werden als kind,
aber aus rache eines von der schaukel beissen.

bunte socken tragen, heisst: dosenwerfen statt schieszbude, sticket statt fuszball,
und einen vater, der sich vergebens die stimme aufrauht.

bunte socken tragen, heisst: sportjäckchen lieben als reminiszenz
an Äonen, in denen alles am leib strotzte vor buntheit.

bunte socken tragen, heisst wippend zu gehen (immer weniger),
und einen zug soldaten aus dem takt bringen. angekoffert werden dafür.

bunte socken tragen heisst: in der schlafanzughose auf reisen zu gehen
und einen vater, der im erdboden versinkt.

bunte socken tragen, heisst: lieber füsze statt fieslinge. füszlinge verabscheuen.
heisst: püttsocken tragen. getragen. grau und robust und unendlich haltbar,
weil sie von einem jungen sind, den ich sehr liebte.

bunte socken tragen, heisst: mit jennifer rush an die liebe zu glauben.

bunte socken tragen, heisst: den mut haben sich zu erinnern
an das erste wiesenprickeln unter den füszen, im bauch, in den lenden.

bunte socken tragen, heisst sich viel zu lang für jung genug halten
und letztlich zu scheissen darauf, wie sich poor, putte und ewiger puer wohl reimen.

bunte socken tragen, heisst jäger sein. wie wild. fänger sein. und bauer zugleich.
heisst: bekennen statt erkannt sein. stark.

 

DIE FRAU DIE NEBEN MIR WOHNT

die frau die neben mir wohnt
heisst rouge und hat eine katze.
ich höre sie tanzen wenn ich noch schlafe
die katze verkriecht sich dann unter dem bett.
das weiss ich weil rouge mir erzählt hat davon:
ich habe noch nüsse die kannst du
mir knacken. und manchmal nimmt
die frau die neben mir wohnt
mich mit auf die felder. dann hat sie
die dicken stiefel unter dem rock an und singt
und es schallt und schwebt ihr vibrusto
dass der mais wieder grün wird
und die häschen sich fürchten.
die katze beriecht uns wenn wir
nach haus kommen und putzt uns
die flausen vom bein. abends steht nochmal
die frau die neben mir wohnt
vor meiner tür einen teppich
um ihren leib eine decke ums herz rum
geschlungen: ich kann noch nicht
schlafen und meine katze
hat flausen ums maul und willst du
mich küssen. und manchmal küsse ich sie.

 

DIE FEHLENDEN SZENEN

nie hast du mich mal gefragt
warum ich so spät erst & wen ich
da mitbring & warum denn das bier
schon wieder nicht zieh doch
die gardinen ruhig auf die nachbarn
haben den fernseher wrack — ach
hättest du mal jetzt ist es so weit.

 

stromingen

de laatste radioberichten waren een gejammer
de muziek was een low pass van bericht
en storingen de dag was een aanwakkerende
wind een ruwe zee maar je hebt nu
wat je wenste: een bestaan
uit de eerste hand. boven sneeuwbanken
het land in glijd je geruisloos men zal
erg bezorgd zijn, slechts één zal het weten
je gaat op hem af naar een huisje in het oosten
je draait aan het stuurwiel
en zwaai iets naar links. de lucht
is edelsteen helder en daaronder begint het te dagen
nog denk je een lied, nog denk je je ouders
en stromingen wiegen je zachtjes je glijdt
het land in. één slechts zal weten
wat vanaf de kust niemand vermoedt
één keer nogr zie je tussen het waaien door
een hand die naar je zwaait een man een schuilplaats
glinsterend roepen
voordat het vliegtuig zakt
voordat de instrumenten vijfhonderd voet
voor de snelheid vierhonderd
de hoogteroeren bevriezen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Crauss (Siegen, 19 september 1971)Crauss.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e september ook mijn blog van 19 september 2021 en ook mijn blog van 19 september 2020 en eveneens mijn blog van 19 september 2018 en ook mijn blog van 19 september 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Michael Deak, Owen Sheers

De Nederlandse dichter, journalist en docent Michael Deak (pseudoniem van Simon Kapteijn) werd geboren op 18 september 1920 in Alkmaar.  Zie ook alle tags voor Michael Deak op dit blog.

 

Vraag om antwoord

Als je dit leest – in het geheim wellicht,
want liefdes rijkste is zonder rijk gebleven –
moet je maar denken dat dit klein gedicht
alleen voor jou vanavond is geschreven.

En sidderen straks je spiegelborsten even,
op vingertoppen uit hun kleed gelicht,
dan is ’t van zonden, allereerst bedreven,
die je mij schenken zou om dit gedicht.

Ik wil wel weten wat een lied aanricht
in ’t meisjeshart met zijn verborgen leven,
en waar de brand woedt die ik heb gesticht.

Schrijf mij vannacht een brief van geen gewicht,
wat woorden die op de avondwind aandreven:
een billet doux dat ons tot niets verplicht.

 

Odysseus

Odysseus op de rede van een bed
en zonder zeil en zonder z’n gezellen,
met enkel avonturen te vertellen
en door de ziekte Circe zeer besmet.

De nacht is een zwart venster met één ster
en ’t eiland is zo ver en onbevaren
en elke droom bedrog die doortocht ware
en elke dag de dag van maanden her.

Soms spoelen hoge meisjesstemmen aan
die in het voorjaar zijn op drift geraakt –
dan gaat de wind geruisloos over zee.

En helder treedt in een kristallen traan
die van heur haren het hecht vlechtwerk slaakt,
eeuwig en eenzaam als Penelope.

 

Lorelei

…………………voor Li

Lilorelei, brocaten siergewaden
benijden het geheimere batist:
uw heupvaas stemt een streelhand tot verraden,
jaloerser hand tot zijn batisten list,

strelenderwijs, o hand op heterdaden,
die wil onder brocaat zijn uitgewist
om met een vingerlid het rag te raden
waarin de spin over het spel beslist.

Lilorelei, ik zie wat gij niet ziet:
de vijver en de vis erin geschapen
en man en muis en wier en waterkant.

Elkander is een land zonder verschiet
als heup en hand niet meer onenig slapen
zó weelderig en warm en clairvoyant.

 

Michael Deak (18 september 1920 – 5 september 2016)

 

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

 

Kielwater

Hij kijkt me recht in de ogen,
negentig jaar oud,
dubbelgevouwen in zijn favoriete stoel,

en zegt dat hij dit niet wil,
zichzelf te zien sterven, de dokter verder
te zien peilen naar de diepte van zijn gehavende longen.

Hij, die zelf zoveel jaren de borst
van anderen tegen het licht heeft gehouden
om de stormen te voorspellen die zich daar verzamelden,

de rukwinden en depressies
die de twee bleke oceanen vervuilden,
stijgend en dalend in de romp van de ribbenkast.

Hier is dan de oude vloek
van te veel kennis, drijfhout
verzameld langs de kust van een eeuw.

Hij nestelt zich in de stoel
en ik zeg wat ik wil, maar mijn woorden zijn gesproken
tegen een kustwind in lang nadat het schip is weggevaren.

Later brengt hij me naar de deur
en terwijl hij in de opening staat om me uit te zwaaien
weten we allebei dat er al een overlijden is geweest,

een dat kielwater heeft achtergelaten als van een groot schip,
dat de zee kilometers aan weerszijden verstoort,
maar dat het water direct achter zijn achtersteven achterlaat,

vreemd tot bedaren gekomen, gekeerd, vers,
en hoe dan ook nieuw,
als de eerste zee die er ooit was

of er ooit zal zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e september ook mijn blog van 18september 2020 en ook mijn blog van 18 september 2018 en ook mijn blog van 18 september 2016 deel 1 en eveneens deel 2 en eveneens deel 3.

Jenny Colgan, William Carlos Williams

De Schotse schrijfster Jenny Colgan werd geboren op 14 september 1972 in Prestwick, Ayrshire. Zie ook alle tags voor Jenny Colgan op dit blog.

Uit: The Bookshop on the Shore

“So, tell me about the crying?” The woman sat, kind but formal, behind the tatty scuffed old NHS desk. A poster on the wall suggested a confusing acronym that you would have to remember if you thought you were having a stroke. The idea that you would have to remember an acronym while also having a stroke was making Zoe very anxious, even more than being there in the first place. There was a dirty Venetian blind just about covering a bunker window that only looked out onto another red brick wall, and coffee-stained rough carpet tiles. “Well, mostly Mondays,” Zoe said, taking in the woman’s lovely shiny dark hair. Her own was long and dark too, but currently tied roughly with something she hoped was a hair tie and not, for example, an elastic band dropped by the postman. “And, you know. When the tube is late or I can’t get the buggy in the carriage. Or someone tuts because I’m trying to get the buggy in because if I don’t take the buggy I’ll be an hour late even though he’s too big for it and I know that, thanks, so you can probably stop with the judgemental looks. Or when I’m caught up at work and I can count every minute of how much it’s going to cost me by the time I’ve picked him up and it makes the entire day’s work worthless.
Or when I think maybe we’ll take the bus and we just arrive at the stop and he shuts the doors, even though he’s seen me, because he can’t be arsed with the buggy. Or when we run out of cheese and I can’t afford to get more. Have you seen the price of cheese? Or. The woman smiled kindly while also looking slightly anxious. “I meant your son, Mrs O’Connell. When does he cry?” “Oh!” said Zoe, startled. They both looked at the dark-haired little boy, who was cautiously playing with a farm set in the corner of the room. He looked up at them warily. “I … I didn’t realise,” said Zoe, suddenly thinking she was about to cry again. Kind Dr Baqri pushed over the box of tissues she kept on the desk, which did the opposite of helping. . . . and it’s “miss”,’ said Zoe, her voice wobbling. “Well, he’s fine … I mean, a few tears but he doesn’t . .”Now she knew she really was going to go. “He doesn’t . make a sound.”

***************

At least, thought Zoe, after she’d cleaned herself up, slightly gone again, then pulled herself back from the brink as she realised to her horror that the NHS appointment they had waited so many months for was nearly up and she had spent most of it in tears and looking full of hope and despair at Dr Baqri, Hari now squirming cheerfully in her lap. At least Dr Baqri hadn’t said what people always said . . “Einstein, you know . . .” began Dr Baqri, and Zoe groaned internally. Here it came: . . didn’t talk till he was five.” Zoe half-smiled. “I know that, thanks,” she said through gritted teeth. “Selective mutism … has he suffered any trauma?” Zoe bit her lip. God, she hoped not. “Well, his dad . . . comes and goes a bit,” she said, and then slightly pleadingly, as if wanting the doctor to approve of her, added, “Th-that’s not unusual though, is it? You like seeing Daddy, don’t you?” At the mention of his father, Hari’s little face lit up as it always did, and he poked a chubby finger enquiringly into her cheek.”

 

Jenny Colgan (Prestwick, 14 september 1972)

 

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook alle tags voor William Carlos Williams op dit blog.

 

Het tulpenbed

De meizon – die
alle dingen imiteren-
die kleine blaadjes lijmt aan
de houten bomen
scheen vanaf de hemel
door blauwwazige wolken
op de grond.
Onder de lommerrijke bomen
waar de straten in de voorsteden
zich kruisten,
met huizen op elke hoek,
waren verwarde schaduwen begonnen
zich samen te voegen
met de rijbaan en de grasvelden.
Met uitstekende precisie
richtte het tulpenbed
binnen het ijzeren hek
zijn opzichtige
geel, wit en rood op,
omzoomd door gras,
in rust.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

William Carlos Williams (17 september 1883 – 4 maart 1963)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e september ook mijn blog van 14 september 2020 en eveneens mijn blog van 14 september 2018 en ook  mijn blog van 14 september 2017 en ook mijn blog van 14 september 2015.

Tõnu Õnnepalu, Werner Dürrson

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

Es gibt keine Freiheit

Es gibt keine Freiheit die Frühlingsluft
glüht und wogt um uns hin
an diesem Festtag da der letzte Schnee schmilzt
wenn die Erlenkätzchen
vom gelben Blütenstaub schwer sind
und das Land vom Wasser schwer ist
und die Augen die Menge des Lichts schwer ertragen können
wenn die Freude
kommt und mit ausgebreiteten Armen
den Berg herunterstürmt
die Lerche durch die Luft fällt
wenn der Himmel
uns in seine vollkommene Leere aufnimmt
deren Farben keinen Namen haben
blau blau blau
tausendmal alles
mit verschiedenen Bedeutungen aber
das Vorjahrsgras und die Erde
duften wie das erste Mal im Leben
und die Kiefern
beginnen zu rauschen
wenn plötzlich
vom Meer ein eiskalter feuchter Windstoß kommt
und die Wipfel der Kiefern im Himmel wiegen
gleichsam wie inmitten einer großen Traurigkeit
denn es gibt keine Freiheit

 

*** [An einem klaren Märzmorgen nach dem Regen]

An einem klaren Märzmorgen nach dem Regen
kann es manchmal so aussehen als wäre Oktober

und davon wird man traurig
denn der Himmel ist so schmerzlich rein
und die Pappeln kahl
und plötzlich
weiß ich nichts
vom Saft, der ihre Knospen anschwellen lässt
denn in mir selbst schwillt diese Traurigkeit an
und mich begräbt diese Welle kühlen Lichts
Sehnsucht und Furcht
und noch etwas
wie ein leerer Strand im Herbst mit Sonne im Oktober

auch wenn gerade März ist

 

Vertaald door Cornelius Hasselblatt

 

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Zie ook alle tags voor Werner Dürrson op dit blog.

 

Les Fleurs du mal

U heeft zojuist –
schreef Victor Hugo aan
Baudelaire, die door de

zesde strafkamer van Parijs
onder inbeslagname van zijn
poëziebundel
was veroordeeld

U heeft zojuist een
van die zeldzame onderscheidingen
gekregen die

dit regime
verlenen kan.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e september ook mijn blog van 13 september 2020 en eveneens  mijn blog van 13 september 2018 en ook mijn blog van 13 september 2015 deel 1 en ook deel 2.

Chris van Geel, Werner Dürrson

De Nederlandse dichter en tekenaar Christiaan Johannes van Geel werd geboren op 12 september 1917 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Chris van Geel op dit blog.

 

Tuin op komst

De bomen laten op hun naakte vingers kijken,
ze zijn gemaakt van stof waar honger uit ontstond,
de takken zijn verhuld beknopte fraaie blijken
van dorst die zich vertakt, zich hecht onder de grond.

 

Nazomer aan de rivier

Doodse achtermiddag,
aalscholver op een tak
waar de rivier het breedst is
rimpelt het oppervlak.

 

Spanrups

Een oog, een lus, een hoge rug,
dat onaanzienlijk takje vlees
dat lopend op zijn tenen stokt.

Een reuzenrad in miniatuur,
een viadukt, een ereboog,
zo vordert hij op weg naar groen.

Als iemand uit het midden leeft
dan hij, hij heft zijn lichaam op,
zijn houten huid kan op zijn kop

en op zijn achterbenen staan,
hij boogt op stilstand en hij hoopt
voor lijnrecht door te kunnen gaan.

 

Chris van Geel (12 september 1917 – 8 maart 1974)

 

De Duitse dichter en schrijver Werner Dürrson werd geboren op 12 september 1932 in Schwenningen am Neckar. Zie ook alle tags voor Werner Dürrson op dit blog.

 

Kleine weerkunde

Veel hoorde ik praten over
de slechtheid van het weer

Wie de regen prees
of onweer
was meteen verdacht

Om nog maar te zwijgen over toekomstige
sneeuw.

Alleen verlammende zwoelte bleef
onbetwist.

Dan mist, bladerenval.
Vorst.

Achter de tralies
het licht wacht
op zijn vonnis.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Werner Dürrson (12 september 1932 – 17 april 2008)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e september ook mijn blog van 12 september 2020 en eveneens mijn blog van 12 september 2018 en ook mijn blog van 12 september 2015 deel 2.

David van Reybrouck, Mary Oliver

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

Uit: Zink

“Drie weken voor mijn geboorte stierf een man van 68 die de laatste twintig jaar van zijn leven voornamelijk bij het raam had gezeten. Hoestend, rochelend, rokend. Zijn pijp verbrandde meer lucifers dan tabak. Geduldig en vriendelijk schilde hij de aardappels en sneed hij de prei. Het was de zomer van 1971, in het uiterste oosten van België, het gebied dat Duitstalig is. ‘Ik zie hem nog zitten,’ zegt Betty, een van zijn dochters, ‘daar in de hoek.’ Ze wijst naar een stoel bij het raam. Betty is samen met drie van haar oudere broers in het ouderlijk huis blijven wonen. We zitten met zijn allen in de salon, ik met een schriftje op schoot. ‘De laatste jaren kwam hij niet meer buiten. Ik heb hem nooit anders gekend dan moeizaam ademend,’ zegt ze. De drie grijze broers knikken.
Langdurig ziek, sedentair bestaan, tamelijk jong gestorven – het lijkt niet te wijzen op een erg bewogen leven. Maar ik heb inmiddels geleerd dat de laatste levensjaren van een mens vaak weinig zeggen over het leven dat eraan voorafging. Zachtmoedige bejaarden blijken soms decennialang onuitstaanbare sujetten te zijn geweest. Bij jovialen komt het gezeik vaak met de jaren. En zelfmoord volgt soms op een leven vol uitbundigheid.
Maar zelden was het contrast groter dan bij deze vroeg versleten man. In de loop van enkele uren in dat stille huis leer ik dat hij niet alleen elf kinderen, maar ook vijf nationaliteiten en twee identiteiten heeft gehad. Een veelbewogen, maar weinig rooskleurig leven. ‘Mein Leben war von Anfang an ein Leidensweg,’ staat er op zijn doodsprentje, dat zijn dochter voor mij fotokopieert. Er zijn mensen in wier lichamen de geschiedenis zoveel lijnen trekt, krast en kerft, dat stilzitten, zodra het kan, nog de enige optie is. Na de wirwar het wit – of in elk geval het verlangen ernaar.
Maar waar te beginnen?
Het begint met knoopjes, zo stel ik me voor, fijne, zwarte knoopjes dicht opeen, de rits is nog niet uitgevonden, knoopjes die welven op het tempo van haar jachtige ademhaling, hoog in haar borst. Wat raast er door haar heen? Hunkering, schrik, of het heimelijke genot dat schrik soms kan geven? De donkere opwinding van een grens die wordt overschreden? Knoopjes van haar korset, waarin ze ’s ochtends nog de kamers heeft schoongemaakt, ’s middags nog de soep uit de terrine heeft geserveerd, ze voelde zijn blik. Het zilveren bestek op het tafelkleed van damast. Het gerinkel van glazen.
Knoopjes die zijn verzorgde vingers nu onverstoorbaar een voor een openmaken. Hij heeft dit vaker gedaan, dat kan ze wel merken. Düsseldorf, mei 1902. De negentiende eeuw is nog volop bezig. Hij is eigenaar van een fabriek, zij is dienstmeisje. Zij komt uit Rheydt, in de buurt van Mönchengladbach. Ze is naar Düsseldorf getrokken, net als zovelen. Daar is werk.”

 

David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

 

De Amerikaanse dichteres Mary Oliver werd geboren op 10 september 1936 in Maple Heights, Ohio. Zie ook alle tags voor Mary Oliver op dit blog.

 

Koud nu

Dicht bij de rand. Bijna
ondraaglijk. hopen
wolken zich op en verdampen
uit het noorden van de witte beer.
Deze boom splijtende ochtend
droom ik van zijn diepe sporen,
het levensreddende niervet.

Ik denk aan de zomer met zijn stralende vruchten,
bloesems die zich omvormen in bessen, bladeren,
handenvol graan.

Misschien is wat koud is de tijd
dat we de liefde meten die we altijd hebben gehad, in het geheim,
voor onze eigen botten, de harde messcherpe liefde
voor de warme rivier van het ik, boven al het andere; misschien

is dat wat het betekent de schoonheid
van de blauwe haai die koers zet naar de tuimelende zeehonden.

In het sneeuwseizoen,
in de onmetelijke kou,
worden we wreed maar eerlijk; wij houden
onszelf in leven,
als we kunnen, nemen, het ene na het andere
van de noodzakelijke lichamen van anderen, de vele
geplette rode bloemen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mary Oliver 10 september 1935 – 17 januari 2019)
Icoon door Kelly Latimore, 2019

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2021 en ook mijn blog van 11 september 2020 en eveneens mijn blog van 11 september 2018 en ook mijn blog van 11 september 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Paweł Huelle, Mary Oliver

De Poolse schrijver Paweł Huelle werd geboren op 10 september 1957 in Gdańsk. Zie ook alle tags voor Pawel Huelle op dit blog.

Uit: Castorp (Vertaald door Renate Schmidgall)

„Bevor er diese Reise unternahm, die für sein junges Herz – wir wollen es nicht verhehlen – eine Art Herausforderung zu großen, wenn auch noch unbestimmten Taten war, führte er ein langes Gespräch mit Konsul Tienappel. Der beleibte ehrbare Alte konnte anfangs die einfache Idee, ein
paar Semester im Osten zu studieren, nicht verstehen, und als Hans Castorp sie ihm auf philosophische Art, nach dem Prinzip der Analogie, erläuterte, erhob der Onkel sich vom Sofa, schritt im Salon auf und ab und hielt eine kleine politische Ansprache. In wenigen Sätzen zeichnete er, für seine phlegmatische Natur ungewöhnlich ausdrucksvoll, einen allgemeinen Abriß der Weltgeschichte, der Geschichte Europas und schließlich Deutschlands, in dem für den Osten als solchen keine besonders guten Wertungen vorgesehen waren.

«Deine Vergleiche», sagte er und blieb plötzlich am Fenster stehen, «sind, wenn sie auch von der Distanz zeugen, die einem Menschen in unseren Kreisen eigen ist, völlig fehl am Platz. Die Zeiten, da unsere Vorfahren nach Reval, Riga, Königsberg oder Danzig aufbrachen, sind unwiederbringlich vorbei. Sicher – du willst kein Kontor gründen und keine Ritterrüstung anlegen, du willst Schiffe bauen.
Aber was können die dort für eine technische Hochschule haben? Bestimmt eine miserable, das sag ich dir, mein Lieber – eine miserable, denn was ist das schon für eine Schule, die gerade erst gegründet wurde? Und außerdem» – hier drückte Konsul Tienappel beinahe das Gesicht an die Scheibe und senkte aus für Castorp unverständlichen Gründen die Stimme – «sollte man Situationen meiden, in denen die mühsam erarbeiteten Formen im Chaos versinken könnten.»

All dies war dermaßen verwunderlich, daß Castorp, an solch eine Ereiferung des Alten nicht gewöhnt, dessen Bewegungen und Worte halboffenen Mundes verfolgte, was aussah, als sei er so beeindruckt, daß ihm die Luft wegblieb.
Schließlich überwand er seine Scheu und sagte: «Aber, lieber Onkel, du redest ja mit mir, als wollte ich in den Krieg ziehen oder zumindest in ein entlegenes, gefährliches Reich, aus dem die Rückkehr zwar nicht ausgeschlossen, aber alles andere als sicher ist. Ich denke doch, daß ein Ort, den man ohne Problem mit der Eisenbahn und den Dampfern unserer Schifffahrtslinien erreicht, nicht allzu gefährlich sein kann. Oder irre ich mich da?»
«Deine Sophisterei, mein Lieber», der Konsul wandte das Gesicht vom Fenster ab und sah Castorp aufmerksam an, «übrigens typisch für dein Alter, und auch dein Mangel an Erfahrung machen es zu einem unsinnigen Unterfangen, dir meine Gründe weiter zu erläutern. Ich hatte natürlich nie die Absicht, und die habe ich auch jetzt nicht, auf deine Entscheidungen Einfluß zu nehmen.“

 

Paweł Huelle (Gdańsk, 10 september 1957)

 

De Amerikaanse dichteres Mary Oliver werd geboren op 10 september 1936 in Maple Heights, Ohio. Zie ook alle tags voor Mary Oliver op dit blog.

 

De storm

Nu stoeit mijn kleine hondje door de witte
boomgaard, vertrapt de nieuwe sneeuw
met wilde pootjes.
Rent van hier naar daar, opgewonden,
nauwelijks in staat te stoppen, hij springt, hij draait
totdat de witte sneeuw beschreven is
met grote, uitbundige letters,
een lange zin, die de geneugten
van het lichaam uitdrukt in deze wereld.
O, ik had het niet beter kunnen zeggen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mary Oliver (10 september 1935 – 17 januari 2019)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e september ook mijn blog van 10 september 2020 en eveneens mijn blog van 10 september 2018 en ook mijn blog van 10 september 2017 deel 2..