De aanbidding der Wijzen door Luigi Miradori (il Genovesino), 1640-1650
DE WIJZEN
Zij zagen blank een wonderster verrijzen. Die ster te volgen dreef hun zieledrang. Door woestenij geen dooltocht zwaar en bang: Trouw blonk de ster en bleef hen wijzen.
Plots in den hoge hoorden ze engelzang – Een arme grot was ’t einddoel van hun reizen. De kemels knielden. En de grote wijzen Aanschouwden ’t kind, geprofeteerd zó lang.
Een arme stal – Daar lag en lachte zoetjes, In schamel stro het stralend Godekind En hief zijn handje zegenend met groetjes.
De wijzen bogen door zijn glans verblind En vlijden, wenend, blij door Hem bemind, Goud, mirre en wierook aan zijn blote voetjes.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) Kerstsfeer in Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
Het was naar een landschap van water, licht en lucht Dat ik zocht – om mijzelf vrij te spreken van een wereld Waarin stoïcijnse lethargie de enige repliek scheen Op horizonnen en de straten die hen de weg versperden In een monotone damp, een gloed van grijsheid. Ik vond mijn spraak. En nu, na jaren teruggekeerd Om te verhalen van alles wat bezielde en verstikte, Inhaleer ik de vertrouwde, groezelige lucht Uit een landschap van opgegraven ingewanden, onderwerelden Vrijgegeven door omringend klei. Met het delven Van de mergel werd een tweede natuur blootgelegd En water dat, omhooggesijpeld om de groeven op te vullen, Hen uitstrekte tot knipperende, schitterende meren Tussen torens en spitsen, straten en braakland In trage ontginningen, glinsterplekken, balanceringen, Alsof ontvlammend Eden zijn eigen val herriep En woorden en water uit dezelfde bron voortkwamen.
Vertaald door Peter Nijmeijer
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)
“Zijn rijkdom was iets ongrijpbaars. Rijkdom was iets in je hoofd, het was zinloos die vast te willen leggen op papier. Uiteindelijk was zijn rijkdom zijn gevoel over zichzelf. Het hoofd van Gijselhart vertaalde bezittingen in geld, geld in bezittingen, de getallen erin waren voortdurend op drift, ze dijden optimistisch uit, krompen somber ineen, en de oude lippen bootsten die bewegingen na. De laatste tijd voelde Gijselhart zich overwegend arm, de slakken lagen uitgedroogd tegen elkaar aangekruld. Zijn bezit bestond uit vastgoed her en der in de stad, tien kilometer verderop – oude woningen en drie terreinen met autostallingen. Een zekerder belegging dan vastgoed was er niet, zijns inziens, maar daken gingen lekken, er braken brandjes uit, de garagedeuren liepen om de zoveel tijd van hun katrollen, op de meest ongelegen momenten stuurde de gemeente je aanschrijvingen. De helft van de week was hij op karwei om die euvels te verhelpen. Hij werd te oud voor dat werk. Soms stootte hij een pand af, na lang delibereren. Een maand later had hij toch weer een ander ervoor in de plaats gekocht. De loods achter zijn huis was volgestouwd met oud ijzer en sloopmetalen, die elke dag van waarde veranderden, als je de markttabellen in de krant mocht geloven. Vijfentwintig jaar had hij aan die schrootberg gebouwd. Als je het erts erbij dacht waaruit de metalen gewonnen waren, en de grond die ervoor was afgegraven, dan moest het de hoogste berg van Nederland zijn. En toch was de berg voor zijn gevoel vaak niet hoger dan een molshoop. Alles lag door elkaar, koper, lood, zink, ferro en non-ferro. Hij had er leidingbuizen van koper en lood, dubbelzwaar door de aangekoekte cement, een grote partij groen bladkoper dat van een kerkkoepel gesloopt was, een bronzen scheepsschroef, ijzeren potkachels, accu’s, regenpijpen en zinken gootbekleding, stroken zink in lubben gevouwen en samengeperst, maar ook traploperroeden van messing, deurklinken, kandelaars, tussen het gras gevonden patroonhulzen, stukjes koperdraad opgeraapt achter de electricien. Nooit had hij er een gram van verkocht. Wie weet was de hele handel geen rooie cent waard, dan zou het uit zijn met zijn spelletje solitaire. Hij wist niet hoe zwaar de berg was. Hij wilde het ook niet weten. ‘Een berg’ of ‘ik weet niet hoeveel ton’, dat was de maat die hij hanteerde wanneer hij de koersen van de London Metal Exchange doorlas en het schroot omsmolt tot spijs voor zijn fantasie. Lood en zink brachten niet veel meer op tegenwoordig. Het allesverziekende communisme dumpte die metalen op de markten van het westen, door een gat in het ijzeren gordijn. In de bouw werden ze bovendien nauwelijks meer gebruikt. Maar koper was nog steeds goed aan de prijs. Hij smolt het koper om tot een spiegel waarin hij zich een Guggenheim of Van Saxen-Coburg kon wanen. Wie zich in koper spiegelt, spiegelt zich zacht. Venus had zich in koper gespiegeld toen ze bij Cyprus uit zee was gekomen.”
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)
Deze stad is schoonheid onbreekbaar en verliefd als oogleden, in de straten, druk met heftige vaarwels, ondergedompelde landingen, Ik ben onschuldig als drempels en verpletterde nachtvogels, smoorverliefd, als lege liften
laat me deuropeningen aankondigen, hoeken, achtervolging, laat me zeggen hier staand in wimpers, in onzichtbare borsten, in het krimpende meer in de kleine winkeltjes van onware herinneringen, het broze, afgeknabbelde leven dat we leiden, ik word vastgehouden en vastgehouden
doet de aanraking van alles me blozen, duiven en beschadigde jongens, halfdode uren, blinde muzikanten, onduidelijke vrouwen in bont en blauwe jurken zelfs de gewone mannen in grijs pak met verschrikkelijke koffers, hoe komt dat, hoe komt dat dat Ik niets zo intiem verwacht als geschiedenis
had ik een ander leven gehad verstoken van deze omhelzing met gebroken dingen, iriserende aderen, extatische kogels, kleine scheurtjes in de hersenen, zou ik deze specifieke feiten kennen, hoe een zin een wang schramt hoe water de liefde uitdroogt, dit, een gedachte zo terloops als elke seconde een adem uitblaast
en dit, we ontmoeten elkaar in zorgeloze tussenpozen, in koffiebars, benzinestations, in kunstmatige gesprekken, loterijen, onvertaalbare monden, in versies van wat we kunnen zijn, een trilling van de hand in de realisatie van eindes, een vluchtige tranenvloed op de huid, het gretige loslaten in haast.
In mijn nood roep ik niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen
verleerd. Laat de eik maar kreunen en klagen om blad dat voortijdig te gronde, de tak van zijn stam
afgerukt, laat mij woordeloos staan in zijn schaduw. Laat
mijn zwijgen niet klein en gebukt zijn maar waardig hoog en breed als de kroon van de boom
nu zijn wortels en stilte zich hechten aan jou en alle gebed wordt gesmoord in de aarde
Dame met hoed
Zij aan de andere kant van de tafel draagt haar hoed als een wapen waarmee ze de vingerafdruk van de jaren elegant overschaduwt. Was ze een
woning, ze liet zich met wijnrank en bloemen begroeien, groene klimop die zomer en winter de vraat aan de voegen verdoezelt, ze liet de haag
niet meer snoeien. Nu ze een vrouw is bedekt ze met mode de dood in haar huis, zet zich hoog op de hakken en trekt met de rand van haar hoed de groeven
het zicht uit.
Jongenskopje
Eerst was ik er en daarna mijn beeld. Ik speelde gewoon toen de meester mij kneedde.
Gehard in het vuur werd ik breekbaar en stond op de schouw van mijn eeuw als versteend. Toen
kwam er een tijd van vallen en breken; ook ik lag aan scherven te sterven, verdween. Totdat
in een andere tijd een geoefende hand mij met wat passen en meten weer bestaan wist te geven. Maar
ik ben nooit geheeld; onuitwisbaar loopt door mijn gezicht een lijkbleke streep waar je nooit meer omheenkijkt.
Drie kleermakers van Tooley Street schreven: Wij, het Volk. De namen zijn vergeten. Het is een grap onder geesten.
Snijders of herstellers of armgatbrekers, ze zaten met gekruiste benen te naaien, grepen naar een schaar, stalen elkaars vingerhoedjes.
Met gekruiste benen, werkend voor loon, grapjes makend met elkaar als kneusjes, gesneden uit de stof van een Meester Kleermaker, zaten ze en deelden hun gedachten over de glorie van Het Volk, ze ontmoetten elkaar na het werk en dronken bier op Het Volk.
Vervaagd in het schemerdonker zijn de namen vergeten. Het is een grap onder geesten. Laat maar gaan. Ze schreven: Wij, Het Volk.
“Het katholieke onderwijzersgezin Zwagerman bewoonde in Alkmaar een rijtjeshuis dat aan een geluidswal was gelegen. In 1963 werd de oudste zoon geboren, Joost, en hoewel er eerder pogingen waren ondernomen, kwam pas tien jaar en negen maanden later zijn jongere broertje Alexander ter wereld. Ontwaakt uit de sluimer van zijn jongste jeugd, zag Alexander op naar zijn grote broer, die een onstuimige puberteit beleefde en na schooltijd en ’s avonds vaak op zijn jongenskamer achter een geheimzinnig ratelende schrijfmachine zat verscholen. Regelmatig zag hij zijn broer op de fiets springen en koers zetten naar het centrum van Alkmaar. ‘Dan ging hij naar de bibliotheek,’ zegt Alexander Zwagerman (32) op een zonnige middag in zijn gerieflijke Schiedamse appartement met uitzicht op een huizenrij en een hoge schoorsteenpijp. Hij draagt een pak met stropdas, geruite kousen en glimmende schoenen. Zware bril, een nette scheiding in het haar. Op een schaaltje liggen chocoladekoekjes. ‘In de bibliotheek bekeek hij de literaire tijdschriften waar hij zijn verhalen heen wilde zenden,’ vervolgt hij. Thuis deed zijn broer de uitgetikte vellen in een grote envelop waar veel postzegels op moesten. ‘Ik kan mij goed herinneren dat die dikke enveloppen altijd teruggestuurd werden. Dan zei mijn moeder: Joost heeft weer een dikke envelop gekregen, hij zal niet blij zijn.’ Op een dag liet een literair tijdschrift weten dat een bijdrage geplaatst zou worden. ‘Joost was euforisch,’ vertelt Alexander. ‘Ik ben schrijver, ik ben schrijver, riep hij uit.’ Hij zag zijn broer naar de keuken rennen, waar mevrouw Zwagerman met iets bezig was. ‘Hij trok het raam open, buiten stonden auto’s voor het stoplicht. Hij riep: rij door, rij door, de schrijver deelt geen handtekening meer uit.’ Joost ging op kamers wonen. Eerst in Alkmaar-Noord, daarna trok hij naar Amsterdam. ‘De stad waar het gebeurt,’ zegt Alexander, ‘en waar je mooie vrouwen kunt zien lopen.’ In 1986 – hij zat in de hoogste klas van de lagere school – debuteerde zijn broer met het boek De houdgreep en kwam hij voor het eerst op televisie. ‘Er werd een literatuurprijs uitgereikt en hij mocht als jonge schrijver zijn mening geven.’ In Alkmaar-aan-den-Hoef zat het gezin aan de beeldbuis gekluisterd. ‘Er waren andere schrijvers die veel meer zeiden,’ zegt hij. ‘Je zag van Joost alleen wat rook die van de zijkant van het scherm kwam; hij zat te paffen. Toch had dat een enorme impact op ons gezin.’ Meneer en mevrouw Zwagerman hadden moeite met bepaalde passages in het literaire werk van hun oudste zoon. ‘Mijn moeder zei wel eens tegen hem: Joost, moet dat nu, dat kan toch ook zonder die seks? Dan zei Joost: nee, ma, dat is een wezenlijk onderdeel.’ Zelf verslond hij de romans van zijn broer. ‘Het bezorgde mij rooie koontjes.’
wit bladdert het appelhout in het licht van de wind. seconden lang kijk ik door mijn eerste ogen. een stem, die aangroeide in uitgelaten woorden. ik kan haar mij niet meer herinneren. enkel gezichten, waartoe zij behoorde, kennen hen weer terug. spiegels hebben geen lang geheugen. water heeft met hen geduld. ik kijk daartussen. als kind heb ik vaak de aangebeten appels in de beek gegooid. ze waren nog onrijp. hun golven zetten de hemel slechts kort in beweging.
De Britse schrijver Fay Weldon is op 4 januari op 91-jarige leeftijd overleden. Fay Weldon werd geboren op 22 september 1931 in Alvechurch, Engeland. Zie ook alle tags voor Fay Weldon op dit blog.
Uit: The Life and Loves of a She Devil
“TWO Now. Outside the world turns: tides surge up the cliffs at the foot of Mary Fisher’s tower, and fall again. In Australia the great gum trees weep their bark away; in Calcutta a myriad flickers of human energy ignite and flare and die; in California the surfers weld their souls with foam and flutter off into eternity; in the great cities of the world groups of dissidents form their gaunt nexi of discontent and send the roots of change through the black soil of our earthly existence. And I am fixed here and now, trapped in my body, pinned to one particular spot, hating Mary Fisher. It is all I can do. Hate obsesses and transforms me: it is my singular attribution. I have only recently discovered it. Better to hate than to grieve. I sing in praise of hate, and all its attendant energy. I sing a hymn to the death of love. If you travel inland from Mary Fisher’s tower, down its sweep of gravelled drive (the gardener is paid $110 a week, which is low in any currency), through the windswept avenue of sadly blighted poplars (perhaps this is his revenge), then off her property and on to the main road and through the rolling western hills, and down to the great wheat plain, and on and on for a hundred kilometres or so, you come to the suburbs and the house where I live: to the little green garden where my and Bobbo’s children play. There are a thousand more or less similar houses, to the east, north, west and south: we are in the middle, exactly in the middle, of a place called Eden Grove. A suburb. Neither town nor country: intermediate. Green, leafy, prosperous and, some say, beautiful. I grant you it is a better place to live than a street in downtown Bombay. I know how central I am in this centreless place because I spend a lot of time with maps. I need to know the geographical detail of misfortune. The distance between my house and Mary Fisher’s tower is one hundred and eight kilometres, or sixty-seven miles. The distance between my house and the station is one and a quarter kilometres, and from my house to the shops is 660 metres. Unlike the majority of my neighbours I do not drive a car. I am less well co-ordinated than they. I have failed four driving tests. I might as well walk, I say, since there is so little else to do, once you have swept the corners and polished the surfaces, in this place, which was planned as paradise. How wonderful, I say, and they believe me, to stroll through heaven. Bobbo and I live at No. 19 Nightbird Drive. It is a select street in the best part of Eden Grove. The house is very new: we are its first occupants. It is clean of resonance. Bobbo and I have two bathrooms, and picture windows, and we wait for the trees to grow: presently, you see, we will even have privacy. Eden Grove is a friendly place. My neighbours and I give dinner parties for one another. We discuss things, rather than ideas; we exchange information, not theories; we keep ourselves steady by thinking about the particular. The general is frightening.”
De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook alle tags voor David Berman op dit blog.
The Broken Mirror
My life is almost over; that’s a fact Statistically derived but simply true; I look into the mirror, but it’s cracked
And so reflects two, three, or more, that lack Cohesion. Which one’s goal shall I pursue— My life is almost over; that’s a fact—
In time remaining? Luggage largely packed, Past boxed and crated, little left to do, I look into the mirror, but it’s cracked
And won’t be fixed and always did refract The one before it into at least two. My life is almost over; that’s a fact,
But life cannot be lived in the abstract And begs for certainties that it once knew: I look into the mirror, but it’s cracked;
I look away in search of the exact; Nights melt the shadow shrinking from my view; I look into the mirror, but it’s cracked. My life is almost over; that’s my fact.
Grace
As one who, reading late into the night, When overcome by sleep, turns off the light And yields whatever he can sense by sight
To what the gates of ivory or of horn Will send him, sightless as a child unborn, To goad, amuse, remind, reveal or warn,
So may I turn a light off and embrace With resignation, better still with grace, The dreamless sleep that all awake must face.
Catallus CX – A Translation
Alfie, honest mistresses are lauded; The presents they receive they earn, but you, Who lead me on with lies, leave me defrauded. My anti-mistress, brazen what you do; You keep my gifts but, suddenly demure, Renege on my reward. Either be chaste Before accepting fees or be the whore That you pretend, your total body placed Where just your mouth is. Greed and ‘virtue’ make Strange bedfellows, each sure the other’s fake.
Na haar dood hadden wij grijze amber uit haar potvisachtig lijk geput. Wij vonden in een keukenkast een pot met goud, bedekt met poederlagen gember. Wij vonden goedgerolde sigaretten die, langzaam verbrand, een fijne rook uitwasemden tot schone silhouetten van glorie en van aangename reuk. Wij vonden dranken die een bres sloegen in hersencellen, waar genot en angst even als een klamme wind kloegen. Uit dankbaarheid, meenden wij, zou een mes, een bord sardines, een ontwormde kaas mijn tante in haar droog praalgraf vervoegen.
Familiefoto
Wij werkten zwetend aan het fries van roomijs op ons bord. Klassieke moten werden onder snorren fijngekraakt. Een nieuwe schaal, nog dampend van het vriesvak, stond te wachten op de winnaars. Kinderen bleven eten, kregen pijn en braken door het hagelwitte scherm van kelners; tikken van de lepels op de borden knikkerde de vijver in. Als er niet meer geconverseerd werd schoor zon met haar blinkende tondeuses eerste schaduwen van tafel weg en kookten de likeurglazen in kelen over. Twee nichtjes zaten uitgebreid in engels kortgehouden gras. Men vond het nu wel tijd worden door de familiefoto: overhemden straalden, bloemen lagen in coma op de jurken. Op de achterkant van het fotopapier zou datum komen en een spreuk. Ter ere van ’t communiefeest.
De heiligen
Hun voegen zijn gebreeuwd met kunstlicht en hun onderkaak is volgeschonken met een lauw insecticide dat nog meer dan kevers of wormen een dode uitbijt onder de houten pij. Op hun gezwollen lijven staan hoofden gekroond met mager bladgoud. Stuntelig en rammelend blijven ze hun protectie uitoefenen. Iedereen wordt voortdurend behoed, zelfs wie zijn huis hier onterecht gevuld heeft, al de koppen gods verduisterd en weer opgelicht in nieuwe constellatie. Hoor hun spieren kraken, denk aan hen. Wie zij al niet in hun gedacht houden. Het krachtig aangedreven schip der kathedraal vaart schuimend van hen weg, de sluitspier van hun aureool is voorgoed dicht. Verbrand een kaars, een gouden calorie, attentie voor hun wormstekige stofwisseling.
Kijk hem. Waarom is die man verdrietig? Is er iets gebeurd? Ik weet het niet. Misschien wel. Misschien inderdaad. Misschien is er inderdaad iets gebeurd. Maar misschien ook niet. Misschien is hij helemaal niet verdrietig.
Misschien was het gisteren. Maar misschien niet. Misschien wel. Misschien een paar dagen eerder. Misschien nooit. Misschien toch een keer. Er werd stevig gedronken. Misschien meer dan goed was.
Misschien minder. Er had misschien meer gedronken moeten worden. Er was toch een meer? Waarom heb je het meer niet leeggedronken? Maar misschien was er geen meer. Maar meer een rivier. Misschien zelfs de zee. Misschien was er helemaal geen water.
Misschien was er een meisje. Misschien een ander meisje. Is er iets gebeurd? Ik weet het niet. Misschien wel. Maar misschien niet. Er werd vreselijk gedronken. Maar misschien ook niet. Misschien was er helemaal geen water.
De Nederlandse schrijver en dichter Jasper Mikkers werd geboren in Oerle op 3 januari 1948. Hij groeide op in Liempde. In 1961 ging hij naar een kostschool in Oosterhout, waar hij in 1968 zijn gymnasiumdiploma haalde. Na een studie rechten en MO Nederlands werd hij docent. Mikkers debuteerde onder het pseudoniem Tymen Trolsky in 1974 bij uitgeverij De Bezige Bij in zeer korte tijd de roman “Hyachinta en Pasceline” (1974), de verhalenbundel “Aliesje’(1975) en de dichtbundels “Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin” (1974), “Indiase liederen” (1974) en “Zwarte liederen” (1976). In 1979 verscheen de bundel “Kwatrijnen”. Daarna duurde het tot 1990 voordat hij nieuw werk publiceerde. Onder eigen naam verschenen vervolgens de roman “De weg van de regen”, de dichtbundels “Wie is uiteindelijk”, “Weemoed” en “De verdwijning” en de verhalenbundel “De kleine jongen en de rivier”. In 1996 verscheen “Nagelaten Gedichten & Indonesische Gedichten” van Tymen Trolsky. In 2001 verscheen de lijvige roman ‘Het einde van de eeuwigheid’, wederom met Tymen Trolsky als auteur.
Gedachten over de onsterflijkheid
I Jij was naar bed, ik deed de afwas. “Niks is onsterfelijker dan een klein gedicht”, dacht ik, “geschreven onder wat stoffig lamplicht”. Ik nam de vuile pannen van het gas.
Ik dacht: “Je schrijft een gedicht zoals je een kever in het gras kust, of een kapotte trapper onder je jas verbergt: het is van geen of heel gering gewicht”.
Een van de pannen had een lek op een oude las. Op het druiprek dampten de kopjes en het oud bestek.
Ik dacht: “Een ei bij het ontbijt, een kus of teder woordje op zijn tijd: dat zijn onze stukjes onsterfelijkheid”.
II De afwas was klaar, de handdoek droop. Ik dacht: “Misschien is het wel wáár dat alles leeft, zelfs de klok en de kandelaar”. Ik hoestte terwijl ik naar boven sloop.
Ik zakte door een gat in de overloop. Er zat een grote scheur in mijn peignoir. Ik streelde je: mijn gedachten en jouw haar raakten even volledig in de knoop.
Buiten ruiste de beukelaar. Ik stond op, had weer even hoop. Ik dacht aan jouw woorden: “Een raar
soort kikker ben jij”, maar misschien was het wel waar dat de onsterfelijkheid binnen de dingen sloop zoals ik nu weer terug bij jou in bed kroop.
Ik had het boek wel duizend keer gelezen. Letterlijk. Het was een heel werk. Ik kende het van binnen en van buiten. En toch kon ik, toen mijn broer terugkwam van zijn reis en we met z’n allen in de kleine achterkamer zaten, hem er niks over vertellen. Er hing een gekke sfeer. Er was geen sfeer van vertellen. Ik drentelde rond, van de tafel naar de keuken en weer terug. Op het laatst vertrok ik naar mijn kamer. Ik ging liggen op bed en kon maar één ding doen. Ik nam het boek en las het nog een keer.
Twente
Ik was in slaap gevallen in de laadbak van een pick-up truck. Ik weet niet hoeveel later ik wakker werd. Het was donker geworden. Het voelde alsof ik ergens in Mexico was, maar aan de gevel van een boerderij zag ik dat ik me in Twente bevond. Achter mij schenen felle koplampen op een houten wand. Verderop stond een groepje mannen: donkere silhouetten met hooivorken in hun hand. Ik staarde naar hen en een sterke angst bekroop mij, een oude angst, tot ik blijkbaar bewoog en een klomp van een van de mannen mijn aandacht trok. Het ding schoof met de punt door het zand. En daarmee draaide alles om, het hele universum. Ik keek niet naar hen. Zij keken naar mij.
Ze sluiten het water af, dus ik leef zonder water, ze bouwen muren hoger, dus ik leef zonder boomtoppen, ze schilderen de ramen zwart, dus ik leef zonder zonneschijn, ze doen mijn kooi op slot, dus ik leef zonder ergens heen te gaan, ze nemen elke laatste traan die ik heb, ik leef zonder tranen, ze nemen mijn hart en scheuren het open, ik leef zonder hart, ze nemen mijn leven en verpletteren het, dus ik leef zonder toekomst, ze zeggen dat ik beestachtig en duivels ben, dus ik heb geen vrienden, ze stoppen elke hoop, dus ik heb geen doorgang uit de hel, ze geven me pijn, dus ik leef met pijn, ze geven me haat, dus ik leef met mijn haat, ze hebben me veranderd, en ik ben niet dezelfde man, ze geven me geen douche, dus ik leef met mijn geur, ze scheiden me van mijn broers, dus ik leef zonder broers, wie begrijpt mij als ik zeg dat dit mooi is? wie begrijpt mij als ik zeg dat ik andere vrijheden heb gevonden?
Ik kan niet vliegen of iets in mijn hand laten verschijnen, Ik kan de hemel niet openen of de aarde doen beven, Ik kan met mezelf leven, en ik sta versteld van mezelf, mijn liefde, mijn schoonheid, Ik ben gegrepen door mijn mislukkingen, verbijsterd door mijn angsten, Ik ben koppig en kinderachtig, te midden van dit wrak van het leven dat ze hebben veroorzaakt, oefen ik om mezelf te zijn, en ik heb delen van mezelf gevonden waar ik nooit van heb gedroomd, ze werden onder de rotsen in mijn hart vandaan geprikkeld toen de muren hoger werden gebouwd, toen het water werd afgesloten en de ramen zwart geverfd. Ik volgde deze signalen als een oude spoorzoeker en volgde de sporen diep in mezelf volgde het met bloed bevlekte pad, dieper in gevaarlijke gebieden, en vond zoveel delen van mezelf, die me leerden dat water niet alles is, en me nieuwe ogen gaven om door muren te kijken, en als ze spraken, kwam er zonlicht uit hun mond, en ik lachte om mij samen met hen, we lachten als kinderen en sloten deals om altijd loyaal te zijn, wie begrijpt mij als ik zeg dat dit mooi is?
Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!
Mensen in een winterlandschap bij een kerk door Nils Hans Christiansen, tussen 1874 en 1903
A New Year’s Song
Love and laughter lead you Down the pathways of the year, And may each morning feed you From the golden spoon of cheer; May every eye be shining, And every cheek aglow, And may the silver lining Of the clouds forever show.
May peace and plenty find you, May pain and grief depart ; And may you leave behind you The little cares that smart; May no day be distressful, No night be filled with woe, And may you be successful Wherever you may go.
May June bring you her roses, May summer poppies bloom, And may each day that closes Be fragrant with perfume. May you have no regretting When evening is begun, No vain and idle fretting O’er what you might have done.
May envy quit your dwelling And hatred leave your heart ; May you rejoice in telling Your brother’s better part. May you be glad you’re living However dark your way, And find your joy in giving Your service to the day.
Edgar Guest (20 augustus 1881 – 5 augustus 1959) De St. George kerk in Birmingham, Engeland, de geboorteplaats van Edgar Guest
Vanuit de lucht aan de stuw-, aan de vluchtrand afsluitend en schimmig gezind onder het ijskoude knipvlies van de overkoepelende wintermiddag half-zalig uitgeschakeld door wat voorbijging en voorbij was plotseling tot in het hart geraakt.
Uittocht en terugkeer slechts van de brul- en klaagagente in de geventileerde vleugelcabine. Te denigrerend en onschadelijk gemaakt om dood te vallen na het afbakken van alle gevoelens tot pijnvoorraad in een dunwandige noodgemeenschap. Omcirkeld en afgeschermd van witte verlichting en warme handreiking om te eten en te drinken askleurig zeker in de trillende buitenbocht genesteld wordt de bundel van sensaties nu zoemend en zeer intelligent – een kleine tong tussen de eonen-talen.
The day breaks not and it is not my heart. Jaar en dag braken boven het water. In het oog van de verte onder de soevereiniteit van de voortbeweging en in de beeldstille branding van verdwijnende kusten.
Denkend aan vuursponzen koortsachtig gestolen van het onverdraaglijk soortgelijke. Drooggewoede tonder tot aan de longstam. En bij een ijzige vonkensprong van Xantener-kristal het gloeiende bloed. Rinkelend vertrouwen vanuit de kapkroonlijst: uitglijd-, trekgebied tussen hemel en toekomst.