ik zag je aan de overkant als was je uit een schuilkelder gekomen: voorzichtig en verbaasd over het licht dat op de huizen scheen je had je lange winterjas nog aan ik had een teken kunnen geven ik had je vragen kunnen stellen de straat lag tussen ons als water
achter mij zaten moeders in het park rond het museum, hun kinderen kregen klappen tot ze huilden mij heeft de tijd gered, de afstand, dit gedicht
Dood in Lissabon
wat konden wij doen, beginnen als alles een einde kon nemen – een ogenblik, wisten we, maar wanneer dat wisten we niet, daarom schreven we toch en waren alleen
er waren musea, straten en pleinen wind van de zee, van de verte je weet wel van angst en verlangen van wachten, van ooit
stel je dan voor hoe verloren we liepen, altijd uitkomend bij de rivier, we vroegen ons af wie de lichten ontstak op de brug, wie de vrachtwagens nieuwe opschriften gaf en waarvandaan al het stof in de wereld bleef komen.
brussel, jardin botanique
als je probeert ergens bij te horen en je daar moe van wordt
iemand vraagt aan zijn tafelgenoten: wat is transcendent en je kijkt naar alles wat achterblijft op de borden, buiten waaien plots bladeren op, het gaat regenen, denk je, en dat je niet bang bent, zeg je tegen jezelf, ’s nachts in het buitenland, dan vraagt iemand jou naar vergankelijkheid, of je daartegen schrijft en zoniet, is het dan therapeutisch
je stelt je dan gombomen voor in de tropen, koerende duiven in gombomen
Lichtbruine staar die domme verbaasde heerlijke lichtbruine staar. Daar zorg ik wel voor. Je hoeft me niet meer te vervoeren met jouw Cleopatra filmster trucjes besef je wel dat als ik een telmachine was ik wel eens zou kunnen uit vallen bij het optellen van al die keren dat je die lichtbruine staar gebruikt hebt? Niet dat je niet de beste bent met jouw lichtbruine staar. Op een dag zal één of andere klootzak van een gek jou komen vermoorden en zal je mijn naam uitroepen en zal je eindelijk weten wat je had moeten weten zo heel erg lang geleden.
Vertaald door Manu Bruynseraede
Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)
Toen er nog niet was geploegd in de aarde toen er nog niet was gezaaid, toen er nog sneeuw lag op allebei je borsten ging de zon ’s morgens onwetend op en de nacht was een lente van vorig jaar
maar nu is het zomer, de volle wagen rijdt af en aan met het hooi van de tijd ik strijk met mijn vinger langs de sporen op het plaveisel van je voorhoofd de geur van het koren dat buiten speelt met de wind heeft je stem doen geuren van liefde nog nooit zijn de nachten zo warm geweest
Op het gehoor
Mijn levenswijs gaat, nu de doorwerking voortschreit, lijken op die kleine prelude die ook de hindernissen angstvallig zoekt te ontwijken om tot de orde der dingen over te gaan. …………..Hoewel, al was ik ook Ravel, haar alt kon niet mee zingen met zulk eenzelvig spel dat de heldere taal van reine drieklanken mijdt en voet bij stuk houdt op het pedaal der zwaarmoedigheid.
Eschatologisch
Nu het leven de luttele speelruimte bleek in Gods bijna gebalde vuist, werd de dood het klimaat van deze streek en schaamte de schutkleur van ’t huis. Genegenheid goot laat avondlicht over ons godverlaten veld waar door zon en maan een oud heldendicht hortend ten eind werd gespeld.
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Jouw leven is jouw leven. Laat het niet neer geknuppeld worden in vochtige onderwerping. Waak. Er zijn uitwegen. Ergens is er licht. Het mag dan wel niet veel licht zijn maar het verslaat de duisternis. Waak. De goden zullen je kansen bieden, ken ze, neem ze. De dood kun je niet verslaan. Maar je kunt dood in het leven verslaan. En hoe vaker je leert dit te doen des te meer licht er zal zijn, soms. Jouw leven is jouw leven. Ken het terwijl je het beleeft. Je bent wonderbaarlijk. De goden wachten je op om zich te verheugen in jou.
Vertaald door Manu Bruynseraede
Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)
Ik hou van die vrouwen die niemand meer wil hebben, die oud zijn en getrouwd en nooit biezonder gelukkig waren en nooit een onvergeeflike zonde hebben begaan, eenzame vrouwen met maatschappelike verplichtingen, romantiese vrouwen met volwassen kinderen en gelakte nagels, vrouwen die van een whisky dronken zijn als kleine kinderen, die nog niet weten hoe je ademhaalt onder het zoenen; ik hou daarvan, ondergoed en Mozart op de radio en voetstappen op de gang en de manier waarop ze ‘klootzak’ zeggen of ‘o God’. Ik hou daarvan, vrouwen zonder mannen, echtgenotes, trouwe vrouwen zonder geluk, lelike vrouwen in het nachtelik vuur van hun verlangens, die het, machteloos van schaamte, maar een keer doen in hun leven en mij daarom voor een schrijver van wereldliteratuur aanzien. En dat ze op de grond liggen, daar is achteraf ook vast wel een ouderwetse verklaring voor. Ik hou daarvan, zij willen dood en ik wil leven.
Let it be seeds. Let it be the slow tornado of seeds from the oak tree by the gates to the playground in May wind. Today is mother’s day and someone said it is almost impossible to remember something before you know the word for it and the babies in their mothers’ arms stare at the seeds and they don’t know the word for falling. Nor the word for sudden or whirling. Let it be something that doesn’t last, not the moon. Let it not be the rooftops that are so quiet. Let it come to the white doorstep like rain and slide onto the sidewalk not knowing. What is gentle if not time but it’s not time that is gentle, what will happen in the future does not matter. Cicadas underground are called nymphs and their wings look like tree seeds. Trapped under skin and as soft as the dirt that surrounds them. Teneral is a word for the days between when the cicada digs its way out of earth and begins to sing and when its self and shell are still a single, susceptible thing. It is impossible to remember. Let it be the years underground, molting nymph skin and moving in the soil without sound. It’s not time that is gentle but what unknown sign, a method of counting each spring through the roots of a tree. How they learn from the taste of a root’s juice the moment when in one rush they should push up to earth. Teneral, meaning not yet hardened, a sense before a memory of the shell. Let it be the sign in the cells of the blind safe skin, the limbo of gold walling here and there, where the baby waits between a mother’s body and the air’s tears, he came to my breast and rested, there was no before. Let it be the gold room with its lack of door, that time of day, cicadas will wait until sunset to break through the dirt. Where did he go while I pushed? Let it be. We stood in the tunnel of seeds, windmills, a tree had come to make promises. Rain to stone, rain to street. They seemed while they fell to be lifting and we waited, watching, the baby without words for what we were seeing. Seeds pushing roots, brick, and dirt don’t say what they know about time. Rise. For days the whole town will sing.
Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)
De Oostenrijkse dichter Nikolaus Lenau werd geboren op 13 augustus 1802 in Csatád (in het Hongaarse deel van Oostenrijk-Hongarije). Zie ook alle tags voor Nikolaus Lenau op dit blog.
Eenzaamheid II
De wind is vreemd, waait langs je buiten mate. De steen is dood. Jij zult slechts koelte erven. Geen woord van troost zul jij van hem verwerven, Noch kan het bleke rood van rozen baten.
Zij gaan je zonder acht op jou verlaten, Alleen bekommerd om hun eigen sterven. Loop verder: overal groet je verderven In de van schepselen verstoken straten.
Jij ziet ze hier en daar uit hutten kijken. Zij slaan de luiken dicht. Jij gaat voorbij. Jij beeft van top tot teen: de hutten wijken.
Geen liefde en geen God. De weg bevriest. De wind jaagt ijzig door de straat. En jij? – De hele wereld is wanhopig triest.
Vertaald door Frans Roumen
Nikolaus Lenau (13 augustus 1802 – 22 augustus 1850) Nikolaus Lenau door Friedrich Amerling, 19e eeuw
Achter in de fruitwei de gistende geur van duizend rottende pruimen zonder eters.
Bordje ophangen, twee gulden per kilo. Niemand. Eén gulden per kilo. Niemand. Gratis. Niemand.
Omdat het zo zonde is zet je jezelf eraan tot de stop uit de bodem springt het schip zingt in een poseleinen pot.
Zonde. Rottende pruimen zijn een schande die ze zelf niet kennen, heus
ergens op de wereld is iets fout gegaan.
’s Nachts
’s Nachts varen de landstreken naar huis. Op volle kracht, elkaar met brandend boordlicht omzeilend. Het schuurt aan boomwortels, boegwater klotst in vijvers.
’s Nachts wonen we in Midden-Duitsland. Langs het raam schaduwen de hardnekkigste creaturen van de gebroeders Grimm, zijzelf wellicht, treurend om iets van duizend jaar geleden,
ze zijn het vergeten.
’s Nachts sluit zich om ons het bos vol echo’s van boerenkrijgen. Kinderen door wanhopige ouders achtergelaten bidden om wedergeboorte uit een wolf.
Maar kijk, tussen de stammen een licht!
Dan is het tijd. Ochtend Opluchting. Hun lot is toch niet ons lot. Varen terug. Tongval weer vertrouwd. Enige twijfel blijft.
Notitie over geluid en geluk
Buiten onze gehoorgrens is het een kakofonie. Radiogolven, noodkreten, gemompel van bomen, bespiegelingen uit wateraders, interplanetaire malversaties.
We horen het niet. Soms voelen we het. Gevoel is de voortzetting van geluid met stille middelen.
Voorouderlijke boeren en vissers spraken over geluk, ontdekten zoiets als liefde. Dachten ze. Het waren de geluiden die ze niet hoorden.
Onweerstaanbaar komt het opzetten; het heeft geen zin je oren dicht te doen.
“Er steht und schaut, er lauscht auf den Tonfall meiner Stimme, durchdringt sie mit den Akzenten einer entschiedenen Billigung seiner Existenz, die ich meiner Ansprache stark aufsetze. Und plötz-lich vollführt er, den Kopf vorstoßend und die Lippen rasch öffnend und schließend, einen Schnapper hinauf gegen mein Gesicht, als wollte er mir die Nase abbeißen, eine Pantomime, die offenbar als Antwort auf mein Zureden gemeint ist und mich regelmäßig lachend zurückprallen läßt, was Bauschan auch im Voraus weiß. Es ist eine Art Luftkuß, halb Zärtlichkeit, halb Neckerei, ein Manöver, das ihm von klein auf eigentümlich war, während ich es sonst bei keinem seiner Vorgänger beobachtete. Übrigens entschuldigt er sich sogleich durch Wedeln, kurze Verbeugungen und eine verlegen-heitere Miene für die Freiheit, die er sich nahm. Und dann treten wir durch die Gartenpforte ins Freie. Rauschen wie das des Meeres umgibt uns; denn mein Haus liegt fast unmittelbar an dem schnell strömenden und über flache Terrassen schäumenden Fluß, getrennt von ihm nur durch die Pappelallee, einen eingegitterten, mit jungem Ahorn bepflanzten Grasstreifen und einen erhöhten Weg, den gewaltige Espen einsäumen, weidenartig bizarr sich gebärdende Riesen, deren weiße, samentragende Wolle zu Anfang Juni die ganze Gegend verschneit. Flußaufwärts, gegen die Stadt hin, üben Pioniere sich im Bau einer Pontonbrücke. Die Tritte ihrer schweren Stiefel auf den Brettern und Rufe der Befehlshaber schallen herüber. Aber vom jenseitigen Ufer kommen Geräusche des Gewerbefleißes, denn dort, eine Strecke flußabwärts vom Hause, ist eine Lokomotivenfabrik mit zeitgemäß erweitertem Tätigkeitsbezirk gelegen, deren hohe Hallenfenster zu jeder Nachtstunde durch das Dunkel glühen. Neue und schön lakierte Maschinen eilen dort probeweise hin und her; eine Dampfpfeife läßt zuweilen ihren heulenden Kopfton hören, dumpfes Gepolter unbestimmter Herkunft erschüttert von Zeit zu Zeit die Luft, und aus mehreren Turmschloten quillt der Rauch, den aber ein günstiger Wind hinwegtreibt, über die jenseitigen Waldungen hin, und der über-haupt nur schwer über den Fluß gelangt.
Het zomerhuis van Thomas Mann in Nida (Duits: Nidden), een dorp in Litouwen, waar de familie Mann in de jaren 1930-1932 vakantie vierde. Het is nu in gebruik als cultureel centrum.
.So mischen sich in der vorstädtisch-halbländlichen Abgeschiedenheit dieser Gegend die Laute in sich selbst versunkener Natur mit denen menschlicher Regsamkeit, und über allem liegt die blankäugige Frische der Morgenstunde. Es mag halb acht Uhr sein im Sinne des Gesetzes, wenn ich so ausgehe, in Wirklichkeit also halb sieben. Ich gehe, die Arme auf dem Rücken, im zarten Sonnenschein die von den langen Schatten der Pappeln schraffierte Allee hinunter, ich sehe den Fluß nicht von hier, aber ich höre seinen breiten, gleichmäßigen Gang; gelinde flüstert es in den Bäumen, das durchdringende Zirpen, Flöten, Zwitschern und schluchzende Trillern der Singvögel erfüllt die Luft, unter dem feuchtblauen Himmel steuert ein Flugzeug, von Osten kommend, ein starr mechanischer Vogel, mit leise an- und abschwellendem Dröhnen, über Land und Fluß hin seine unabhängige Bahn, und Bauschan erfreut mein Auge durch schöne, gestreckte Sprünge über das niedrige Gitter des Grasstreifens zur Linken, hinüber — herüber.“
Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955) Thomas en Katia Mann met een andere hond – Boris – in de tuin van hun huis in Kilchberg, 1955
Van het een of de ander maak een mens. Maar daarover geen woord. Geen woord over het verleden, waarmee ook de dag van gisteren bedoeld is.. Knik nog een tijdje naar hem bij gewoontes waar je last van hebt. Hij zal ze opgeven. Daarover, zie je, lacht hij nu al. Voor de eerste keer in zijn leven zal hij iets verzinnen dat hij jou laat zien. Geef hem de tijd, om nog een keer het leven in te lopen. Bespaar hem alle leugens van de liefde. Complimenten, alsjeblieft, zijn nutteloos. Ook de kogel die het hart raakt zoekt warmte.
Toen ik verliefd op je werd, wist mijn lichaam eerder dan ik, wat was er aan de hand en begon te schreeuwen, iets in de richting van de buik, wat onmiddellijk doorwerkte in mijn benen, want ze waren onbruikbaar toen ik opstond en me excuseerde. Op dat soort nieuwigheden was ik niet voorbereid (en ik haatte romans, waarin dit aan de orde van de dag was). Mijn lichaam echter was alles om het even. Het schreeuwde niet meer, maar zijn gefluister, dat toen begon, was nog luider. Ik sloot mijn ogen. Mijn hoofd was een racebaan van vele gedachten die allemaal de weg naar huis waren vergeten en nu het toilet niet wilden verlaten. Ik had er moeite mee om weer tegenover je te gaan zitten. We hebben gepraat, geloof ik, waarbij mij opviel dat je veel liever met mijn neus sprak, met mijn vingers, mijn schouders. Natuurlijk ging je er terecht van uit dat die je beter begrijpen dan ik. Ook mijn buik bemoeide zich er weer mee, grenzeloos enthousiast over jou. Toen, ik was niet in staat, het te verhinderen stak je een sigaret aan op mijn huid.
“Om nog eens precies van haar te horen hoe de dag eruitzag waarop ik werd geboren, ging ik drieënveertig jaar later vanuit Amsterdam op weg naar mijn moeder in Den Haag. Halverwege onze woningen stop ik om te tanken. Het is een self-servicestation en wanneer ik, mijn pompnummer hardop onthoudend, naar binnen loop om af te rekenen, krijg ik een gratis drinkglas. Als ik hier de volgende keer weer kom, belooft de beheerder, ontvang ik een bon van maar liefst twintig punten en zodra ik zestig punten bij elkaar heb getankt, mag ik deze verzilveren voor nég een gratis drinkglas! Mijn glas heeft een whiskymaatje, maar veel te veel dikke ribbels. Bovendien zijn er sierlijk bedoelde belletjes in meegeblazen. Ik leg het op de passagiersstoel naast me, waar het, wanneer ik rem, rechtop tracht te gaan zitten. Omdat ik nogal laat ben, koop ik, tegen mijn gewoonte, geen bloemen voor mijn moeder meer. Wel vraag ik of zij soms een mooi whiskyglas kan gebruiken. Ach jongen nou toch: zegt zij; 'dat had je nou niet moeten doen!'Ik heb het niet gekocht hoor: stel ik haar gerust, ‘dit was een toegiftartikel van de benzinemaatschappij: `Helemaal voor niks?’ waagt zij verbaasd; ‘hoe is het mogelijk! Maar dan hou je het toch zeker lekker zelf? Ik barst van de glazen en jullie breken er met zijn viertjes in een maand meer dan ik in een heel jaar. Maar dat ze dat zomaar weggeven, voor niks! De mensen hebben gewoon geen idee meer van wat echte armoede is. Ik bedoel zoals in de oorlog, dat er gewoon helemaal niks niemendal was! Als je toch ziet hoe leuk je tegenwoordig je baby kunt aankleden en dat ik jouw eerste broekje heb moeten maken van dat groene fluwelen gordijn uit het halletje, weet je nog wel? Wil je koffie?’ ‘Graag;, zeg ik handenwrijvend. ‘Want daar wilde ik het even over hebben. Ik moet weten wat dat voor een dag was, toen ik werd geboren. Voor een verhaaltje: ‘Nou het begon dus eigenlijk al op zaterdag de negende, herinnert mijn moeder zich; ‘en het was prachtig weer, en dan lag je vader altijd op het dak.’ Zij zegt dit niet spottend of verwijtend maar eerder vertederd. Toen ik voor het eerst over deze onachtzaamheid van mijn vader hoorde, nam ik mij voor dat ik, mocht dit ooit zover komen, Barbara geen seconde in de steek zou laten tijdens haar barensnood. Als het zo uitkomt, mag zij dan ook graag vertellen hoe ik, gedurende haar bevallen van onze zoon Kasper, op de rand van het bed trillend in de weer was met een nat washandje waarmee ik om de anderhalve minuut haar voorhoofd depte. (Dat had hij onthouden want dat hadden ze mij verteld op zwangerschapsgymnastiek; dat de echtgenoot zich nuttig kon maken door tijdens de persweeën af en toe een nat washandje op je voorhoofd te leggen. Nou, en dat had hij onthouden hoor! Ik werd er knettergek van! Was zo’n wee net aan het opkomen, kwam hij weer met zijn kletsnatte washandje!’)”
Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)
De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.
Long Point licht
Long Pont is als een verschijning deze warme lentemorgen, het strand een waas van zanderig licht,
en het vierkante wit van de vuurtoren – gescheiden van ons door het ultramarijn van de baai
alsof het nergens is waar we ooit konden komen – glimt als een torengeest, wazig
in het gewassen blauw van maart, onze laatste buitenpost in de enorme onbepaaldheid van de zee.
Hij lijkt vrolijk genoeg, in het versterkende zonlicht, vast punt bij onze wandeling
langs de kust. Soms denk ik het is het waar-we-zullen zijn, alleen nu nog niet, zoals een zichtbare ontsluiting
van het hiernamaals. In het donker duiken zijn diepere uitnodigingen op: groene getuige aan het einde van de nacht,
flikkerende rand van de horizon, markering van veiligheid en eindpunt. maar grenzeloos, zoals hij ons roept,
en waarheen hij wil dat wij komen, en dus nodig ik hem uit in het gedicht, om te spreken,
en de vuurtoren zegt: Hier is de wereld waar je om vroeg, prachtig en doelmatig,
hier is het negen uur, haven-breed, en een glinsterende code: belofte en waarschuwing. De ochtend is zo groot als de hemel.
Zij noemt mij zelden nog meneer, de helleveeg die mij dresseert. Ik ga vermomd als hond des huizes, moet snuffelen aan haar bestaan en keffen als er iets niet pluis is.
Want zij heeft de verdorven geest van wie lang eenzaam is geweest. Ik volg de krielzoom van haar rok, moet mee naar slager en naar bakker; doe ’s avonds kunstjes voor een been, word ’s ochtends op haar bedsprei wakker.
De dingen waar ik mij voor schaam zijn niet de dingen die ik heb gedaan, maar die ik enkel heb begeerd: ik wíl wel in haar kuiten bijten, maar heb geen scherpe tanden meer.
Dikke mensen
Dikke mensen weten alles van de liefde, tot in de meest verloren uithoek van hun lijf, de katakomben van hun vlees.
Hun buik is buitenland waarin zij wonen, aldoor verlangend naar de slankste tailles die hen doen watertanden als gebak.
Er is geen mens oprechter droef, zo goedlachs treurig in die afgelegen balg, die verre tenen en die bolle billen,
alsof zij slechts uit overschot bestaan: zo\’n kleine honderd kilo niets die niemand ooit zal willen.
WIJVENHEIDE
Laat ons naar Wijvenheide gaan. Hoe Jammerlijk dat afstanden bestaan, maar wie per se naar Wijvenheide wil, komt ook in Wijvenheide aan.
Laat ons naar Wijvenheide gaan. Daar strijken karekieten neer. De rietpluim wuift wie straks weer weg moet, nu al uitgebreid ten afscheid.
Laat ons naar Wijvenheide gaan. In Wijvenheide ligt een groot geheim: de zilverreiger broedt er op een spiegelei.
Wij zijn hier een stel stukken schijt aan ’t vragen Een uur of wat bij ons er door te jagen. Kom je ook? – Ja, makker, in een varkensreet. De dag is weer besteed. De gashaard suist. Wind. Regen. Schemertijd. Dus: Waarde Merlijn Jansz, Zeer tot mijn spijt –
Toch vreemd dat het zo moeilijk is, alleen. Haast elke avond kan ‘k in luisterstand Verdoen, glas slappe sherry in de hand, Met ziften van ’t gezever van zo’n kat Die niets leest dan Wie? Wat? Maar denk eens aan de tijd die al verdween
In zoutjes en gezichten! En gewin Is er nooit bij, wél altijd het gemis Van rustig lamplicht met wat windgerucht, En ginds de sikkelmaan die door de lucht Messcherp geslepen is. Een leven. Maar hoe streng prent men ons in:
Alleen-zijn is zelfzuchtig. Niemand meer Gelooft de kluizenaar met nap en pij Die praat met God (ook weg); nu wensen wij Dat mensen aardig voor ons zijn. Dat kan Alleen over en weer. Deugd is sociaal. Zijn die routines dan
Goed-mensje spelen, net als kerkbezoek? Verveeld, onhandig pogen? Doen we mee (Die ezel vragen naar zijn stomme boek) Omdat het, zij het stuntelig, met pijn, Laat zien hoe het moest zijn?
Uit: De Wereld van Sofie (Vertaald door Janke Klok)
“Sofie Amundsen was op weg van school naar huis. Het eerste stuk had ze gezelschap gehad van Jorunn. Ze hadden over robots gepraat. Jorunn was van mening dat je de hersenen van een mens kon vergelijken met een ingewikkelde computer. Sofie wist niet zeker of ze dat wel met haar eens was. Een mens was toch meer dan een machine? Bij de grote supermarkt waren ze elk een andere kant opgegaan. Sofie woonde aan het einde van een uitgestrekte villawijk en ze moest bijna twee keer zo ver lopen naar school als Jorunn. Het was alsof haar huis aan het einde van de wereld lag, want achter haar tuin stonden geen andere huizen meer. Daar begon het donkere bos. Ze liep Kløverveien in. De weg eindigde in een scherpe bocht, die meestal ‘Kapteinsvingen’ werd genoemd. Daar kwamen alleen op zaterdag en zondag mensen langs. Het was begin mei. In sommige tuinen stonden dichte bossen narcissen onder de fruitbomen. De berkebomen waren getooid met een dunne groene sluier. Was het niet vreemd dat alles in deze tijd van het jaar zomaar ging groeien en bloeien? Hoe was het mogelijk dat ontelbare kilo’s groene planten uit de levenloze aarde omhoog kwamen, zodra het weer warmer werd en de laatste sneeuwresten waren verdwenen? Terwijl ze het hek naar hun tuin opendeed, keek Sofie in de brievenbus. In de regel lag die vol reclamefolders en een paar grote enveloppen voor haar moeder. Sofie legde alles meestal in een dikke stapel op de keukentafel voor ze naar haar kamer ging om huiswerk te maken. Voor haar vader waren er af en toe een paar bankafschriften, maar hij was dan ook geen gewone vader. De vader van Sofie was kapitein op een grote olietanker en hij was het grootste deel van het jaar weg. Als hij af en toe een paar weken thuis was, scharrelde hij op zijn pantoffels in huis rond en probeerde het Sofie en haar moeder naar de zin te maken. Maar als hij aan het varen was, leek hij ontzettend ver weg. Vandaag lag er maar één briefje in de brievenbus en dat was voor Sofie. ‘Sofie Amundsen’ stond er op de kleine envelop. ‘Kløverveien 3’. Dat was alles, er stond geen afzender op. Er zat zelfs geen postzegel op. Zodra Sofie het hek achter zich dicht had gedaan, maakte ze de envelop open. Ze vond alleen een heel klein briefje van hetzelfde formaat als de envelop. Op het briefje stond: wie ben jij? Meer stond er niet. Op het stukje papier stond geen groet en geen afzender, alleen die drie met de hand geschreven woorden, met een groot vraagteken erachter. Ze keek nog eens naar de envelop. Ja, de brief was echt voor haar. Maar wie zou hem in de brievenbus hebben gedaan?”
De Oostenrijkse schrijver en acteur Robert Seethaler werd geboren op 7 augustus 1966 in Wenen. Seethaler groeide op in een arbeidersgezin in het tiende district van Wenen. Zijn moeder was secretaresse en zijn vader slotenmaker en houtsnijder. Vanwege een aangeboren oogafwijking (minus 17 dioptrieën) onderging hij meerdere oogoperaties en ging hij naar een basisschool voor blinden en slechtzienden. Seethaler bezocht toneelschool van het Weense Volkstheater en nam deel aan tal van producties voor film en televisie, evenals in theaters in Wenen, Berlijn, Stuttgart en Hamburg. Hij is bij het televisiepubliek bekend als “Dr. Kneissler” uit de serie “Ein starkes Team”. In 2004 bezocht Robert Seethaler de scenarioworkshop in München, waar zijn debuutscenario “Heartbreakin’”, dat hij daar ontwikkelde, werd bekroond met de Tankred Dorst-prijs. In hetzelfde jaar begon Seethalers literaire werk met de roman “Die Biene und der Kurt”, gebaseerd op “Heartbreakin’” . Dit werd met tussenpozen van twee jaar gevolgd door de romans “Die weiteren Aussichten”, “HJetzt wirds ernst” en “Der Trafikant (Kein & Aber)” evenals “Ein ganzes Leben”, “Das Feld” en “Der letzte Satz”. In 2016 stond Seethalers vijfde roman, “Ein ganzes Leben” op de shortlist voor de International Booker Prize 2016.
Uit: Ein ganzes Leben
„An einem Februarmorgen des Jahres neunzehnhundertdreiunddreißig hob Andreas Egger den ster- benden Ziegenhirten Johannes Kalischka, der von den Talbewohnern nur der Hörnerhannes gerufen wurde, von seinem stark durchfeuchteten und etwas säuerlich riechenden Strohsack, um ihn über den drei Kilometer langen und unter einer dicken Schneeschicht begrabenen Bergpfad ins Dorf hinunterzutragen. Er hatte den Hörnerhannes aus einer seltsamen Ahnung heraus in seiner Hütte aufgesucht und zusammengekrümmt unter einem Berg von alten Ziegenfellen hinter dem längst erloschenen Ofen gefunden. Abgemagert bis auf die Knochen und gespensterbleich starrte er ihm aus der Dunkelheit entgegen und Egger wusste, dass ihm der Tod bereits hinter der Stirn hockte. Er nahm ihn wie ein Kind auf beide Arme und setzte ihn behutsam auf die mit trockenem Moos ausgelegte Holzkraxe, mit der der Hörnerhannes sein Leben lang das Brennholz und die verletzten Ziegen über die Hänge gebuckelt hatte. Er wickelte einen Viehstrick um seinen Körper, band ihn an das Gestell und zog die Knoten so fest, dass es knackte im Holz. Als er ihn fragte, ob er Schmerzen habe, schüttelte der Hörnerhannes den Kopf und verzog seinen Mund zu einem Grinsen, doch Egger wusste, dass er log. Die ersten Wochen des Jahres waren ungewöhnlich warm gewesen. In den Tälern war der Schnee geschmolzen und im Dorf war das beständige Tropfen und Plätschern des Tauwassers zu hören. Seit einigen Tagen aber war es wieder eiskalt und der Schnee fiel so unaufhörlich und dicht vom Himmel, dass er die Landschaft mit seiner weichen Allgegenwärtigkeit zu schlucken und alles Leben und jedes Geräusch zu ersticken schien. Auf den ersten paar hundert Metern redete Egger nicht mit dem zittrigen Mann auf seinem Rücken. Er hatte genug damit zu tun, auf den Weg zu achten, der sich vor ihm in steilen Serpentinen den Berg hinunterwand und den er im Schneetreiben nicht viel mehr als erahnen konnte. Hin und wieder spürte er, wie sich der Hörnerhannes regte. »Stirb mir jetzt bloß nicht weg«, sagte er laut vor sich hin, ohne eine Antwort zu erwarten. Doch nachdem er fast eine halbe Stunde hinter sich gebracht hatte, immer nur das eigene Keuchen in den Ohren, kam die Antwort von hinten: »Sterben wär nicht das Schlechteste.« »Aber nicht auf meinem Buckel!«, sagte Egger und hielt an, um die Lederriemen auf den Schultern zurechtzurücken. Für einen Augenblick horchte er in den lautlos fallenden Schnee hinaus. Die Stille war vollkommen. Es war das Schweigen der Berge, das er so gut kannte und das doch immer noch imstande war, sein Herz mit Angst zu füllen. »Auf meinem Buckel nicht«, wiederholte er und ging weiter. Nach jeder Wegkehre schien der Schnee noch dichter zu fallen, unablässig, weich und ohne jedes Geräusch. Hinten bewegte sich der Hörnerhannes immer seltener, bis er sich schließlich gar nicht mehr rührte und Egger schon mit dem Schlimmsten rechnete.“