Hagar Peeters, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

 

Als alle vogels

Mijn armen zijn de wanden
van je enkelvoud
waaraan bodem en plafond ontbreken
zodat je kunt ontsnappen
door de wijdste kier, de hemel,
onder de dikste plint, de aarde
maar laat ons eerst een nestje vlechten
van onze ledematen.

 

Mag ik naar je toe?

Mag ik naar je toe?
Samen zitten op de bank
waar jij me aait totdat ik slaap
en verder niets?

Alle winst wordt weer verlies.
Ieder woord doet afbreuk aan
het strelen van je hand,
je kussen op mijn haar.

Troost mij niet.
Je lieflijkheid draagt kilte aan.
Ons opgaan in elkaar
komt van één kant.

 

Debuut II

Licht spiraalde op de muur
van zijn studentenkamer,
gaf flakkerend de schaduw aan
van twee figuren, lichtgebogen.

Heel traag sloeg zij haar kleren af
en ook haar schaamte dwarrelde neer
temidden van ontkurkte flessen,
de asbak en leergangen fysica

kwam hij haar nader dan de dag erna
waar op de tafel in het schelle morgenlicht
de glazen schaamrood kleurden van de wijn

die op de bodem hard geworden
met de afdruk op het matras
getuigde dat niets meer hetzelfde was.

Daarvan waren alle ramen,
de studenten op college
die er samenzweerderig over zwegen,
de stoeptegels die haar zagen lopen
al op de hoogte.

 

Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

de dochters zijn ramen

de dochters zijn ramen
…………………………..in de huizen van de moeders, daar

kijken ze door naar buiten; de
…………………………..zonen zijn snaren, gestemd als

de vaders. – nu zien ze er allemaal
…………………………een beetje gespannen uit.

op zichzelf zijn de viooltjes
…………………………lelijk, in de balkonbakken

buiten (zelfs nog als allegorie); “dit
………………………zou iemand opnieuw moeten omscheppen.”

de bloemkelken citeren engelen
……………………….en bijen. – op zaterdag wanneer

de kevers poetsen, ruikt het
………………………door het hele huis naar chitine

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

 Zie voor nog meer schrijves van de 12e mei ook mijn blog van 12 mei 2020 en eveneens mijn blog van 12 mei 2019.

In Memoriam Jeroen Brouwers

In Memoriam Jeroen Brouwers

De Nederlandse schrijver, journalist en essayist Jeroen Brouwers is op 82-jarige leeftijd overleden. Dat maakte zijn uitgeverij Atlas Contact bekend. Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Cliënt E. Busken

En u bent? Woelend door met een knijper bijeengehouden papieren op een plankje in de boog van haar arm: Meneer Busken, ja? U bent meneer E. Busken? Eerst dacht ik dat zij een knappe jonge man was vanwege het stemgeluid en het haar, kort tegen haar schedel. Ook omdat het witte cipierspak geslachtsonduidelijk is: de man die niet Moniek heet, draagt hier hetzelfde als de vrouw die wel zo heet. Toen ik mijn ogen nog eens opende en haar echt zag, wendde ik ze meteen van haar weg naar het raam dat niet open kan, zo’n schok ging door me heen als soms bij het ondergaan van Bach of andere kunst, zo weemakend verheven verstikkend mooi vond ik haar dat het me op de ogen sloeg en ik mezelf even voelde verdwijnen. Moniek dus. Personeel, thans aangeduid met verpleegkundige dan wel verzorgende, stelt zich voor en laat zich aanspreken bij de voornaam. Verpleegster of zuster zeggen is ouderwets. Ik heet Ellie, corrigeert voorheen zoiemand. Of noemt u mij maar Suzan hoor. Of Pienie. De mannelijke soort mag niet meer worden aangesproken met broeder, zoals in de Middeleeuwen, die nu immers voorbij zijn, maar gezellig met Wim, Karel, Antoon, Sjoerd, allen aangesteld als zorgdragendekundigetoezichthoudende. Genderneutraal eindigt van iedere functionerende in de zorgsector de aanduiding van beroep of functie op -ende. Het leidinggevende opperhoofd van deze vrijheidberovende firma, geneesheerdirecteur staat op de deur van zijn kantoor, zegt u maar gerust Richard, uit te spreken als Risjaar, draagt niet zo’n geslachtsloos gestichtsuniform, maar gewonemensenkleren, evenals alle stafleden, aan hem is dus vanbuiten te zien dat hij masculien is. Van het gewone personeelsvolk valt soms alleen uit de voornaam af te leiden welk geslachtskenmerk in eenieders broek en elders aanwezig is. Neem de harpij van psychiatrie met haar soldatenkop, die heet Carola. Dat staat op een naar de bezoeker toegekeerd plastic plankje op haar bureau met de leptop. Al moet volgens sommige godkundigen ook Jezus Christus, een der afsplitsingen Gods, onmannelijk onvrouwelijk worden aangeduid met het, het messiassende, omtrent de geslachtsidentiteit van genoemde Carola kan geen twijfel rijzen, deze snaterende psychiaterende is voorzien van bolle, verschuivende borsten als kanonkogels voor het beleg van Den Briel. Moniek beschikt dan weer over nauw waarneembare, schuchtere, als nog niet opgebloesemde welvinkjes, die de zaak onzeker laten als ze niet Moniek zou heten. Moniek Morton, het staat te lezen op het naamplaatje aldaar op haar gewaad. U zegt niks alsof u niks gehoord hebt, meneer Busken? Meneer Busken? Nog niet helemaal wakker of bent u doofstom of zo? De bewoners van Huize Madeleine blijven formeel u en meneer of mevrouw. Dezen verblijven hier niet, zegt Richardrisjaar, als patiënten, maar zogenaamd als gasten, zoals in een hotel, of als loges, zoals bij vrienden, het woord patiënt wordt zorgvuldig vermeden.”

Jeroen Brouwers (30 april 1940 – 11 mei 2022)

 

Ida Gerhardt, Andre Rudolph

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook alle tags voor Ida Gerhardt op dit blog.

 

Lucretius

…noctes vigilare serenas, quaerentem dictis quibus et quo carmine demum…

Zonlicht en wolken en de roekelooze pracht
der aarde, uitgebroken, naar het licht
zich tillende en bevend toegericht, –
bloeiende leeft het vóór mij in de stille nacht.

Helderder nog en klaarder, met in het verschijnen
iets bovenaardsch, een glanzen als het eerste dagen
van wat geschapen is en in een dwingend vragen
mij toegewend. – O, eenmaal argeloos te zijn en

niets dan deel te wezen van dit bloeiend leven, –
zooals het dier, het kind, uiteindelijk ontheven
van wat ik zelf mij koos: dit zwoegen, deze pijnen.

Zal ooit het woord ik zóó formeeren dat gedreven,
gevormd tot eigen staat, een wereld in het schijnen
van jong ontsprongen licht mijn handen komt ontzweven?

 

Na den dag

Nog bergt de grond gegiste zon
warm onder ’t harsig naaldtapijt, –
een dierenspoor heeft naar de bron
en deze stilte mij geleid,
-het spat wat fijne zilverigheid –

De dag was ongemeten wijd,
ik ben doorgloeid van wat ik won, –
vandaag was het of nieuw begon
de aarde in oorspronkelijkheid.

En óók het vers, waarop ik zon, –
hoe werd het zóó van zelf bevrijd,
elk woord of het niet anders kon
volstrekt in zijn aanwezigheid.

Het ligt zoo glanzend uitgespreid
in ’t effen rijm, dat het omspon
en gaaf in zijn beslotenheid; –
de hartslag van een verre bron
rimpelt het even en verglijdt. –

Is dichten slechts aandachtigheid? –

 

Faun

Hij staat geleund tegen de stam
en keurt de saamgevoegde fluit,
besprongen door de rosse vlam
van het gewaaierd varenkruid.

Hij toeft, maar ademt elk gerucht,
de geur van loover dat vergaat,
het vallen van een rijpe vrucht,
die in de weeke aarde slaat.

Het lichaam, in zijn korte rust,
is wreed en teeder tegelijk;
de oogen waken, fel van lust,
over het ondoordringbaar rijk.

 

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)
Standbeeld in Zutphen (detail)

 

De Duitse dichter en schrijver Andre Rudolph werd geboren in Warschau op 11 mei 1975 en groeide op in Leipzig. Zie ook alle tags voor Andre Rudolph op dit blog.

 

zoals de rivier onder de sterren

zoals de rivier onder de sterren
………………………..hemel van de drempels

afstort; nu probeert hij met
……………………….schaamteloosheid te forceren wat

hij door taal en intuïtie niet
………………………….meer tot stand brengt: schoonheid. (sela!)

de gebarsten lippen
………………………..van maart; het vochtige bruin

van de nog gesloten knoppen. –
………………………het berekende licht van deze avond:

met een enkele zilveren munt
…………………wil de maan onze zielen vrijkopen

(god gooit ze boven in de
………………………..sleuf. we beginnen te dansen)

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andre Rudolph (Warschau, 11 mei 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn blog van 11 mei 2020 en eveneens mijn blog van 11 mei 2019 en ook mijn blog van 11 mei 2018.

J. C. Bloem, Jayne Cortez

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

 

DE REIZIGER

Ik ben een reizende, die gaat
Van ’t een naar ’t and’re land;
Zijn voeten loomen op de straat,
Die, regenkil of zonverbrand,
Een nieuwe weg naar ’t nieuwe spant.

Zijn mond raakt even rooden mond,
Zijn lippen proeven vreemden wijn, —
Dan voelt hij weer, hoe de oude wond
Hem nimmer toestaat stil te zijn,
En volgt zijn lange levenslijn.

En als de doovende avond daalt
Vindt hij zichzelf aan ’t havenmeer,
Waar van der masten toppen weer
Lichtspiegeling in ’t water praalt
En, peinzend, zit hij even neer

 

FRANCIS JAMMES

Dat is de weemoed van al stille steden:
Een grachtje sterft in ’t late schemerlicht
Waar ruiten gouden gaan de luiken dicht,
Boomen alleen hun schaduw-tooien breeden.

De klare dag heeft elk gevoel gemeden
Maar met vlijm-zilvren Meiemanezicht
Begint ’t verlangen d’ oude reis en richt
’t Hart, dat in zalig droomenland wil treden.

In zoo’n klein stadje aan den voet van bergen
Woont ook mijn dichter, dien ik meer bemin
Dan deze arme woorden kunnen zeggen.

Omdat ik voel, hoe zijn gedichten bergen
Mijn wezen, en dat, wat ik zwijgend zin,
Hij open in zijn teeder lied kan leggen.

 

KORTSTE NACHT

Nu àl dagen lengen hunnen luister
Wevende in een immer lichter kring,
En de nacht maar is een droom van duister
Tusschen schemering en schemering,

Op de toppen van den hoogsten zomer,
Aan het keerpunt van mijn levenstijd,
Wil ik staren, een verloren droomer,
In de nacht, die langs mij henen glijdt.

Van de verten woeien vage vlagen
Stemgejoel en dronkene muziek;
Murmlen van geliefden klonk als klagen
In de veiligheid van schaduws wiek;

Waar der seinen losse lichten hangen
Dreunden treinen door den zomernacht.
Alles was één trekken en verlangen
Vol van de onrust, die in ’t donker wacht.

En ik bad tot U, mijn lieve leven,
Dat de tochten van mijn bloed regeert:
Wil mij nooit de dompe vreugde geven
Van den wijze, die niet meer begeert.

Laat die vlam altijd mijn hart verteeren
Door wier brand ik droefste dagen duld;
Laat mij hijgen in een fel begeeren,
Zóó verlangend en zóó onvervuld.

Moge nooit mijn bonzend hart vermanen,
Voor de dood mijn lichtzieke oogen sluit,
Wat ik meer vrees dan de laatste tranen,
Wat mij erger dan niet zijn beduidt.

Nog kan ik uit drang en droom verkiezen –
Om mij hing de nacht zijn klaarste schijn —
Maar verkiezen is het droefst verliezen —
Morgen reeds zal ’t nachten langer zijn.

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

 

Poëzie

In feite
zal
poëzie
de
bliksem
laten inslaan
in geen
enkele
groep kippen

Vandaag zijn gedichten als vlaggen
die wapperen op het dak van de slijterij
gedichten zijn als bavianen
wachtend om te worden gevoed door toeristen

& maakt het uit
hoeveel metaforen
je de hand reiken
wanneer de zon
daalt als

een opgezette vogel in
het tropisch woud
van je eenzaamheid

In feite
zal
poëzie
geen
jazz zingen
door de
vernauwde mond
van een miereneter
maakt niet uit hoeveel
symbolen er overleven
om de maan te zien
sterven in het zaagsel
van je teennagel

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jayne Cortez (10 mei 1936 – 28 december 2012)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2020 en eveneens mijn blog van 10 mei 2019 en ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Kim de l’Horizon

De Zwitserse, genderfluïde niet-binaire dichter en schrijver Kim de l’Horizon werd geboren op 9 mei 1992 in Ostermundigen, Haar debuutroman “Blutbuch” werd in 2022 bekroond met zowel de Deutscher Buchpreis als ook de Schweizer Buchpreis. Kim de l’Horizon ging naar de middelbare school in Winterthur en studeerde vanaf 2012 Duits, film- en theaterwetenschappen aan de universiteiten van Zürich en Bern. Daarna volgde een studie literair schrijven aan het Literatuurinstituut in Biel met een bachelorsdiploma in 2020. Zij schreef zich vervolgens in voor de masteropleiding Transdisciplinarity aan de Hochschule der Künste in Zürich. De l’Horizon is lid van de redactie van het literaire tijdschrift delirium. In 2017 werd voor het theatercollectief “e0b0ff” de bewerking “Wie eine Barke das Meer aus Testosteron durchpflügen” gemaakt, gebaseerd op het verhaal “Putas Asesinas” (Moorddadige hoeren) van Roberto Bolaño; Kim de l’Horizon trad daarin zelf op en was ook verantwoordelijk voor de kostuums. In het seizoen 2021/2022 nam de l’Horizon de rol van huisauteur op zich in het financieringsprogramma “Stück Labor” van de theaters van Bern. Zij is sinds 2023 columniste voor Tages-Anzeiger/Der Bund. De l’Horizon won verschillende prijzen. Ook ontving zij van de Ernst Göhner Stichting een beurs voor kunstenaars in opleiding. In een fictieve biografie vermeldt Kim de l’Horizon het geboortejaar 2666, wat werd geïnterpreteerd als een toespeling op Bolaño’s roman 2666. In 2022 ontving De l’Horizon de Literatuurprijs van de Jürgen Ponto Foundation en de Deutscher Buchpreis voor zijn debuutroman “Blutbuch”.

Uit: Blutbuch

„Beispielsweise habe ich „es“ dir nie offiziell gesagt. Ich kam einfach mal geschminkt zum Kaffee, mit einer Schachtel Lindt & Sprüngli (der mittelgrossen, nicht der kleinen wie üblich), oder dann später in einem Rock zum Weihnachtsessen. Ich wusste, oder nahm an, dass Mutter es dir gesagt hatte. „Es. Sie hatte „es“ dir sagen müssen, weil ich „es“ dir nicht sagen konnte. Das gehörte zu den Dingen, die mensch sich nicht sagen konnte. Ich hatte „es“ Vater gesagt, Vater hatte „es“ Mutter gesagt, Mutter muss »es« dir gesagt haben.
Andere Dinge, über die wir nie sprachen: Mutters riesiges Muttermal auf dem linken Handrücken, die Schwere, die Vater — wenn er von der Arbeit heimkam — ins Haus schleppte; wie einen immensen, nassen, vermodernden toten Hirsch ins Haus schleppte; dein lautes Schmatzen, deinen Rassismus, deine Trauer, als Grossvater starb; deinen schlechten Geschmack, wenn es um Geschenke geht; die Liebhaberin, die Mutter hatte, als ich etwa sieben war, den silbrigen Ohrenring, den Mutter von ihrer Liebhaberin zum Abschied bekommen hatte, der wie eine lange Träne von Mutters Ohrläppchen bis fast an ihr Schlüsselbein reichte, als sie ihn noch anzog, um Vater zu provozieren; die unzähligen Stunden, die ich damit verbrachte — wenn ich mich unbeobachtet fühlte —, den Ohrenring von einer Hand in die andere gleiten zu lassen, den Ohrenring so in die Sonne zu halten, dass er flammende Muster an die Wände warf, meine unendliche Lust, diesen Ohrenring anzuziehen, meine unsägliche innere Stimme, die mir das verbot, meinen unendlichen Wunsch, einen Körper zu haben, Mutters unbändigen Wunsch, durch die Welt zu reisen. Wir sprachen nie über Politik oder Literatur oder die Klassengesellschaft oder Foucault oder darüber, dass Mutter die Matur auf dem zweiten Bildungsweg abbrach, als ich auf die Welt kam. Wir sprachen nie darüber, dass du einen Bart gekriegt hast, als du mit Mutter schwanger warst, dass das »Hirsutismus« heisst, wir sprachen nie darüber wie du das behandelt hast, ob du dich rasiert, gewachst oder die dunklen Haare mit der Pinzette ausgerissen hast, ob du Antiandrogene nimmst, um das Testosteron — das dein Körper »im Übermass produziert« — zu unterbinden, und wir sprachen nie darüber, wie du angeschaut wurdest, wie sehr du dich geschämt haben musst, wir sprachen sowieso nie über Scham, nie über den Tod, nie über deinen Tod, nie über deine wachsende Vergesslichkeit, wir sprachen sehr oft über die Familienalben und über jedes einzelne der Bilder darin, allerdings sprachen wir nie darüber, wie lächerlich Grossvater auf diesen Fotos aussieht, die er mit seiner Burschenschaft aufgenommen hat, wie komisch sie ihre Brust plustern und breitbeinig in die Kamera grinsen; wir haben nie über das Mädchen gesprochen, das bis zu einem gewissen Alter durch die Fotoalben geistert, meistens an deiner Hand, manchmal an einer der Hände deiner fünf Brüder, nein, wir haben nie darüber gesprochen, wohin diese jüngste Schwester namens Irma verschwunden ist.“

 

Kim de l’Horizon {Ostermundigen, 9 mei 1992)

Jorie Graham, Pieter Boskma, Charles Simic

De Amerikaanse dichteres Jorie Graham werd geboren op 9 mei 1950 in New York geboren. Zie ook alle tags voor Jorie Graham op dit blog.

 

The Guardian Angel of the Private Life

All this was written on the next day’s list.
On which the busyness unfurled its cursive roots,
pale but effective,
and the long stern of the necessary, the sum of events,
built-up its tiniest cathedral …
(Or is it the sum of what takes place?)
If I lean down, to whisper, to them,
down into their gravitational field, there where they head busily on
into the woods, laying the gifts out one by one, onto the path,

hoping to be on the air,
hoping to please the children—
(and some gifts overwrapped and some not wrapped at all)—if
I stir the wintered ground-leaves
up from the paths, nimbly, into a sheet of sun,
into an escape-route-width of sun, mildly gelatinous where wet, though
………………………………………………………………………………………………mostly crisp,

fluffing them up a bit, and up, as if to choke the singularity of sun
with this jubilation of manyness, all through and round these passers-by—
just leaves, nothing that can vaporize into a thought,
no, a burning-bush’s worth of spidery, up-ratcheting, tender-cling leaves,
oh if—the list gripped hard by the left hand of one,
the busyness buried so deep into the puffed-up greenish mind of one,
the hurried mind hovering over its rankings,
the heart—there at the core of the drafting leaves—wet and warm at the
…………………………………………………………………………………..zero of

the bright mock-stairwaying-up of the posthumous leaves—the heart,
formulating its alleyways of discovery,
fussing about the integrity of the whole,
the heart trying to make time and place seem small,
sliding its slim tears into the deep wallet of each new event
………………………………………………………………on the list
then checking it off—oh the satisfaction—each check a small kiss,
an echo of the previous one, off off it goes the dry high-ceilinged
……………………………………………………………………………….obligation,
checked-off by the fingertips, by the small gust called done that swipes

the unfinishable’s gold hem aside, revealing
what might have been, peeling away what should …
There are flowerpots at their feet.
There is fortune-telling in the air they breathe.
It filters in with its flashlight-beam, its holy-water-tinted air,
down into the open eyes, the lampblack open mouth.
Oh listen to these words I’m spitting out for you.
My distance from you makes them louder.

Are we all waiting for the phone to ring?
Who should it be? What fountain is expected to
thrash forth mysteries of morning joy? What quail-like giant tail of
promises, pleiades, psalters, plane-trees,
what parapets petalling-forth the invisible
into the world of things,
turning the list into its spatial form at last,
into its archival many-headed, many-legged colony….
Oh look at you.
What is it you hold back? What piece of time is it the list
won’t cover? You down there, in the theater of
operations—you, throat of the world—so diacritical—
(are we all waiting for the phone to ring?)—
(what will you say? are you home? are you expected soon?)—

oh wanderer back from break, all your attention focused
—as if the thinking were an oar, this ship the last of some
original fleet, the captains gone but some of us
who saw the plan drawn out
still here—who saw the thinking clot-up in the bodies of the greater men,
who saw them sit in silence while the voices in the other room
lit up with passion, itchings, dreams of landings,
while the solitary ones,
heads in their hands, so still,
the idea barely forming
at the base of that stillness,
the idea like a homesickness starting just to fold and pleat and knot
……………………………………………………………………………………itself
out of the manyness—the plan—before it’s thought,
before it’s a done deal or the name-you’re-known-by—
the men of x, the outcomes of y—before—

the mind still gripped hard by the hands
that would hold the skull even stiller if they could,
that nothing distract, that nothing but the possible be let
…………………………………………….to filter through—
the possible and then the finely filamented hope, the filigree,
without the distractions of wonder—
oh tiny golden spore just filtering in to touch the good idea,
which taking-form begins to twist,
coursing for bottom-footing, palpating for edge-hold, limit,
now finally about to
rise, about to go into the other room—and yet
not having done so yet, not yet—the
intake—before the credo, before the plan—
right at the homesickness—before this list you hold
in your exhausted hand. Oh put it down.

 

Jorie Graham (New York, 9 mei 1950)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Pieter Boskma werd geboren in Leeuwarden op 9 mei 1956. Zie ook alle tags voor Pieter Boskma op dit blog.

 

Een dag als deze, druilerig en grijs

Een dag als deze, druilerig en grijs,
aan ditzelfde raam, over een jaar of vijf,
nog altijd aan het werk, of dat al opgegeven
en alleen maar langzaam aan het overleven,

misschien nog steeds alleen, of draaglijk
met een ander, starend naar het zwenken
van de meeuwen laag boven de tuin,
moet ik vast plots aan je denken,

net als op dit moment,
en hoor ik weer je stem,
maar hoe zacht, hoe zacht,

nog maar amper te verstaan,
pas als ik je woorden opschrijf
lees ik met een glimlach

niets dan mijn eigen naam.

 

Bliksemtocht

Ik landde op een lelie en ging de bloemkelk binnen
langs een wenteltrap van ranke geuren.
Hooglicht van honing vloeide beschroomd.
En de wind die suizelde tussen de punten
die vogels markeerden met hun ijl gezang
dat blonk als parels op een vroege Rembrandt,
als geluiden konden blinken, en dat deden ze,
hier wel! Zo hing in een boom een fluister van
golvend goudbrokaat, en in het gras trilde
de klacht van een verdwaalde steppewolf.
Zo toonde wat klonk zich, hier wel!
Ik zat in de bloemkelk en gonsde
van aandacht voor wat zich ontvouwde
onder mijn handen: een loom silhouet
van een meisje natuurlijk dat lachte
als water des zomers langs rotsige
oevers begroeid met exotische kruiden,
en het wolkte omhoog als een zwerm
voor het eerst aan de korf ontkomen
bijen, en ook ik maakte deel uit
van vleugels in voorjaar, klom boven
de mogelijkheid van geluk uit en zag
een fontein die zich proestend verhief
op een duin dat zo even nog somber
verdroogde, en zag hoe de lelie haar
maskers afzette en de gerimpelde tronie
zich toonde van wat was en is en zal.

 

Pieter Boskma (Leeuwarden, 9 mei 1956)

 

De Amerikaanse dichter Charles Simic werd geboren in Belgrado op 9 mei 1938. Zie ook alle tags voor Charles Simic op dit blog.

 

Eenmanscircus

Goochelaar met hoeden en echte handgranaten,
Buitelaar, slangenmens, imitator,
Levend standbeeld, koorddanser, ontsnappingskunstenaar,
Amateur buikspreker en helderziende

En dat allemaal zonder te worden ontmaskerd
Ondertussen ontspannen over straat kuierend,
Koop ik op een of andere hoek een krant,
Buig me voorover om een blindegeleidehond te aaien

Of zit tegenover je vrouw aan tafel te eten
Terwijl zij doorzeurt over het weer
En jij je concentreert op een trapeze in je hoofd,
De tijgers woest in hun kooi heen en weer lopen.

 

Vertaald door Wiljan van den Akker

 

Charles Simic (Belgrado, 9 mei 1938)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e mei ook mijn blog van 9 mei 2020 en eveneens mijn blog van 9 mei 2019 en ook mijn blog van 9 mei 2018 en ook mijn blog van 9 mei 2015 deel 2.

Libris Literatuur Prijs 2022 voor Mariken Heitman

Libris Literatuur Prijs 2022 voor Mariken Heitman

De Nederlandse schrijfster Mariken Heitman heeft de Libris Literatuur Prijs 2022 gewonnen en het bijbehorende prijzengeld van 50.000 euro. Heitman krijgt de prijs voor haar roman “Wormmaan”. De jury onder leiding van Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam koos uit zes genomineerden de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2022 voor de beste oorspronkelijk Nederlandstalige roman van het afgelopen jaar. Mariken Heitman werd geboren in Rheden in 1983.

Uit: Wormmaan

“Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit. Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. De aarde zal het toelaten, ze is kil maar gewillig vandaag. Haar kalende huid schemert door de begroeiing. Winterrogge, in een grasachtig stadium nog, bedekt amper. De aangekoppelde spitmachine zakt. Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder.
Nog maar een maand geleden lag er een harde korst over de aarde. Niets is sterker dan bevroren
grond, weten boeren en grafdelvers. De vorst was maar enkele centimeters doorgedrongen, toch was het genoeg om al dat trekkergewicht te dragen. De aarde liet zich niet verslempen door gedraai van banden. De mestverspreider hoestte brokken, ertussen draaide de aftakas gierend rond en de beschermkap ratelde als een hondsdol beest. Nooit kon ik de gedachte onderdrukken aan boeren die er met hun mouwen tussen kwamen. Altijd de aftakas uitzetten als je moet sleutelen, beet ik de jongens toe die het trekkerwerk deden. Liever reed ik zelf, maar dat hoorde al lang niet meer tot mijn takenpakket. Dus smukte ik mijn verhalen op met geschreeuw, bloed en amputaties. Ze keken me lodderig aan met hun vers geschoren wangen en afgemaaide krullen, net de puberteit ontgroeid. Want het hoorde erbij, man werd je met gevaar. Zonder oorlog, zonder meisje om te veroveren, moest het zo. Wanneer ze, te los in hun ledematen, kroketten en wit brood bestelden in de kantine, snoof ik in het voorbijgaan hun lichaamsgeur op, die nu al verenigd was met die van aarde, mest en diesel. Klonten vielen van hun werkschoenen en bleven achter op het linoleum, niemand die er wat van zei.
Alsof er een aardekleurige marker door het groen trekt. Er gaat opwinding uit van leeg land. Ik pak een hand aarde en knijp erin. Nog aan de vochtige kant. De jongen in de cabine kijkt achterom. Ingespannen tuurt hij van de spitmachine naar mij. We knikken.
Dan klinkt een harde klap. De schoepen komen tot stilstand, de spitmachine rijst schokkerig op uit de
aarde en de jongen springt uit de cabine. Ik loop ook het veld in. We bukken en zien een steen, ter grootte van een forse pompoen.”

 

Mariken Heitman (Rheden, 1983)

Moeder (Ester Naomi Perquin), Gary Snyder

 

Bij Moederdag

 

Moeder en kind door August Macke, ca. 1911

 

Moeder

Zoals ze in je praat en dingen vindt, dwars door je eigen woorden
klinkt, vaak ongevraagd, doe je haar nou wat opzij, je hebt toch
ogen, waarom moet dat nou zo open, die mouwen staan
je raar en doe een das om als het waait.

Zoals ze in je borstkas zucht wanneer je iets onnodigs dreigt te kopen,
zegt dat suiker, vet, voor je bloed, je hart, je lever slecht, door
drank en sigaretten is gekwetst, als je slordig oversteekt
of fietst door rood – je mag van haar niet dood,
niet eens geschud, geschaafd.

Als een achtervolgingsscène die een leven lang vertraagd
wordt afgespeeld. Ze loopt je na. Dit voortbewegen,
één en twee, in hetzelfde beeld.

Zo vaak val je tegen, zo vaak val je mee. Steeds ongevraagd
gered. Bij hond, stoep, hek en noodlot weggegrist.
Je kijkt naar haar. Je weet niet wie ze is.

 

Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980)
Utrecht, Oude Gracht

 

De Amerikaanse dichter Gary Snyder werd geboren op 8 mei 1930 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Gary Snyder op dit blog.

 

Vogeltrek

april 1956

Het begon zonet met een kolibrie
Die binnen handbereik boven de veranda hing, toen weg was,
Het maakte een eind aan mijn gepeins.
Ik zag de roodhouten paal
Die in een aardkluit staat
Omstrengeld door een struik vol gele bloemen
Hoger dan mijn hoofd, waar we ons doorheen werken
Telkens als we binnenkomen –
Het schaduwnetwerk van het zonlicht
Door zijn twijgen. Witkuifmussen
Gaan zingend tekeer in de bomen

De haan in het dal kraait almaar door.
Buiten, achter mijn rug, leest
Jack Kerouac de Diamant Sutra in de zon.
Gister las ik in De Vogeltrek:
De goudpluvier en de arctische stern.
Vandaag voltrekt zich die grote verstrooiing voor onze deur
Want alle vinken en treklijsters zijn ervandoor,
Broedse scharrelaars pikken stukjes touw mee
En op deze wazige dag
Van zomerhitte in april
Jagen de zeevogels de Lente na
Over de heuvel noordwaarts langs de kust:
Over zes weken
Nestelen in Alaska.

 

Vertaald door H.C. ten Berge

 

Gary Snyder (San Francisco, 8 mei 1930)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e mei ook mijn blog van 8 mei 2020 en eveneens mijn blog van 8 mei 2019 en ook mijn blog van 8 mei 2018 en ook mijn blog van 8 mei 2016 deel 3.

Willem Elsschot, Volker Braun

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

“Toch had de waarschuwing, welke in de tijdelijke afwezigheid van de deken harer kostgangers opgesloten lag, een zekere wrok bij madame Brulot achtergelaten, en daar zij nu begreep dat men met de oude nergens goedkoper terecht kon dan in de Villa des Roses, liet zij nooit na, wanneer het haar bij het armbestuur niet voor de wind ging, madame Gendron schamper te vragen ‘of zij soms niet weer van plan was weg te lopen’. Bij de eerste oogopslag zag madame Gendron eruit als een nette, bejaarde dame, doch bij nadere beschouwing werd zij wel degelijk een heel, heel oude vrouw. Zij was lang van gestalte en hield zich vervaarlijk recht, want zij was nu eenmaal te stijf om nog krom te kunnen groeien. Veel vlees zat er niet meer aan, en haar handen beefden zó, dat zij met een stuk brood wel eens bij een van haar oren terechtkwam, als zij het in haar mond wilde steken. Zij kon nog zonder iemands hulp de trap afkomen, wanneer gebeld werd voor het eten, als zij maar eenmaal de leuning goed beethad. Toch stak de heer Brulot haar wel eens een hand toe, en leidde hij haar zelfs aan de arm de feestzaal binnen tot op haar plaats aan de gemeenschappelijke tafel. ‘Men moet galant zijn voor dames’ beweerde hij dan. Maar vooral wanneer zij sprak kreeg men een indruk van ontzaglijke ouderdom. Schor was haar stem niet; zij scheen veeleer de intonatie te hebben weergevonden, waarmede zij als kind haar lessen van vaderlandse geschiedenis moet opgezegd hebben. Zij sprak op één toon, geraakte soms van de wijs en gebruikte zinswendingen uit het verleden. Zij liep met behoedzame stap, als vertrouwde zij de grond niet goed, en zeker zou zij de kostgangers door haar plotselinge verschijning dikwijls hebben gestoord of doen schrikken, indien zij niet voortdurend een zacht kuchen had uitgestoten, waardoor zij haar nadering aankondigde, zoals weleer pestlijders deden die bellen moesten wanneer zij de straat opliepen. In de prijs van achttien franc was begrepen dat madame Gendron elke dag gewassen, gekamd en grondig schoongemaakt moest worden. Met dit werk waren de dienstmeisjes belast, die er een pretje van maakten en het wassen tot tweemaal in de week hadden teruggebracht. Er huisde op de kamer van madame Gendron een leger wandluizen, die zich, wonderlijk genoeg, niet verder door de Villa verspreidden. Iedere zaterdag werd op het ongedierte jacht gemaakt, maar het was een hopeloze strijd, die men tóch niet dorst op te geven, omdat de lokalisering van het kwaad aan de wekelijkse slachting werd toegeschreven.”

 

Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)

 

De Duitse dichter en schrijver Volker Braun werd geboren op 7 mei 1939 in Dresden. Zie ook alle tags voor Volker Braun op dit blog.

 

Gesprek in de tuin van de baas

Niet dat het ons aan woorden ontbreekt –
Ze komen onze strot uit

Nou nou, zei hij
En stond al met één been op de trap

Maar ze klinken opgeblazen
Brijig, redactionele knoedels.
Je vormt je nog een idee
Van waar het om ging
En verzuipt al lang in de schulden
Aan de onderhandelingstafel, als het plan wordt bij gesteld.

Klassenstrijd – o vloekwoord
Geen boter bij de vis.

Kom ter zake, vriend

Jazeker, maar natuurlijk, graag
Nemen wij nog

Met beide handen het initiatief
En slepen er het levenspeil
Met de haren bij. Maar waarom
Rafelt het bewustzijn uit
In Neulobeda? Infectieverlangen
Op het erekleed, roestige souvenirs
Van de toekomst.
Het socialisme, nog slechts een metafoor
Maar waarvan?

 

Vertaald door Ab Bertholet

 

Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn blog van 7 mei 2020 en eveneens mijn blog van 7 mei 2019 en ook mijn blog van 7 mei 2018 en ook mijn blog van 7 mei 2017 deel 2.

Hélène Gelèns, Erich Fried

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Zie ook alle tags voor Hélène Gelèns op dit blog.

 

Pechblende

bohemen begin 16e eeuw, een stil diep uitgesleten dal in het ertsgebergte de beer leeft er, de wolf, een enkele woudboer, we hebben er niets te zoeken zeker niet in een herfststorm

razend was de wind, het knarste het zwiepte het boog
machteloos het woud, het kermde het kiepte het brak
bladstil is het nu, het glinstert – wat glinstert? de zon breekt door

overal druisen de stroompjes holderdebolder de berg af
her en der ligt een gevloerde boom, daar glinstert het
tussen de boomwortels: zilver! het ligt er voor het oprapen
geen woudbewoner die haast maakt, het zilver wacht wel
stroompjes zullen opdrogen modder zal inklinken, geen haast

bohemen tweede kwartaal 16e eeuw, een diep uitgesleten dal in het ertsgebergte hebben we er niets te zoeken?

elders begint het rond te zingen: zilver! zilver!
zilver in een afgelegen dal in het ertsgebergte
we hebben er iets te zoeken! het begint rond te schreeuwen
we halen de berg leeg! mijnbouw! we worden rijk!
bouw huizen! we stichten een dorp, een vrij dorp!
we noemen het sankt joachimsthal
een rijk dorp, alle dagen glinstert het zilver
maar hoe maakt het zilver ons rijk?
munten! we munten het zilver als joachimsthaler
we noemen hem taler, daler, daalder, dollar
we zetten sankt joachimsthal op de kaart

niet alle dagen glinstert het zilver, soms hebben we pech
stuiten we op zwartgrijs gesteente met vaalbruine strepen
waardeloos spul, iemand noemt het pechblende haha

berlijn laatste kwartaal 18e eeuw

muizenkeutels geraspte mummie gedroogde biet
al eeuwen genezen ze ons maar wij staan niet stil
chemische verbindingen, daar knapt men van op!
en je vindt ze overal, in water in steen in de lucht
apotheker klaproth pakt er zelfs pechblende bij
en jawel hij vindt iets: een raar soort halfmetaal
noemt het uranium naar de pas ontdekte planeet uranus
een wondermiddel? wie weet, maar zeker een kleurstof
groen en geel, dat heeft potentie!

 

Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.

 

De grote leugens

De grote leugens
hebben helemaal geen
korte benen

hun benen
lijken kort
omdat hun armen
zo lang zijn

de armen
van de grote leugens
reiken zo ver
dat ze de waarheid
benen kunnen geven
of gebeenten.

 

Vertaald door Germain Droogenbroodt

 

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook mijn blog van 6 mei 2020 en eveneens mijn blog van 6 mei 2019 en ook mijn blog van 6 mei 2018 deel 3 en eveneens deel 4.