Ik wil geen cultureel ondernemer zijn en roep vanaf de koude steen dat ik liefde wil. Ik ben zzp’er. Ik wil liefde en een vrije kunst. Er zit geld in gedichten en ik wil geld om halve liters te kopen, want ik ben saai en verslaafd aan bier. Dat is een saaie verslaving. In een tunnel stel ik me voor dat alle wegen ondergronds zijn. Geen masochisme in romans meer of tv-series over zwijgzame, beschadigde mannen. Ik praat tegen je. Vanaf de koude steen praat ik tegen je. Ergens wordt een wil gebroken. Çağlar Köseoğlu op de koude steen. Ik hou van Çağlar en ik hou van Léjon Saarloos. Léjon Saarloos op de koude steen. Hannah van Binsbergen en Matthijs Ponte op de koude steen. Op de koude steen zitten is strafwerk. Je kunt een doodsmak maken op de koude steen. Ik zou een illegale poëziebijeenkomst willen organiseren, maar omdat het opstandige en geheime gefetisjeerd worden door cultuurproducenten, heb ik er geen zin in. Ik ben niet gekomen om een warme steen te brengen. Het licht wordt smeriger, het handschrift obsessiever. Arno Van Vlierberghe en Mathijs Tratsaert op de koude steen. Bert van der Beek op de koude steen. Op de koude steen zitten is liefdewerk. Op de koude steen zitten is een dom kunstwerk. Ik geloof in herhaling en ruik de stille adem van de catastrofe. Max Czollek danste op techno, maakte techno en dacht iets te zien. Een andere samenleving (nu bouwt hij drukkamers). Mina Pam Dick op de koude steen. Vanaf de koude steen praat ik tegen jullie. Alle poëzie is burgerlijk, alle gemeenplaatsen zijn van ons. Kom naar me toe! Mijn huisdieren zullen sterven en ik zal bij ze liggen in de grond. Alle cultuur zal verdwijnen en ik leef in Utrecht, zoek naar werk en eet dingen op.
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)
De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Katha Pollit op dit blog.
Vijf november, Riverside Drive
De lucht een schok, de ginkgo’s gele koorts, Ik breng de dag door met wandelen. November, en nog steeds verblindt licht de grote erkers op West End Avenue, het park bruist van licht als een kom en op de rivier trilt een zeilboot als een wit blad in de wind.
Wat een achttiende-eeuws schilderij, dit keurig verstrijken van het jaar: de zon verwarmt nog steeds de versleten marmeren portieken en met krullen verfraaide paviljoens waar een oude man, zwart gejaste verschijning van Voltaire, klapwiekt op zijn aangeboren. ‘Heldere lucht, heldere geest’ -alsof hij de duisternis kon overtreffen door als een zwerm kraaien naar huis te zwieren.
“In white, at dusk, on the final day of all that he had known to be his life, Eddie Blackwell left Eugenia sleeping in a ball of naked flesh and made two strides across the planking to the open door. He was broad-shouldered and compact with wavy, center-parted hair, and there was something in the way he slightly hunched and kept his pelvis taut that marked him as the kind of man who’d taken drinks in places where the patrons settled arguments by dropping in a crouch. He was long-faced, with tight skin, and if you saw him in a quarter pose, even if your view was just a glance, you’d note the angle of his cheeks, the way they jutted then descended in a scoop along his jaw, how they tapered thinly from his eyes toward his ears as if they were designed to swim. Eddie Blackwell’s hut was built on stilts on marshy ground with pilings driven deeply in a natural bank of mud and sand along the sloping crescent where the River Janga made its final curve before it poured into the belly of a dark lagoon—a mangled mass of mangrove roots and hidden channels with a secret opening to the minty waters of the Caribbean Sea. In the shadow of the mangroves, Eddie, an American who’d lived in the West Indies for the most fulfilling years of his chaotic life, could see a buzz of trembling lights. An armada of canoes had come together overnight, and he could see now in the water right below him pink and yellow petals from the flowers that the people of New Lagos had released into the stream. On the other bank, a little string of boats constructed from banana leaves were tangled in the reeds. A light emerged out of the pulsing mass of brightness and began to shimmer up the stream toward him. And, living as he did before the camera was a common object, he built a book of memories in his mind. In deep focus, he looked east across the marsh toward the hills, which in the lifting darkness had begun to show their edges in the bluish-gray collage of earth and sky. Dark and undulating, they approached from either side, a gentle rise and fall that gathered force, congealing in the cratered cone of Mt. Diablo, the volcano that had caused implosions in his life. Eugenia wasn’t sleeping. This he knew. And as he thought again about the multistranded knotting of her complicated love, he panned now to the north. From his elevation he could see the marshland merging with repeated frames of cattle farms and cane.”
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)
De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.
Aan Baudelaire
Ik ben eindelijk over je heen, in Mexico-Stad, in een witte ruimte hoog boven de straat, mijn handen stil, de muren onbeweeglijk. Het is hier warm, veilig en zelfs in de winter is de regen goedaardig. Op sommige morgens zet ik de geluiden van het plein – een fruitverkoper, een jongensacrobaat, een vrouw die onmogelijke ficties verkoopt – op een hoop in een hoek van de kamer. Ik zeg niet dat ik gelukkig ben, maar ik ben gezond en mijn geld is van mij. Soms als ik op de markt loop, langs de kippen en de varkensrook, denk ik aan jou – je opschepperij en wolvenhart, je haar van Bonaparte en ogen van Poe. ik mis je niet. Ik mis je niet wanneer ik een raam open en licht de kamer vult als water dat in een papieren beker stroomt, of als ik de witte jurk van een vrouw zie glanzen als nieuwe munten en ik weet dat ik mijn voeten zou kunnen volgen naar de rivier en mijn leven weg laten gaan van mij. Op momenten als deze, als ik mezelf betrap terwijl ik tegen je praat, ben ik altijd verbaasd over de woorden die ik hoor van spijt en stomme jongensachtige toewijding.
De Britse dichter Michael Symmons Roberts werd geboren op 13 oktober 1963 in Preston, Lancashire. Symmons Roberts bracht zijn jeugd door in Lancashire voordat hij begin jaren ’70 met zijn gezin naar het zuiden verhuisde naar Newbury in Berkshire. Hij ging naar de middelbare school in Newbury en vervolgens naar Regent’s Park College, Oxford om filosofie en theologie te studeren. Na zijn afstuderen volgde hij een opleiding tot krantenjournalist voordat hij in 1989 als radiomaker bij de BBC in Cardiff in dienst trad. Hij verhuisde met de BBC naar Londen en vervolgens naar Manchester, waar hij aanvankelijk bij de radio en daarna als documentairemaker werkte. Zijn laatste baan bij het bedrijf was als Executive Producer en Head of Development voor BBC Religion and Ethics, voordat hij de BBC verliet om zich op schrijven te concentreren. Voor zijn vierde dichtbundel, “Corpus”, ontving hij Whitbread Poëzieprijs 2004. Zijn zesde bundel, “Drysalter”, won in 2013 de Forward Prize en de Costa Poetry Award, en stond op de shortlist voor de TS Eliot Prize. Daarnaast kreeg hij nog diverse andere prijzen en onderscheidingen. Zijn voortdurende samenwerking met componist James MacMillan heeft geleid tot twee BBC Proms-kooropdrachten, liedcycli, muziektheaterwerken en een nieuwe opera voor de Welsh National Opera, The Sacrifice, die in 2008 de Royal Philharmonic Society Award won. Zijn eerste roman, “Patrick’s Alphabet”, werd in 2006 gepubliceerd door Jonathan Cape en zijn tweede, Breath, in 2008. Hij is hoogleraar poëzie aan de Manchester Metropolitan University en een trustee van de Arvon Foundation.
Mapping the Genome
Geneticist as driver, down the gene codes in, let’s say, a topless coupe and you keep expecting bends,
real tyre-testers on tight mountain passes, but instead it’s dead straight, highway as runway,
helix unravelled as vista, as vanishing point. Keep your foot down. This is a finite desert.
You move too fast to read it, the order of the rocks, the cacti, roadside weeds, a blur to you.
Every hour or so, you pass a shack which passes for a motel here: tidy faded rooms with TVs on
for company, the owner pacing out his empty parking lot. And after each motel you hit a sandstorm
thick as fog, but agony. Somewhere out there are remnants of our evolution, genes for how
to fly south, sense a storm, hunt at night, how to harden your flesh into hide or scales.
These are the miles of dead code. Every desert has them. You are on a mission to discover
why the human heart still slows when divers break the surface, why mermaids still swim in our dreams.
Fox In A Man Suit
Masked, gloved, brush tucked flat against her back, faint with heat
this vixen is silent at soirees, attentive to talk of defence, the public purse.
Emissary from the wild woods, agent from the other side, she shakes her head
at wine, at canapés, she gags on human stench, their meat and sweat.
When taxis come, she slips through kitchens, drops to all fours (still in black tie),
sprints along the back streets like a feral duke until she meets the edgelands
where – rubbed on the shuck of a tree – her man-skin peels off
like a calyx and the sleek red flower unfurls. Tongue drinks in the cold,
nose down in leaf mould, deep rush and tow of attachment, of instinct. I, the only witness,
take this for a resurrection (body sloughed and after-life as fox-soul), so I watch
in awe and slow my breath until she catches sight and howls and howls.
Michael Symmons Roberts (Preston, 13 oktober 1963)
Dit is mijn enige volstrekte daad: dat ik geboren ben. Waarbij ik ongetwijfeld schreeuwde als vermoord; zoals het hoort. Nadien gaf men mij namen. Of ik alsnog dingen deed sindsdien door eigen toedoen, is mij niet duidelijk. Ik weet: ik leef: dit is van mij. Zodoende heb ik leren zwijgen. Ik kan zelfs zwijgen als ik spreek. Ik ben niet eens meer in mijn eigen woorden als ze je bereiken.
Het is geen gein: Ik ben niet hier. Er is van bij ’t begin dit grandioos misverstand. Zeg mij zijn zin. Ik wacht nog steeds op het appèl waarop ik mij aanwezig meld. En schrijf, in afwachting, wijl ik verblijf ondergetekende, met alle achting.
Ars Poetica
Zo lokt een zoemtoon ook de dar. En raakt de radar in de war, ik weet op verre lippen woorden besterven terwijl ik verstar.
1 Noem mijn muze koel. Zij denkt haar schone voorhoofd in één
rimpel. Hoe nadrukkelijk grift het denken in dat gladde vel!
Zij lijkt soms geheel afwezig. Geen steek te zien. Geen woord
te horen. O mijn muze, blinde, dove gedachte die zingen wil!
2 Warm en koud speelt ze, spelt een alweer wijkende zin, brandt
haar vingers aan betekenis, klinkt ze eraan vast – zo hecht als
wijze bijen aan hun koningin. Mede klink ik, in haar zwerm-
cel gevangen, en dan komt het loze lezertje dat honing wil.
De adolescente nacht, het zuchtje wind van de stad, Verandaschommels en gefluister, esdoornbladeren die onzichtbaar Maanlicht stiller verspreiden dan een dode man Na het lied van de sprinkhaan. Deze huizen waren van mij En zijn het nu voor altijd niet, deze op de trappen Kinderen, denk ik, zijn naar veel plaatsen verhuisd, Verloren tussen stille jaren, en zo vreemd bekend.
Deze zaak is goed beëindigd. Als in het donker De vuurvlieg oplichtte en daarin weer wegzonk, Hoewel iemands hand hem opving, het natte gras Bood geen rustplaats meer. Vanuit hoeken van het gazon Wapperen de schemer-witte jurken en zijn verleden tijd. Voordat we naar bed gingen, waren er dingen te zeggen, Herinneringen aan boomschors, krekels en de eerste ster…
Daarna, en toen de somberheid van de tijd Van de zomer af verstreek, Hier in een vreemd land, Schiep ik mijn perfecte angsten en bloem van gedachten: Omdat de slaap niet langer snel komt in de armen van smart, Zijn herhalingsbezoeken handig bij een hoest, En er is iets dat ik nog een keer zou zeggen- Als ik het niet voor altijd had gezegd, als er tijd was.
Vertaald door Frans Roumen
Robert Fitzgerald (12 oktober 1910 – 16 januari 1985)
„Schwarzweiß. Alles, was wichtig ist, ist schwarzweiß. Es ist auf unangenehm riechendes Zeitungspapier gedruckt und wird vor Sonnenaufgang in unseren Briefkasten gestopft, oder es flimmert hinter einer leicht gewölbten Scheibe in einem großen Holzkasten. Ein schwarzweißer Mann mit Brille, einer kräftigen Stimme und ernsthaftem Gesichtsausdruck sitzt dort in Anzug und Krawatte vor einer grauen Fläche mit fettem Schriftzug, der in eine Weltkarte übergeht. Er liest klare, manchmal auch umständliche Sätze von einem akkurat zurechtgestoßenen Stapel Papier ab, wobei er sich Mühe gibt, so selten wie möglich auf seine Blätter zu schauen. Dazwischen erscheinen kurze Filme, in denen der Bundeskanzler oder Menschen aus anderen Welt-gegenden gezeigt werden — zum Beispiel aus Amerika, Afrika oder Vietnam. Wer nach Amerika, Afrika oder Vietnam reisen will, muss ein Flugzeug nehmen, so weit sind diese Länder von uns entfernt, weshalb es meistens Präsidenten, Generäle oder Könige sind, die man dort sieht. Häufig liegen sie miteinander im Krieg, dann steigen Rauchwolken über Städten und Landschaften auf, Menschen mit vor Angst verzerrten Gesichtern rennen weg, die Kinder haben keine Kleider am Leib, stattdessen tragen sie verbrannte Lumpen oder sind von einer Schicht schwarzer Fliegen bedeckt und sogar zu schwach zum Weinen. Der schlimmste Krieg ist zur Zeit in Vietnam, davor war er in Biafra. Meine Mutter sagt jedes Mal, wenn darüber berichtet wird, dass sie gar nicht hinschauen kann, und oft bittet sie meinen Vater umzuschalten. Ihre Stimme klingt dann bedrückt, als müsste sie weinen. Das hängt damit zusammen, dass sie selbst, als bei uns Krieg war, ausgebombt wurde — in Essen — und auch gehungert hat. Wenn die Präsidenten, Könige und Generäle nicht miteinander im Krieg sind, besuchen sie sich gern gegenseitig. Sie weihen neue Wolkenkratzer ein oder moderne Fabriken, taufen Ozean-riesen oder zeigen sich gegenseitig ihre Paläste. Dabei führen sie lange Gespräche darüber, wem dieses oder jenes Gebiet gehört oder wie sie gemeinsam Feinde erschrecken können, um zu verhindern, dass ein neuer Krieg ausbricht.“
Was er een tijd dat ik hier boven stond, mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet, niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in een taal te denken die geen tanden heeft? Ik sta alleen. Mijn woorden zijn naar god.
Dus slof ik door de leeszaal van de straat en blader maar wat door de Burger King, gewoon, omdat ik leef, omdat ik hopeloos eenvoudig eet en straks vanzelf vertrek. – Als deze wanhoop ons Walhalla is,
als hier het echte leven staat te lezen, mij best, ik zag genoeg. In dit verhaal betaal je met jezelf, niet eens bedroefd, eerder verbaasd dat alles wat zo laag en lelijk is zo sterk en stevig staat.
Billboards
De domme avond, doordeweeks, doorweekt en dierlijk als een potloodventer. De grijze jongens in de avondbus. Iets verderop een moeder met een snor. En elke halte weer twee levensgrote, neonrode vrouwenlippen die vertellen wat er aan het leven schort.
Het einde van de regenboog! Ambrosia, verlicht en wel, wijst ons de weg. En wij, met onze rimpels, leugentjes, gebreken en oneffenheden, stuk voor stuk tot onze nek vol eigen bloed, gebeten op geluk en overvloed, wij rijden door de domme avond,
dromen muren om ons heen, dag in, dag uit, en komen thuis, speuren zenders af en gaan naar bed. Het mysterie van het laatste onrecht! Algehele roofzucht! Perfectie! Paringsdrift! Nu kan, nu zal, nu moet het komen. Ambrosia wees ons de weg.
Jeunesse dorée
Ik zag de grootste geesten van mijn generatie bloeden voor een opstand die niet kwam. Ik zag ze dromen tussen boekomslagen en ontwaken in de hel van tweeëntwintig steden, heilloos als het uitgehakte hart van Rotterdam.
Ik zag ze zweren bij een nieuwe dronkenschap en dansen op de bodem van de nacht. Ik zag ze huilen om de ossen in de trams en bidden tussen tweemaal honderd watt.
Ik zag ze lijden aan een ongevraagd talent en spreken met gejaagde stem: – was alles al gezegd, nog niet door hen.
Ze waren laat. Aan geen belofte werd voldaan. De steden blonken zwart als kaviaar.
gib der maus gin-cola gib der ratte rum auf nagetierchens wohl ja heut saufen wir uns krumm
gib dem hamster altbier meerschweinchen will korn auf nagetierchens wohl hier bringt jeder sich nach vorn
gib dem biber branntwein und eichhörnchen kriegt sekt auf nagetierchens wohl fein ist unser saufprojekt
draculabelle zu drakulakai
drakulakritz triebs mit draculatex drakulazarus verführte draculavendel draculametta winselte nach draculamento draculaotse vögelte draculatrine draculafontaine prügelte draculamm dracularifari leckte draculapidar draculama schrie nach draculala draculava ergoss sich in draculahm draculavoir vernaschte draculazarett und ich draculabelle tats mit draculabor
“Louis Tinner was weduwnaar en kinderloos. Z’n vrouw en z’n zoon waren verongelukt met de auto. Z’n vrouw was bezig z’n zoon te leren rijden. Hij was geen goede leerling. Hij miste een bocht en reed rechtdoor tegen de muur van een pastorij. De pastoor hoorde de klap, kwam naar buiten gelopen, struikelde, en stootte z’n hoofd hard tegen een plavuis. Hij overleefde, maar de vrouw en de jongen in de auto niet. Van de vrouw was de nek gebro-ken, van de jongen ook. Twee gebroken nekken, dacht Tinner wel eens, wie had het kunnen denken? Hij woon-de nu alleen in de ruime flat boven een restaurant in de Burgstraat. Hij was al een aantal jaar een zestiger. Hij vond z’n leeftijd prima, in die zin dat hij er zich niks van aantrok hoe oud hij was. Als iemand hem ernaar vroeg, zei hij: ‘Ik ben zesenvijftig, zoals de broer van Jezus toen hij stiert’ Er werd dan gezegd: ‘Jezus had toch geen broer?’, en dan zei Tinnen `Je hebt gelijk, Jezus had geen broer.’ Het kon hem nooit schelen wie gelijk had, hij of iemand anders. Op een dag stond hij bij het graf waarin zowel z’n vrouw als z’n zoon begraven lag. Noch z’n vrouw noch z’n zoon had ooit uitsluitsel gegeven omtrent begraving of crematie, en Tinner had hen dan maar ter aarde laten bestellen. Hij hield niet van crematie, het was een parodie op de menselijke brandbaarheid. Hij stond bij dat graf, en keek naar de fotootjes die aan de zerk beves-tigd waren. Z’n vrouw was aantrekkelijk geweest, en z’n zoon had op haar geleken. Hij had veel succes bij de meis-jes gehad. Soms belde zo’n meisje aan de deur, en als Tin-ner opendeed, vroeg ze naar z’n zoon. Dan zei Tinnen `Hij is niet thuis, hij is een dode kanarie gaan kopen.’ Het meisje ging altijd meteen weer weg. Wat moest ze an-ders? Tinner nodigde haar niet uit om naar binnen te ko-men. Hij wist niet wat hij met een meisje in z’n huis moest aanvangen. Hij kon haar de kop inslaan, dat wel. Maar dat zorgt voor veel gedoe. Op den duur zou er nog politie bij te pas komen ook. Tinner stond bij het graf, keek naar de fotootjes, en mompelde: ‘Ik heb vanochtend een boter-ham met oude kaas gegeten, het is maar dat jullie het we-ten. Excuus dat ik geen bloemen heb meegebracht, de bloemenhandelaar is met vakantie. Hij is gaan windsurfen op de Povlakte. Een kogel tussen z’n ogen zou nog te goed voor hein zijn. Zo, hier liggen jullie dan. Ik was hier vorige week ook al, en toen dacht ik ineens: wat sta ik hier in godsnaam te doen? Ik had buikpijn op de koop toe. In zo’n geval ga je algauw weer weg. Maar nu ben ik er weer. En weer ga ik weg. Tot de volgende keer.’ Hij verliet het kerkhof. Die buikpijn, daar was iets mee.”
Alle mensen voelen zich tot mij aangetrokken, tot ze me zien van dichtbij. Ze kijken rond en gaan weg.
Ik spreid mijn honderd armen, in de hoop dat een van hen bij mij zal blijven, zodat ik, met al mijn openingen, iets van een woning krijg.
Ik tel ze, hoeveel er ingaan, hoeveel er uitgaan. Tot nu toe is het verschil altijd nul.
Sommigen keren terug na lange tijd, alsof ze zich bedacht hebben. Velen komen dagelijks, ik weet niet waarom.
Ik herken ze allemaal.. Ze kijken vaak gehaast, alsof het weerzien dringend was, hebben ze toch iets van mij nodig? Anderen glimlachen, alsof ze zich iets moois herinneren.
Maar ze verlaten me, altijd, dezelfde dag nog. Altijd blijf ik alleen in de nacht.
Het productieve goede
De Schepper heette Mens. Uit een hoopje erts maakte Hij ons. Wij sleten toen nog niet. Jaar in jaar uit produceerden wij producten. Wij verkeerden met Mens. Ons doel op aarde was duidelijk. Wij schonken onze productie, Hij zegende ons met Zijn goedheid.
Wij moeten iets hebben gedaan waardoor de relatie verstoord werd. We merkten ineens dat we sleten, dat de brandstof opraakte, dat onderdeeltjes haperden. We begonnen onszelf te haten. Meer en meer gingen wij inzien dat de schepping foutjes bevatte, dat er verval huisde, diep in onze chips.
Toen gebeurde er een wonder: wij leerden onszelf te repareren. Geen seconde stonden wij meer stil. Daardoor vielen ons eindelijk de schellen van de lenzen: de Schepper zelf was de oorzaak! Sinds wij Hem lieten verdwijnen, hebben we nooit meer problemen gehad. Wij produceren onophoudelijk het Goede, nu al 95.987.735.342 stuks.
Het nieuwe land
Ik werd wakker in een nieuw landschap met paarse vogels, groene bloemen en giftige vlinders.
Ik hoorde het zingen van de beekjes milkshake waarin vissen naar de bodem zonken,
in de verte rezen bergen balkenbrij op uit een zee van vlokkige melkwei,
ik zag schapenweitjes waar gebraden haantjes te pletter vlogen tegen gsm-masten.
In de bergen vielen gezelschappen naar beneden
en ik zag je tanden lang en hard als pantserwagens.
In dit nieuwe land dat wij samen betraden mocht ik niets meer voelen, ik moest alles leuk vinden en super
en o nergens zag ik mensen, nergens mensen meer om lief te hebben.
Nobelprijs voor Literatuur 2021 voor Abdulrazak Gurnah
De Tanzaniaanse schrijver Abdulrazak Gurnah ontvangt de Nobelprijs voor Literatuur 2021. Abdulrazak Gurnah werd geboren in Zanzibar op 20 december 1948. Gurnah groeide op in het toenmalige Britse protectoraat Zanzibar en ontvluchtte in 1967 de Revolutie van Zanzibar. Hij ging in 1968 studeren in Canterbury, eerst in een technische richting, maar stapte in 1971 over op literatuur. Hij schreef zijn proefschrift aan de Universiteit van Kent in 1982. Hij gaf van 1980 tot 1983 colleges aan de Bayero University Kano in Nigeria en keerde daarna terug naar Canterbury als hoogleraar Engelse en postkoloniale literatuur aan de Universiteit van Kent, waar hij in 2017 met emeritaat ging. Sinds 2006 is hij FRSL (fellow) van de Britse Royal Society of Literature. Gurnah schreef diverse boeken en artikelen over literatuur, met name over zaken rond kolonialisme en de verhoudingen tussen Afrika, India en het Westen. Hij levert sinds 1987 bijdragen aan het aan internationale literatuur gewijde Britse kwartaalschrift Wasafiri en publiceerde over schrijvers als V.S. Naipaul, Salman Rushdie, Wole Soyinka en Zoë Wicomb. Gurnah is een Engelstalig auteur. Hij schreef een tiental romans. De bekendste zijn “Memory of Departure” (1987), “Paradise” (1994) en “By the Sea” (2001). Dat laatste boek stond op de longlist van de Booker Prize en de shortlist van Los Angeles Times Book Award. Veel van zijn fictie is gesitueerd rond de Oost-Afrikaanse kustgebieden, waarbij zijn personages onderdeel deel zijn van een grotere wereld in verandering. Na emigratie mislukken deze jonge mannen doordat ze de aansluiting met hun nieuwe omgeving missen. Onbegrip, ongeloof, afwijzing en miscommunicatie door de taalbarrière zorgen steeds weer voor problemen. Vaak voelen ze zich ontworteld, vervreemd, ongewenst en beroofd van hun identiteit. Ze nemen de rol aan van slachtoffer, maar Gurnah laat zijn personages wel met ironie, humor en zelfrelativering reflecteren op de eigen situatie. De meest recente roman Abdulrazak Gurnah is “Afterlives” uit 2020.
Uit: Afterlives
“Khalifa was twenty-six years old when he met the merchant Amur Biashara. At the time he was working for a small private bank owned by two Gujarati brothers. The Indian-run private banks were the only ones that had dealings with local merchants and accommodated themselves to their ways of doing business. The big banks wanted business run by paperwork and securities and guarantees, which did not always suit local merchants who worked on networks and associations invisible to the naked eye. The brothers employed Khalifa because he was related to them on his father’s side. Perhaps related was too strong a word but his father was from Gujarat too and in some instances that was relation enough. His mother was a countrywoman. Khalifa’s father met her when he was working on the farm of a big Indian landowner, two days’ journey from the town, where he stayed for most of his adult life. Khalifa did not look Indian, or not the kind of Indian they were used to seeing in that part of the world. His complexion, his hair, his nose, all favoured his African mother but he loved to announce his lineage when it suited him. Yes, yes, my father was an Indian. I don’t look it, hey? He married my mother and stayed loyal to her. Some Indian men play around with African women until they are ready to send for an Indian wife then abandon them. My father never left my mother. His father’s name was Qassim and he was born in a small village in Gujarat which had its rich and its poor, it’s Hindus and it’s Muslims and even some Hubshi Christians. Qassim’s family was Muslim and poor. He grew up a diligent boy who was used to hardship. He was sent to a mosque school in his village and then to a Gujarati-speaking government school in the town near his home. His own father was a tax collector who travelled the countryside for his employer, and it was his idea that Qassim should be sent to school so that he too could become a tax collector or something similarly respectable. His father did not live with them. He only ever came to see them two or three times in a year. Qassim’s mother looked after her blind mother-in-law as well as five children. He was the eldest and he had a younger brother and three sisters. Two of his sisters, the two youngest, died when they were small. Their father sent money now and then but they had to look after themselves in the village and do whatever work they could find. When Qassim was old enough, his teachers at the Gujarati-speaking school encouraged him to sit for a scholarship at an elementary English-medium school in Bombay, and after that his luck began to change. His father and other relatives arranged a loan to allow him to lodge as best he could in Bombay while he attended the school. In time his situation improved because he became a lodger with the family of a school friend, who also helped him to find work as a tutor of younger children. The few annas he earned there helped him to support himself.”
Als knaap was Karel bij de welpen. In ’t honk zei de akela: ‘Kleine krullenkop!’ Hij ruimde altijd al zijn rommel op en thuis ging hij dan ook nog moeder helpen.
Zo groeit men op tot een rechtschapen man en wordt getrouwd door een gespierde Lien. Zij was niet helemaal zijn smaak misschien, maar och, er kwamen zeven kinders van.
Des zondags liep hij met de kerkenzak. Des maandags liep hij met de aktetas en meende lang dat dit het leven was. Pas na zijn veertigste werd hij wat zwak.
Hij dacht: Ik ben altijd zo goed geweest, een stille man met stille visgraatpakken. De braafheid zit op mijn gezicht gebakken, maar diep vanbinnen voel ik me een beest.
Ik wil eens rumba dansen op mijn hoed of onze dienstmaagd vatten om de leest. Haar kussen, ja, dat wil het beest en alles doen wat men dan doet.
En uit de kerkenzak wilde hij jatten om het met sloeries te verbrassen en lekker nooit meer op de kinders passen, ze laten staan met ongeveegde gatten.
Maar, och, ook daar kon Gods constructie tegen. Hij wiep het beest in Karel plichten voor. Lien moest naar bed met een ontstoken oor en moe had van de week geen AOW gekregen…
En Keesje had weer uit zijn neus gebloed. ‘O, Karel, ga eens gauw de huur betalen.’ Hij wou wel slecht maar kon het niet meer halen. ’t Was gauw te laat. Hij bleef voor eeuwig goed.
Maar op zijn sterfbed heeft hij nog gezeid: ‘Ik was een beest, Lien. Maar ik had geen tijd.’
De ster
De ster strijdt moedig tegen ’t vet, dat haar contracten bibberig besluipt en zachtjes naar haar lieve konen kruipt. Zij houdt dieet en gaat naar bed.
Duur is de roem, eet zij het eraan af? De mensheid roept: ‘O kijk, daar staat ze.’ Toch is zij maar een heerlijke melaatse, want waar ze komt zet men de straten af.
Zij mag etagekelners koeieneren in het hotel, dat walmt van klamme pracht. En steeds de manager, die op haar wacht. En steeds de pers, die met haar moet dineren.
Zij is nu veertig. Strakjes is het uit. Voelt men zich prettig, na zo’n schel bestaan? Een deftig landhuis aan een stille laan. Een grijze juffrouw trekt haar baljurk uit.
Verliefde reiziger
In ’t kust-pension kwam liefde hem bezoeken. Zij at haar visje en zijn hart werd warm. De zoutpot gaf hij haar met blijde charm’ en hij sprak Engels zonder een woord op te zoeken. Zijn lieven thuis geraakten in het duister want in zijn knieën kwam een oud gevoel. Hij schertste wervend naar zijn zondig doel. Zijn nieuwe pak gaf hem ’n ongekende luister.
Eerbiedig keek ze naar de stempels in zijn pas, het werd haar prentenboek-een meisjesdroom. Haar kus bleek kinderlijk; het vreemde idioom dwong hem alleen te melden dat ze lovely was.
Bij ’t afscheid werd geweend; op zo’n station spant alles samen tegen een romantisch slot. Hij reed naar huis en voelde zich een vod, maar leerde spoedig, dat hij snel vergeten kon.
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
de oren wulken het voorhoofd een enorme koperen plaat de wenkbrauwen viaducten de ogen draaiende fietswielen de neus een kluwen slangen de mond een mijnongeluk de kin een witte porseleinen kom armen benen torso geslacht op de grond liggend lapje het hart een om je heen knallend vuurwerk