…noctes vigilare serenas, quaerentem dictis quibus et quo carmine demum…
Zonlicht en wolken en de roekelooze pracht der aarde, uitgebroken, naar het licht zich tillende en bevend toegericht, – bloeiende leeft het vóór mij in de stille nacht.
Helderder nog en klaarder, met in het verschijnen iets bovenaardsch, een glanzen als het eerste dagen van wat geschapen is en in een dwingend vragen mij toegewend. – O, eenmaal argeloos te zijn en
niets dan deel te wezen van dit bloeiend leven, – zooals het dier, het kind, uiteindelijk ontheven van wat ik zelf mij koos: dit zwoegen, deze pijnen.
Zal ooit het woord ik zóó formeeren dat gedreven, gevormd tot eigen staat, een wereld in het schijnen van jong ontsprongen licht mijn handen komt ontzweven?
Na den dag
Nog bergt de grond gegiste zon warm onder ’t harsig naaldtapijt, – een dierenspoor heeft naar de bron en deze stilte mij geleid, -het spat wat fijne zilverigheid –
De dag was ongemeten wijd, ik ben doorgloeid van wat ik won, – vandaag was het of nieuw begon de aarde in oorspronkelijkheid.
En óók het vers, waarop ik zon, – hoe werd het zóó van zelf bevrijd, elk woord of het niet anders kon volstrekt in zijn aanwezigheid.
Het ligt zoo glanzend uitgespreid in ’t effen rijm, dat het omspon en gaaf in zijn beslotenheid; – de hartslag van een verre bron rimpelt het even en verglijdt. –
Is dichten slechtsaandachtigheid? –
Faun
Hij staat geleund tegen de stam en keurt de saamgevoegde fluit, besprongen door de rosse vlam van het gewaaierd varenkruid.
Hij toeft, maar ademt elk gerucht, de geur van loover dat vergaat, het vallen van een rijpe vrucht, die in de weeke aarde slaat.
Het lichaam, in zijn korte rust, is wreed en teeder tegelijk; de oogen waken, fel van lust, over het ondoordringbaar rijk.
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997) Standbeeld in Zutphen (detail)
Ik ben een reizende, die gaat Van ’t een naar ’t and’re land; Zijn voeten loomen op de straat, Die, regenkil of zonverbrand, Een nieuwe weg naar ’t nieuwe spant.
Zijn mond raakt even rooden mond, Zijn lippen proeven vreemden wijn, — Dan voelt hij weer, hoe de oude wond Hem nimmer toestaat stil te zijn, En volgt zijn lange levenslijn.
En als de doovende avond daalt Vindt hij zichzelf aan ’t havenmeer, Waar van der masten toppen weer Lichtspiegeling in ’t water praalt En, peinzend, zit hij even neer
FRANCIS JAMMES
Dat is de weemoed van al stille steden: Een grachtje sterft in ’t late schemerlicht Waar ruiten gouden gaan de luiken dicht, Boomen alleen hun schaduw-tooien breeden.
De klare dag heeft elk gevoel gemeden Maar met vlijm-zilvren Meiemanezicht Begint ’t verlangen d’ oude reis en richt ’t Hart, dat in zalig droomenland wil treden.
In zoo’n klein stadje aan den voet van bergen Woont ook mijn dichter, dien ik meer bemin Dan deze arme woorden kunnen zeggen.
Omdat ik voel, hoe zijn gedichten bergen Mijn wezen, en dat, wat ik zwijgend zin, Hij open in zijn teeder lied kan leggen.
KORTSTE NACHT
Nu àl dagen lengen hunnen luister Wevende in een immer lichter kring, En de nacht maar is een droom van duister Tusschen schemering en schemering,
Op de toppen van den hoogsten zomer, Aan het keerpunt van mijn levenstijd, Wil ik staren, een verloren droomer, In de nacht, die langs mij henen glijdt.
Van de verten woeien vage vlagen Stemgejoel en dronkene muziek; Murmlen van geliefden klonk als klagen In de veiligheid van schaduws wiek;
Waar der seinen losse lichten hangen Dreunden treinen door den zomernacht. Alles was één trekken en verlangen Vol van de onrust, die in ’t donker wacht.
En ik bad tot U, mijn lieve leven, Dat de tochten van mijn bloed regeert: Wil mij nooit de dompe vreugde geven Van den wijze, die niet meer begeert.
Laat die vlam altijd mijn hart verteeren Door wier brand ik droefste dagen duld; Laat mij hijgen in een fel begeeren, Zóó verlangend en zóó onvervuld.
Moge nooit mijn bonzend hart vermanen, Voor de dood mijn lichtzieke oogen sluit, Wat ik meer vrees dan de laatste tranen, Wat mij erger dan niet zijn beduidt.
Nog kan ik uit drang en droom verkiezen – Om mij hing de nacht zijn klaarste schijn — Maar verkiezen is het droefst verliezen — Morgen reeds zal ’t nachten langer zijn.
J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.
Poëzie
In feite zal poëzie de bliksem laten inslaan in geen enkele groep kippen
Vandaag zijn gedichten als vlaggen die wapperen op het dak van de slijterij gedichten zijn als bavianen wachtend om te worden gevoed door toeristen
& maakt het uit hoeveel metaforen je de hand reiken wanneer de zon daalt als een opgezette vogel in het tropisch woud van je eenzaamheid
In feite zal poëzie geen jazz zingen door de vernauwde mond van een miereneter maakt niet uit hoeveel symbolen er overleven om de maan te zien sterven in het zaagsel van je teennagel
De Zwitserse, genderfluïde niet-binaire dichter en schrijver Kim de l’Horizon werd geboren op 9 mei 1992 in Ostermundigen, Haar debuutroman “Blutbuch” werd in 2022 bekroond met zowel de Deutscher Buchpreis als ook de Schweizer Buchpreis. Kim de l’Horizon ging naar de middelbare school in Winterthur en studeerde vanaf 2012 Duits, film- en theaterwetenschappen aan de universiteiten van Zürich en Bern. Daarna volgde een studie literair schrijven aan het Literatuurinstituut in Biel met een bachelorsdiploma in 2020. Zij schreef zich vervolgens in voor de masteropleiding Transdisciplinarity aan de Hochschule der Künste in Zürich. De l’Horizon is lid van de redactie van het literaire tijdschrift delirium. In 2017 werd voor het theatercollectief “e0b0ff” de bewerking “Wie eine Barke das Meer aus Testosteron durchpflügen” gemaakt, gebaseerd op het verhaal “Putas Asesinas” (Moorddadige hoeren) van Roberto Bolaño; Kim de l’Horizon trad daarin zelf op en was ook verantwoordelijk voor de kostuums. In het seizoen 2021/2022 nam de l’Horizon de rol van huisauteur op zich in het financieringsprogramma “Stück Labor” van de theaters van Bern. Zij is sinds 2023 columniste voor Tages-Anzeiger/Der Bund. De l’Horizon won verschillende prijzen. Ook ontving zij van de Ernst Göhner Stichting een beurs voor kunstenaars in opleiding. In een fictieve biografie vermeldt Kim de l’Horizon het geboortejaar 2666, wat werd geïnterpreteerd als een toespeling op Bolaño’s roman 2666. In 2022 ontving De l’Horizon de Literatuurprijs van de Jürgen Ponto Foundation en de Deutscher Buchpreis voor zijn debuutroman “Blutbuch”.
Uit: Blutbuch
„Beispielsweise habe ich „es“ dir nie offiziell gesagt. Ich kam einfach mal geschminkt zum Kaffee, mit einer Schachtel Lindt & Sprüngli (der mittelgrossen, nicht der kleinen wie üblich), oder dann später in einem Rock zum Weihnachtsessen. Ich wusste, oder nahm an, dass Mutter es dir gesagt hatte. „Es. Sie hatte „es“ dir sagen müssen, weil ich „es“ dir nicht sagen konnte. Das gehörte zu den Dingen, die mensch sich nicht sagen konnte. Ich hatte „es“ Vater gesagt, Vater hatte „es“ Mutter gesagt, Mutter muss »es« dir gesagt haben. Andere Dinge, über die wir nie sprachen: Mutters riesiges Muttermal auf dem linken Handrücken, die Schwere, die Vater — wenn er von der Arbeit heimkam — ins Haus schleppte; wie einen immensen, nassen, vermodernden toten Hirsch ins Haus schleppte; dein lautes Schmatzen, deinen Rassismus, deine Trauer, als Grossvater starb; deinen schlechten Geschmack, wenn es um Geschenke geht; die Liebhaberin, die Mutter hatte, als ich etwa sieben war, den silbrigen Ohrenring, den Mutter von ihrer Liebhaberin zum Abschied bekommen hatte, der wie eine lange Träne von Mutters Ohrläppchen bis fast an ihr Schlüsselbein reichte, als sie ihn noch anzog, um Vater zu provozieren; die unzähligen Stunden, die ich damit verbrachte — wenn ich mich unbeobachtet fühlte —, den Ohrenring von einer Hand in die andere gleiten zu lassen, den Ohrenring so in die Sonne zu halten, dass er flammende Muster an die Wände warf, meine unendliche Lust, diesen Ohrenring anzuziehen, meine unsägliche innere Stimme, die mir das verbot, meinen unendlichen Wunsch, einen Körper zu haben, Mutters unbändigen Wunsch, durch die Welt zu reisen. Wir sprachen nie über Politik oder Literatur oder die Klassengesellschaft oder Foucault oder darüber, dass Mutter die Matur auf dem zweiten Bildungsweg abbrach, als ich auf die Welt kam. Wir sprachen nie darüber, dass du einen Bart gekriegt hast, als du mit Mutter schwanger warst, dass das »Hirsutismus« heisst, wir sprachen nie darüber wie du das behandelt hast, ob du dich rasiert, gewachst oder die dunklen Haare mit der Pinzette ausgerissen hast, ob du Antiandrogene nimmst, um das Testosteron — das dein Körper »im Übermass produziert« — zu unterbinden, und wir sprachen nie darüber, wie du angeschaut wurdest, wie sehr du dich geschämt haben musst, wir sprachen sowieso nie über Scham, nie über den Tod, nie über deinen Tod, nie über deine wachsende Vergesslichkeit, wir sprachen sehr oft über die Familienalben und über jedes einzelne der Bilder darin, allerdings sprachen wir nie darüber, wie lächerlich Grossvater auf diesen Fotos aussieht, die er mit seiner Burschenschaft aufgenommen hat, wie komisch sie ihre Brust plustern und breitbeinig in die Kamera grinsen; wir haben nie über das Mädchen gesprochen, das bis zu einem gewissen Alter durch die Fotoalben geistert, meistens an deiner Hand, manchmal an einer der Hände deiner fünf Brüder, nein, wir haben nie darüber gesprochen, wohin diese jüngste Schwester namens Irma verschwunden ist.“
All this was written on the next day’s list. On which the busyness unfurled its cursive roots, pale but effective, and the long stern of the necessary, the sum of events, built-up its tiniest cathedral … (Or is it the sum of what takes place?) If I lean down, to whisper, to them, down into their gravitational field, there where they head busily on into the woods, laying the gifts out one by one, onto the path, hoping to be on the air, hoping to please the children— (and some gifts overwrapped and some not wrapped at all)—if I stir the wintered ground-leaves up from the paths, nimbly, into a sheet of sun, into an escape-route-width of sun, mildly gelatinous where wet, though ………………………………………………………………………………………………mostly crisp, fluffing them up a bit, and up, as if to choke the singularity of sun with this jubilation of manyness, all through and round these passers-by— just leaves, nothing that can vaporize into a thought, no, a burning-bush’s worth of spidery, up-ratcheting, tender-cling leaves, oh if—the list gripped hard by the left hand of one, the busyness buried so deep into the puffed-up greenish mind of one, the hurried mind hovering over its rankings, the heart—there at the core of the drafting leaves—wet and warm at the …………………………………………………………………………………..zero of the bright mock-stairwaying-up of the posthumous leaves—the heart, formulating its alleyways of discovery, fussing about the integrity of the whole, the heart trying to make time and place seem small, sliding its slim tears into the deep wallet of each new event ………………………………………………………………on the list then checking it off—oh the satisfaction—each check a small kiss, an echo of the previous one, off off it goes the dry high-ceilinged ……………………………………………………………………………….obligation, checked-off by the fingertips, by the small gust called done that swipes the unfinishable’s gold hem aside, revealing what might have been, peeling away what should … There are flowerpots at their feet. There is fortune-telling in the air they breathe. It filters in with its flashlight-beam, its holy-water-tinted air, down into the open eyes, the lampblack open mouth. Oh listen to these words I’m spitting out for you. My distance from you makes them louder. Are we all waiting for the phone to ring? Who should it be? What fountain is expected to thrash forth mysteries of morning joy? What quail-like giant tail of promises, pleiades, psalters, plane-trees, what parapets petalling-forth the invisible into the world of things, turning the list into its spatial form at last, into its archival many-headed, many-legged colony…. Oh look at you. What is it you hold back? What piece of time is it the list won’t cover? You down there, in the theater of operations—you, throat of the world—so diacritical— (are we all waiting for the phone to ring?)— (what will you say? are you home? are you expected soon?)— oh wanderer back from break, all your attention focused —as if the thinking were an oar, this ship the last of some original fleet, the captains gone but some of us who saw the plan drawn out still here—who saw the thinking clot-up in the bodies of the greater men, who saw them sit in silence while the voices in the other room lit up with passion, itchings, dreams of landings, while the solitary ones, heads in their hands, so still, the idea barely forming at the base of that stillness, the idea like a homesickness starting just to fold and pleat and knot ……………………………………………………………………………………itself out of the manyness—the plan—before it’s thought, before it’s a done deal or the name-you’re-known-by— the men of x, the outcomes of y—before— the mind still gripped hard by the hands that would hold the skull even stiller if they could, that nothing distract, that nothing but the possible be let …………………………………………….to filter through— the possible and then the finely filamented hope, the filigree, without the distractions of wonder— oh tiny golden spore just filtering in to touch the good idea, which taking-form begins to twist, coursing for bottom-footing, palpating for edge-hold, limit, now finally about to rise, about to go into the other room—and yet not having done so yet, not yet—the intake—before the credo, before the plan— right at the homesickness—before this list you hold in your exhausted hand. Oh put it down.
Een dag als deze, druilerig en grijs, aan ditzelfde raam, over een jaar of vijf, nog altijd aan het werk, of dat al opgegeven en alleen maar langzaam aan het overleven,
misschien nog steeds alleen, of draaglijk met een ander, starend naar het zwenken van de meeuwen laag boven de tuin, moet ik vast plots aan je denken,
net als op dit moment, en hoor ik weer je stem, maar hoe zacht, hoe zacht,
nog maar amper te verstaan, pas als ik je woorden opschrijf lees ik met een glimlach
niets dan mijn eigen naam.
Bliksemtocht
Ik landde op een lelie en ging de bloemkelk binnen langs een wenteltrap van ranke geuren. Hooglicht van honing vloeide beschroomd. En de wind die suizelde tussen de punten die vogels markeerden met hun ijl gezang dat blonk als parels op een vroege Rembrandt, als geluiden konden blinken, en dat deden ze, hier wel! Zo hing in een boom een fluister van golvend goudbrokaat, en in het gras trilde de klacht van een verdwaalde steppewolf. Zo toonde wat klonk zich, hier wel! Ik zat in de bloemkelk en gonsde van aandacht voor wat zich ontvouwde onder mijn handen: een loom silhouet van een meisje natuurlijk dat lachte als water des zomers langs rotsige oevers begroeid met exotische kruiden, en het wolkte omhoog als een zwerm voor het eerst aan de korf ontkomen bijen, en ook ik maakte deel uit van vleugels in voorjaar, klom boven de mogelijkheid van geluk uit en zag een fontein die zich proestend verhief op een duin dat zo even nog somber verdroogde, en zag hoe de lelie haar maskers afzette en de gerimpelde tronie zich toonde van wat was en is en zal.
Goochelaar met hoeden en echte handgranaten, Buitelaar, slangenmens, imitator, Levend standbeeld, koorddanser, ontsnappingskunstenaar, Amateur buikspreker en helderziende
En dat allemaal zonder te worden ontmaskerd Ondertussen ontspannen over straat kuierend, Koop ik op een of andere hoek een krant, Buig me voorover om een blindegeleidehond te aaien
Of zit tegenover je vrouw aan tafel te eten Terwijl zij doorzeurt over het weer En jij je concentreert op een trapeze in je hoofd, De tijgers woest in hun kooi heen en weer lopen.
De Nederlandse schrijfster Mariken Heitman heeft de Libris Literatuur Prijs 2022 gewonnen en het bijbehorende prijzengeld van 50.000 euro. Heitman krijgt de prijs voor haar roman “Wormmaan”. De jury onder leiding van Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam koos uit zes genomineerden de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2022 voor de beste oorspronkelijk Nederlandstalige roman van het afgelopen jaar. Mariken Heitman werd geboren in Rheden in 1983.
Uit: Wormmaan
“Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit. Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. De aarde zal het toelaten, ze is kil maar gewillig vandaag. Haar kalende huid schemert door de begroeiing. Winterrogge, in een grasachtig stadium nog, bedekt amper. De aangekoppelde spitmachine zakt. Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder. Nog maar een maand geleden lag er een harde korst over de aarde. Niets is sterker dan bevroren grond, weten boeren en grafdelvers. De vorst was maar enkele centimeters doorgedrongen, toch was het genoeg om al dat trekkergewicht te dragen. De aarde liet zich niet verslempen door gedraai van banden. De mestverspreider hoestte brokken, ertussen draaide de aftakas gierend rond en de beschermkap ratelde als een hondsdol beest. Nooit kon ik de gedachte onderdrukken aan boeren die er met hun mouwen tussen kwamen. Altijd de aftakas uitzetten als je moet sleutelen, beet ik de jongens toe die het trekkerwerk deden. Liever reed ik zelf, maar dat hoorde al lang niet meer tot mijn takenpakket. Dus smukte ik mijn verhalen op met geschreeuw, bloed en amputaties. Ze keken me lodderig aan met hun vers geschoren wangen en afgemaaide krullen, net de puberteit ontgroeid. Want het hoorde erbij, man werd je met gevaar. Zonder oorlog, zonder meisje om te veroveren, moest het zo. Wanneer ze, te los in hun ledematen, kroketten en wit brood bestelden in de kantine, snoof ik in het voorbijgaan hun lichaamsgeur op, die nu al verenigd was met die van aarde, mest en diesel. Klonten vielen van hun werkschoenen en bleven achter op het linoleum, niemand die er wat van zei. Alsof er een aardekleurige marker door het groen trekt. Er gaat opwinding uit van leeg land. Ik pak een hand aarde en knijp erin. Nog aan de vochtige kant. De jongen in de cabine kijkt achterom. Ingespannen tuurt hij van de spitmachine naar mij. We knikken. Dan klinkt een harde klap. De schoepen komen tot stilstand, de spitmachine rijst schokkerig op uit de aarde en de jongen springt uit de cabine. Ik loop ook het veld in. We bukken en zien een steen, ter grootte van een forse pompoen.”
Zoals ze in je praat en dingen vindt, dwars door je eigen woorden klinkt, vaak ongevraagd, doe je haar nou wat opzij, je hebt toch ogen, waarom moet dat nou zo open, die mouwen staan je raar en doe een das om als het waait.
Zoals ze in je borstkas zucht wanneer je iets onnodigs dreigt te kopen, zegt dat suiker, vet, voor je bloed, je hart, je lever slecht, door drank en sigaretten is gekwetst, als je slordig oversteekt of fietst door rood – je mag van haar niet dood, niet eens geschud, geschaafd.
Als een achtervolgingsscène die een leven lang vertraagd wordt afgespeeld. Ze loopt je na. Dit voortbewegen, één en twee, in hetzelfde beeld.
Zo vaak val je tegen, zo vaak val je mee. Steeds ongevraagd gered. Bij hond, stoep, hek en noodlot weggegrist. Je kijkt naar haar. Je weet niet wie ze is.
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 16 januari 1980) Utrecht, Oude Gracht
Het begon zonet met een kolibrie Die binnen handbereik boven de veranda hing, toen weg was, Het maakte een eind aan mijn gepeins. Ik zag de roodhouten paal Die in een aardkluit staat Omstrengeld door een struik vol gele bloemen Hoger dan mijn hoofd, waar we ons doorheen werken Telkens als we binnenkomen – Het schaduwnetwerk van het zonlicht Door zijn twijgen. Witkuifmussen Gaan zingend tekeer in de bomen De haan in het dal kraait almaar door. Buiten, achter mijn rug, leest Jack Kerouac de Diamant Sutra in de zon. Gister las ik in De Vogeltrek: De goudpluvier en de arctische stern. Vandaag voltrekt zich die grote verstrooiing voor onze deur Want alle vinken en treklijsters zijn ervandoor, Broedse scharrelaars pikken stukjes touw mee En op deze wazige dag Van zomerhitte in april Jagen de zeevogels de Lente na Over de heuvel noordwaarts langs de kust: Over zes weken Nestelen in Alaska.
“Toch had de waarschuwing, welke in de tijdelijke afwezigheid van de deken harer kostgangers opgesloten lag, een zekere wrok bij madame Brulot achtergelaten, en daar zij nu begreep dat men met de oude nergens goedkoper terecht kon dan in de Villa des Roses, liet zij nooit na, wanneer het haar bij het armbestuur niet voor de wind ging, madame Gendron schamper te vragen ‘of zij soms niet weer van plan was weg te lopen’. Bij de eerste oogopslag zag madame Gendron eruit als een nette, bejaarde dame, doch bij nadere beschouwing werd zij wel degelijk een heel, heel oude vrouw. Zij was lang van gestalte en hield zich vervaarlijk recht, want zij was nu eenmaal te stijf om nog krom te kunnen groeien. Veel vlees zat er niet meer aan, en haar handen beefden zó, dat zij met een stuk brood wel eens bij een van haar oren terechtkwam, als zij het in haar mond wilde steken. Zij kon nog zonder iemands hulp de trap afkomen, wanneer gebeld werd voor het eten, als zij maar eenmaal de leuning goed beethad. Toch stak de heer Brulot haar wel eens een hand toe, en leidde hij haar zelfs aan de arm de feestzaal binnen tot op haar plaats aan de gemeenschappelijke tafel. ‘Men moet galant zijn voor dames’ beweerde hij dan. Maar vooral wanneer zij sprak kreeg men een indruk van ontzaglijke ouderdom. Schor was haar stem niet; zij scheen veeleer de intonatie te hebben weergevonden, waarmede zij als kind haar lessen van vaderlandse geschiedenis moet opgezegd hebben. Zij sprak op één toon, geraakte soms van de wijs en gebruikte zinswendingen uit het verleden. Zij liep met behoedzame stap, als vertrouwde zij de grond niet goed, en zeker zou zij de kostgangers door haar plotselinge verschijning dikwijls hebben gestoord of doen schrikken, indien zij niet voortdurend een zacht kuchen had uitgestoten, waardoor zij haar nadering aankondigde, zoals weleer pestlijders deden die bellen moesten wanneer zij de straat opliepen. In de prijs van achttien franc was begrepen dat madame Gendron elke dag gewassen, gekamd en grondig schoongemaakt moest worden. Met dit werk waren de dienstmeisjes belast, die er een pretje van maakten en het wassen tot tweemaal in de week hadden teruggebracht. Er huisde op de kamer van madame Gendron een leger wandluizen, die zich, wonderlijk genoeg, niet verder door de Villa verspreidden. Iedere zaterdag werd op het ongedierte jacht gemaakt, maar het was een hopeloze strijd, die men tóch niet dorst op te geven, omdat de lokalisering van het kwaad aan de wekelijkse slachting werd toegeschreven.”
Niet dat het ons aan woorden ontbreekt – Ze komen onze strot uit
Nou nou, zei hij En stond al met één been op de trap
Maar ze klinken opgeblazen Brijig, redactionele knoedels. Je vormt je nog een idee Van waar het om ging En verzuipt al lang in de schulden Aan de onderhandelingstafel, als het plan wordt bij gesteld.
Klassenstrijd – o vloekwoord Geen boter bij de vis.
Kom ter zake, vriend
Jazeker, maar natuurlijk, graag Nemen wij nog Met beide handen het initiatief En slepen er het levenspeil Met de haren bij. Maar waarom Rafelt het bewustzijn uit In Neulobeda? Infectieverlangen Op het erekleed, roestige souvenirs Van de toekomst. Het socialisme, nog slechts een metafoor Maar waarvan?
bohemen begin 16e eeuw, een stil diep uitgesleten dal in het ertsgebergte de beer leeft er, de wolf, een enkele woudboer, we hebben er niets te zoeken zeker niet in een herfststorm
razend was de wind, het knarste het zwiepte het boog machteloos het woud, het kermde het kiepte het brak bladstil is het nu, het glinstert – wat glinstert? de zon breekt door
overal druisen de stroompjes holderdebolder de berg af her en der ligt een gevloerde boom, daar glinstert het tussen de boomwortels: zilver! het ligt er voor het oprapen geen woudbewoner die haast maakt, het zilver wacht wel stroompjes zullen opdrogen modder zal inklinken, geen haast
bohemen tweede kwartaal 16e eeuw, een diep uitgesleten dal in het ertsgebergte hebben we er niets te zoeken?
elders begint het rond te zingen: zilver! zilver! zilver in een afgelegen dal in het ertsgebergte we hebben er iets te zoeken! het begint rond te schreeuwen we halen de berg leeg! mijnbouw! we worden rijk! bouw huizen! we stichten een dorp, een vrij dorp! we noemen het sankt joachimsthal een rijk dorp, alle dagen glinstert het zilver maar hoe maakt het zilver ons rijk? munten! we munten het zilver als joachimsthaler we noemen hem taler, daler, daalder, dollar we zetten sankt joachimsthal op de kaart
niet alle dagen glinstert het zilver, soms hebben we pech stuiten we op zwartgrijs gesteente met vaalbruine strepen waardeloos spul, iemand noemt het pechblende haha
berlijn laatste kwartaal 18e eeuw
muizenkeutels geraspte mummie gedroogde biet al eeuwen genezen ze ons maar wij staan niet stil chemische verbindingen, daar knapt men van op! en je vindt ze overal, in water in steen in de lucht apotheker klaproth pakt er zelfs pechblende bij en jawel hij vindt iets: een raar soort halfmetaal noemt het uranium naar de pas ontdekte planeet uranus een wondermiddel? wie weet, maar zeker een kleurstof groen en geel, dat heeft potentie!
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
De grote leugens
De grote leugens hebben helemaal geen korte benen
hun benen lijken kort omdat hun armen zo lang zijn
de armen van de grote leugens reiken zo ver dat ze de waarheid benen kunnen geven of gebeenten.
Het bevrijdingsmonument (Sint-Joris en de draak) in Helmond
Bevrijding
Die avond dat ik de geluiden hoor, wanneer de stilte weer is dichtgeslagen, een auto in de laan, een vogel voor het venster zingend en zijn lied gaat door, verwijdt het landschap zich, leef ik de dagen van het verleden weer, schoten weerklinken, er rijden treinen door het regenlicht. Onmenselijk ligt de zee rondom te blinken, de aarde staan de tranen in ’t gezicht. De doden liggen met de ogen dicht, maar in een hemel schallend van geluid slaan grote engelen de vleugels uit.
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995) Het oorlogsmonument in Zwolle, de geboorteplaats van Jan Willem Schulte Nordholt
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
Het is wat het is
Het is onzin zegt het verstand Het is wat het is zegt de liefde
Het is ongeluk zegt de berekening Het is alleen maar verdriet zegt de angst Het is uitzichtloos zegt het inzicht Het is wat het is zegt de liefde
Het is belachelijk zegt de trots Het is lichtzinnigheid zegt de voorzichtigheid Het is onmogelijk zegt de ervaring Het is wat het is zegt de liefde
Waarom draait een groot geschil? Kijk vannacht eens lang en dood doodstil vanuit de sterren naar deze kleine aarde. Wat blijft eigenlijk van verre over van onze eigenwaarde? Niets in de eeuwigheid om voor te vechten zo gezien en waar kan een oorlog anders nog toedienen?
Ikzelf was eens in een daarvan gevangen en zag de eeuwigheid al gapen in de dood-saaie eindeloze tijd van ons hopeloos verslappende verlangen naar vrijheid of desnoods een kopje chocola met niets dan eindeloze slaap daarna.
Mensen! Hoe zoet is men geschapen! Hoe prachtig pas men in elkaar! Ik ben verliefd op jullie, maar ik ga met één oog open slapen: ergens is jullie vreselijkste wapen vast bijna klaar.
Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014) Dodenherdenking op de markt in Gouda, de geboorteplaats van Leo Vroman
De Duitse dichter, schrijver en essayist Paul Heyse werd geboren in Berlijn op 15 maart 1830. Zie ook alle tags voor Paul Heyse op dit blog.
In het Coliseum te Rome
Veel rustiger vloeit in dees lucht ons ’t bloed. Hier leert het hart zijn stormen te bedwingen, En schaamt zich dat, waar werelden vergingen, ’t Verganklijk schoon zoo fel ’t nog jagen doet.
Roept hier niet elke steen: ‘Gij worm, gij bloed! Houd op uw nietig Ik voorop te dringen! Wat u beweegt, u klagen doet of zingen, ’t Is een atoom in ’s geestenwerelds vloed!’
Doch, zie, terwijl mij de oeverlooze stroomen Omruischen, waar zooveel in om moest komen, Dat heerlijk was, en schoon, en wonderbaar, Kan ik mijn leed toch maar niet goed verzetten, Als ’t rijm mij faalt voor een van mijn sonnetten. O tegenspraak! uw naam is Mensch, voorwaar!